Rijksmonumentenregister · Netherlands
Deelen/Vliegveld
Arnhem, Gelderland, Netherlands
The record
- Designation
- National monument (rijksmonument)
- Class
- Open verdedigingswerk
- Category
- onroerend gebouwd
- Built
- 1940 - 1945
- Address
- Koningsweg bij 17 B, 6816 TC Arnhem
- Place
- Arnhem
- Province
- Gelderland
- Country
- Netherlands
- Coordinates
- 52.05383, 5.87571
- Part of complex
- 529781
- Monument number
- 529782
Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.
University Library, Vrije Universiteit AmsterdamUniversity Library, Vrije Universiteit AmsterdamUniversity Library, Vrije Universiteit Amsterdam
3 historical maps cover this location, the earliest the 1918 map "Bl. 19 Arnhem, 1918" (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).
This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗
The register's description
Omschrijving
Omschrijving
TERREIN met AANLEG. Het door de Duitse bezetter in de jaren 1940-1945 ontwikkelde vliegterrein van Vliegveld Deelen werd aangelegd op de Kemper Heide, met enige uitlopers op de Deelensche Start en de Arnhemsche Heide. De bodem waarop het eigenlijke vliegterrein tot stand kwam, bestaat uit zand en maakt deel uit van een relatief vlak gedeelte van de door gletsjerijs opgestuwde zuidelijke Veluwe. Het maaiveld ligt gemiddeld op circa 45 m + NAP, waarbij het oppervlak licht helt van noordoost naar zuidwest. Het terrein was rond 1940 nog een groot aaneengesloten heideveld, dat beperkt met bomen was begroeid en dat aan de zuid- en zuidwestzijde en in het noordoosten werd begrensd door percelen cultuurbos. Het terrein werd doorsneden door een beperkt aantal gefixeerde wegen en een web van organisch gegroeide en aan de omstandigheden aanpasbare zandwegen. De bijbehorende, ook onder de Duitse bezetter gebouwde, militaire kampementen zijn tot stand gekomen binnen de 19e- en vroeg-20e-eeuwse ontginningen aan de randen van deze heidegebieden. Het vliegterrein ligt noordelijk van de reeds van oudsher kaarsrechte Koningsweg en ten westen van de huidige Hoenderloseweg, die pas in de 19e en de 20e eeuw in fasen zijn huidige beloop kreeg. De Koningsweg zou in rudimentaire vorm dateren uit het laatste kwart van de 17e eeuw - de tijd dat stadhouder Willem III koning van Engeland was. De Koningsweg is nog steeds als belangrijke verbinding en als een ruimtelijk structurerend element aanwezig, vooral ook doordat hij als nederzettings- en ontginningsbasis functioneerde. De Hoenderloseweg werd in de loop van de 19e eeuw van een slingerend zandpad opgewaardeerd tot onderdeel van een half verharde landweg van Hoenderlo naar Arnhem. Deze had een beloop dat onder meer samenviel met de huidige, kaarsrechte Deelenseweg. De aanleg maakte deel uit van de grote ontginningen in dit deel van de zuidelijke Veluwe. De constructie van het vliegveld verliep volgens een bestaand ideaalplan, maar is vrijwel zeker ook naar de plaatselijke situatie voorbereid geweest. Start- en landingsfaciliteiten waren al kort na de bezetting operationeel en de plattegronden van de infrastructuur van kampementen waren voor het eind van 1940 voor een belangrijk deel ingevuld. Het vooroorlogse ideaalplan laat zich goed herkennen bij Fliegerhorst Deelen, waar bovendien een hoog gelegen commandocentrum werd gebouwd op de Kop van Deelen. De technische functies en het eigenlijke vliegterrein of rolveld zijn vrijwel allemaal ten noorden van de Koningsweg gesitueerd, terwijl de woon- en verblijfsruimten, de wegtransportsector en de recreatieve voorzieningen, enz. vrijwel alle ten zuiden van de weg werden gebouwd. Bij de aanleg van het vliegterrein werd de daar bestaande verkeersinfrastructuur voor een deel dankbaar gebruikt: meerdere wegen en paden werden verbreed en/of verbeterd. Bovendien is het aanwezige opgaande groen optimaal benut voor camouflagedoeleinden en werd er op de Kemper Heide een grootschalige ontginning uitgevoerd en werden er diverse gewassen ingezaaid, uit zowel economische als camouflage overwegingen. De egalisering van het rolveld en de aanleg van start- en landingsbanen en rol- en taxibanen op de Kemper Heide werd in verschillende, elkaar deels overlappende fasen gerealiseerd tussen mei 1940 en mei 1941. Binnen een jaar ontstonden vier start- en landingsbanen, waarvan de oudste ongeveer oost-west was gericht. De eerste werken werden al in mei en juni 1940 uitgevoerd; deze omvatten onder meer het egaliseren en weer bruikbaar maken van het door de Nederlanders omgeploegde terrein, waarbij een ongeveer oost-west gerichte, half of niet verharde vliegstrip tot stand is gekomen, die zich westelijk van de Kop van Deelen bevond. Het beloop hiervan is niet bekend, maar denkbaar is dat hij valt te vereenzelvigen met de vooroorlogse, kaarsrechte, nu nog slechts rudimentair aanwezige weg van Kop van Deelen naar Deelensche Start, die aansloot op een bosweg naar het zuidwesten, de huidige Karitzkyweg. Een tweede vooroorlogse verbinding op het tot ontwikkeling te brengen vliegterrein was de noord-zuid gerichte, toenmalige, vrijwel kaarsrechte Hoenderlosche Weg, waarvan nog resten in het terrein aanwezig zijn en waarvan enkele gedeelten in en na de oorlog zijn benut bij de aanleg en de verdere ontwikkeling van het vliegveld. Daarna werd een meer definitieve aanleg begonnen: van juli tot en met oktober 1940 is gewerkt aan twee start- en landingsbanen: de oost-westbaan en de noord-zuidbaan - beide zuidelijk van de provisorische eerste en vervolgens kwam in de periode november 1940 tot en met februari 1941 de derde baan tot stand, van zuidoost naar noordwest. Hiermee was het driehoekige banenstelsel compleet, dat - op de kaart of vanuit de lucht gezien - een op zijn rechter been liggende hoofdletter A vormt. Er vond stenen en betonnen verharding van de drie 50 m brede banen plaats, terwijl links en rechts ook nog een veiligheidsstrook van 25 m in acht werd genomen. Als markering zijn reflecterende stenen toegepast. De oost-west gerichte baan was het belangrijkst en deze werd aan weerszijden voorzien van betonnen afwateringsgoten, een soort riolering dus. Min of meer tegelijkertijd werden ook rolbanen rond het vliegterrein aangelegd, waardoor de koppen van de start- en landingsbanen met elkaar werden verbonden en de vliegtuigen dus posities konden kiezen. Het rolbaanstelsel werd zo veel mogelijk onder dekking van de bestaande begroeiing rond het terrein gerealiseerd door verbreding van de paden, terwijl ook daarbuiten soms gebruik werd gemaakt van de aanwezige infrastructuur. Dit laatste was onder meer het geval bij de uit de 19e eeuw daterende Rijdersweg en bij de weg van Kop van Deelen naar Deelensche Start en de aansluitende Karitzkyweg. Het rolveld en het stelsel van rolbanen, hadden niet de in het ideaalplan geschetste cirkelvorm, maar een spiegelbeeldige hoofdletter B-vorm, waaraan in het noorden nog enkele lussen waren toegevoegd. De omstreeks 15 m brede rolbanen waren uitgevoerd in verschillende materialen, waaronder baksteenklinkers en beton en ze waren omzoomd door betonnen banden, terwijl ze op meerdere plaatsen ook werden voorzien van afwateringsgoten.
De uit de oorlogsjaren daterende start- en landingsbanen zijn grotendeels nog goed herkenbaar. De banen volgen de lichte glooiingen van het terrein en zijn kennelijk bij de aanleg niet geheel uitgevlakt. Van de oorspronkelijk uit de 19e en het begin van de 20e eeuw daterende Hoenderlosche Weg en de vrijwel haaks hierop staande en mogelijk als provisorische startbaan gebruikte weg van Kop van Deelen naar Deelensche Start en verder richting Karitzkyweg zijn nog in het veld herkenbare langere en kortere relicten aanwezig. Terwijl de noord-zuidbaan is verlengd en geasfalteerd en aan de westzijde is voorzien van een taxibaan, zijn de beide 'benen' van de liggende letter A voor een groot deel intact gebleven. De banen zijn weliswaar deels voor de helft (d.w.z. in de breedte) afgegraven en deels overwoekerd met gras, maar het tracé en de lengte zijn grotendeels gehandhaafd, terwijl ook het plaveisel en de afwateringsgoten nog voor een belangrijk deel zichtbaar aanwezig zijn, zelfs bij het half afgegraven deel van de baan, waar de goten nog vrij in het terrein liggen. De banen zijn kennelijk uitgevoerd in parallel gelegde betonstroken, die zijn gescheiden door banden klinkers en / of keien, terwijl op meerdere plaatsen zichtbaar herstelwerkzaamheden zijn uitgevoerd in andere materialen. De goten zijn eveneens in beton uitgevoerd en ze worden afgedekt door betonnen deksels met dwarse gaten. Een markant punt is de samenkomst aan de oostzijde van het stelsel (de top van de letter A), waar beide banen over de volle breedte aanwezig zijn en een groot, kruislings door scheidende banden doorsneden 'plein' vormen. De gemoderniseerde en verlengde noord-zuidbaan is voorzien van een nieuwe slijtlaag, maar volgt nog wel het uit de oorlogsjaren daterende tracé.
De rolbanen / taxibanen, die de koppen van de start- en landingsbanen verbonden, alsmede de banen waarlangs de vliegtuigen taxieden of konden worden opgesteld, werden - zoals voorzien in het ideaalplan - zo veel als mogelijk langs de bosranden geleid. Aan de zuid- en de westzijde van het vliegveld was dit mede mogelijk geworden door de annexatie van ruim 2000 ha van de aan de heide grenzende bossen van het park De Hoge Veluwe. Een belangrijk deel van de huidige fiets- en rijroutes binnen het oostelijk deel van het nationaal park gaat dan ook direct terug op deze uit de oorlog stammende rolbanen. Duidelijke voorbeelden zijn te vinden aan de noord- en westzijde van het terrein; ze bevinden zich direct aan de grenzen van het vliegterrein. In het zuiden viel de rolbaan samen met de op 850 m van de Koningsweg lopende achtergrens van de ontginningen van onder meer de goederen Vrijland en Petersburg, die al spoedig werden gevorderd. In het oosten en noordoosten was de rolbaan iets minder goed beschut, maar in het noordwesten boden de bossen van Deelensche Start zelfs voldoende dekking voor een tweetal parallelle taxibanen. In het bijzonder in dit gebied hield men tot op detailniveau rekening met de aanwezige begroeiingszones: de banen werden dicht tegen de uit de 19e eeuw stammende, als wind- en zandsingels aangelegde en rond 1940 nog steeds in vergelijkbare vorm aanwezige, langgerekte bosschages gesitueerd.
De rolbanen zijn net als de start- en landingsbanen nog goed in het veld herkenbaar en zijn ten dele in hun oorspronkelijke vorm behouden. In het bijzonder in het zuidelijk en zuidwestelijk deel van het terrein zijn gedeelten op volle breedte en in het originele materiaal behouden. Ook bij de rolbanen zijn beton en baksteen toegepast tussen smalle betonnen banden en hier en daar zijn nog delen van de afwateringsgoot zichtbaar. Het oorspronkelijke, vermoedelijk omstreeks 15 m brede wegprofiel is (vanwege hergebruik en winst in agrarische grond) niet overal meer aanwezig; specifieke plaatsen zijn het van zuidwest naar noordoost gerichte deel van de rolbaan ten noorden van de drie voormalige verwarmde hangars van het adres Koningsweg 17 c (de Reynouthoeve) en een ongeveer oost-west gericht deel ten noorden van het kamp de Zeven Provinciën. Beide fragmenten zijn buiten het huidige vliegveld gelegen, evenals enige onderdelen op het terrein van Nationaal Park De Hoge Veluwe; van deze laatste is het profiel overigens vrijwel overal versmald. Ze dienen thans als fietsroute en hiertoe zijn deze trajecten bovendien van een asfalt slijtlaag voorzien. Het gaat verder ook om een aantal thans op de hekken rond het vliegveld doodlopende - en daar voorbij, op het terrein van de Hoge Veluwe, opgebroken - fragmenten van eveneens als rolbaan aangelegde (of gebruikte voormalige land)wegen. De aansluiting van dit deel van de rolbaan aan het zuidelijk gedeelte - ongeveer op de achtergrens van de 19e-eeuwse ontginningen - wordt gevormd door een opvallende driehoekige wegstructuur, die (hoewel nu geasfalteerd) teruggaat op een aanleg uit de Tweede Wereldoorlog. Van het zuidelijk gedeelte van de rolbaan is aan het eind van de 20e eeuw een deel integraal opgeruimd ten behoeve van de aanplant van hoog opgaand groen, met als doel 'teruggave aan de natuur'. Van het oostelijk en noordoostelijk gedeelte van de rolbaan werden de breedte en het verloop weliswaar gehandhaafd, maar vanwege gebruik als ontsluitingsweg en taxibaan naar een aantal operationele gebouwen is hier meestal een asfalt slijtlaag aangebracht.
Langs de rolbanen werden in totaal vele tientallen technische ruimten gebouwd, hangars geconstrueerd of open scherfvrije vliegtuigopstelplaatsen gemaakt - zogenoemde 'Splitterboxen' (Duits) of 'funnels' (Engels). In principe werd hierbij voor de beschutting van begroeiing gekozen, maar soms ook doelbewust voor solitaire bouw in het open veld. In het laatste geval kan dat nauwelijks anders dan uit een oogpunt van 'afleiding' van de werkelijke concentraties van materieel zijn geweest. In vrijwel alle gevallen werd een vorm van camouflage toegepast, hetzij met netten, hetzij door het kiezen van gebouwtypen die een agrarische functie simuleerden. Van de verschillende typen vliegtuigopstel- en werkplaatsen zijn vooral de zogenoemde 'Splitterboxen' of 'funnels' in een wijde kring rond het vliegveld aangelegd. Daar waar van nature reeds hoog opgaande begroeiing aanwezig was werden open plekken gehakt en oneffenheden geëgaliseerd, waarbij het vrijkomende zand en andere materialen als bescherming tegen bomscherven en als camouflage konden worden toegepast door ze rondom in walletjes op te werpen.
In totaal moeten zo'n 75 werk- en opstelplaatsen zijn aangelegd, maar van de rond 60 buiten de 'Werft Vrijland-Noord' - het technische centrum - gelegen overdekte exemplaren zijn er slechts vijf over. Van de gebouwde verwarmde werkplaatsen en montagehallen ('Wärmehallen'), zijn de meeste vanuit camouflageoverwegingen als boerderij of schuur uitgevoerd. Niet zelden waren ze zelfs ook opzichtig op het land geplaatst, voorzien van een zadeldak (met wolfseind) en beschilderd met schijnvensters en schijndeuren. Naast zulke nadrukkelijk door de bouwwijze en de locatie gecamoufleerde opstelplaatsen zijn er ook hangars op het terrein gebouwd, waarvan er één relatief gaaf is bewaard. Enkele exemplaren van de expliciet als boerderij gecamoufleerde opstelplaatsen, alsook een voormalige locomotiefloods, zijn na de oorlog hergebruikt - toen écht als boerderij of schuur. Met name vier boerderijen uit de wederopbouwperiode - ze hebben de namen van de legendarische Vier Heemskinderen gekregen - spreken wat dit betreft tot de verbeelding, ook door hun nu niet streekeigen vormgeving en bepleistering. Bij verschillende opstel- en werkplaatsen waren wasplaatsen ingericht; ten minste één ervan bleef herkenbaar bewaard bij de boerderij Reynouthoeve. Naast deze opstelplaatsen zijn ook enige technische gebouwen en installaties op het vliegterrein verrezen, waarvan een deel in de jaren kort na de oorlog.
Een aantal nog bestaande - meer of minder complete of gave - hangars en Wärmehallen wordt hierna afzonderlijk beschreven. Van de Splitterboxen zijn absoluut én naar verhouding meer resten in het terrein herkenbaar gebleven, al zijn er wel verscheidene - meer of minder opzettelijk - overwoekerd geraakt Van de Splitterboxen zijn nog vrij veel voorbeelden op en rond het huidige vliegveld te herkennen. Verscheidene van deze opstelplaatsen langs de (buitenste) rolbanen zijn nu met begroeide wallen omzoomde velden; in enkele gevallen zijn ze als picknickterrein ingericht. Enkele van de meest duidelijke bevinden aan de noordwestzijde van de rolbaan, langs het van zuidwest naar noordoost gerichte deel ten noorden van de boerderij Reynouthoeve, maar ook ten oosten van deze boerderij zijn er enige. Weer enkele andere liggen aan het zuidelijk deel van de rolbaan, ongeveer ten noorden van het kamp Koningsweg-Noord en ook enige iets oostelijk hiervan, precies in de zone waar de rolbaan 'aan de natuur is teruggegeven'. Wat minder herkenbaar zijn de Splitterboxen in het noordelijk deel van het vliegterrein en ook die welke thans binnen het Nationale Park De Hoge Veluwe liggen. Ze zijn - vrijwel zonder uitzondering - in de loop der tijd wel verwilderd, maar zelfs het aantal op de kaart herkenbare exemplaren is sedert omstreeks 1955 nauwelijks meer veranderd.
Een belangrijk onderdeel van de infrastructuur werd gevormd door het in de periode juni 1941 tot februari 1942 tot stand gebrachte zogenoemde Bommenlijntje, een spooraansluiting vanaf Station Wolfheze, die het vliegveld vanuit het zuidwesten bereikte en enige vertakkingen kende. De spoorbaan bereikte het vliegveld uit het zuidwesten, het gebied van de Kemperberg en boog dan vrij scherp af naar het oosten om in een rechte lijn langs de zuidzijde van de rolbaan uit te komen. Er was een aftakking richting de bunker Diogenes en ook één in noordelijke richting - ten dele dwars over het zuidelijk deel van het vliegveld - naar het 'Luftminenlager', de bommenopslag.
Van de spoorlijn zijn relatief weinig zichtbare resten meer aanwezig. Het meest in het oog springend is de voormalige locomotiefloods, nu onderdeel van de boerderij Ritsaerthoeve; het van zuidoost naar noordwest lopende pad hierlangs maakte deel uit van het spoor. Verder is er nog een loswal aan de rolbaan en bovendien zijn hier en daar relicten van het voormalig tracé te herkennen. Dit is met name het geval op het terrein van Nationaal Park De Hoge Veluwe, waar ongeveer in het verlengde van de oost-west gerichte startbaan nog een licht gebogen aardebaan herkenbaar is.
Ook van andere structuren en elementen zijn nog een of meer voorbeelden op of nabij het vliegterrein voorhanden. Moeilijk herkenbaar zijn de nu op het terrein van De Hoge Veluwe gelegen voormalige munitieopslagplaatsen, waarvan de meeste fysieke onderdelen zijn gesloopt. Van een voormalige hangar in het noorden van het huidige vliegterrein zijn alleen de fundamenten en de rails van de schuifdeuren nog goed in het veld waarneembaar: in de oksel van de verlengde startbaan en de meest noordelijke aansluiting hiervan op de nieuwe rolbaan met opstelplaatsen. Verder kwamen er onder meer een grote kompascompenseerschijf, een brandstofopslag en een aantal geschutsopstellingen op het rolveld tot stand, die met enige moeite terug te vinden zijn.
Als een van de meest wezenlijke aspecten van het vliegterrein en annexen moeten ten slotte het open karakter en de visuele en herkenbare ruimtelijk en functionele samenhang van de structuren en elementen worden genoemd. Het complex van weidse openheid, van start- en landingsbanen, rolbanen en opstelplaatsen en hangars van verschillende functie en omvang, van technische installaties en dergelijke ontleent zijn grootste monumentale en historisch-ruimtelijke betekenis aan de ruimtelijke en functionele samenhang ervan.
Waardering
TERREIN met AANLEG van het vliegterrein van Vliegveld Deelen, van algemeen belang als relatief gaaf onderdeel van een uit de Tweede Wereldoorlog stammend en door de Duitse bezetter opgezet groot militair vliegveld, vanwege: architectuurhistorische, stedenbouwkundige, historisch-geografische, techniekhistorische, krijgs- en cultuurhistorische en complex- en ensemblewaarden, die onder meer kunnen blijken uit de in belangrijke mate op locale vormen geïnspireerde traditionalistische bouwtrant, uit de voor de bouwtijd kenmerkende onderdelen en details, uit de aanwezigheid van een grotendeels compleet en in ieder geval goed als zodanig herkenbaar stelsel van start- en landingsbanen en andere voor een vliegveld noodzakelijke onderdelen, uit de in het concept verwerkte, grotendeels reeds vooraf in het landschap aanwezige en grotendeels daarop geïnspireerde elementen, uit het quasi-authentieke beloop en de dito uitvoering van wegen en paden en de benutting van een deel hiervan in de rolbanen en de start- en landingsbanen, uit de quasi-agrarische functies van bebouwing en gronden, uit de relicten van technische innovatie - zoals de afwatering van het vliegterrein - uit de kunstmatig opgezette landelijke structuur met als doel tot in detaillering doorgevoerde camouflage, uit de op een reeds voorde oorlog gerealiseerd ideaalplan gebaseerde ruimtelijke hoofdlijnen en onderdelen van het vliegterrein en uit de interne samenhang van het vliegterrein met het totale militaire vliegveldconcept van Deelen, alsmede uit de onderlinge verwantschap van de hierbij toegepaste vormen, onderdelen en structuren.
English translation
The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com
Description
Description
TERRAIN with LAYOUT. The airfield of Vliegveld Deelen, developed by the German occupier in the years 1940-1945, was laid out on the Kemper Heide, with some extensions onto the Deelensche Start and the Arnhemsche Heide. The soil on which the actual airfield was constructed consists of sand and forms part of a relatively flat section of the southern Veluwe, pushed up by glacial ice. The ground level lies on average at approximately 45 m + NAP, with the surface sloping slightly from northeast to southwest. Around 1940, the terrain was still a large continuous heathland, which was sparsely planted with trees and which was bounded on the south and southwest sides and in the northeast by parcels of plantation forest. The terrain was intersected by a limited number of fixed roads and a network of organically developed and adaptable sand roads. The associated military encampments, also built under the German occupier, were created within 19th- and early 20th-century reclamations at the edges of these heath areas. The airfield lies north of the already from ancient times straight Koningsweg and west of the present Hoenderloseweg, which only acquired its current course in phases during the 19th and 20th centuries. The Koningsweg would date in rudimentary form from the last quarter of the 17th century - the time when stadtholder Willem III was king of England. The Koningsweg is still present as an important connection and as a spatially structuring element, particularly because it functioned as a settlement and reclamation basis. The Hoenderloseweg was upgraded in the course of the 19th century from a winding sand path to part of a semi-surfaced country road from Hoenderlo to Arnhem. This had a course that coincided, among other things, with the present straight Deelenseweg. This construction was part of the large reclamations in this part of the southern Veluwe. The construction of the airfield followed an existing ideal plan, but was almost certainly also prepared according to the local situation. Runway and landing facilities were operational shortly after the occupation, and the ground plans of the encampment infrastructure were largely completed by the end of 1940. The pre-war ideal plan can be clearly recognized at Fliegerhorst Deelen, where moreover a high-altitude command centre was built on the Kop van Deelen. The technical functions and the actual airfield or landing field are situated almost entirely north of the Koningsweg, while the residential and accommodation areas, the road transport sector and recreational facilities, etc. were almost all built south of the road. In laying out the airfield, the existing traffic infrastructure there was partly gratefully used: several roads and paths were widened and/or improved. Furthermore, the existing vegetation was optimally utilized for camouflage purposes, and a large-scale reclamation was carried out on the Kemper Heide and various crops were sown, for both economic and camouflage reasons. The levelling of the landing field and the construction of runways, taxiways and runway surfaces on the Kemper Heide was realized in different, partly overlapping phases between May 1940 and May 1941. Within a year, four runways were created, the oldest of which was oriented approximately east-west. The first works were carried out as early as May and June 1940; these included, among other things, levelling and making usable again the terrain ploughed by the Dutch, resulting in an approximately east-west oriented, semi-surfaced or unsurfaced airstrip, which was located west of the Kop van Deelen. Its course is not known, but it is conceivable that it can be identified with the pre-war, straight, now only rudimentary remains of the road from Kop van Deelen to Deelensche Start, which connected to a forest road towards the southwest, the present Karitzkyweg. A second pre-war connection on the airfield to be developed was the north-south directed, then almost straight Hoenderlosche Weg, of which remains are still present in the terrain and of which some sections were used during and after the war in the construction and further development of the airfield. Subsequently, a more definitive construction was begun: from July to October 1940, work was carried out on two runways: the east-west runway and the north-south runway - both south of the provisional first - and subsequently, in the period November 1940 to February 1941, the third runway was created, running from southeast to northwest. With this, the triangular runway system was complete, which - viewed on the map or from the air - forms the capital letter A lying on its right leg. Stone and concrete surfacing of the three 50 m wide runways took place, while safety strips of 25 m were also maintained on both sides. Reflective stones were used as markings. The east-west oriented runway was the most important and was provided on both sides with concrete drainage channels, a kind of sewerage system. More or less simultaneously, taxiways were also laid out around the airfield, connecting the ends of the runways with each other so that aircraft could choose positions. The taxiway system was realized as much as possible under cover of the existing vegetation around the terrain by widening paths, while existing infrastructure was sometimes used beyond this. The latter was the case, among other things, with the 19th-century Rijdersweg and with the road from Kop van Deelen to Deelensche Start and the adjoining Karitzkyweg. The landing field and the system of taxiways did not have the circular shape outlined in the ideal plan, but a mirror-image capital letter B-shape, to which some loops were added in the north. The approximately 15 m wide taxiways were executed in various materials, including brick pavers and concrete, and were bordered by concrete strips, while they were provided with drainage channels in multiple places.
The runways dating from the war years are largely still clearly recognizable. The runways follow the gentle slopes of the terrain and were apparently not completely levelled during construction. Of the originally 19th- and early 20th-century Hoenderlosche Weg and the road running approximately perpendicular to it, possibly used as a provisional runway, from Kop van Deelen to Deelensche Start and further towards Karitzkyweg, longer and shorter relics recognizable in the field are still present. While the north-south runway has been extended and asphalted and provided with a taxiway on the west side, both 'legs' of the lying letter A have largely remained intact. The runways have indeed been partly excavated to half their width and partly overgrown with grass, but the course and length have been largely maintained, while the paving and drainage channels are also still visible for an important part, even at the half-excavated section of the runway, where the channels still lie relatively free in the terrain. The runways were apparently executed in parallel concrete strips, separated by strips of pavers and / or stones, while repair work in other materials is visible in multiple places. The channels are also executed in concrete and are covered by concrete covers with transverse holes. A striking point is the convergence on the east side of the system (the top of the letter A), where both runways are present across their full width and form a large 'square' cut across by dividing strips. The modernized and extended north-south runway is provided with a new wearing surface, but still follows the course dating from the war years.
The taxiways, which connected the ends of the runways, as well as the strips along which aircraft taxied or could be positioned, were - as provided for in the ideal plan - led as much as possible along the forest edges. On the south and west sides of the airfield, this had also been made possible by the annexation of more than 2000 hectares of forests bordering the heath from the park De Hoge Veluwe. An important part of the current bicycle and riding routes within the eastern part of the national park thus goes directly back to these taxiways dating from the war. Clear examples can be found on the north and west sides of the terrain; they are located directly at the borders of the airfield. In the south, the taxiway coincided with the rear boundary of the reclamations of properties including Vrijland and Petersburg, running 850 m from the Koningsweg, which were soon requisitioned. In the east and northeast, the taxiway was somewhat less well protected, but in the northwest, the forests of Deelensche Start provided sufficient cover for a pair of parallel taxiways. Particularly in this area, careful consideration was given at detail level to the existing vegetation zones: the strips were situated close to the long-drawn forest stands dating from the 19th century, laid out as wind- and sand breaks and still present in comparable form around 1940.
The taxiways, like the runways, are still clearly recognizable in the field and have been partly retained in their original form. Particularly in the southern and southwestern part of the terrain, sections are preserved at full width and in the original material. At the taxiways too, concrete and brick have been used between narrow concrete strips and parts of the drainage channel are still visible here and there. The original, presumably approximately 15 m wide road profile is not present everywhere (due to reuse and gain in agricultural land); specific places are the southwest-to-northeast directed section of the taxiway north of the three former heated hangars at Koningsweg 17 c (the Reynouthoeve) and an approximately east-west directed section north of the camp De Zeven Provinciën. Both fragments are located outside the current airfield, as are some components on the terrain of Nationaal Park De Hoge Veluwe; the profile of the latter has been narrowed almost everywhere. They now serve as a cycling route and these sections have therefore also been provided with an asphalt wearing surface. This also concerns a number of fragments now ending at the fences around the airfield - and beyond, on the terrain of the Hoge Veluwe, broken up - of roads also laid out as (or used as former) taxiways. The connection of this section of the taxiway to the southern section - approximately at the rear boundary of the 19th-century reclamations - is formed by a striking triangular road structure, which (although now asphalted) dates back to a construction from the Second World War. At the end of the 20th century, part of the southern section of the taxiway was completely cleared for the planting of tall vegetation, with the aim of 'return to nature'. Of the eastern and northeastern section of the taxiway, the width and course were maintained, but due to use as an access road and taxiway to a number of operational buildings, an asphalt wearing surface has usually been applied here.
Along the taxiways, many dozens of technical rooms were built in total, hangars constructed or open shrapnel-proof aircraft parking areas created - so-called 'Splitterboxen' (German) or 'funnels' (English). In principle, protection by vegetation was chosen, but sometimes deliberately for isolated construction in the open field. In the latter case, this could hardly be anything other than from the perspective of 'distraction' from the actual concentrations of material. In almost all cases, a form of camouflage was applied, either with nets or by choosing building types that simulated an agricultural function. Of the various types of aircraft parking and work areas, especially the so-called 'Splitterboxen' or 'funnels' were laid out in a wide circle around the airfield. Where naturally tall vegetation was already present, open patches were cut and unevenness was levelled, with the freed sand and other materials being able to be used as protection against bomb fragments and as camouflage by throwing them up in mounds around the perimeter.
In total, some 75 work and parking areas must have been laid out, but of the approximately 60 covered examples located outside the 'Werft Vrijland-Noord' - the technical centre - only five remain. Of the constructed heated workshops and assembly halls ('Wärmehallen'), most were executed as farmhouse or barn from camouflage considerations. Not infrequently, they were even conspicuously placed on the land, provided with a gabled roof (with half-hipped end) and painted with dummy windows and dummy doors. In addition to such conspicuously camouflaged parking areas by construction method and location, hangars were also built on the terrain, one of which has been relatively well preserved. Some examples of the explicitly camouflaged as farmhouse parking areas, as well as a former locomotive shed, were reused after the war - then as an actual farmhouse or barn. In particular, four farmhouses from the post-war reconstruction period - they have been given the names of the legendary Four Heemschildren - are particularly evocative in this regard, also through their now non-local design and rendering. At various parking and work areas, washing facilities were installed; at least one of them remained recognizable preserved at the Reynouthoeve farmhouse. In addition to these parking areas, some technical buildings and installations also arose on the airfield, part of which in the years shortly after the war.
A number of still existing - more or less complete or well-preserved - hangars and Wärmehallen are described separately below. Of the Splitterboxen, absolutely and proportionally more remains have remained recognizable in the terrain, although several have become - more or less deliberately - overgrown. Of the Splitterboxen, quite a lot of examples on and around the current airfield can still be recognized. Several of these parking areas along the (outer) taxiways are now fields edged with vegetated mounds; in some cases they have been converted into picnic areas. Some of the clearest are located on the northwest side of the taxiway, along the southwest-to-northeast directed section north of the Reynouthoeve farmhouse, but also east of this farmhouse there are a few. Several others lie along the southern section of the taxiway, approximately north of the camp Koningsweg-Noord and also a few slightly east of this, precisely in the zone where the taxiway 'has been returned to nature'. The Splitterboxen in the northern part of the airfield and also those now within Nationaal Park De Hoge Veluwe are less clearly recognizable. They have - almost without exception - become wild over time, but even the number of examples recognizable on the map has scarcely changed since approximately 1955.
An important component of the infrastructure was formed by the so-called Bommenlijntje, a railway connection constructed in the period June 1941 to February 1942, from Station Wolfheze, which reached the airfield from the southwest and had some branches. The railway reached the airfield from the southwest, the area of the Kemperberg and then curved fairly sharply to the east to run in a straight line along the south side of the taxiway. There was a branch towards the bunker Diogenes and also one in a northerly direction - partly across the southern part of the airfield - towards the 'Luftminenlager', the bomb storage.
Relatively few visible remains of the railway line are still present. Most striking is the former locomotive shed, now part of the Ritsaerthoeve farmhouse; the southwest-to-northwest running path alongside this formed part of the track. Furthermore, there is still a loading ramp on the taxiway and moreover relics of the former course are recognizable here and there. This is particularly the case on the terrain of Nationaal Park De Hoge Veluwe, where a slightly curved earth embankment is still recognizable approximately in line with the east-west oriented runway.
Examples of other structures and elements also exist on or near the airfield. The former ammunition storage areas, now located on the terrain of De Hoge Veluwe, are difficult to recognize, most of whose physical components have been demolished. Of a former hangar in the north of the current airfield, only the foundations and the rails of the sliding doors are still clearly observable in the field: in the junction of the extended runway and the most northern connection of this to the new taxiway with parking areas. Furthermore, among other things, a large compass compensation disc, a fuel storage facility and a number of gun emplacements were constructed on the taxiway, which can be found with some effort.
Finally, the open character and the visual and recognizable spatial and functional coherence of the structures and elements must be named as one of the most essential aspects of the airfield and annexes. The complex of expansive openness, of runways, taxiways and parking areas and hangars of different function and scale, of technical installations and suchlike derives its greatest monumental and historical-spatial significance from the spatial and functional coherence of these elements.
Valuation
TERRAIN with LAYOUT of the airfield of Vliegveld Deelen, of general importance as a relatively well-preserved component of a large military airfield dating from the Second World War and established by the German occupier, because of: architectural-historical, urban planning, historical-geographical, technical-historical, military and cultural-historical and complex and ensemble values, which can be demonstrated among other things by the traditionalistic building style inspired in important measure by local forms, by the components and details characteristic of the building period, by the presence of a largely complete and in any case clearly recognizable system of runways and other components necessary for an airfield, by the elements processed in the concept, largely already present in the landscape before and largely inspired by it, by the quasi-authentic course and likewise execution of roads and paths and the use of some of these in the taxiways and the runways, by the quasi-agricultural functions of buildings and land, by the relics of technical innovation - such as the drainage of the airfield - by the artificially established rural structure with the aim of camouflage carried through to detail, by the spatial main lines and components of the airfield based on an ideal plan already realized before the war and by the internal coherence of the airfield with the total military airfield concept of Deelen, as well as by the mutual relationship of the forms, components and structures applied therein.
Nearby in the register
- Bijgebouwen, Koningsweg bij 17 BBijgebouwenunder 1 mi
- Munitiedepot, Delenseweg bij 10Militaire opslagplaatsunder 1 mi
- Bijgebouwen, Koningsweg 17 BBijgebouwenunder 1 mi
- Bijgebouwen, Koningsweg bij 17 BBijgebouwen1 mi
Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.