Rijksmonumentenregister · Netherlands
De Koepel gevangenis
Breda, Noord-Brabant, Netherlands
The record
- Designation
- National monument (rijksmonument)
- Class
- Gerechtsgebouw
- Function
- Cellencomplex
- Category
- onroerend gebouwd
- Built (approximately)
- 1890
- Address
- Nassausingel 26, 4811 DG Breda
- Place
- Breda
- Province
- Noord-Brabant
- Country
- Netherlands
- Coordinates
- 51.59018, 4.78785
- Part of complex
- 519108
- Monument number
- 526096
Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.
University Library, Vrije Universiteit AmsterdamUniversity Library, Vrije Universiteit AmsterdamDavid Rumsey Map Collection, Stanford LibrariesDavid Rumsey Map Collection, Stanford Libraries
4 historical maps cover this location, the earliest the 1875 map "Niederlande Und Belgien." (David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries).
This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗
The register's description
Omschrijving
Inleiding
CELLENGEBOUW (KOEPEL), ontwerp uit 1883 van J.F. Metzelaar. De koepel ligt tussen het administratiegebouw (II) aan de oostkant en het dienstgebouw (IV) aan de westkant en is met deze gebouwen verbonden door een tweelaagse gang. In 1995 wordt in de koepel een ronde douchetoren opgetrokken, met een mantel van glazen bouwstenen.
Omschrijving
Het vierlaagse gebouw met koepeldak en zolder heeft een ronde plattegrond met een diameter van 63 meter. Het geheel is afgedekt met een koepeldak wat de totale hoogte op 37,90 meter brengt. In de vier windstreken zijn tegen het gebouw aan torens gesitueerd die reiken tot de geboorte van het koepeldak. Van deze torens zijn er twee opgenomen in de verbindingsgangen met respectievelijk het administratie- en het dienstgebouw.
Gezien de uniforme uitvoering van het gebouw wordt met de beschrijving van één van de torens en een travee met celramen volstaan. Tussen twee torens in bezit het gebouw dertien traveeën met celramen. Het opgaande werk over vier bouwlagen bestaat uit hardgrauwe baksteen in waalformaat gemetseld in kruisverband. Het geheel staat op een plint van klinkers. Hierover ligt, uitkragend op hardstenen consoles, een hardstenen goot. Aan deze goot is een smeedijzeren hekwerk bevestigd. Vanaf deze goot is een aankapping gemaakt naar de geboorte van het koepelkap. De kap over de zolder is gedekt met vlak zink tussen opstaande roeven. De koepel is gedekt met zinken platen in ruitvorm (losanges) tussen 28 halfronde roeven. Het gedeelte van de kap vanaf net onder de bovenste rij dakvensters tot aan de lichtlantaarn is gedekt met vlak zink tussen opstaande roeven. Alle roeven zijn eveneens met zink bedekt. In de aankapping zijn veertien en in de koepel in totaal achtentwintig vlakke dakvensters aangebracht. Boven op de koepel is een veertienzijdige lantaarn geplaatst waarvan de verticale en schuine gedeelten met glas gevuld zijn. De kap hiervan is afgedekt met lood en bekroond met een koperen piron.
Op elke verdieping zijn in totaal 52 raamopeningen uitgespaard. Hierin zijn gietijzeren vensters op een gietijzeren lekdorpel geplaatst waarin gegoten ijzeren ramen met tienruits roedenverdeling zijn afgehangen. Onder elk celraam zijn twee openingen uitgespaard die zijn voorzien van een roostertje. Aan de uiterste zijkanten is een ijzeren plaatje gebruikt om het suizen van de wind tegen te gaan. Op de derde verdieping van de vijfde, elfde en twaalfde travee is al tijdens de bouw een groter gietijzeren raam met een twintigruits verdeling geplaatst.
De torens zijn voor eenderde gedeelte opgenomen in de koepel. Op de voorgevel na zijn de gevels blind uitgevoerd. De hoeken van de torens zijn vanaf ongeveer een meter boven het maaiveld, waar een hardstenen blok de overgang vormt, voorzien van een gemetselde kraal, die doorloopt tot aan het niveau van de gootlijst. Hier is een hardstenen band in het metselwerk opgenomen. Op dit niveau is een uitkraging gemaakt door middel van een hardstenen band op dito consoles. Een rondgaande hardstenen holkeellijst met daarboven gemetselde kantelen bekroont de torens aan voor- en zijkanten. De kantelen zijn afgedekt met hardstenen platen. Achter de kantelen ligt een plat dak dat met zink is afgewerkt. Op het niveau van de eerste verdieping bevindt zich in de torens een raam gelijk aan de celramen van de koepel. Bij alle vier de torens is, op het niveau van de onderdorpels van de vensters op de derde verdieping, een hardstenen band ingemetseld waarop een, over twee verdiepingen doorlopend, venster is geplaatst. Het venster is als groot kruisvenster in hardsteen uitgevoerd. Een tweede hardstenen band is ingemetseld op het niveau van de onderdorpels van de vensters van de vierde verdieping van het cellengebouw. Deze band ligt gelijk aan de bovendorpel van het cellengebouw. In het metselwerk boven het venster is een spitsboog van gele steen gemetseld. In deze boog een halfrond vast venster. Tussen de bovenste hardstenen band en de uitkraging op consoles zijn drie kleine "schietsleuven" in het metselwerk ingemetseld. Drie ronde "schietgaten" zijn ingemetseld in de strook metselwerk onder de holkeellijst. Deze uitsparingen zijn in de zijgevels ook toegepast, zij het dat er daar slechts twee van elk zijn aangebracht. De dakbedekking van de kappen werd uitgevoerd in zink no. 15 van de Vieille-Montagne te Luik.
Voor de loodbedekking van de lantaarn werd 60-ponds lood verwerkt. De strekken en bogen van de muuropeningen en vlechtingen onder de dakrand zijn in gele baksteen van gelijk formaat gemetseld. Het voegwerk is platvol uitgevoerd waarbij de stootvoegen zijn gesneden. De banden in het metselwerk en de goot zijn in hardsteen uitgevoerd. De oorspronkelijke kleurstelling bestond waarschijnlijk uit lichtgrijze ramen op een okerkleurige onderdorpel. De tralies werden lichtgrijs geschilderd. De centrale hal van het cellengebouw heeft een middenlijn van 53 meter met een hoogte van 30,40 meter. De hal is overspannen door een dubbel beschoten kap van geklonken ijzeren spanten, waarop in het midden de veertienzijdige lichtlantaarn is geplaatst. De begane grond van de hal was oorspronkelijk toegankelijk vanuit de vier windrichtingen. Nu slechts allen vanuit het administratiegebouw in het oosten en het dienstgebouw in het westen. In de hal zijn vier gietijzeren wenteltrappen geplaatst, die direct toegang geven tot de galerijen op de eerste, tweede en derde verdieping. De vloer van de hal bestaat uit een 0,20 meter dikke laag beton waarop een afwerking van asfalt is aangebracht.
Wanden. Het muurwerk van de hal is aaneengesloten rondgemetseld in gele Waalsteen en afgewisseld met banden van "Utrechtse gevel grauwe moppen". De strekken boven de doorgangen en de deurkozijnen zijn eveneens in deze steen uitgevoerd. De in afwijkende steen uitgevoerde speklagen zijn, gerekend vanaf de vloer, als volgt verdeeld: de eerste tot en met de vierde; de elfde; de zeventiende tot en met de negentiende; de vijfentwintigste; de éénendertigste tot en met de drie-en-dertigste; de ééenveertigste en de zesenveertigste tot en met de twee-en-vijftigste. De geboorte van de kap wordt aangegeven door 0,20 meter uitgemetselde architraaf en kroonlijst, waartussen halfsteens terugliggende panelen afgewisseld door halfsteens vooruitspringende pilasters. Midden tussen elk pilasterpaar is een spantbeen geplaatst op een hardstenen console ter hoogte van de bovenste laag van "Utrechtse gevel grauwe moppen". In totaal bezit de kap achtentwintig spantbenen, gelijkmatig verdeeld over de binnenmuur aan de centrale hal.
De rondgaande wand bezit 56 deurtraveeën. Elk travee bestaat op vier niveaus uit een in de muur opgenomen deurkozijn waarin een grenenhouten dubbel opgeklampte deur is afgehangen. Aan de buitenzijde is de deur verder voorzien van een "spioneerinrichting", te weten een gegoten ijzeren plaat met een kijkglaasje en een draaibaar klepje. Hieronder is in de deur een schaftgat met slot. Aan de binnenzijde is deze deur voorzien van een ijzeren plaat die met 33 klinkbouten door en door is bevestigd. Op elk niveau is aan vier zijden een geschuurd hardstenen fonteintje met spatstuk (petit granit de l'Ourthe) gedeeltelijk in het muurwerk ingemetseld. Op elk niveau zijn aan vier zijden getoogde doorgangen naar de achtergelegen trappenhuizen.
Het bestek vermeldt slechts dat de architaaf, kroonlijst, pilasters en de verdiepte panelen tussen de pilasters moesten worden afgestreken met cement en gekleurd. Uit de oorspronkelijke situatie is af te leiden dat de architaaf, kroonlijst en pilasters eenzelfde kleurige afwerking, mogelijk oker, hadden. Het terugliggende vlak is mogelijk wit gekleurd en werd omgeven door een lijst van rode geprofileerde baksteen en een vlak gele steen. De consoles onder de spanten zijn gelijk in kleur aan het terugliggende vlak.
Het oorspronkelijke kleurbeeld gaf dus waarschijnlijk een okerkleurige geverfde architaaf, kroonlijst en pilasters te zien. De vlakken tussen de architaaf, kroonlijst en pilasters bestonden uit een terugliggende glad wit vlak met daar omheen een lijst van rode geprofileerde baksteen en een vlak van gele steen. De okerkleurige spantbenen zijn geplaatst op mogelijk wit geverfde consoles. Verder vermeldt het bestek slechts, dat de celdeuren en kozijnen gegrond en van een deklaag voorzien moeten worden. Kleuronderzoek aan de nog resterende oorspronkelijke celdeuren en kozijnen, in het dienstgebouw op de begane grond, gaf de volgende afwerklagen te zien (van oorspronkelijke- naar huidige toestand): -deuren en kozijnen: sterk vervuild oker/donkergroen/wit/grijs/wit. Uit de oorspronkelijke situatie is af te leiden dat het kozijn een lichtere tint had dan de deur. Het oorspronkelijke kleurbeeld gaf dus waarschijnlijk een oker geverfd kozijn te zien waarin een in donkerder tint oker geverfde celdeur werd afgehangen.
Galerijen. De galerijen zijn opgebouwd uit uitkragende U-profielen die aan de voorzijden zijn gekoppeld met gelijkvormige liggers. Op de U-profielen zijn hardstenen platen (petit granit de l'Ourthe), van 2,98 x 1,10 meter en 0,05 meter dik, als loopvlak aangebracht. Bij de vier vrijstaande spiltrappen is de galerijvloer meteen rechthoekig bordes op de spil aangesloten. Aan de galerij is een balustrade van 1,00 meter hoog bevestigd, opgebouwd uit een leuning van T-vormig profiel op gesmeed ijzeren stijlen. Tussen de ongeveer 0,90 meter hart op hart geplaatste stijlen zijn twee rondijzeren horizontale spijlen aangebracht. Het bestek vermeldt slechts dat het ijzerwerk tweemaal overgeverfd moest worden. Kleuronderzoek gaf volgende afwerklagen te zien: -grijs/zwart. Het oorspronkelijke kleurbeeld gaf dus waarschijnlijk een grijs geverfde balustrade en ondersteuningsconstructie te zien.
Kap. De ijzeren koepelkap heeft een diameter van 53 meter en een hoogte van ongeveer 21 meter. De kap wordt gevormd door 28 halfspanten aan de voet rustend op het muurwerk van de binnengevel van de centrale hal en in de nok verbonden met een grote ijzeren ring. Op die ring rusten veertien spantjes die met elkaar de ondersteuning vormen voor de veertienzijdige lichtkoepel. Een halfspant is opgebouwd uit hoek- en plaatijzer dat aaneen geklonken is tot een gekromde spant met I-vormige doorsnede. Het lijf van de ligger is als een rasterwerk uitgevoerd. De halfspanten zijn onderling verbonden door zeven, identiek samengestelde ijzeren gordingen waarop houten gordingen zijn bevestigd. Over de houten gordingen is een houten beschot aangebracht. De muurplaten, de onder- en bovengordingen, stijlen en buiten-dakbeschieting zijn gemaakt van dennenhout. Voor de binnenbeschieting is coperwijks vurenhout gebruikt en voor de omtimmering van de vakken van de binnenbeschieting, tussen de gordingen en de spanten, is een hollijst van Amerikaans grenenhout toegepast. De binnenbeschieting is diagonaalgewijs verwerkt waarbij elk van in richting haaks op het naastliggende is uitgevoerd. Tussen de derde en de vierde alsmede tussen de zesde en de zevende gording zijn in totaal 28 dakramen aangebracht. De dakramen zijn uit grenenhout opgebouwd en zijn door drie roeden in vier stroken verdeeld. Hierin is blank glas aangebracht. De spantjes van de lichtkoepel zijn in de nok gekoppeld door een kleine ijzeren ring. Aan deze ring is een ijzeren plaat gehangen die met trekstangen aan de grote ijzeren ring is gekoppeld. Tussen de grenenhouten stijlen en regels is liggend en staand blankglas aangebracht.
Het bestek vermeldt slechts dat het beschot, de lantaarn en de dakramen moesten worden gevernist. Dit is niet gecontroleerd. Uit de oorspronkelijk situatie is wel af te leiden dat het beschot een lichtere tint had dan de geprofileerde lijst, terwijl de spanten en gordingen weer lichter zijn dan de geprofileerde lijst. Gezien het kleurbeeld dat in 1909-10 bij de eerste schilderbeurt na de oplevering werd aangebracht, is te veronderstellen dat de spanten en gordingen van oudsher een okerkleurige afwerking hebben gehad. Over de kleur van de geprofileerde lijst is geen zekerheid te krijgen. Het oorspronkelijke kleurbeeld gaf dus waarschijnlijk een okerkleurig geverfde ijzerconstructie waar binnen in de vakken een gevernist beschot met een donkere (wellicht geverniste) omlijsting.
Spiltrappen. Vrijstaand in de ruimte zijn vier spiltrappen geplaatst die de galerijen onderling verbinden. Om een gesmede of gegoten spil zijn per verdieping 18 gietijzeren treden me aangegoten spilkoker geschoven. Aan de buitenzijde steunen de treden op elkaar door een aangegoten voet, waar doorheen de stijlen van de leuning met bouten bevestigd zijn. De ruimte tussen spil en de spilkokers van de treden is met specie gevuld. Aan de trappen is een leuning van 1,10 meter hoog bevestigd, opgebouwd uit een rond-ijzeren buis op ronde stijlen. Tussen de stijlen zijn twee rondijzeren spijlen aangebracht. Het bestek vermeldt slechts dat het ijzerwerk tweemaal overgeverfd moest worden. Kleuronderzoek gaf volgende afwerklagen te zien: -grijs/zwart. Het oorspronkelijke kleurbeeld gaf dus waarschijnlijk grijs geverfde spiltrappen te zien.
Cellengebouw - cellenring. Het cellengebouw bevat in totaal 204 cellen, gelijk verdeeld over de begane grond en de drie verdiepingen. Op de begane grond lagen noordelijk en zuidelijk van de doorgang naar het administratiegebouw, respectievelijk het vertrek voor de directeur arbeid en voor de onderwijzer, tevens bibliotheek. De op de drie verdiepingen rondgaande galerij geeft toegang tot de cellen. De cirkel die de cellen vormen, is in vier gelijke delen van elk dertien cellen verdeeld door de trappenhuizen in de vier in de buitenmuur geplaatste torens.
De opzet van het gebouw is grotendeels bepaald door de constructieve gevolgen van de toepassing van een koepeldak. De spatkrachten die optreden in de kap worden opgevangen door de gemetselde muren van de cellenring. Hierover worden die krachten, grotendeels via steunberen op het zolderniveau en het in het muurwerk opgenomen ringanker en in mindere mate via de stijve vloerconstructie, verdeeld over de buiten- en binnenmuren en afgeleid naar de fundering.
Cel. De cellen, met een oppervlak van ongeveer 11 vierkante meter, zijn trapeziumvormig. De breedte bij de deur bedraagt ongeveer 2,50 meter en bij het raam 2,90 meter, terwijl de diepte 4 meter is. De vloer bestaat uit een portlandcementvloer op met beton afgevlakte gemetselde gewelven. Als afwerking werd dit tweemaal met parafijnolie ingesmeerd. De binnenmuren zijn anderhalve steen en het binnenspouwblad een halve steen dik. De wand aan de zijde van de centrale hal is rond gemetseld terwijl de de overige recht zijn opgetrokken. Dit muurwerk is gemetseld in schoon werk van gele Waalsteen en afgewisseld met banden van "Utrechtse gevel grauwe moppen". De strekken boven de deur- en raamkozijnen zijn in dezelfde steen uitgevoerd. Rond de vensteropening is een omlijsting van afwisselend een kop en een strek breed gevormd. De banden van grauwe steen zijn als volgt verdeeld, in het binnenspouwblad van de buitenmuur een onderlaag van twaalf stenen hoog en in de overige muren een onderlaag van drie stenen hoog. In de buitenwand is een venteropening uitgespaard. Hierin is een smeedijzeren venster groot 1,21 x 0,78 meter op een gegoten ijzeren raamdorpel geplaatst. Daarin is een gegoten ijzeren raam met een tienruits verdeling afgehangen. In dit raam is een roodkoperen ventilatieraampje aangebracht, dat naar binnen klapbaar is tussen gegalvaniseerd ijzeren wangen. De onderste ramen waren oorspronkelijk voorzien van blankglas, de bovenste van fijn-geribt Hartley-glas, beide in dubbele dikte. Ventilatie is mogelijk door twee openingen in de binnenmuur naar de hal.
Zolder. Vanaf de bovenste galerij, is via een rechte ijzeren trap met ajour gewerkte treden de zolder bereikbaar. Een ijzeren hek met een blad sluit de toegang af. De zolder loopt over de bovenste verdieping van de cellenring en wordt gevormd door steunberen tegen de binnenmuur waarover een vlak dak is gelegd. De steunberen zijn voorzien van een ovaalvormige doorgang. Langs de zijde van de binnenmuur lopen twee ijzeren trekstangen om de spatkrachten van de spanten ter plaatse van de steunberen gelijkmatig te verdelen. Als trekstangen zijn, uit bandstaal samengestelde, hoekprofielen gebruikt.
Waardering
Het cellengebouw is van algemeen belang. Het maakt deel uit van een complex met cultuurhistorische waarden: het is van belang als bijzondere uitdrukking van de ontwikkeling van de rechtspraak en de visie van de overheid op de omgang met gedetineerden in de late negentiende eeuw; het is van belang als bijzondere uitdrukking van de typologische ontwikkeling van de gevangenis met nevengebouwen, in het bijzonder de uitwerking van het panopticale type; het is van belang als bijzondere uitdrukking van de technische ontwikkeling van de constructies in ijzer en hout; het is van belang wegens de innovatieve waarde.
Het heeft architectuurhistorische waaren: het is van belang voor de geschiedenis van de architectuur en bouwtechniek vanwege de toepassing van voor de tijd geavanceerde technische mogelijkheden; het is van belang als voorbeeld van de toepassing van stijlelementen uit het verleden voor het representeren van de waardigheid van de rechtspraak en de gestrengheid in de bestraffing van gedetineerden; het is van bijzonder belang in het oeuvre van de architecten J.F. en W.C. Metzelaar; het is van belang wegens de hoogwaardige esthetische kwaliteiten van het ontwerp; het is van belang wegens de bijzondere samenhang tussen exterieur- en interieuronderdelen.
Het heeft ensemblewaarden: het is van belang als essentieel onderdeel van een groter geheel, de singelbebouwing en de stadsuitleg van Breda, die cultuurhistorisch, architectuurhistorisch en stedenbouwkundig van nationaal belang is; het heeft bijzondere betekenis, verbonden met de ontwikkeling van de stad en heeft tevens betekenis voor het aanzien van de stad.
Gaafheid/herkenbaarheid: het is van belang wegens de architectonische gaafheid van ex- en interieur; het is van belang wegens de architectonische kwaliteit en de samenhang van de samenstellende onderdelen (hoofd- en bijgebouwen, hekwerken, e.d.).
Zeldzaamheid: het is van belang als onderdeel van een belangwekkende en samenhangende typologische reeks van gebouwen die hiërarchisch gezien uiteenlopen van gevangenis en gerechtsgebouw tot dienstwoningen met als visueel en functioneel hoogtepunt het koepelvormige cellengebouw, waarvan er in ons land slechts drie gebouwd zijn.
English translation
The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com
Description
Introduction
CELLS BUILDING (DOME), design from 1883 by J.F. Metzelaar. The dome is situated between the administrative building (II) on the east side and the service building (IV) on the west side and is connected to these buildings by a two-storey passage. In 1995 a round shower tower is erected in the dome, with a cladding of glass bricks.
Description
The four-storey building with dome roof and attic has a circular floor plan with a diameter of 63 metres. The whole is covered with a dome roof which brings the total height to 37.90 metres. In the four cardinal directions towers are situated against the building reaching up to the springing of the dome roof. Of these towers two are incorporated into the connecting passages with the administrative and service buildings respectively.
Given the uniform execution of the building the description of one of the towers and one bay with cell windows suffices. Between two towers the building has thirteen bays with cell windows. The external walls over four storeys consist of hard grey brick in Flemish bond laid in cross bond. The whole stands on a plinth of clinker bricks. Above this, projecting on hard stone consoles, is a hard stone gutter. To this gutter a wrought iron railing is attached. From this gutter a sloping roof is made towards the springing of the dome roof. The roof over the attic is covered with flat zinc between rising ribs. The dome is covered with zinc sheets in lozenge shape between 28 half-round ribs. The section of the roof from just below the uppermost row of roof lights to the lantern is covered with flat zinc between rising ribs. All ribs are likewise covered with zinc. Fourteen roof lights are installed in the sloping roof and a total of twenty-eight flat roof lights in the dome. On top of the dome is placed a fourteen-sided lantern of which the vertical and sloped sections are filled with glass. Its roof is covered with lead and crowned with a copper finial.
On each storey there are a total of 52 window openings. In these are placed cast iron windows on a cast iron drip moulding in which cast iron frames with ten-pane glazing bars are hung. Below each cell window two openings are provided with a grille. On the extreme sides an iron plate is used to prevent wind whistling. On the third storey of the fifth, eleventh and twelfth bay a larger cast iron window with a twenty-pane division was placed during construction.
The towers are incorporated into the dome for one third of their length. Except for the front facade the facades are blind. The corners of the towers are provided, from approximately one metre above ground level where a hard stone block forms the transition, with a moulded brick cornice which runs up to the level of the gutter line. At this level a hard stone band is incorporated into the brickwork. At this level a projection is made by means of a hard stone band on similar consoles. A circumambulating hard stone hollow moulding with merlons moulded above crowns the towers at front and side. The merlons are covered with hard stone plates. Behind the merlons lies a flat roof finished in zinc. At the level of the first storey there is a window in the towers equal to the cell windows of the dome. At all four towers, at the level of the under-sills of the windows on the third storey, a hard stone band is set into the brickwork onto which a window is placed extending over two storeys. The window is executed as a large cross window in hard stone. A second hard stone band is set into the brickwork at the level of the under-sills of the windows of the fourth storey of the cells building. This band is at the same level as the upper sill of the cells building. In the brickwork above the window is moulded a pointed arch of yellow brick. In this arch a semi-circular fixed window. Between the uppermost hard stone band and the projection on consoles are three small "loopholes" set into the brickwork. Three round "gunports" are set into the brickwork strip below the hollow moulding. These openings are also applied in the side facades, albeit with only two of each being provided there. The roof covering was executed in zinc no. 15 from Vieille-Montagne in Liège.
For the lead covering of the lantern 60-pound lead was used. The lintels and arches of the wall openings and braiding under the roof edge are laid in yellow brick of the same format. The mortar joints are finished flush with the joints cut. The bands in the brickwork and the gutter are executed in hard stone. The original colour scheme probably consisted of light grey windows on an ochre-coloured under-sill. The grilles were painted light grey. The central hall of the cells building has a centrespan of 53 metres with a height of 30.40 metres. The hall is spanned by a double-boarded roof of riveted iron trusses, on which in the centre is placed the fourteen-sided light dome. The ground floor of the hall was originally accessible from the four cardinal directions. Now only from the administrative building in the east and the service building in the west. In the hall are placed four cast iron spiral stairs, which provide direct access to the galleries on the first, second and third storeys. The floor of the hall consists of a 0.20 metre thick layer of concrete on which an asphalt finish is applied.
Walls. The wall of the hall is continuously moulded in yellow Flemish brick and alternated with bands of "Utrecht facade grey bricks". The lintels above the passages and door frames are likewise executed in this brick. The bed-joints in a different brick are distributed, counted from the floor, as follows: the first through fourth; the eleventh; the seventeenth through nineteenth; the twenty-fifth; the thirty-first through thirty-third; the forty-first and the forty-sixth through fifty-second. The springing of the roof is indicated by a 0.20 metre projecting architrave and cornice, between which half-brick recessed panels alternate with half-brick projecting pilasters. Midway between each pair of pilasters a roof truss is placed on a hard stone console at the level of the uppermost layer of "Utrecht facade grey bricks". In total the roof has twenty-eight roof trusses, evenly distributed over the inner wall of the central hall.
The circumambulating wall has 56 door bays. Each bay consists on four levels of a door frame built into the wall in which a pine wood double-clamped door is hung. On the exterior the door is further provided with a "inspection device", namely a cast iron plate with a viewing glass and a rotating flap. Below this is a pass-through hole with lock in the door. On the interior this door is provided with an iron plate which is fastened through and through with 33 rivets. On each level on four sides is a sanded hard stone washbasin with splash guard (petit granit de l'Ourthe) partially set into the brickwork. On each level on four sides are arched passages to the rear stairwells.
The specifications mention only that the architrave, cornice, pilasters and the recessed panels between the pilasters were to be finished with cement and coloured. From the original situation it can be concluded that the architrave, cornice and pilasters had the same colour finish, possibly ochre. The recessed surface was possibly coloured white and was surrounded by a list of red profiled brick and a flat yellow brick. The consoles under the trusses are the same colour as the recessed surface.
The original colour picture therefore probably showed an ochre-coloured painted architrave, cornice and pilasters. The surfaces between the architrave, cornice and pilasters consisted of a recessed smooth white surface surrounded by a list of red profiled brick and a flat yellow brick. The ochre-coloured roof trusses are placed on possibly white-painted consoles. Furthermore the specifications mention only that the cell doors and frames were to be primed and provided with a topcoat. Colour analysis of the remaining original cell doors and frames, in the service building on the ground floor, showed the following finish layers (from original to present condition): -doors and frames: heavily soiled ochre/dark green/white/grey/white. From the original situation it can be concluded that the frame had a lighter shade than the door. The original colour picture therefore probably showed an ochre-painted frame in which a darker-tinted ochre-painted cell door was hung.
Galleries. The galleries are constructed from cantilevered U-profiles which are coupled on the front with similar beams. On the U-profiles hard stone plates (petit granit de l'Ourthe), of 2.98 x 1.10 metres and 0.05 metres thick, are placed as walking surface. At the four free-standing spiral stairs the gallery floor is immediately connected with a rectangular landing on the spindle. To the gallery is attached a balustrade 1.00 metre high, constructed from a handrail of T-shaped profile on wrought iron stanchions. Between the stanchions placed approximately 0.90 metre centre to centre two round iron horizontal balusters are provided. The specifications mention only that the ironwork was to be painted twice. Colour analysis showed the following finish layers: -grey/black. The original colour picture therefore probably showed a grey-painted balustrade and supporting structure.
Roof. The iron dome roof has a diameter of 53 metres and a height of approximately 21 metres. The roof is formed by 28 half-trusses at the base resting on the brickwork of the inner facade of the central hall and connected at the ridge with a large iron ring. On that ring rest fourteen small trusses which together provide the support for the fourteen-sided light dome. A half-truss is constructed from angle and plate iron riveted together into a curved truss with I-shaped section. The web of the beam is executed as a grid. The half-trusses are mutually connected by seven, identically constructed iron purlins on which wooden purlins are attached. Over the wooden purlins wooden boarding is applied. The wall plates, the lower and upper purlins, stanchions and exterior roof boarding are made of pine wood. For the interior boarding Koper fir wood is used and for the framing of the panels of the interior boarding, between the purlins and the trusses, a moulding of American pine wood is applied. The interior boarding is laid diagonally with each in direction perpendicular to the adjacent. Between the third and fourth as well as between the sixth and seventh purlin a total of 28 roof lights are installed. The roof lights are constructed of pine wood and are divided by three glazing bars into four strips. Clear glass is installed in these. The trusses of the light dome are coupled at the ridge by a small iron ring. To this ring an iron plate is hung which is coupled with tie rods to the large iron ring. Between the pine wood stanchions and rails clear glass is installed standing and lying.
The specifications mention only that the boarding, the lantern and the roof lights were to be varnished. This has not been checked. From the original situation it can be concluded that the boarding had a lighter shade than the profiled list, while the trusses and purlins are again lighter than the profiled list. Given the colour picture that was applied in 1909-10 at the first repaint after completion, it can be assumed that the trusses and purlins have traditionally had an ochre-coloured finish. Certainty about the colour of the profiled list cannot be obtained. The original colour picture therefore probably showed an ochre-coloured painted iron structure within which in the panels a varnished boarding with a dark (possibly varnished) frame.
Spiral stairs. Free-standing in space are four spiral stairs which connect the galleries with each other. Around a forged or cast spindle are placed per storey 18 cast iron steps with integral spindle sleeve. On the exterior the steps support each other through an integral base, through which the handrail stanchions are fastened with bolts. The space between spindle and the spindle sleeves of the steps is filled with mortar. To the stairs is attached a handrail 1.10 metres high, constructed from a round iron tube on round stanchions. Between the stanchions two round iron balusters are provided. The specifications mention only that the ironwork was to be painted twice. Colour analysis showed the following finish layers: -grey/black. The original colour picture therefore probably showed grey-painted spiral stairs.
Cells building - cell ring. The cells building contains a total of 204 cells, equally divided over the ground floor and three storeys. On the ground floor north and south of the passage to the administrative building were respectively the room for the director of labour and for the teacher, also library. The gallery running around on the three storeys provides access to the cells. The circle formed by the cells is divided into four equal parts of thirteen cells each by the stairwells in the four towers set in the outer wall.
The design of the building is largely determined by the constructive consequences of the application of a dome roof. The thrust forces occurring in the roof are taken up by the moulded walls of the cell ring. Over these the forces are distributed, largely via buttresses at attic level and the ring anchor incorporated into the brickwork and to a lesser extent via the stiff floor construction, over the outer and inner walls and diverted to the foundation.
Cell. The cells, with an area of approximately 11 square metres, are trapezoidal in shape. The width at the door is approximately 2.50 metres and at the window 2.90 metres, while the depth is 4 metres. The floor consists of a Portland cement floor on moulded vaults flattened with concrete. As finish this was twice coated with paraffin oil. The internal walls are one and a half brick thick and the inner leaf of the cavity one half brick thick. The wall on the side of the central hall is moulded while the others are built straight. This brickwork is laid in fair face work of yellow Flemish brick and alternated with bands of "Utrecht facade grey bricks". The lintels above the door and window frames are executed in the same brick. Around the window opening a frame of alternately a header and a stretcher width is formed. The bands of grey brick are distributed as follows, in the inner leaf of the outer wall an underlay of twelve bricks high and in the other walls an underlay of three bricks high. In the outer wall a ventilation opening is cut. In this is placed a wrought iron window of 1.21 x 0.78 metres on a cast iron sill. In this is hung a cast iron frame with a ten-pane division. In this frame a red-copper ventilation casement is provided, which can be folded inwards between galvanized iron cheeks. The lower panes were originally provided with clear glass, the upper ones with fine-ribbed Hartley glass, both in double thickness. Ventilation is possible through two openings in the inner wall to the hall.
Attic. From the uppermost gallery, via a straight iron stair with open-work steps the attic is accessible. An iron gate with a leaf closes off access. The attic runs over the uppermost storey of the cell ring and is formed by buttresses against the inner wall over which a flat roof is laid. The buttresses are provided with an oval opening. Along the side of the inner wall run two iron tie rods to distribute the thrust forces of the trusses evenly at the location of the buttresses. As tie rods angle profiles composed of flat steel are used.
Valuation
The cells building is of general interest. It forms part of a complex with cultural historical values: it is of interest as a particular expression of the development of judicial proceedings and the government's view of dealing with detainees in the late nineteenth century; it is of interest as a particular expression of the typological development of the prison with ancillary buildings, in particular the working out of the panoptical type; it is of interest as a particular expression of the technical development of iron and wood constructions; it is of interest because of the innovative value.
It has architectural historical values: it is of interest for the history of architecture and building techniques because of the application of technically advanced possibilities for the time; it is of interest as an example of the application of stylistic elements from the past to represent the dignity of judicial proceedings and the severity in the punishment of detainees; it is of particular interest in the oeuvre of architects J.F. and W.C. Metzelaar; it is of interest because of the high aesthetic qualities of the design; it is of interest because of the particular coherence between exterior and interior components.
It has ensemble values: it is of interest as an essential component of a larger whole, the ring development and the urban expansion of Breda, which is of national importance in terms of cultural history, architectural history and urban planning; it has particular significance, connected with the development of the city and also has significance for the appearance of the city.
Intactness/recognizability: it is of interest because of the architectural integrity of exterior and interior; it is of interest because of the architectural quality and the coherence of the constituent components (main and ancillary buildings, railings, etc.).
Rarity: it is of interest as part of an important and coherent typological series of buildings which range hierarchically from prison and courthouse to service dwellings with the visually and functionally striking point being the dome-shaped cells building, of which only three were built in our country.
Nearby in the register
- De Koepel gevangenisGerechtsgebouwunder 1 mi
- De Koepel gevangenisHandel en kantoorunder 1 mi
- De Koepel gevangenisGerechtsgebouwunder 1 mi
- De Koepel gevangenisKerk en kerkonderdeelunder 1 mi
Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.