Rijksmonumentenregister · Netherlands
Missiehuis
Tilburg, Noord-Brabant, Netherlands
The record
- Designation
- National monument (rijksmonument)
- Class
- Klooster, kloosteronderdl
- Function
- Klooster
- Category
- onroerend gebouwd
- Built
- 1896 - 1899
- Address
- Bredaseweg 204 80, 5038 NK Tilburg (and others)
- Place
- Tilburg
- Province
- Noord-Brabant
- Country
- Netherlands
- Coordinates
- 51.55547, 5.07005
- Monument number
- 521152
Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.
University Library, Vrije Universiteit AmsterdamUniversity Library, Vrije Universiteit AmsterdamUniversity Library, Vrije Universiteit Amsterdam
3 historical maps cover this location, the earliest the 1889 map "Manoeuvreerkaart der 3de Divisie Infanterie in 1889 op de schaal van 1:50.000 / [Topographische Inrichting]" (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).
This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗
The register's description
Omschrijving
Inleiding.
Het Missiehuis is het KLOOSTER van de uit Frankrijk afkomstige missionarissen van het Heilig Hart (Missionaires du Sacre Coeur). Het werd gebouwd naar ontwerp van de architecten H. de Beer en A.G. de Beer in 1896-1899 en vertoont elementen van Neo-Gotiek en Chaletstijl. Het klooster is diverse malen uitgebreid. De rechtervleugel kent een uitbreiding uit 1934 ten gunste van het Klein Seminarie. Deze in 1934 gebouwde toevoegingen is in de jaren '50 en '70 verbouwd. De toevoeging wordt niet beschermd. Achter het klooster is een ommuurde tuin.
Omschrijving.
De hoofdmassa bestaat uit een tweelaags gebouw met souterrain, bel-etage en verdieping op een U-vormige plattegrond. Evenwijdig aan de straat strekt zich de hoofdmassa van het klooster uit. De haakse vleugels aan de uiteinden zijn korter. De vleugel aan de rechterkant gaat over in nieuwbouw, de linkervleugel grenst aan de kapel. Het geheel is uitgevoerd in baksteen onder een plat dak met hoog dakschild aan de voorzijde, gedekt met leien. De gevel kent een horizontale geleding door waterlijsten die direct onder de ramen zijn aangebracht en baksteenlijsten bestaande uit een lijst met kruisjes tussen de verdiepingen en een keperboogfries onder de goot. Daarbij zijn enkele sterk verticale accenten gelegd door de hoek- en middenrisalieten en de hoge, boven elkaar geplaatste ramen. De hoofdingang bevindt zich in de middenrisaliet. Deze bouwmassa steekt boven de kloostervleugel uit en heeft een leien wolfsdak met piron en is voorzien van een betimmerde topgevel. Een openslaande houten deur met grote gehengen van siersmeedijzerwerk bevindt zich in een ondiep portiek. Erboven is een spitsboograam met bloemtracering en glas-in-lood aangebracht. Daarboven zijn twee rechthoekige ramen onder segmentbogen geplaatst. Boven de hoofdingang bevindt zich in een spitsboog een natuurstenen hoogreliëf. Dit reliëf werd gemaakt door L. Petit en T. van Eijndhoven, de iconografie is van F. de Beer, het werk werd in 1933 onthuld. Het is een voorstelling van het zendingswerk van de congregatie: een missionaris die ter zending vertrekt. In het midden is het Heilig Hart van Jezus afgebeeld. In de zijgevels van de risaliet zijn ook ramen aangebracht. Op de begane grond een lancetraam met glas-in-lood, op de verdiepingen smalle rechthoekige ramen. De voorgevel heeft een hoge uitstekende plint met kleine ronde raampjes en is aan weerszijden van de middenrisaliet zes vensterassen lang. De hoekrisalieten tellen vier vensterassen. Zowel op de begane grond als op de verdieping zijn samengestelde rechthoekige ramen onder een segmentboog geplaatst. De ramen in de hoekblokken zijn breder maar hebben een identieke vormgeving. In de boogvelden is telkens een rechthoekig rooster in het midden geplaatst, het boogveld zelf is gevuld met metselwerk in fantasieverband. De rechterzijgevel van het hoekblok telt twee vensterassen. Het linkerhoekblok heeft in het souterrain hoge getoogde ramen met kleine roedenverdeling. Bel-etage en verdieping zijn voorzien van siersmeedijzeren steekankers. Aan de voorkant zijn op de gootlijst hoge dakkapellen geplaatst. Deze zijn voorzien van kleine zadeldakjes met betimmerde topgevels en windveren. Hoger in het dakvlak, verspringend ten opzichte van eerder genoemde dakkapellen liggen kleinere dakkapellen voorzien van gesneden windveren en luiken. De rechtervleugel is in dezelfde vormgeving als de hoofdmassa aan de straat uitgevoerd en telt zes assen. De achtergevel heeft in het midden en aan de zijkanten risalieten. Deze zijn hoger opgetrokken. Hier bevinden zich verschillende ramen in een vormgeving, vergelijkbaar met die van de ramen in de voorgevel. In het interieur zijn de indeling en inrichting in oorspronkelijke vorm bewaard gebleven. De entree is voorzien van balustrades in neogotische vormgeving. In de hal is een bakstenen kruisribgewelf met geverfde stenen. Daarachter ligt evenwijdig aan de straat een lange hoge gang. Van de aangrenzende kamers (oorspronkelijk onder meer klaslokalen) zijn enkele tussenwanden verplaatst. De oorspronkelijke paneeldeuren met omlijsting zijn bewaard gebleven. Links in de gang is een trappenhuis. Onder de kapel is een recreatieruimte ingericht. Op zolder is een groot aantal chambrettes bewaard gebleven. Deze staan los in de ruimte. De zolder heeft een gepleisterd tongewelf.
De hoge Neogotische kapel aan de linkerkant van het geheel heeft een schip van vier traveeën, een vijfhoekig koor en driezijdig gesloten transeptarmen. Op de viering staat een hoge achtkantige spits. Om het koor straalkapellen. De kapel is voorzien van samengestelde zadeldaken en schilddaken, gedekt met leien. In het dakvlak zijn kleine dakkapelletjes aangebracht. De zijgevels worden geleed door steunberen, per travee voorzien van een spitsboograam met glas-in-lood. De laatste drie traveeën voor het transept vormen een hogere lichtbeuk. De kapel heeft een laag gedeelte aan de ingangskant. In het interieur kruisribgewelven in schoon metselwerk. Rechts is een gietijzeren wenteltrap geplaatst. De kruisribgewelven rusten op marmeren zuilen. De zuilen in het koor hebben polychrome bloemkapitelen. Tegen de wanden staan bundelpijlers op een marmeren voet. Op de terrazzovloer staan houten neogotische kerkbanken. Aan weerszijden zijn tegen de muren drie biechtstoelen geplaatst. De glas-in-lood ramen zijn na-oorlogs en van de hand van R. Smeets. In het koor staat een neogotisch hoofdaltaar, zijaltaren zijn in dezelfde stijl uitgevoerd. De drie straalkapellen hebben elk hun eigen altaar. In het siersmeedijzeren hek, voor het koor, zijn vergulde reliëfs aangebracht met voorstellingen van een zwaan, een kelk en een lam. Aan de straatzijde staat op enige afstand een laag bakstenen muurtje met ezelsrug, onderbroken door enkele vierkante pijlers met natuurstenen bekroning. Ertussen is een siersmeedijzeren hekwerk geplaatst. Ter hoogte van de ingang is het hekwerk voorzien van lantaarns. De rest van het terrein dat bij het klooster hoort wordt door een hoge muur begrensd.
Waardering.
Het kloostergebouw met tuinmuren is van algemeen belang wegens architectuurhistorische en cultuurhistorische waarden. Het heeft cultuurhistorisch belang als uitdrukking van een geestelijke en sociale ontwikkeling, namelijk de stichting van congregaties in de negentiende eeuw en heeft tevens betekenis voor de typologische ontwikkeling van het missiehuis. Het heeft architectuurhistorische waarden wegens de sobere ornamentiek en de indrukwekkende massawerking van de voorgevel en de koorsluiting van de kapel, vanwege de zeldzame toepassing van chaletstijl voor kloostergebouwen en tevens wegens de plaats die het klooster inneemt in het oeuvre van de architecten. Het is van belang wegens de gaafheid van het exterieur en belangrijke onderdelen van het interieur. Het klooster heeft ensemblewaarde, mede vanwege tuin en ommuringen, het is van belang voor het aanzien van de stad Tilburg waarin het katholicisme in de negentiende en twintigste eeuw een grote bloei kende, met een uitstraling naar de verre omgeving.
English translation
The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com
Description
Introduction.
The Missiehuis is the CONVENT of the missionaries of the Sacred Heart (Missionaires du Sacre Coeur) originating from France. It was built to the design of architects H. de Beer and A.G. de Beer in 1896-1899 and displays elements of Neo-Gothic and Chalet style. The convent has been extended several times. The right wing features an extension from 1934 for the benefit of the Minor Seminary. This addition built in 1934 was converted in the 1950s and 1970s. The addition is not protected. Behind the convent is a walled garden.
Description.
The main mass consists of a two-storey building with basement, piano nobile and first floor on a U-shaped plan. Parallel to the street extends the main mass of the convent. The perpendicular wings at the ends are shorter. The wing on the right side transitions into new construction, the left wing adjoins the chapel. The whole is executed in brick under a flat roof with high roof gable at the front, covered with slate. The facade has horizontal articulation through drip mouldings placed directly below the windows and brick cornices consisting of a moulding with crosses between the storeys and a herringbone frieze below the eaves. Several strongly vertical accents are created by the corner and central risalits and the tall, stacked windows. The main entrance is located in the central risalite. This building mass projects above the convent wing and has a slate half-hipped roof with ridge tile and is provided with a timber-boarded gabled top. A hinged wooden door with large ornamental wrought iron hinges is located in a shallow portico. Above it is a pointed arch window with floral tracery and stained glass. Above that are two rectangular windows placed under segmental arches. Above the main entrance is a high relief in a pointed arch. This relief was made by L. Petit and T. van Eijndhoven, the iconography is by F. de Beer, the work was unveiled in 1933. It is a representation of the missionary work of the congregation: a missionary departing on a mission. In the centre is the Sacred Heart of Jesus depicted. Windows are also placed in the side facades of the risalite. On the ground floor a lancet window with stained glass, on the upper storeys narrow rectangular windows. The front facade has a high projecting plinth with small round windows and is six window bays long on either side of the central risalite. The corner risalits count four window bays. Both on the ground floor and on the first floor composite rectangular windows are placed under a segmental arch. The windows in the corner blocks are wider but have identical design. In the spandrels a rectangular pattern is placed in the middle, the spandrel itself is filled with brickwork in decorative bond. The right side facade of the corner block counts two window bays. The left corner block has in the basement high arched windows with small glazing bars. The piano nobile and first floor are provided with ornamental wrought iron wall anchors. At the front, tall dormer windows are placed on the eaves line. These are provided with small gabled roofs with timber-boarded gabled tops and weather vanes. Higher in the roof surface, set back in relation to the previously mentioned dormer windows, are smaller dormers provided with carved weather vanes and shutters. The right wing is executed in the same design as the main mass facing the street and counts six bays. The rear facade has risalits in the middle and at the sides. These are carried higher. Here are various windows in a design comparable to that of the windows on the front facade. In the interior, the layout and arrangement have been preserved in original form. The entrance is provided with balustrades in neo-gothic design. In the hall is a brick cross-rib vault with painted stones. Behind it extends parallel to the street a long high corridor. Of the adjoining rooms (originally including classrooms), some partition walls have been moved. The original panel doors with surrounds have been preserved. On the left in the corridor is a stairwell. Under the chapel a recreational space has been arranged. On the attic a large number of small rooms have been preserved. These stand free in the space. The attic has a plastered barrel vault.
The tall Neo-Gothic chapel on the left side of the whole has a nave of four bays, a pentagonal choir and three-sided closed transept arms. On the crossing stands a tall octagonal spire. Around the choir are radiating chapels. The chapel is provided with composite gabled roofs and hipped roofs, covered with slate. Small dormer windows are placed in the roof surface. The side facades are articulated by buttresses, per bay provided with a pointed arch window with stained glass. The last three bays before the transept form a higher clerestory. The chapel has a low section at the entrance side. In the interior cross-rib vaults in fair-faced brickwork. On the right is a cast iron spiral staircase. The cross-rib vaults rest on marble columns. The columns in the choir have polychrome floral capitals. Bundle pillars on a marble base stand against the walls. On the terrazzo floor stand wooden neo-gothic church pews. On either side, three confessionals stand against the walls. The stained glass windows are post-war and by the hand of R. Smeets. In the choir stands a neo-gothic high altar, side altars are executed in the same style. The three radiating chapels each have their own altar. In the ornamental wrought iron screen in front of the choir, gilded reliefs are placed depicting a swan, a chalice and a lamb. On the street side, at some distance, stands a low brick wall with saddle back, interrupted by some square pillars with natural stone coping. Between them is an ornamental wrought iron fence. At the height of the entrance the fence is provided with lanterns. The rest of the grounds belonging to the convent are bounded by a high wall.
Valuation.
The convent building with garden walls is of general importance due to architectural-historical and cultural-historical values. It has cultural-historical importance as an expression of a spiritual and social development, namely the establishment of congregations in the nineteenth century and also has significance for the typological development of the mission house. It has architectural-historical values due to the sober ornamentation and the impressive mass effect of the front facade and the choir closure of the chapel, due to the rare application of Chalet style for convent buildings and also due to the place which the convent occupies in the oeuvre of the architects. It is of importance due to the integrity of the exterior and important components of the interior. The convent has ensemble value, also due to the garden and walls, it is of importance for the appearance of the city of Tilburg in which Catholicism experienced great flourishing in the nineteenth and twentieth centuries, with influence extending to the far surroundings.
Nearby in the register
- Nutsbedrijf, Bredaseweg 209Industrieunder 1 mi
- Legeringsgebouw, Henriette Ronnerstraat 1Militair verblijfsgebouwunder 1 mi
- Klooster, Capucijnenstraat 76Klooster, kloosteronderdlunder 1 mi
- Opleidingscentrum, Frater Mattheushof 1Onderwijs en wetenschapunder 1 mi
Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.