Rijksmonumentenregister · Netherlands
St. Laurentiuskerk
Oudorp, Noord-Holland, Netherlands
The record
- Designation
- National monument (rijksmonument)
- Class
- Kerk en kerkonderdeel
- Function
- Kerk
- Category
- onroerend gebouwd
- Built
- 1879 - 1880
- Address
- Herenweg 79, 1829 AC Oudorp (Alkmaar 27)
- Place
- Oudorp
- Municipality
- Alkmaar
- Province
- Noord-Holland
- Country
- Netherlands
- Coordinates
- 52.63560, 4.77393
- Part of complex
- 524947
- Monument number
- 524948
Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.
David Rumsey Map Collection, Stanford LibrariesUniversity Library, Vrije Universiteit AmsterdamUniversity Library, Vrije Universiteit AmsterdamDavid Rumsey Map Collection, Stanford Libraries
4 historical maps cover this location, the earliest the 1867 map "No. VI. Deutschland, Niederlande, Belgien, Schweiz. (Germany, Netherlands, Belgium, Switzerland)." (David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries).
This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗
The register's description
Omschrijving
Inleiding
Aan Sint Laurentius gewijde KERK uit 1879-1880 gebouwd in neogotische stijl naar ontwerp van architect Margry, hoofdonderdeel van het rooms-katholiek kerkelijk complex St. Laurentius.
Omschrijving
Driebeukige pseudobasiliek met een halfingebouwde fronttoren, een schip van acht traveeën onder een leigedekt zadeldak, en een ondiep koor met driezijdige sluiting. Het buitenmuurwerk is opgetrokken in roodgele machinale baksteen waalformaat in kruisverband met snijvoeg. Het muurwerk heeft een omgaande plint met een hardstenen bovenrand, en onder de vensters een cordonlijst van rode profielsteen. De steunberen zijn bovenaan en ter hoogte van de versnijdingen afgedekt met hardsteen. De spitsbogen boven de vensters, spaarvelden en nissen, hebben een sluitsteen van kalksteen. De op vierkant grondplan opgetrokken toren in het midden van de voorgevel (W) is opgebouwd uit drie segmenten - het middenste segment is hoger dan de onderste en bovenste - en voorzien van een hoge, ingesnoerde achtzijdige spits met een leidekking en bovenop een smeedijzeren kruis met vergulde haan. De toren heeft op de hoeken tot bovenaan toe haakse steunberen met twee versnijdingen ter hoogte van de segmentovergangen. Tegen de voorzijde van de onderste geleding is een gotisch portaal aangebracht waarvan de steile topgevel bekroond wordt door een hardstenen kruisbloem. De terugliggende voordeur is uitgevoerd als dubbele deur van opgeklampte kraalschroten en voorzien van smeedijzeren sierbeslag. Tegen de dagkanten van het portaal staat een ranke zuil van kalksteen met een hardstenen basement en een bladkapiteel van zachtere steen. Het bovenlicht boven de hardstenen latei van de deur is uitgevoerd als een spitsboogvenster met groen glas-in-lood en maaswerk van kalksteen. Bovenin de topgevel van het portaal zijn drie spitsboognisjes aangebracht. De onderste geleding wordt van de middenste geleding gescheiden door uitkragend siermetselwerk waarin twee muizentanden. In het middensegment zijn drie hoge spitsboogvensters aangebracht waarboven een roosvenster binnen een spitsbogig spaarveld. Deze drie vensters en het in kalksteen uitgevoerde roosvenster zijn voorzien van gebrandschilderde ramen. Boven het roosvenster bevinden zich, evenals in de zijgevels van de toren, drie kleine spitsboognissen, waarboven een uitkragende dubbele muizentand en siermetselwerk in de vorm van diagonale ruiten bestaande uit uitgemetselde rollagen met op de snijpunten blokjes kalksteen. De bovenste torengeleding heeft aan alle vier zijden een spitsboogvormig spaarveld met bovenin een wijzerplaat en daaronder twee gekoppelde galmgaten met spitsboogvorm. Onder de geprofileerde hardstenen bovenrand van de toren bevindt zich uitkragend metselwerk in de vorm van twee dubbele muizentanden. De door een ezelsrug afgedekte voorgevel heeft links en rechts van de toren een steunbeer met versnijding, en op de hoeken haakse steunberen met twee versnijdingen waarop een achthoekige gemetselde bekroning met een achtzijdig tentdak van hardsteen. In het verlengde van de zijbeuken is links en rechts in de voorgevel een spitsboogvenster aangebracht waarin maaswerk van kalksteen en gebrandschilderd glas. Boven deze vensters heeft de voorgevel een band van uitkragend metselwerk (ondermeer drie muizentanden). Hierboven bevindt zich aan de buitenkant van de twee steunberen links en rechts van de toren een luik waarboven een hardstenen latei en een spitsboognis. Op dezelfde hoogte bevindt zich ter weerszijden van de toren een smal spitsboogvenster. Onder het linker venster bevindt zich lager nog een smal getoogd venster. De zijgevels worden door steunberen met één versnijding geleed in acht traveeën. In elke travee zijn twee spitsboogvensters aangebracht. Aan de kant van de voorgevel bevindt zich nog een halve travee zonder vensteropening. Boven de zijgevels loopt een gootlijst op een uitkragende dubbele muizentand waaronder een rollaag in de vorm van een zaagtand met op de hoekpunten kalksteen. Tegen de zesde hele travee vanaf de voorgevel zijn beide zijgevels voorzien van een rechthoekige biechtstoeluitbouw waarin twee kleine spitsboogvensters. Deze uitbouwen hebben een leigedekt lessenaarsdak waaronder een grijsgesausde natuurstenen dakgoot op een dubbele muizentand. Het grote zadeldak telt boven beide zijgevels vijf dakkapellen: links, rechts en in het midden één, en daartussen bovenin twee kleinere. De dakkapellen hebben leigedekte zijkanten en een dito zadeldak met een overstek en windveren in spitsboogvorm. De onderste zijn voorzien van een luik met drie lancetvensters, de bovenste van een spitsboogvormig luik met een rond raampje. Het koor heeft een vijfzijdig leigedekt dak dat aansluit tegen de door een hardstenen kruis bekroonde en met ezelsrug afgedekte oostelijke topgevel van het schip. Deze gevel heeft een band van siermetselwerk als in de voorgevel, waarboven eveneens links en rechts een luik met hardstenen latei en spitsboognis, en op de hoeken haakse steunberen met één versnijding. Op het koordak staat middenachter een dakkappel als die onderaan de zijschilden van het hoofddak. Het koor wordt geleed door steunberen met twee versnijdingen. In de drie traveeën van de koorsluiting is een hoog spitsboogvenster aangebracht voorzien van gebrandschilderd glas.
INTERIEUR. In het interieur worden middenschip en zijbeuken van elkaar gescheiden door een spitsboogarcade op achthoekige pijlers van gele machinale baksteen met dito basementen van paarsrode machinale baksteen afgesloten door een geprofileerde hardstenen plaat. Op de kalkstenen bladwerkkapitelen rust een liseen van rode baksteen waartegen een ronde schalk van kalksteen geplaatst op een eveneens kalkstenen bladconsole. De schalken zijn voorzien van een bladwerkkapiteel ter hoogte van de eveneens kalkstenen cordonlijst die de witgepleisterde muurvlakken boven de rode spitsbogen afsluit. Onder deze cordonlijst bevinden zich twee lagen rode baksteen en drie muizentanden van gele baksteen. Op de genoemde schalken is een lagere dito schalk geplaatst die de in rode baksteen uitgevoerde muurstrook boven de cordonlijst geleed. Dit muurvlak heeft per travee een liggend spaarveld waarin drie spitsboognissen en waarboven drie muizentanden van gele baksteen. Hierboven wordt het muurwerk van het middenschip eveneens afgesloten door drie gele muizentanden. Het houten spitstongewelf boven het middenschip wordt geleed door gordelbogen die onderaan voorzien zijn van een verguld bladmotief en rusten op de bovenste schalken. Langs de randen van de gewelfvakken is een gepolychromeerde schildering aangebracht met florale motieven. In het midden van elk gewelfvak bevindt zich een rond ventilatierooster in de vorm van een uitgezaagde bloem (waarachter sinds kort rood glas om warmteverlies tegen te gaan). De door rode spitsbogen van elkaar gescheiden rechthoekige zijbeuktraveeën worden overwelfd door kruisribgewelven van gele baksteen op geprofileerde kalkstenen ribben. De spitsbogen rusten in de zijmuur op pilasters van rode machinale baksteen met een kalkstenen bladwerkkapiteel. Hiertussen wordt het eveneens in rode machinale baksteen (halfsteens verband met snijvoeg) gemetselde onderste gedeelte van de zijmuren afgesloten door een cordonlijst van kalksteen waarboven een kruisweg van beschilderde ijzeren platen. De kruisweg wordt ter hoogte van de zesde travee (gerekend vanaf de ingang) onderbroken voor een rijkgesneden neogotische eikenhouten wandbetimmering rond de twee van glas-in-lood voorziene paneeldeuren van de uitgebouwde biechtstoelen. In de witgepleisterde bovenste helft van de hoge zijmuren zijn per travee twee hoge gekoppelde spitsboogvensters aangebracht omgeven door rode baksteen. De twee vensters in de zijbeuktravee linksvoor zijn voorzien van gebrandschilderde ramen uit 1906 voorstellend de Annunciatie. In de overige vensters in de zijmuren is sober glas-in-lood (vermoedelijk XXb) aangebracht met bovenin een getrapt motief. de De halve traveeën ter weerszijden van de halfingebouwde toren hebben alleen in de voorgevel een gebrandschilderd raam: het venster ten zuiden van de toren dateert uit 1904 en toont Maria en een paus, het andere venster de doop van Christus in de Jordaan. Ter plaatse van de moderne toiletinbouw onder het laatste venster was dan ook de doopkapel. Het in art-nouveaustijl uitgevoerde smeedijzeren hek van de doopkapel is verplaatst naar de tweede travee van de zuidelijke zijbeuk, het doopvont naar de noordelijke zijbeuk (tussen de tweede en derde travee). Het ronde zwartmarmeren bekken van het doopvont is voorzien van een randschrift (uit Marcus) en geplaatst op een trommel van roodbruin marmer waaronder een zwartmarmeren basement. De halfbolvormige geelkoperen deksel wordt bekroond door een hoge rijkgesneden houten opbouw in neogotische stijl waarin een gepolychromeerd houten beeld van Johannes de Doper. Het kruisribgewelf van beide halve traveeën rust in de voorgevel op kraagstenen in de vorm van een monsterkop. Het gewelf boven de voormalige doopkapel is beschilderd (bladmotieven). Ter plaatse van het verdwenen Maria-altaar vooraan in de noordelijke zijbeuk staat thans het hoofdaltaar (op het einde van de zuidelijke zijbeuk is een pijporgel geplaatst. De tafel van het neogotische hoofdaltaar heeft een zwartmarmeren blad en is aan de voorzijde voorzien van vier groenmarmeren zuiltjes met zwartmarmeren basementen en goudkleurige kapitelen, waartussen een gepolychromeerde beeldengroep van de Graflegging en links en rechts hiervan een engel (met lijdenswerktuig) in hoogreliëf. In het midden van de bovenbouw van het altaar bevindt zich het tabernakel met ter weerszijden een gepolychromeerd hoogreliëf: links het Laatste Avondmaal, rechts de Bruiloft te Kana. De met wit marmer afgedekte onderrand van de bovenbouw is bekleed met inlegwerk van diverse soorten marmer. Het baldakijn boven het tabernakel heeft een torenachtige opbouw van hout met boven de goudkleurige hoekzuilen de symbolen van de vier evangelisten en daartussen rijkgesneden wimbergen. Boven het koor is een vijfdelig ribgewelf aangebracht van gele baksteen. De vier kalkstenen ribben rusten op dito schalken met bladwerkkapitelen waarachter (geknikte) rode lisenen die zich tot aan de vloer voortzetten. De schalken zelf worden gedragen door bewerkte kalkstenen kraagstenen ter hoogte van de cordon van rode baksteen onder de koorvensters. Van links naar rechts stellen de vier kraagstenen het volgende voor: een rooster (martelwerktuig van Laurentius), "ANNO", "1880" en een wapenschild met drie bloemknoppen. De drie gebrandschilderde koorramen komen uit het atelier van Nicolas in Roermond en tonen van links naar rechts de heiligen Dionysius, Laurentius en Pancratius. Het middenste raam dateert van vlak na de bouwtijd, de andere twee uit omstreeks 1910. In de witgepleisterde muur van het koor is onder het middenste venster een witmarmeren gedenksteen (1880) ingemetseld met daarop de naam van een belangrijke schenker. De rijkgesneden neogotische eikenhouten communiebanken (1881) uit het atelier van Margry werden in de jaren '70 vermaakt tot nieuw hoofdaltaar en driedelige achterwand in het koor. Ze zijn samengesteld uit panelen met ajourwerk (druiventrossen of korenaren) afgewisseld met gepolychromeerde heiligenbeelden en dito voorstellingen uit het Oude en Nieuwe Testament die betrekking hebben op de Eucharistie. De vier gepolychromeerde kaarsdragende engelen op de hoeken van de communiebanken zijn verplaatst naar de driedelige achterwand. De kuip van de preekstoel doet thans dienst als ambo. De vier zijden van de rijkgesneden neogotische kuip tonen in hoogreliëf de eerste geloofsverkondigers en hun toehoorders. Op de vijf hoeken staan Christus en de vier evangelisten, alle geplaatst op een rijkgesneden console en onder een dito baldakijn. De gepolychromeerde beelden(groepen) dragen goudkleurige gewaden. De zeshoekige kalkstenen voet van de preekstoel staat thans achterin de zuidelijke zijbeuk. Het toont vijf oudtestamentische profeten in reliëf (gepolychromeerd). De trap van de preekstoel is overgebracht naar de zangerstribune, het klankbord ligt opgeslagen op de zolder van de pastorie (zie verder). De eikenhouten trap heeft een rijkgesneden opengewerkte leuning in de vorm van gotische vensters met maaswerk.
Achterin het middenschip is over de volle breedte van de eerste travee een houten zangerstribune aangebracht. De dichte borstwering bestaat uit vierkante stijlen waarachter horizontale delen die aan de voorzijde beschilderd zijn met kleurige ronde florale motieven. De moerbalk onder de borstwering is beschilderd met bladranken en rust op rijkgeprofileerde sleutelstukken. De laatste zijn evenals de vakken van het balkenplafond onder de tribune voorzien van een florale beschildering. De vloer van de kerk is uitgevoerd in hardsteen. In de rechter zijbeuk en achterin het middenschip staan nog de oorspronkelijke grenen banken voorzien van een eikenhouten zijkant in sobere neogotische stijl (o.a. voorzien van een vierpas). De overige neogotische banken in het middenschip hebben een rijkbewerkte zijkant met bloem- en bladmotieven en per zitplaats een afsluitbaar opbergvak. Deze geheel in eikenhout uitgevoerde banken zijn afkomstig uit de Maria van Jessekerk in Delft. De sobere banken in de linker zijbeuk komen uit de gesloopte Dominicuskerk in Alkmaar. Om tocht tegen te gaan is achter de achterste banken in het middenschip een houten schot geplaatst voorzien van panelen. De achtermuur van het middenschip is opgetrokken in hetzelfde metselwerk als de zijmuren. In het midden bevindt zich de dubbele deur naar het torenportaal en ter weerszijden hiervan een (schelpvormige) witwarmeren wijwaterbak. Het torenportaal heeft een vloer als in de kerk, muren van rode machinale waalsteen in kruisverband, en een kruisribgewelf van gele baksteen met bovenin een rond luik. De kalkstenen kraagstenen onder de dito ribben zijn gebeeldhouwd als monsterkop (westzijde) of bladwerk (oostzijde). Tegen beide zijmuren van het portaal is een witmarmeren gedenkplaat bevestigd: op de rechter (Z) staan ondermeer de datums van de eerste steenlegging (3-7-1879) en de consacratie (12-9-1880) vermeld, op de linker (N) de namen van de architect, de aannemer, de leden van het kerkbestuur en de bouwcommissie. Een deur rechts in de linker zijmuur geeft toegang tot een houten spiltrap die zich voortzet tot onder het dak van het schip. Achter de deur links in de rechter zijmuur is een kleine doorgang (met vlakke zoldering) naar de zuidelijke zijbeuk. Alle deuren in het portaal, ook de dubbele voordeur, zijn uitgevoerd als opgeklampte eikenhouten deur (beschot van kraalschroten) voorzien van gekruld siersmeedwerk. De deuren hebben hardstenen lateien en spitsboogvormige bovenlichten voorzien van glas-in-lood (matglas). Halverwege de genoemde spiltrap geeft een eikenhouten paneeldeur toegang tot de eerste torenverdieping. De vloer hiervan bestaat uit brede delen en sluit aan op die van de zangerstribune. De hoge ruimte opent met een spitsboog naar het middenschip en heeft muren van rode machinale baksteen afgesloten door een dubbele muizentand. Hierboven is een spitstongewelf van gele baksteen gemetseld, geleed door twee gordelbogen op uitgemetselde consoles van rode baksteen. De drie gebrandschilderde spitsboogramen in de voorgevel tonen de heilige Caecilia tussen een paus en koning David. In het midden van het roosvenster erboven staat het Lam Gods afgebeeld, omgeven door drie oudtestamentische profeten, Dante en de symbolen van de vier evangelisten. Tegenover de deur naar de spiltrap bevindt zich in de zuidmuur een eikenhouten paneeldeur waarachter een bergruimte (hier bevindt zich de motor van het orgel). Op de zangerstribune staat ter weerszijden van de laatstgenoemde spitsboog de tweedelige eikenhouten orgelkas opgesteld. Het recent gereviseerde tweeklaviers orgel telt 15 registers en werd in 1920 vervaardigd door de fa. Vermeulen in Alkmaar (geschenk van de parochianen aan pastoor Maats bij zijn 40-jarig priesterjubileum). Orgel en orgelkas zijn niet van waarde uit het oogpunt van monumentenzorg. Bovenaan de spiltrap leidt een een rechte steektrap liggend op het spitstongewelf naar de lage tweede torenverdieping. In de hoger gelegen klokkenzolder hangt een klok uit 1950 genaamd Jacobus.
Waardering
Het kerkgebouw met bijbehorend interieur is van algemeen belang als historisch-functioneel hoofdonderdeel van het rooms-katholiek kerkelijk complex St. Laurentius en als gaaf bewaard voorbeeld van neogotische kerkelijke bouwkunst uit het vierde kwart van de 19de eeuw. Verder van belang voor het ouevre van architect Margry.
English translation
The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com
Description
Introduction
Church dedicated to Saint Laurentius built in 1879-1880 in the neogothic style after designs by architect Margry, principal component of the Roman Catholic ecclesiastical complex St. Laurentius.
Description
Three-aisled pseudo-basilica with a half-built front tower, a nave of eight bays under a slate-covered gabled roof, and a shallow choir with a three-sided closure. The external masonry is constructed of red-yellow machine-made brick in Flemish bond with cut joints. The masonry has a continuous plinth with a hardstone top edge, and beneath the windows a string course of red moulded stone. The buttresses are capped at the top and at the level of the offsets with hardstone. The pointed arches above the windows, spandrels and niches have a keystone of limestone. The tower, constructed on a square ground plan in the centre of the west facade, is built up from three segments - the middle segment is higher than the lower and upper ones - and provided with a tall, tapered octagonal spire with slate covering and topped by a wrought-iron cross with a gilded weathercock. The tower has right-angled buttresses at the corners up to the top with two offsets at the level of the segment transitions. Against the front of the lowest stage is a Gothic portal with a steep gable crowned by a hardstone cross-finial. The recessed front door is executed as a double door of clamped bead-moulded timber and provided with wrought-iron decorative hardware. Against the sides of the portal stands a slender limestone column with a hardstone base and a leaf capital of softer stone. The fanlight above the hardstone lintel of the door is executed as a pointed arch window with green stained glass and limestone tracery. At the top of the gable of the portal are three pointed arch niches. The lower stage is separated from the middle stage by projecting decorative brickwork containing two tooth mouldings. In the middle segment are three tall pointed arch windows topped by a rose window within a pointed arch spandrel. These three windows and the rose window executed in limestone are provided with stained glass. Above the rose window are, as also in the side facades of the tower, three small pointed arch niches, above which a projecting double tooth moulding and decorative brickwork in the form of diagonal lozenges consisting of stepped brick courses with limestone blocks at the intersections. The upper tower stage has on all four sides a pointed arch spandrel with a clock face at the top and below it two coupled louvred openings in pointed arch form. Below the moulded hardstone top edge of the tower is projecting brickwork in the form of two double tooth mouldings. The west facade, topped with a ridge tile, has left and right of the tower a buttress with an offset, and at the corners right-angled buttresses with two offsets topped by an octagonal brick cornice with an octagonal stone pyramidal roof. In line with the side aisles, a pointed arch window is placed left and right in the west facade with limestone tracery and stained glass. Above these windows the west facade has a band of projecting brickwork (including three tooth mouldings). Above this, on the outside of the two buttresses left and right of the tower, is a shutter topped by a hardstone lintel and a pointed arch niche. At the same height, on either side of the tower is a narrow pointed arch window. Below the left window is a lower narrow arched window. The side facades are articulated by buttresses with one offset into eight bays. In each bay are two pointed arch windows. On the side of the west facade there is still a half bay without a window opening. Above the side facades runs a gutter line on a projecting double tooth moulding beneath which is a stepped brick course in the form of a sawtooth pattern with limestone at the corner points. Against the sixth full bay from the west facade, both side facades are provided with a rectangular confessional projection containing two small pointed arch windows. These projections have a slate-covered lean-to roof with a plaster-rendered natural stone gutter on a double tooth moulding. The large gabled roof has above both side facades five roof dormers: left, right and in the centre one, and between them above two smaller ones. The roof dormers have slate-covered sides and a slate-covered gabled roof with an overhang and wind-braces in pointed arch form. The lower ones are provided with a shutter with three lancet windows, the upper ones with a pointed arch shutter with a round window. The choir has a five-sided slate-covered roof adjoining the east gable of the nave, which is crowned with a hardstone cross and capped with a ridge tile. This facade has a band of decorative brickwork as in the west facade, above which also left and right is a shutter with hardstone lintel and pointed arch niche, and at the corners right-angled buttresses with one offset. On the choir roof stands a roof dormer in the centre-rear like those on the sides of the main roof. The choir is articulated by buttresses with two offsets. In the three bays of the choir closure is a tall pointed arch window provided with stained glass.
INTERIOR. In the interior the nave and side aisles are separated from each other by a pointed arch arcade on octagonal pillars of yellow machine-made brick with similar bases of purple-red machine-made brick closed off by a moulded hardstone plate. On the limestone leaf capitals rests a pilaster of red brick against which a round corbel of limestone is placed on an equally limestone leaf console. The corbels are provided with a leaf capital at the level of the equally limestone string course which closes off the whitewashed wall surfaces above the red pointed arches. Below this string course are two courses of red brick and three tooth mouldings of yellow brick. On the aforementioned corbels is placed a lower similar corbel that articulates the wall strip executed in red brick above the string course. This wall surface has per bay a recumbent spandrel with three pointed arch niches and above it three tooth mouldings of yellow brick. Above this the masonry of the nave is equally closed off by three yellow tooth mouldings. The wooden pointed barrel vault above the nave is articulated by transverse arches which at the bottom are provided with a gilded leaf motif and rest on the upper corbels. Along the edges of the vault sections is a polychromic painting with floral motifs. In the centre of each vault section is a round ventilation grille in the form of a sawn-out flower (behind which, recently, red glass has been placed to prevent heat loss). The rectangular side-aisle bays, separated from each other by red pointed arches, are vaulted by cross-rib vaults of yellow brick on moulded limestone ribs. The pointed arches rest in the side wall on pilasters of red machine-made brick with a limestone leaf capital. Between them the lower part of the side walls, also constructed in red machine-made brick (half-brick bond with cut joints), is closed off by a limestone string course above which is a Way of the Cross of painted iron plates. The Way of the Cross is interrupted at the level of the sixth bay (counted from the entrance) for richly carved neogothic oak panelling around two glass-in-lead panel doors of the extended confessionals. In the whitewashed upper half of the high side walls are per bay two tall coupled pointed arch windows surrounded by red brick. The two windows in the left front side-aisle bay are provided with stained glass from 1906 depicting the Annunciation. In the remaining windows in the side walls sober stained glass (presumably 20th-century second half) is provided with a stepped motif at the top. The half-bays on either side of the half-built tower have only in the west facade a stained glass window: the window south of the tower dates from 1904 and shows Mary and a pope, the other window the baptism of Christ in the Jordan. At the location of the modern toilet installation below the last window was the baptistery. The wrought-iron screen of the baptistery executed in art-nouveau style has been moved to the second bay of the south side aisle, the baptismal font to the north side aisle (between the second and third bay). The round black-marble basin of the baptismal font is provided with an inscription (from Mark) and placed on a drum of reddish-brown marble beneath which a black-marble base. The hemispherical brass cover is crowned by a tall richly carved wooden superstructure in neogothic style containing a polychromic wooden image of John the Baptist. The cross-rib vault of both half-bays rests in the west facade on corbels in the form of a monster head. The vault above the former baptistery is painted (leaf motifs). At the location of the disappeared Mary altar in the front of the north side aisle now stands the high altar (at the end of the south side aisle an organ has been placed. The table of the neogothic high altar has a black-marble top and is provided at the front with four green-marble columns with black-marble bases and gilded capitals, between which a polychromic sculptural group of the Entombment and left and right of this an angel (with the instruments of the Passion) in high relief. In the centre of the superstructure of the altar is the tabernacle with on either side a polychromic high relief: on the left the Last Supper, on the right the Wedding at Cana. The bottom edge of the superstructure, covered with white marble, is faced with inlay work of various types of marble. The baldachin above the tabernacle has a tower-like wooden superstructure with above the gilded corner columns the symbols of the four evangelists and between them richly carved crockets. Above the choir is a five-part rib vault of yellow brick. The four limestone ribs rest on similar corbels with leaf capitals behind which (bent) red pilasters that continue to the floor. The corbels themselves are supported by worked limestone corbels at the level of the red brick string course below the choir windows. From left to right the four corbels represent the following: a gridiron (instrument of martyrdom of Laurentius), "ANNO", "1880" and a shield with three flower-buds. The three stained glass choir windows come from the studio of Nicolas in Roermond and show from left to right the saints Dionysius, Laurentius and Pancratius. The middle window dates from shortly after the time of construction, the other two from around 1910. In the whitewashed wall of the choir beneath the middle window a white-marble memorial stone (1880) is set with on it the name of an important donor. The richly carved neogothic oak communion railings (1881) from Margry's studio were modified in the 1970s to form a new high altar and three-part reredos in the choir. They are composed of panels with fretwork (grape bunches or ears of corn) alternating with polychromic saint images and similar representations from the Old and New Testaments relating to the Eucharist. The four polychromic candle-bearing angels at the corners of the communion railings have been moved to the three-part reredos. The pulpit bowl now serves as an ambo. The four sides of the richly carved neogothic bowl show in high relief the first preachers of the faith and their listeners. On the five corners stand Christ and the four evangelists, all placed on a richly carved console and beneath a similar baldachin. The polychromic sculptures are dressed in gilded garments. The hexagonal limestone base of the pulpit now stands at the rear of the south side aisle. It shows five Old Testament prophets in relief (polychromic). The staircase of the pulpit has been transferred to the choir gallery, the sounding board is stored in the attic of the presbytery (see further). The oak staircase has a richly carved open-work railing in the form of Gothic windows with tracery.
At the rear of the nave spanning the full width of the first bay is a wooden choir gallery. The solid front panel consists of square stiles behind which horizontal sections painted on the front with colourful round floral motifs. The tie-beam below the front panel is painted with leafy tendrils and rests on richly moulded keystones. The latter, like the sections of the beam ceiling under the gallery, are provided with floral painting. The floor of the church is executed in hardstone. In the right side aisle and at the rear of the nave are still the original pine pews with an oak side in sober neogothic style (including with a quatrefoil). The remaining neogothic pews in the nave have a richly worked side with flower and leaf motifs and per seat a lockable storage compartment. These pews, entirely executed in oak, come from the Maria van Jesse church in Delft. The sober pews in the left side aisle come from the demolished Dominican church in Alkmaar. To prevent draughts, behind the rear pews in the nave is a wooden screen provided with panels. The rear wall of the nave is constructed in the same masonry as the side walls. In the centre is the double door to the tower portal and on either side of this a (shell-shaped) white-marble holy-water stoup. The tower portal has a floor as in the church, walls of red machine-made Flemish brick in Flemish bond, and a cross-rib vault of yellow brick with a round opening at the top. The limestone corbels below the similar ribs are carved as a monster head (west side) or foliage (east side). Against both side walls of the portal is a white-marble memorial plaque affixed: on the right (S) are noted among others the dates of the first stone-laying (3-7-1879) and the consecration (12-9-1880), on the left (N) the names of the architect, the contractor, the members of the church council and the building committee. A door on the right in the left side wall gives access to a wooden spiral staircase which continues to below the roof of the nave. Behind the door on the left in the right side wall is a small passage (with flat ceiling) to the south side aisle. All doors in the portal, including the double front door, are executed as clamped oak doors (cladding of bead-moulded boards) provided with curled decorative ironwork. The doors have hardstone lintels and pointed arch fanlights provided with stained glass (frosted glass). Halfway up the mentioned spiral staircase an oak panel door gives access to the first tower storey. The floor of this consists of wide boards and connects to that of the choir gallery. The high space opens with a pointed arch to the nave and has walls of red machine-made brick closed off by a double tooth moulding. Above this is a pointed barrel vault of yellow brick, articulated by two transverse arches on constructed red brick consoles. The three stained glass pointed arch windows in the west facade show Saint Cecilia between a pope and King David. In the centre of the rose window above is depicted the Lamb of God, surrounded by three Old Testament prophets, Dante and the symbols of the four evangelists. Opposite the door to the spiral staircase is in the south wall an oak panel door behind which is a storage room (here is the motor of the organ). On the choir gallery stands on either side of the last-mentioned pointed arch the two-part oak organ case. The recently revised two-manual organ has 15 registers and was made in 1920 by the firm Vermeulen in Alkmaar (a gift from the parishioners to pastor Maats on his 40th anniversary of priesthood). Organ and organ case are not of value from the point of view of heritage conservation. At the top of the spiral staircase a straight flight of stairs rests on the pointed barrel vault leading to the low second tower storey. In the higher bell-loft hangs a bell from 1950 named Jacobus.
Valuation
The church building with its associated interior is of general importance as a historically-functional principal component of the Roman Catholic ecclesiastical complex St. Laurentius and as a well-preserved example of neogothic ecclesiastical architecture from the fourth quarter of the 19th century. Further important for the oeuvre of architect Margry.
Nearby in the register
- Grafmonument, Herenweg bij 79Begraafplaats en -onderdelenunder 1 mi
- Grafmonument, Herenweg bij 79Begraafplaats en -onderdelenunder 1 mi
- Grafmonument, Herenweg bij 79Begraafplaats en -onderdelenunder 1 mi
- StroomerlaantjeWegunder 1 mi
Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.