TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Klooster, Hoogstraat 80

Oosterhout, Noord-Brabant, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Klooster, kloosteronderdl
Function
Klooster
Category
onroerend gebouwd
Built
1906
Address
Hoogstraat 80, 4901 PK Oosterhout
Place
Oosterhout
Province
Noord-Brabant
Country
Netherlands
Coordinates
51.63866, 4.87599
Part of complex
520005
Monument number
520006

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

University Library, Vrije Universiteit Amsterdam

3 historical maps cover this location, the earliest the 1904 map "Bl. 24 Dordrecht, 1904" (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

Inleiding.

Centraal op het terrein bevindt zich het hoofdgebouw van het BENEDICTIJNERKLOOSTER. Het klooster werd voornamelijk opgetrokken in een drietal bouwfasen, te weten 1906, 1908-1910 en 1919-1920. De prior van Wisques wijdde het (eerste) gebouw op 19 september 1906. Monnik-architect Paul Bellot maakte de ontwerpen volgens het principe van de 'gulden snede' in een late Neo-Gotische en Art Déco-stijl. Aannemer Martens voerde het werk uit. Aan de kunstzinnige inrichting van het interieur (o.a. schilderingen, beeldhouwwerk, glas-in-loodvensters) werd met name een bijdrage geleverd door de paters Jacques van der Meij, François Mes en H. Louwerse. Oorspronkelijk zou architect Vilain (Rijssel) het klooster bouwen. Van zijn voorontwerp nam Bellot de oriëntatie van klooster en kerk, de dispositie van de vleugels rond een pandhof, de globale afmetingen van de bouwdelen en een gefaseerd uitvoeringsplan over. Van de latere uitbreidingen zijn er twee met name vermeldenswaard. Ten eerste een aanbouw aan de voormalige KAPITTELZAAL, daterend uit 1930 en ontworpen in late Neo-Gotische stijl. Dit is het eerste gerealiseerde bouwkundige ontwerp van monnik-architect Hans van der Laan. Het werk werd uitgevoerd door aannemer Martens. Ten tweede het HOSPITIUM (gastenverblijf) uit 1938-1939, eveneens een creatie van Hans van der Laan in samenwerking met zijn broer Nico, nog overwegend onder invloed van het gedachtengoed van de Delftse school ontworpen. Het gastenverblijf is het eerste gebouw dat volgens de door Van der Laan ontwikkelde theorie over de 'grondverhouding' is gerealiseerd en het staat daarmee aan de basis van een nieuwe stroming die later als 'Bossche School' door het leven zal gaan. Broeder Cornelis ontwierp de voordeur. Aannemer B. de Bont uit Nieuwkuik voerde het werk uit. Door de aanbouw van het hospitium kwam de oorspronkelijk aan de westzijde gesitueerde hoofdingang aan de noordzijde te liggen. In 1985 is voor de westelijke vleugel een terras aangelegd. In de loop der jaren is het klooster slechts op enkele onderdelen gewijzigd of gemoderniseerd.

Omschrijving.

Het bakstenen kloostergebouw, bestaande uit vier ongelijkvormige vleugels rondom een binnenhof met omlopende gangen, beslaat in de kern een carré-vormige plattegrond. De kloostergangen zijn alleen in het noorden en westen tweebeukig. In de diverse vleugels bevinden zich onder andere een voormalige sacristie, kapittelzaal, trappenhuis en voormalig scriptorium (oostvleugel); een refter (zuidvleugel); het centrale trappenhuis, een voormalig gastenverblijf, bibliotheek en voormalige hoofdingang met portiersloge en spreekkamers (westvleugel) en een voormalig kerkschip met thans afgescheiden priesterkoor uit 1919-1920 (noordvleugel). Op de verdiepingen onder andere het noviciaat en vele kloostercellen. Chambrettes verdwenen. Aan de binnenzijde het traditionele kloosterpand van vier gangen rond een binnenhof. Aan de zuidwestelijke punt een forse overhoekse uitbouw op nagenoeg rechthoekig grondplan (keuken, bijkeuken, toiletten, gastenverblijf, cellen) en aan de oostgevel en de noordwestelijke hoek twee aanbouwen (uitbreiding kapittelzaal uit 1930 en nieuw gastenverblijf uit 1938-39), beide op rechthoekig grondplan.

De diverse, gedeeltelijk onderkelderde onderdelen tellen één tot vier bouwlagen, grotendeels met een extra kapverdieping, onder voornamelijk zadeldaken, maar ook tent- en lessenaardaken of onder plat. Hoogten van noklijnen en dakvoeten variëren. Daken gedekt met muldenpannen, Tuile-du-nordpannen, verbeterde Hollandse pannen en bitumineuze dakbedekkingen met kiezel. Op de daken enkele decoratief gemetselde schoorstenen, verschillende stenen dakkapellen met gedrukte spitsboogvensters onder aankappende zadeldakjes met windveren, en diverse daklichten. Opmerkelijke campanile onder zadeldak op het dakschild van een kloostergang aan het binnenhof. Eenvoudige, opliggende bakgoten of bakgoten op klossen. Het in kruisverband gemetselde klooster is ontworpen op basis van een standaardtravee van 3,60 meter.

Behalve door de kubische aaneenschakeling van de diverse onderdelen wordt het exterieur geleed door het gebruik van licht risalerende tuitgevels, een deels omlopende plint met speklagen van geglazuurde baksteen, zich verjongende steunberen en (top-)pilasters, grote (blinde) muurnissen en casementen, diverse boogfriezen, en friezen met siermetselwerk en tandlijsten net onder de dakrand. Het muurwerk wordt verlevendigd door de toepassing van gekleurde baksteen en hardsteen voor onder meer siermetselwerk,(doorgetrokken) lateien en (lek-)dorpels, sluitstenen, afdeklagen en bekroningen. In de gevels een opmerkelijk grote variatie in openingen, zowel rechtgesloten als onder gedrukte en stompe spitsbogen, keper-, korf-, segment- en rondbogen, in relatie tot de uiteenlopende functies der ruimten. Houten en stalen, soms afgebiljoende kozijnen, met veelal samengestelde vensters voorzien van geometrische roedenverdeling. Diverse glas-in-loodvensters. In de westelijke bibliotheekvleugel is in een projecterend volume geheel rechts, onder een ter plaatse doorschietend dakschild en met een topgevel tegen een aankappend zadeldak, het centrale trappenhuis duidelijk herkenbaar.

De drielaags overhoekse keukenuitbouw in het zuidwesten wordt afgesloten en bekroond met een rijk bewerkte en deels uitspringende vierlaags toren. Tentdak en topgevel met aankappend zadeldak.

In de oksel van deze uitbouw en de zuidvleugel staat een deels in de hoofdmassa ingebedde octogonale traptoren met rijk bewerkte kop. Op de verdieping van de zuidvleugel (waarin o.a. de refter) bevindt zich geheel links de rijk bewerkte tuitgevel van de abtskapel met vijfvoudig gekoppelde keperboogvensters. Geheel rechts in de zuidgevel het doorschietende hoekvolume van de oostvleugel. Kopgevel bekroond met gekoppelde tuitgevels.

Ongeveer in het midden van de oostvleugel bevindt zich een haakse drielaags uitbouw van oorspronkelijk twee traveeën breed waarin zich de voormalige kapittelzaal bevindt, in 1930 door Hans van der Laan met nog eens twee traveeën uitgebreid en opgetrokken naar vier bouwlagen plus een kapverdieping onder zadeldak. In het verlengde van de noklijn bevindt zich aan de zijde van de kloosterhof een in vakwerk opgemetselde Vlaamse gevel onder een zadeldak met een lagere noklijn dan van voornoemde uitbouw. Ter linkerzijde van de uitbouw is een duidelijk herkenbaar trappenhuis met tuitgevelbekroning gesitueerd. Ter rechterzijde, op de hoek van oost- en noordgevel, bevindt zich het geheel in Art Déco-stijl ontworpen sanctuarium uit 1919-1920. Rijk gedecoreerde gevels met klimmende keperboogvensters en borstweringen met gestileerde kantelen tussen rijk bewerkte hoektorens en een klokkentoren. Het resterende noordelijke vleugeldeel bestaat onder andere uit het drie traveeën lange, voormalige kerkschip met blinde muurnissen op het noorden maar beglaasde openingen aan de zijde van de kloosterhof. Lagere pseudo-zijbeuken aan de noordzijde, in het midden onderbroken door de loodrecht hierop geplaatste, buiten de bescherming vallende verbindingsgang naar de kloosterkerk van Sluymer uit 1956. Verder een eenlaags verbindingsstuk onder plat naar de westelijke vleugel en naar het op de noordwestelijke hoek in 1938-1939 gerealiseerde hospitium van Hans en Nico van der Laan. Dit onderkelderde gastenverblijf beslaat een rechthoekige plattegrond en telt twee bouwlagen plus een kapverdieping onder een met gesmoorde verbeterde Hollandse pannen gedekt, deels afgeplat zadeldak. Sobere goot op blokvormige klossen. De zes traveeën brede, in kruisverband gemetselde gevels worden horizontaal geleed door drie boven elkaar gelegen vensterreeksen: kleine rechtgesloten kelderlichten onderlangs de gevel, rondbogige vensters en entreeportiek op de begane grond en opmerkelijk hoog gesitueerde gekoppelde vensters met scheidingszuil tussen doorgetrokken lateien en dorpels net onder de dakvoet. Entreeportiek in de noordgevel onder bakstenen rondboog op hardstenen aanzetstenen. Hardstenen trap geflankeerd door gekrulde smeedijzerenleuningen. Dubbele deur met sierlijk beslagwerk en vernuftig slot van broeder Cornelus. Overige gevels met gelijksoortige detaillering.

De gevels van de kloostergangen rondom de heringerichte binnenhof zijn alle drie traveeën lang. Per travee twee gekoppelde, gedrukte spitsboogvensters met stalen maaswerk waartussen en waarboven een achtruiter in een getoogd kozijn met geprofileerde V-vormige punt aan de onderzijde. In het hart van het binnenhof een natuurstenen kruis op een ranke, zich verjongende sokkel.

Het interieur is vrij gaaf bewaard gebleven. De muren zijn inwendig grotendeels opgetrokken in schoon metselwerk. Enkele ruimten, zoals verschillende gangen op de verdiepingen, zijn wit gepleisterd. De ruimten worden geleed door een grote variatie aan spitse en ronde gordel-, schei- en muraalbogen, deels rustend op bakstenen pijlers. Verder komen segmentbogen en decoratief uitgevoerde keperbogen veelvuldig voor. Tevens veel blinde boognissen. De ruimten worden op diverse manieren overspannen. Vaak gebeurt dit door vlakke houten zolderingen met veelal een balkenplafond of cassettenplafond (zoals in het trappenhuis). Een opmerkelijk rijk bewerkt houten plafond bevindt zich in de abtskapel. Verder zijn er vlakke betonnen zolderingen (kelders), houten zadeldaken (kloostergangen) en enkele markante gewelven. Hieronder het keukengewelf, bestaande uit dubbele, afgeplatte kruisribben waartussen overhoeks geplaatste gewelfvelden met graten, gevolgd door als een soort trompen afdalende baksteenbogen en ribben. Verder zijn vooral het gepolychromeerde kruisgewelf in hetvoormalige priesterkoor vermeldenswaard en het ingenieuze beglaasde gewelf in het voormalige kerkschip dat, rustend op de geledende gordelbogen, trapsgewijs de ruimte overspant. Van de vloeren zijn vermeldenswaard: terrazzovloeren in het merendeel van de vertrekken op de begane grond, houten parketvloeren, divers gekleurde plavuizenvloeren en de natuurstenen vloer in het gastenverblijf.

Het muurwerk wordt vooral verlevendigd door het gebruik van divers gekleurde baksteen, hardsteen en profielsteen voor toepassing in onder meer speklagen en spekblokken, siermetselwerk, sluitstenen en kraagstenen. Subtiel gebruik van donkere metselvoeg. Van het interieur zijn speciaal vermeldenswaard: de zeer rijke, als een 'Gesamtkunstwerk' gedetailleerde abtskapel met muurschilderingen van François Mes; het voormalige kerkschip en de keuken met voornoemde gewelven; de ambachtelijk vaardig gemetselde kloostergangen en het centrale trappenhuis; het voormalige priesterkoor met sierlijk opengewerkte wanden en gewelf; de octogonale traptoren met decoratieve kapconstructie en beeldnis; verder onder andere diverse sierlijk afgebiljoende houten vleugeldeuren met siersmeedijzeren beslagwerk, enkele polychrome muurschilderingen en glas-in-loodvensters en de inventaris met diverse heiligenbeelden, alle grotendeels van eigen makelij.

Op de begane grond van het in 1938-1939 aangebouwde gastenverblijf bevinden zich een voorhal met portiersloge, enkele toiletten en vijf spreekkamers aan weerszijden van een centrale middengang, alle in schoon metselwerk. Detaillering deels zoals in het hoofdgebouw. Op de overeenkomstig ingedeelde, wit gepleisterde verdieping zijn acht logeerkamers aan weerszijden van de middengang gesitueerd. Sobere kamers met balkenzoldering en getoogde muurnissen met hardstenen vensterdorpels.

Waardering.

Het benedictijnerklooster is van algemeen belang. Het object bezit cultuurhistorische waarden als bijzondere uitdrukking van een culturele, geestelijke en economische ontwikkeling, namelijk de vestiging van nieuwe, grotendeels zelfvoorzienende kloostergemeenschappen in het begin van de twintigste eeuw -in dit geval als uitvloeisel van de Franse Wet op de Verenigingen- en de crises van de jaren twintig en dertig. Daarnaast vanwege het belang van de typologie voor de ontwikkeling van kloostergebouwen. Het object heeft architectuur- en kunsthistorische waarden. Het is van groot belang vanwege de betekenis van de toegepaste architectuurtheorieën, gehanteerde bouwstijlen en constructies voor de geschiedenis van de architectuur en bouwtechniek. Daarnaast vanwege het bijzondere belang van het hoofdgebouw -als eerste grootschalige ontwerp- voor het oeuvre van architect Paul Bellot, van de uitbreiding van de voormalige kapittelzaal -als eersteling- en het nieuwe gastenverblijf -als richtinggevend gebouw binnen een nieuwe architectuurstroming- voor het oeuvre van architect Hans van der Laan. Verder vanwege de hoogwaardige esthetische kwaliteiten van de architectonische ontwerpen in combinatie met het ambachtelijk vaardige metselwerk en de zeer gedetailleerde ornamentiek. Het object bezit ensemblewaarden tesamen met de overige tot de Sint Paulus-abdij behorende objecten en binnen de 'Heilige Driehoek' gelegen kloosters als essentieel onderdeel van een historisch gegroeid religieus ensemble. Het object is van belang wegens de gaafheid van ex- en interieur.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

Introduction.

Centrally situated on the site is the main building of the BENEDICTINE MONASTERY. The monastery was constructed principally in three building phases, namely 1906, 1908-1910 and 1919-1920. The prior of Wisques consecrated the (first) building on 19 September 1906. Monk-architect Paul Bellot designed it according to the principle of the 'golden section' in a late Neo-Gothic and Art Deco style. Contractor Martens carried out the work. To the artistic decoration of the interior (including paintings, sculpture, stained-glass windows) a contribution was made in particular by the monks Jacques van der Meij, François Mes and H. Louwerse. Originally architect Vilain (Lille) was to build the monastery. From his preliminary design Bellot adopted the orientation of monastery and church, the disposition of the wings around a cloister courtyard, the overall dimensions of the building components and a phased implementation plan. Of the later extensions two are particularly noteworthy. First an addition to the former CHAPTER HOUSE, dating from 1930 and designed in late Neo-Gothic style. This is the first realised architectural design by monk-architect Hans van der Laan. The work was carried out by contractor Martens. Second the HOSPITIUM (guest accommodation) from 1938-1939, likewise a creation of Hans van der Laan in collaboration with his brother Nico, still predominantly designed under the influence of the ideas of the Delft school. The guest accommodation is the first building realised according to the theory of 'ground proportion' developed by Van der Laan and thus stands at the foundation of a new movement that would later become known as the 'Bossche School'. Brother Cornelis designed the front door. Contractor B. de Bont from Nieuwkuik carried out the work. Through the addition of the hospitium, the main entrance originally situated on the west side came to be located on the north side. In 1985 a terrace was laid out for the western wing. Over the years the monastery has only been altered or modernised in a few components.

Description.

The brick monastery building, consisting of four irregular wings around an inner courtyard with surrounding galleries, has a square-shaped ground plan at its core. The cloister galleries are only two-aisled in the north and west. In the various wings are found among other things a former sacristy, chapter house, stairwell and former scriptorium (east wing); a refectory (south wing); the central stairwell, a former guest accommodation, library and former main entrance with porter's lodge and reception rooms (west wing) and a former nave with now separated priest's choir from 1919-1920 (north wing). On the upper storeys among other things the novitiate and many monastic cells. Small rooms disappeared. On the interior side the traditional cloister of four galleries around an inner courtyard. At the south-west corner a substantial corner extension on an approximately rectangular ground plan (kitchen, scullery, toilets, guest accommodation, cells) and on the east facade and the north-west corner two extensions (extension of chapter house from 1930 and new guest accommodation from 1938-39), both on rectangular ground plan.

The various, partly cellared components comprise one to four storeys, mostly with an additional attic storey, mainly under gabled roofs, but also under tent roofs and mansard roofs or flat roofs. Heights of roof ridges and roof edges vary. Roofs covered with curved pantiles, Tuile-du-nord tiles, improved Dutch tiles and bituminous roof coverings with gravel. On the roofs several decoratively built chimneys, various stone roof dormers with pointed arch windows under adjoining gabled roof dormers with wind-vanes, and various roof lights. Remarkable bell tower under gabled roof on the roof ridge of a cloister gallery at the inner courtyard. Simple, projecting gutters or gutters on corbels. The monastery, built in Flemish bond, was designed on the basis of a standard bay of 3.60 metres.

Besides the cubic arrangement of the various components, the exterior is articulated by the use of slightly projecting spout gables, a partly continuous plinth with courses of glazed brick, tapering buttresses and (top) pilasters, large (blind) wall niches and casements, various arch friezes, and friezes with decorative brickwork and denticulation just below the roof edge. The masonry is enlivened by the application of coloured brick and stone for among other things decorative brickwork, (continuous) lintels and (drip) sills, voussoirs, coping and crowning courses. In the facades a remarkable large variety of openings, both straight-headed and under pointed and obtuse arches, diagonal, basket, segmental and round arches, in relation to the varying functions of the spaces. Wooden and steel, sometimes chamfered frames, mostly with composite windows featuring geometric glazing bars. Various stained-glass windows. In the western library wing, in a projecting volume at the far right, under a roof ridge that projects there and with a gable against an adjoining gabled roof, the central stairwell is clearly recognisable.

The three-storey corner kitchen extension in the south-west is terminated and crowned with a richly decorated and partly projecting four-storey tower. Tent roof and gable with adjoining gabled roof.

In the corner formed by this extension and the south wing stands an octagonal stair tower, partly embedded in the main mass, with richly decorated head. On the storey of the south wing (containing among other things the refectory) at the far left is the richly decorated spout gable of the abbot's chapel with five coupled diagonal arch windows. At the far right of the south facade the projecting corner volume of the east wing. Gable crowned with coupled spout gables.

Approximately in the middle of the east wing is a right-angled three-storey extension originally two bays wide in which the former chapter house is located, extended in 1930 by Hans van der Laan by a further two bays and built up to four storeys plus an attic storey under a gabled roof. In the continuation of the roof ridge, on the side of the cloister courtyard, is a Flemish gable built in half-timbering under a gabled roof with a lower ridge line than the aforementioned extension. To the left of the extension is a clearly recognisable stairwell with spout gable crowning. To the right, on the corner of the east and north facades, is the sanctuary, entirely designed in Art Deco style, from 1919-1920. Richly decorated facades with climbing diagonal arch windows and parapets with stylised crenellations between richly decorated corner towers and a bell tower. The remaining north wing section consists among other things of the three bays long, former nave with blind wall niches on the north but glazed openings on the side of the cloister courtyard. Lower pseudo-side aisles on the north side, interrupted in the middle by the connecting gallery placed perpendicular to it, falling outside the protected building, leading to the monastery church of Sluymer from 1956. Furthermore a single-storey connecting section under a flat roof to the west wing and to the hospitium of Hans and Nico van der Laan realised on the north-west corner in 1938-1939. This cellared guest accommodation has a rectangular ground plan and comprises two storeys plus an attic storey under a gabled roof partly flattened and covered with muffled improved Dutch tiles. Sober gutter on block-shaped corbels. The six-bay wide facades, built in Flemish bond, are divided horizontally by three rows of windows one above the other: small straight-headed cellar lights along the facade, round arch windows and entrance portico on the ground floor and remarkably high situated coupled windows with dividing column between continuous lintels and sills just below the roof edge. Entrance portico in the north facade under a brick round arch on stone ashlar. Stone steps flanked by curved wrought-iron railings. Double door with elegant ironwork and ingenious lock by brother Cornelus. Remaining facades with similar detailing.

The facades of the cloister galleries around the reorganised inner courtyard are each three bays long. Per bay two coupled, pointed arch windows with steel lattice between and above which is a backer in a arched frame with profiled V-shaped point on the underside. In the heart of the inner courtyard a natural stone cross on a slender, tapering base.

The interior is fairly well preserved. The walls are internally mostly built in fair-faced masonry. Some rooms, such as various corridors on the upper storeys, are whitewashed. The spaces are articulated by a large variety of pointed and round belt, partition and wall arches, some resting on brick pillars. Furthermore segmental arches and decoratively executed diagonal arches occur frequently. Also many blind arch niches. The spaces are spanned in various ways. Often this is done by flat wooden ceilings mostly with a beam ceiling or coffered ceiling (such as in the stairwell). A remarkably richly decorated wooden ceiling is found in the abbot's chapel. Furthermore there are flat concrete ceilings (cellars), wooden gabled roofs (cloister galleries) and some striking vaults. Among these the kitchen vault, consisting of double, flattened cross-ribs with vault cells placed diagonally between them with ribs, followed by descending brick arches and ribs as a sort of pendentives. Furthermore especially the polychrome cross vault in the former priest's choir are noteworthy and the ingenious glazed vault in the former nave which, resting on the articulating belt arches, spans the space in steps. Of the floors noteworthy are: terrazzo floors in most of the rooms on the ground floor, wooden parquet floors, variously coloured tile floors and the natural stone floor in the guest accommodation.

The masonry is enlivened especially by the use of variously coloured brick, stone and moulded stone for application in among other things courses and course blocks, decorative brickwork, voussoirs and corbels. Subtle use of dark mortar joint. Of the interior specially noteworthy are: the very rich abbot's chapel, detailed as a 'Gesamtkunstwerk', with wall paintings by François Mes; the former nave and the kitchen with the aforementioned vaults; the artisanally skilfully built cloister galleries and the central stairwell; the former priest's choir with elegantly pierced walls and vault; the octagonal stair tower with decorative roof truss structure and carved ornament; furthermore among other things various elegantly chamfered wooden wing doors with ornamental wrought-iron fittings, some polychrome wall paintings and stained-glass windows and the furnishings with various sacred sculptures, largely of own making.

On the ground floor of the guest accommodation added in 1938-1939 are an entrance hall with porter's lodge, some toilets and five reception rooms on either side of a central corridor, all in fair-faced masonry. Detailing partly as in the main building. On the correspondingly laid out, whitewashed storey are eight guest rooms on either side of the corridor situated. Sober rooms with beam ceilings and arched wall niches with stone window sills.

Valuation.

The Benedictine monastery is of general interest. The object possesses cultural-historical values as a special expression of a cultural, spiritual and economic development, namely the establishment of new, largely self-sufficient monastic communities in the early twentieth century—in this case as a result of the French Law on Associations—and the crises of the nineteen-twenties and nineteen-thirties. Furthermore on account of the importance of the typology for the development of monastery buildings. The object has architectural and art-historical values. It is of great importance on account of the significance of the architectural theories applied, building styles employed and constructions for the history of architecture and building technique. Furthermore on account of the particular importance of the main building—as the first large-scale design—for the oeuvre of architect Paul Bellot, of the extension of the former chapter house—as a first work—and the new guest accommodation—as a directing building within a new architectural movement—for the oeuvre of architect Hans van der Laan. Furthermore on account of the high aesthetic qualities of the architectural designs in combination with the artisanally skilled masonry and the very detailed ornamentation. The object possesses ensemble values together with the other objects belonging to Sint Paulus Abbey and the monasteries located within the 'Holy Triangle' as an essential part of a historically developed religious ensemble. The object is of importance on account of the integrity of exterior and interior.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map