Rijksmonumentenregister · Netherlands
gebouw voor geodesie
Delft, Zuid-Holland, Netherlands
The record
- Designation
- National monument (rijksmonument)
- Class
- Onderwijs en wetenschap
- Function
- Universiteitsgebouw
- Category
- onroerend gebouwd
- Built
- 1892 - 1895
- Address
- Kanaalweg 4, 2628 EB Delft
- Place
- Delft
- Province
- Zuid-Holland
- Country
- Netherlands
- Coordinates
- 52.00846, 4.36846
- Monument number
- 525308
Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.
University Library, Vrije Universiteit AmsterdamUniversity Library, Vrije Universiteit AmsterdamUniversity Library, Vrije Universiteit AmsterdamUniversity Library, Vrije Universiteit Amsterdam
4 historical maps cover this location, the earliest the 1879 map "Chromo lithographische kaart 's Gravenhage en omstreken : Leiden, Delft, de Katwijken, Hazerswoude, Bergschenhoek, 's Gravezande enz." (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).
This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗
The register's description
Omschrijving
Inleiding
UNIVERSITEITSGEBOUW met hoogleraar-directeurswoning, oorspronkelijk gebouwd voor de Afdeling der Geodesie, Landmeten en Waterpassen van de Polytechnische School, gebouwd tussen 1892-1895 naar ontwerp uit 1891 van rijksbouwkundige J. van Lokhorst in de stijl van de Neo-Hollandse Renaissance.
De hoogleraar landmeten, waterpassen en geodesie prof. dr. Ch. M. Schols - van 1878-1897 aan het instituut verbonden - zette zich in de jaren tachtig van de negentiende eeuw in voor een nieuw gebouw, omdat men in het bestaande gebouw kampte met ruimtegebrek. Het gebouw werd in 1896 in gebruik genomen door de Dienst der Rijksdriehoeksmeting (in handen van de Rijkscommissie voor Graadmeting en Waterpassing) en de Polytechnische School voor het onderwijs in landmeten en waterpassing. Op het hoger opgetrokken middendeel werd naar voorbeeld van de Leidse sterrenwacht een observatorium gebouwd. Aan de achterzijde bevond zich een 52 meter lange zaal met veranda voor het verrichten van oefeningen en metingen in de open lucht. Aan het begin van deze eeuw werd hier een verdieping aan toegevoegd. Aan de westzijde werden een conciërgewoning en een loods voor de opslag van de materiaalwagens gebouwd, die beide inmiddels gesloopt zijn. Door het op één as plaatsen van alle verschillende bouwonderdelen kreeg het complex een totale lengte van 111,5 meter.
De Rijksdienst voor Driehoeksmeting werd in 1930 opgeheven. Na de verhuizing van de afdeling Geodesie naar nieuwbouw aan de Thijsseweg 11, deed het universiteitsgebouw van 1975 tot 1989 onder meer dienst als Technisch Tentoonstellingscentrum. In de jaren tachtig startte een grondige restauratie onder leiding van de Rijksgebouwendienst en vervolgens werd het gebouw geschikt gemaakt voor gebruik door de Meetkundige Dienst van Rijkswaterstaat.
Het gebouw ligt ten zuiden van het Rijn-Schiekanaal in de noordoosthoek van de Wippolder. Het ligt met de lange zijde aan de Kanaalweg, in een lichte hoek ten opzichte van het kanaal.
N.B. Belendend aan de westgevel, terugliggend ten opzichte van het hoofdgebouw, liggen de nieuwbouwvleugels, die niet bij de bescherming van rijkswege zijn betrokken.
Omschrijving
Universiteitsgebouw opgetrokken in schoonmetselwerk op een nagenoeg rechthoekige plattegrond. De samengestelde bouwmassa aan de Kanaalweg bestaat uit de vijf bouwlagen hoge risalerende toren met plat dak met aan weerszijden een zijvleugel van twee bouwlagen hoog en aan de oostzijde een samengestelde bouwmassa van twee lagen, waarin zich de woning van de hoogleraar-directeur bevond. De zadeldaken van de vleugels - met de nok evenwijdig aan de voorgevel - en het samengestelde zadeldak van de woning zijn gedekt met blauwe leien in Maasdekking. De dakvlakken worden afgesloten door eenvoudige houten daklijsten. De voorste dakschilden van de vleugels wordt doorsneden door twee rijen van een groot aantal, op regelmatige afstand van elkaar geplaatste dakhuisjes. Achter deze hoofdmassa bevindt zich een evenlange twee bouwlagen hoge vleugel onder ononderbroken zadeldak gedekt met blauwe leien. Aan de oostzijde hiervan bevindt zich een twee bouwlagen hoge uitbouw op rechthoekige plattegrond onder een schildkap, die ingrijpt in het zadeldak. De gevels zijn opgetrokken in grauwe baksteen in kruisverband en worden verlevendigd met speklagen in gele baksteen, siermetselwerk in geel en rood in de boogvelden, rijk geprofileerde dagkanten en stijlen in rode verblendsteen, natuurstenen waterlijsten/lekdorpels, lateien, aanzetblokjes van de ontlastingsbogen, vensterstijlen en -dorpels en rijk gedetailleerde smeedijzeren gevelankers. Onder de eenvoudige gootlijst een kraalrand van rode baksteen met natuurstenen blokjes en een gemetselde tandlijst.
De voorgevel van het hoofdgebouw is over de middenas te spiegelen met in het midden de drie traveeën brede risalerende toren en aan weerszijden de acht traveeën lange vleugels. Tussen de vensters bevinden zich lisenen met speklagen, waar de uitkragende waterlijsten in doorlopen. De rechtgesloten, staande vensters hebben diepe neggen en vanaf de lisenen verspringende dagkanten. De gevel wordt afgesloten met een samengestelde bakstenen sierlijst. De voorgevel van de toren bevat in het midden een met briefpanelen verrijkte dubbele houten deur met origineel smeedijzeren geheng en beslag met aan weerszijden een gekoppeld venster met gemetselde tussenstijl en rondboogvormige boogvelden. Boven de deur bevindt zich een reliëf in natuursteen met vijf nissen waarin allegorische vrouwenfiguren staan. Op de buitenste lisenen zijn smeedijzeren lantaarns bevestigd. Op de verdieping bevinden zich drie gekoppelde vensters met driedelige ramen en in het boogveld gebeeldhouwde reliëfs, die betrekking hebben op de functie van het gebouw. Links en rechts houden figuren schriftrollen met tekst vast, terwijl in het midden het Nederlandse wapen met de tekst Je Maintaindrai staat afgebeeld. In de derde bouwlaag bevinden zich drie kruisvensters met in de boogvelden siermetselwerk. Daarboven zijn de rondboogvormige vensters, waarvan de geprofileerde dagkanten doorlopen in de rondboog, voorzien van gemetselde traceringen. De bovenste laag bevat drie eenvoudige, tweedelige vensters.
De toren wordt rondom beëindigd door een gemetselde balustrade op een uitkragend boogfries. Op het platte dak van de toren staat het in hout opgetrokken observatorium. Dit bestaat uit een vierkante onderbouw met rondom vensters en met daarop een met koper bekleedde, draaibare observatiekoepel, die voor de telescoop via een beweegbaar luik geopend kan worden en eveneens rondom vensters bevat. De zijgevels van de toren bevatten over meerdere bouwlagen doorlopende blindnissen en op de bovenste laag een viertal eenvoudige, tweedelige vensters. De gevels van de vleugels bevatten kruisvensters met in de boogvelden siermetselwerk. De tuitvormige westgevel is blind en valt op door het sterke horizontale accent van de gele speklagen.
Aan de oostzijde bevindt zich de hoogleraar/directeurswoning, die bestaat uit twee bouwlagen die grofweg op een T-vormige plattegrond zijn opgetrokken. De verdiepingshoogte is geringer dan die van het hoofdgebouw, waardoor het gebouw als geheel lager is. Onder de twee haaks op elkaar aansluitende zadeldaken bevindt zich de zolder. Aan de oostzijde bevinden zich twee lagere volumes onder lessenaarsdaken, waarin de entree en dienstruimten gesitueerd zijn en waarop een hoge gemetselde schoorsteen staat, die afgesloten wordt met een balustrade. De gootlijst rust op klossen en heeft een geprofileerde rand. De detaillering en het materiaalgebruik is overeenkomstig het hoofdgebouw. Op het oostelijke dakvlak bevinden zich drie dakkapellen, die iets forser zijn dan de op de overige dakvlakken aanwezige dakhuisjes en uitgevoerd zijn met houten voorschotten. Het zuidelijke dakvlak wordt doorsneden door twee dakhuisjes. Op de nokken pirons. De rechtgesloten, staande vensters bestaan uit stolpramen met enkel bovenlicht in de eerste bouwlaag en driedelig bovenlicht op de verdieping. Detaillering met kraalrand, ontlastingboog met boogveld en siermetselwerk. De risalerende kopgevel is uitgevoerd als tuitgevel met rondboogvormige blindnissen aan weerszijden van het gekoppelde venster. In de bouwlagen telkens twee vensters. Het terugliggende gevelvlak rechtsdaarvan bevat op ieder bouwlaag twee venster. De entree bestaat uit een hardstenen stoep en een entreedeur met een rijk gesneden paneeldeur met ruiten met daarboven een luifel met smeedijzeren, rijkversierde constructie en glas. In de oostgevel v.l.n.r. (in uitbouw onder lessenaarsdak) een zesdelig schuifraam, (in lagere uitbouw onder lessenaarsdak) twee vensters, daarboven een driedelig venster onder gedrukte ontlastingsboog met gemetselde muurdammen tussen staande houten ramen, de rechteras met op iedere bouwlaag een venster. De asymmtrische vierassige achtergevel heeft een ijzeren veranda. De rechteras bevat in de eerste laag deur met driedelig bovenlicht, en op de verdiepingen trapsgewijs verspringende staande vensters. De drie linker assen zijn identiek met op de begane grond openslaande terrasdeuren met driedelige bovenlichten en op de verdieping stolpramen.
Langs de zeventien-assige achtergevel (zuidzijde) bevindt zich een gietijzeren veranda met spantconstructie geplaatst op negen kolommen. In de zwikken van de kolommen sierwerk. De gevel wordt horizontaal geleed door metsellagen van gele baksteen. Onder de eenvoudige gootlijst een sierlijst in uitkragende baksteen. Rechtgesloten vensters met zesdelige ramen en dubbele openslaande deuren in de eerste laag, rechtgesloten gekoppelde vensters met gemetselde smalle stijlen en tweedelige ramen op de verdieping. In de zuidgevel van de uitbouw in iedere laag twee vensters. In de westgevel vier vensters in de eerste laag en op de verdieping enkele staande vensters.
In het midden van het gebouw bevindt zich de entreehal met de hoge toren. Links en rechts daarvan bevinden zich de identieke vleugels waarin zich de werk- en onderwijsvertrekken bevonden.
In het interieur zijn onder meer van belang het gave trappenhuis/toren met het observatorium en in het voormalige woonhuis een tegelvloer, lambrizering en neventrappenhuis.
De traptoren bestaat uit een dragende bakstenen constructie, die bestaat uit drie rechthoekige pijlers, waarvan de voorste twee zich verjongen en uiteindelijk als één pijler de observatoriumkoepel dragen. Rondom deze pijlers, langs de wanden van het trappenhuis, bevinden zich gietijzeren trappen met smeedijzeren balustrade. De pijlers bestaan uit baksteen in diverse typen en kleuren, waarmee een horizontale geleding gemaakt is. In de toren hangt een ijzeren hijsinstallatie. Het observatorium bestaat uit een houten koepel, waarin een mechanisch bedienbaar houten luik is verwerkt. Daaronder bevindt zich een 'lokaal voor waarnemingen', dat deel uitmaakt van de houten torenopbouw en van het centrale trappenhuis afgescheiden is met een betimmering.
Waardering
Het voormalige universiteitsgebouw van de Afdeling der Geodesie, Landmeten en Waterpassen uit 1891 is van algemeen belang vanwege de cultuurhistorische, architectuurhistorische en stedenbouwkundige waarde
- als uitdrukking van een specifieke functie, namelijk universiteitsgebouw voor Geodesie, Landmeten en Waterpassen en vanwege de plaats die het inneemt in de geschiedenis van de Technische Universiteit Delft.
- als gaaf voorbeeld van een monumentaal gebouw in Neo-Hollandse Renaissancestijl, vanwege de plaats die het inneemt in het oeuvre van de rijksbouwkundige Van Lokhorst en vanwege de karakteristieke hoofdvorm, materiaalgebruik en detaillering, en de bijzonderheden in het interieur en van de constructie van de traptoren.
- Het gebouw heeft stedenbouwkundige waarde vanwege de beeldbepalende ligging aan het Rijn-Schiekanaal en de ruimtelijk-functionele en visuele relatie met de omringende TU-gebouwen.
English translation
The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com
Description
Introduction
UNIVERSITY BUILDING with professor-director's residence, originally built for the Department of Geodesy, Land Surveying and Levelling of the Polytechnic School, constructed between 1892-1895 according to a design from 1891 by government architect J. van Lokhorst in the style of Neo-Dutch Renaissance.
The professor of land surveying, levelling and geodesy Prof. Dr. Ch. M. Schols - connected to the institute from 1878-1897 - worked during the 1880s for a new building, as the existing building suffered from lack of space. The building was taken into use in 1896 by the Service of the State Triangulation (in the hands of the State Commission for Degree Measurement and Levelling) and the Polytechnic School for instruction in land surveying and levelling. On the more elevated central section, an observatory was built following the example of the Leiden observatory. On the rear side was a 52-metre-long hall with veranda for the performance of exercises and measurements in the open air. At the beginning of this century an additional storey was added to this. On the west side a caretaker's residence and a shed for storage of material carts were built, both of which have since been demolished. By placing all the different building components on one axis, the complex achieved a total length of 111.5 metres.
The State Service for Triangulation was dissolved in 1930. After the Department of Geodesy moved to new building at Thijsseweg 11, the university building from 1975 to 1989 served among other things as a Technical Exhibition Centre. In the 1980s a thorough restoration was started under the direction of the State Buildings Service and subsequently the building was adapted for use by the Surveying Service of Rijkswaterstaat.
The building is situated south of the Rijn-Schiekanaal in the north-east corner of the Wippolder. It faces with its long side onto the Kanaalweg, at a slight angle to the canal.
N.B. Adjacent to the west facade, set back relative to the main building, are the new extension wings, which are not included in the national monument protection.
Description
University building constructed in fair-faced brickwork on a nearly rectangular floor plan. The composite building mass facing Kanaalweg consists of the five-storey rising tower with flat roof flanked on both sides by a side wing of two storeys height and on the east side a composite building mass of two storeys, which contained the residence of the professor-director. The gabled roofs of the wings - with the ridge parallel to the front facade - and the composite gabled roof of the residence are covered with blue slate in Maas laying. The roof surfaces are finished with simple wooden cornices. The front roof slopes of the wings are intersected by two rows of a large number of regularly spaced roof dormers. Behind this main mass is an equally long two-storey wing under an unbroken gabled roof covered with blue slate. On its east side is a two-storey extension on a rectangular floor plan under a hipped roof, which overlaps into the gabled roof. The facades are constructed in grey brickwork in English bond and are enlivened with speckled courses in yellow brick, decorative brickwork in yellow and red in the arch fields, richly moulded stone edges and mullions in red facing brick, natural stone drip mouldings, lintels, springing blocks of the relieving arches, window mullions and sills and richly detailed wrought-iron wall anchors. Below the simple gutter line a pearl row of red brick with natural stone blocks and a mortared dentil course.
The front facade of the main building is symmetrical about the central axis with in the middle the three-bay wide rising tower and on both sides the eight-bay long wings. Between the windows are pilasters with speckled courses, where the projecting drip mouldings continue through. The rectangular, vertical windows have deep recesses and stone edges that step back from the pilasters. The facade is finished with a composite brick decorative moulding. The front facade of the tower contains in the middle a double wooden door enriched with lozenges with original wrought-iron hinges and fittings with on both sides a coupled window with mortared mullion and semicircular arch fields. Above the door is a relief in natural stone with five niches containing allegorical female figures. Wrought-iron lanterns are mounted on the outer pilasters. On the floor are three coupled windows with three-part panes and sculpted reliefs in the arch field relating to the function of the building. Left and right figures hold scrolls with text, while in the middle the Dutch coat of arms with the text Je Maintaindrai is depicted. On the third storey are three cross windows with decorative brickwork in the arch fields. Above are the semicircular arch windows, whose moulded stone edges continue into the semicircular arch, furnished with mortared tracery. The top storey contains three simple, two-part windows.
The tower is finished all around with a mortared balustrade on a projecting arch frieze. On the flat roof of the tower stands the observatory constructed in wood. This consists of a square base structure with windows all around and on it a copper-clad, rotating observation dome, which can be opened via a movable shutter for the telescope and likewise contains windows all around. The side facades of the tower contain continuous blind niches across several storeys and on the top storey four simple, two-part windows. The facades of the wings contain cross windows with decorative brickwork in the arch fields. The spout-gable shaped west facade is blind and stands out due to the strong horizontal emphasis of the yellow speckled courses.
On the east side is the professor/director's residence, which consists of two storeys constructed roughly on a T-shaped floor plan. The floor height is less than that of the main building, as a result of which the building as a whole is lower. Below the two mutually perpendicular gabled roofs is the attic. On the east side are two lower volumes under mansard roofs, in which the entrance and service rooms are situated and on which stands a high mortared chimney, which is finished with a balustrade. The gutter line rests on consoles and has a moulded edge. The detailing and material use correspond to the main building. On the eastern roof slope are three roof dormers, which are somewhat more substantial than the roof dormers present on the other roof slopes and are executed with wooden fascias. The southern roof slope is intersected by two roof dormers. On the ridges finials. The rectangular, vertical windows consist of casement windows with single fanlight on the first storey and three-part fanlight on the upper floor. Detailing with pearl row, relieving arch with arch field and decorative brickwork. The rising gable facade is executed as a spout gable with semicircular blind niches on both sides of the coupled window. In each storey two windows. The recessed facade section to the right of it contains on each storey two windows. The entrance consists of a stone step and an entrance door with a richly carved panelled door with panes with above it a canopy with wrought-iron, richly decorated construction and glass. In the east facade from left to right (in extension under mansard roof) a six-part sash window, (in lower extension under mansard roof) two windows, above them a three-part window under depressed relieving arch with mortared wall ties between vertical wooden frames, the right axis with on each storey a window. The asymmetrical four-axis rear facade has an iron veranda. The right axis contains on the ground floor a door with three-part fanlight, and on the upper floors progressively stepped vertical windows. The three left axes are identical with on the ground floor opening terrace doors with three-part fanlights and on the upper floor casement windows.
Along the seventeen-axis rear facade (south side) is placed a cast-iron veranda with braced structure resting on nine columns. Decorative work in the brackets of the columns. The facade is articulated horizontally by courses of yellow brick. Below the simple gutter line a decorative moulding in projecting brick. Rectangular windows with six-part panes and double opening doors on the ground floor, rectangular coupled windows with mortared narrow mullions and two-part panes on the upper floor. In the south facade of the extension two windows on each storey. In the west facade four windows on the ground floor and on the upper floor several vertical windows.
In the centre of the building is the entrance hall with the high tower. To the left and right are the identical wings which housed the work and teaching rooms.
In the interior, notably important are the well-preserved stairwell/tower with the observatory and in the former residence a tile floor, wainscoting and secondary stairwell.
The stair tower consists of a load-bearing brick construction, which consists of three rectangular pillars, of which the front two taper and ultimately serve as a single pillar supporting the observatory dome. Around these pillars, along the walls of the stairwell, are cast-iron stairs with wrought-iron balustrade. The pillars consist of brick in various types and colours, with which a horizontal articulation is created. In the tower hangs an iron hoisting installation. The observatory consists of a wooden dome, in which a mechanically operated wooden shutter is incorporated. Below it is an 'observation room', which forms part of the wooden tower structure and is separated from the central stairwell with timber cladding.
Valuation
The former university building of the Department of Geodesy, Land Surveying and Levelling from 1891 is of general importance due to its cultural-historical, architectural-historical and urban design value
- as an expression of a specific function, namely a university building for Geodesy, Land Surveying and Levelling and due to the place it occupies in the history of the Technical University Delft.
- as a well-preserved example of a monumental building in Neo-Dutch Renaissance style, due to the place it occupies in the oeuvre of government architect Van Lokhorst and due to the characteristic main form, material use and detailing, and the particularities in the interior and of the construction of the stair tower.
- The building has urban design value due to its visually prominent location on the Rijn-Schiekanaal and the spatial-functional and visual relationship with the surrounding TU buildings.
Nearby in the register
- Sportverenigingsgebouw, Nieuwelaan 51Sport en recreatieunder 1 mi
- Universiteitsgebouw, Nieuwelaan 114Onderwijs en wetenschapunder 1 mi
- Laboratorium, Kanaalweg 3 A 1Onderwijs en wetenschapunder 1 mi
- Laboratorium, Ezelsveldlaan 61Onderwijs en wetenschapunder 1 mi
Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.