TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Doofstommeninstituut, Theerestraat 42

Sint-Michielsgestel, Noord-Brabant, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Sociale zorg, liefdadigheid
Function
Doofstommeninstituut
Category
onroerend gebouwd
Built
1908 - 1910
Address
Theerestraat 42, 5271 GD Sint-Michielsgestel
Place
Sint-Michielsgestel
Province
Noord-Brabant
Country
Netherlands
Coordinates
51.64179, 5.34415
Part of complex
519924
Monument number
519925

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

University Library, Vrije Universiteit Amsterdam

3 historical maps cover this location, the earliest the 1904 map "Bl. 25 's-Hertogenbosch, 1904" (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

Inleiding

Voormalig DOOFSTOMMENINSTITUUT, tegenwoordig instituut voor doven, gebouwd tussen 1908 en 1910 naar ontwerp van de architect J.H.H. van Groenendael in een vormentaal waarin zowel elementen van de late neogotiek, de neo-Hollandse renaissance, het eclecticisme en de art nouveau verwerkt zijn.

Toen in de loop van 1908 duidelijk werd dat het instituut moest omzien naar een nieuwe locatie omdat uitbreidingen op het oude terrein van Nieuw Herlaer, onder meer vanwege de drassige bouwgrond, niet meer mogelijk waren, werd met enige moeite het vrijkomende terrein aan de Theerestraat aangekocht. Als architect voor het nieuwe instituut werd J.H.H. van Groenendael benaderd. Deze had inmiddels al een behoorlijke reputatie op het gebied van vooral religieuze architectuur opgebouwd en had een tiental jaren hiervoor al voor de congregatie der zusters "Dochters van Maria en Jozef" (die al sinds de vestiging te Nieuw Herlaer het meisjesonderwijs van het instituut verzorgden) het moederhuis Mariënburg te 's-Hertogenbosch gebouwd. Hierbij had hij er blijk van gegeven in korte tijd en tot volledige tevredenheid van de opdrachtgever een groot bouwproject te kunnen afronden. De aanbesteding geschiedde op 3 oktober 1908. De opdracht werd gegund aan de laagste inschrijver; de Oosterhoutse aannemer H.H. Martens voor de som van f. 305.800,-. In dit bedrag was nog niet inbegrepen f.60.000,- voor de gewapend betonwerken van de plafonds en overdekkingen volgens het systeem Herbert-Conradt. Verder werd er nog circa f.100.000,- uitgetrokken voor onder meer de terrazzo vloeren in de gangen, de acetyleen-verlichting, de stoomverwarmingsinstallatie, de betegelingen, de liften, de inrichting van de wasserij en hostiebakkerij en het honorarium van de architect. Eind 1910 wordt het nieuwe instituut betrokken en ingezegend. De meest opvallende elementen van het hoofdgebouw zijn de kapellen voor jongens en meisjes aan de uiteinden van elke dwarsvleugel. Aan de westelijke zijde van de beide kapellen worden in 1930 en 1935 ruime zijkapellen met zicht op het altaar aangebracht. De kapellen zijn onder meer geornamenteerd met gebrandschilderd glas-in-lood van de firma F. Nicolas en zonen uit Roermond en heiligenbeelden van de firma Van Bokhoven-Jonkers te 's-Hertogenbosch. De meisjeskapel is nog in functie; de jongenskapel fungeert sinds de laatste verbouwing als archeologisch museum.

Het enorme gebouw blijkt al in de jaren twintig en dertig niet berekend op het nog steeds toenemend aantal leerlingen. Aan de achterzijde heeft er een erkervormige uitbreiding van de meisjeseetzaal plaats. Aan de noordzijde wordt omstreeks 1960 de buiten de van rijkswege geldende bescherming vallende afdeling Martha voor huisvesting van dove volwassenen gebouwd.

Tussen 1988 en 1991 werd wegens leegstand een groot deel van de bebouwing aan de Dommelzijde gesloopt hierdoor gingen de kapellen, die oorspronkelijk in het midden van de dwarsvleugels gesitueerd waren, nu de uiteinden hiervan vormen. Door deze ingreep verkreeg het hoofdgebouw de huidige U-vorm met binnenplaats. Aan beide zijden werd vervolgens, naar plannen van de architect H.J. Henket, de sloopnaad gedicht met moderne materialen maar in vormen die aansluiting zoeken bij de neogotische vormentaal van de kapellen. Het hoofdgebouw heeft tegenwoordig voornamelijk een kantoor en onderwijsfunctie.

Oorspronkelijk was het terrein geheel omgracht. Bij de realisatie van nieuwe uitbreidingen is het grootste gedeelte hiervan verdwenen. De gracht aan de voorzijde is nog wel intact.

Van de centraal gelegen brug werden omstreeks 1950 de penanten verwijderd en vervangen door de huidige gemetselde wangen.

Omschrijving

Het hoofdgebouw van het instituut (onderdeel I) is een zeer groot tweelaags U-vormig complex dat deels voorzien is van een souterrain. Het heeft een kapverdieping en met hoek- en middenpaviljoens onder verschillende typen, met leien gedekte daken. De gevels zijn opgetrokken in schoon metselwerk en geknipt en gesneden gevoegd. Het gebouw bestaat uit twee, spiegelbeeldig van elkaar opgetrokken, helften. Het zuidelijke gedeelte was voor de jongens; het noordelijke voor de meisjes. In het entreegedeelte waren beide helften tot circa 1990 streng van elkaar gescheiden.

Het souterrain wordt in de voorgevel geaccentueerd door gebosseerde hardstenen blokken met een gladde druiplijst aan de bovenzijde. De vensters van het souterrain zijn getralied.

Het centraal gelegen risalerende entreegedeelte met uitspringende topgevel en steil opgaande kap met tentdak, telt drie bouwlagen met kapverdieping en is rijk geornamenteerd met onder meer drie engelenbeelden. Het is voorzien van een hoog opgaand schilddak met leien in maasdekking dat wordt bekroond door een gehelmd klokkentorentje. Aan elke zijkant bevindt zich een hoge gemetselde schoorsteen met siermetselwerk in de kroon. De ingangspartij is monumentaal vorm gegeven met, in Beiers graniet, een hoge trap van tien treden, hardstenen leuningen en schilddragende kalkstenen leeuwen van H. Jonkers uit 1937 op de hoekpenanten. De twee engelenbeelden boven de ingang werden aangeboden door oud-leerlingen. Het verguld koperen beeld van de aartsengel Michaël op de topgevel was een geschenk van de toenmalige oud-directeur mgr. Terwindt.

De rondboogingang is met natuursteen omlijst en heeft een door halfzuilen gedragen licht gebogen stenen luifel met op elke hoek een levensgroot stenen engelenbeeld onder een neogotisch baldakijn. Opvallend is het kleurige tegelmozaïek in de boog met sterrenhemel en alfa en omega. De feitelijke ingang ligt in een portaal dat met een in gele verblendsteen opgetrokken graatgewelf is overwelfd. In dit portaal zijn twee gedenkplaquettes uit 1909 en 1927 aangebracht. Dubbele vleugelpaneeldeur met gebrandschilderd glas-in-lood aan de zijkanten en bovenzijde.

Het entreegedeelte wordt geflankeerd door twee aanbouwen die overgaan in de zijvleugels met aparte ingangen. De zijvleugels hebben twee bouwlagen met een souterrain en kapverdieping en zijn gedekt door een plat dak met schilden met leien in maasdekking.

De voorgevel is verder rijkelijk geornamenteerd door onder meer tableaus van siermetselwerk, banden van verblendsteen, rondboogfriezen en met natuursteen bekroonde pinakels in de topgevel. Verder zijn er jaartalschilden en een naamschild geflankeerd door twee polychrome tegeltableaus met (bisdom-)wapens. De goot wordt gedragen door stenen klosjes. De vensters in het entreegedeelte en van de hoekpaviljoens zijn op regelmatige afstanden van elkaar geplaatst en alle met een segmentboog overtoogd. De kozijnen en ramen van vrijwel alle vensters zijn rond 1960 vervangen door de huidige, meest stalen ramen.

De langgerekte vleugels en zijvleugels van het hoofdgebouw zijn grotendeels identiek gedetailleerd als het entreegedeelte. De gevels zijn door middel van gemetselde lisenen ingedeeld in traveeën van steeds twee vensters breed. De langsvleugels hebben een plat dak met schilden met leien in maasdekking. De dwarsvleugels een zadeldak met leien in maasdekking. De dakschilden worden per travee doorbroken door een kleine, met leien gedekte dakkapel. Verder heeft elke vleugel een centraal geplaatste trapgevel.

Aan elk van de zijvleugels is een achthoekige traptoren gebouwd. Die aan de jongenskant is wat hoger en heeft een ui-vormige leien bekroning. Aan de achterzijde is het gebouw aanmerkelijk soberder van detaillering. Het souterraingedeelte ontbreekt hier en verder zijn ook in de gevelafwerking details als rondboogfriezen weggelaten. Opvallend zijn de grote glaspartijen van de trappen in zowel het centrale als de flankerende gedeeltes. De gebrandschilderde ramen aan de zuidzijde zijn van de hand van F. Nicolas en zonen te Roermond.

De strenge symmetrie is ook bij de interne verdeling aangehouden. Steeds wordt er gebruik gemaakt van een centrale gang met terrazzo vloer en aan weerszijden relatief kleine, rechthoekige, kamers. In de vertrekken op de begane grond waren voornamelijk klaslokalen en eetzalen gevestigd. Op de verdieping van de dwarsvleugels bevonden zich de grote slaapzalen met ijzeren kapconstructie en trekstangen over de gehele breedte van de vleugel. Het centrale entreegedeelte heeft een even ingenieuze als imposante kapconstructie van Amerikaans grenen. Het souterrain diende oorspronkelijk als hostiebakkerij en keuken. De verdieping van het entreegedeelte herbergde de woonvertrekken van de bestuursleden en de staf. De langsvleugels huisvestten op de verdieping voornamelijk ziekenvertrekken en logeerkamers.

Gangen en veel van de vertrekken zijn geornamenteerd met geglazuurde tegels. In de woonvertrekken was op de muren een decoratieve schildering aangebracht die in de vormgeving invloeden van de art nouveau vertoonde. Deze schilderingen zijn in de loop der jaren verwijderd of overgeschilderd. Bijzonder is de bestuurszaal die zich centraal aan de achtergevel van het entreegedeelte bevindt. De oorspronkelijke ornamentiek met onder meer een parketvloer, een houten lambrisering en een natuurstenen schouw met mascarons is hier nog geheel behouden.

De zich aan elk van de uiteinden van de dwarsvleugels bevindende kapellen voor jongens en meisjes zijn dwarsgeplaatst. De ingangen zijn gericht naar de binnenplaats; de lage, vijfzijdige kooruitbouwen naar de buitenzijde van het gebouw. Wegens ruimtegebrek werd in 1930 en 1935 aan elke kapel een zijkapel van drie traveeën gebouwd. De wanden van de kapellen zijn opgebouwd uit in kruisverband gemetselde machinale baksteen, verlevendigd met banden van gele verblendsteen en rondboogfriesen onder de goot. Elke kapel heeft een zadeldak met leien in maasdekking en is voorzien van een dakruiter. Elk koorgedeelte heeft een wat lager gelegen leien tentdak. De wanden worden gesteund door zich verjongende steunberen met hardstenen afdekplaten. Elke travee is voorzien van een smal spitsboogvenster met een montant en tracering in profielsteen van gele verblendsteen. De voorgevels zijn geornamenteerd met een stelsel van blindnissen met maaswerk in verblendsteen in de trant van de laat-gotische baksteenkerken. Beide kapellen hebben enkele kleine nevenruimtes die tegenwoordig voor verschillende functies gebruikt worden. Voor elke kapel is, als onderdeel van de dwarsvleugel een soort atrium met kruisribgewelven geplaatst. Hierin zijn in de jaren dertig polychrome figuratieve schilderingen aangebracht door een van de broeders die het onderwijs verzorgden. Zowel intern als extern komen beide kapellen in detaillering grotendeels overeen al is in enkele details (dakruiter en gevelbekleding) de jongenskapel iets rijker uitgevoerd.

Inwendig valt vooral de rijke kleurige ornamentiek op. Hierbij wordt vooral gebruik gemaakt van geglazuurde baksteen en verschillende soorten gele verblendsteen. De opstand van de kapellen is tweedelig met een gestucte lambrisering en lichtbeuk met spitsboogvensters. Elk schip is overwelfd met een netgewelf; elk koor met een stergewelf. De gordelbogen zijn vrij fors en lopen door tot de colonetten. De triomfbogen zijn beschilderd. De zijkapellen zijn overwelfd met een netgewelf. De jongenskapel is evenals de bijbehorende zijkapel omgebouwd tot archeologisch museum. De hiervoor gedane ingrepen beperken zich hoofdzakelijk tot de terrazzo vloer van het schip.

De inventaris van de kapellen bevat nog veel van de oorspronkelijke elementen. In elke kapel zijn boven de lambrisering neo-gotische heiligenbeelden van het atelier M. van Bokhoven-Jonkers te 's-Hertogenbosch en in de koorvensters gebrandschilderde glas-in-lood ramen van de firma F. Nicolas en zonen te Roermond geplaatst. Op vier na zijn de geornamenteerde eikenhouten kerkbanken verwijderd. Interessant zijn verder de stenen altaarretabels met neogotisch beeldhouwwerk en de kruiswegstaties in de meisjeskapel van de hand van de schilder Windhausen uit Roermond. In het koor van de meisjeskapel bevindt zich een groot altaarretabel met beeldhouwwerk dat door M. van Bokhoven is vervaardigd naar ontwerptekeningen van J.H.H. van Groenendael. De oorspronkelijke schilderingen in onder meer portretmedaillons zijn ondergesausd. In de meisjeskapel is één ervan gerestaureerd. De houten paneeldeuren met omlijsting zijn vrijwel alle nog origineel.

Waardering

Het doveninstituut is van algemeen belang. Het doveninstituut heeft cultuurhistorische waarde als bijzondere uitdrukking van de ontwikkeling van de door voornamelijk door religieuzen geleide gezondheidszorg in het zuiden van Nederland rond 1900 en als voorbeeld van de typologische ontwikkeling van de grootschalige gestichten. Het doveninstituut heeft architectuurhistorische waarde vanwege de veelheid en de hoogwaardige kwaliteit van de toegepaste stijlelementen en vanwege de plaats die het pand inneemt in het oeuvre van de architect J.H.H. van Groenendael. Het doveninstituut is gaaf bewaard gebleven. Het doveninstituut is zowel functioneel als typologisch zeer zeldzaam.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

Introduction

Former DEAF-MUTE INSTITUTE, now institute for the deaf, built between 1908 and 1910 to the design of architect J.H.H. van Groenendael in a formal language incorporating elements of late neo-gothic, neo-Dutch renaissance, eclecticism and art nouveau.

When it became clear in the course of 1908 that the institute needed to relocate to a new site because extensions on the old grounds of Nieuw Herlaer were no longer possible, in part due to marshy building soil, the vacant land on Theerestraat was acquired with some difficulty. Architect J.H.H. van Groenendael was approached for the new institute. By this time he had built up a considerable reputation in the field of especially religious architecture and a decade earlier had already built the mother house Mariënburg at 's-Hertogenbosch for the congregation of sisters "Daughters of Mary and Joseph" (who had been providing the girls' education of the institute since its establishment at Nieuw Herlaer). In doing so, he demonstrated that he could complete a large building project in a short time and to the complete satisfaction of the client. The invitation to tender took place on 3 October 1908. The contract was awarded to the lowest bidder; Oosterhout contractor H.H. Martens for the sum of f. 305.800,-. This sum did not yet include f.60.000,- for the reinforced concrete work of the ceilings and roof coverings according to the Herbert-Conradt system. Furthermore, approximately f.100.000,- was allocated for amongst others the terrazzo floors in the corridors, the acetylene lighting, the steam heating installation, the tilework, the lifts, the arrangement of the laundry and host bakery and the architect's fee. At the end of 1910 the new institute was occupied and consecrated. The most striking features of the main building are the chapels for boys and girls at the ends of each transverse wing. On the western side of both chapels, spacious side chapels with views of the altar were added in 1930 and 1935. The chapels are decorated amongst other things with stained glass windows from the firm F. Nicolas and sons from Roermond and holy statues from the firm Van Bokhoven-Jonkers at 's-Hertogenbosch. The girls' chapel is still in use; the boys' chapel has served as an archaeological museum since the last renovation.

The enormous building proved inadequate by the nineteen-twenties and thirties for the still-increasing number of pupils. At the rear, an oriel-shaped extension of the girls' dining hall was added. On the north side, around 1960 the Martha department, falling outside the national monument protection, was built to house deaf adults.

Between 1988 and 1991, due to vacancy, a large part of the building on the Dommel side was demolished, as a result the chapels, which were originally situated in the middle of the transverse wings, now form their ends. Through this intervention the main building acquired its present U-shape with courtyard. Subsequently, on both sides, following designs by architect H.J. Henket, the demolition seam was filled with modern materials but in forms that seek connection with the neo-gothic formal language of the chapels. The main building nowadays serves primarily an office and educational function.

Originally the site was entirely surrounded by a moat. With the realisation of new extensions, most of this has disappeared. The moat at the front is still intact.

Around 1950 the pillars of the centrally located bridge were removed and replaced by the current masonry cheeks.

Description

The main building of the institute (component I) is a very large two-storey U-shaped complex, partly provided with a basement. It has a roof-space storey and with corner and central pavilions under different types, with slate-covered roofs. The facades are built in fair-faced brickwork and cut and scored joints. The building consists of two halves, mirror images of each other. The southern portion was for the boys; the northern for the girls. In the entrance section, the two halves were strictly separated from each other until circa 1990.

The basement is accentuated in the front facade by rusticated sandstone blocks with a smooth drip moulding at the top. The basement windows are barred.

The centrally located projecting entrance section with projecting stepped gable and steeply rising roof with tent roof, has three storeys with roof-space storey and is richly ornamented with amongst other things three angel statues. It is provided with a steeply rising hipped roof with slates in Meuse coverage crowned by a helmeted bell turret. On each side is a tall masonry chimney with ornamental brickwork in the crown. The entrance is monumentally formed with, in Bavarian granite, a high flight of ten steps, sandstone railings and load-bearing limestone lions by H. Jonkers from 1937 on the corner pilasters. The two angel statues above the entrance were presented by former pupils. The gilded copper statue of the archangel Michael on the stepped gable was a gift from the then former director mgr. Terwindt.

The round-arch entrance is framed in natural stone and has a gently curved stone canopy supported by half-columns with a life-size stone angel statue on each corner under a neo-gothic baldachin. Striking is the colourful tile mosaic in the arch with starry sky and alpha and omega. The actual entrance is in a vestibule roofed with a groin vault executed in yellow brick. In this vestibule are two memorial plaques from 1909 and 1927. Double hinged panel door with stained glass windows at the sides and top.

The entrance section is flanked by two annexes which merge into the side wings with separate entrances. The side wings have two storeys with a basement and roof-space storey and are covered by a flat roof with shields with slates in Meuse coverage.

The front facade is further richly ornamented by amongst others ornamental brickwork tableaus, bands of brick, round-arch friezes and pinnacles topped with natural stone in the stepped gable. Furthermore there are date stones and a nameplate flanked by two polychrome tile tableaus with (diocese) coats of arms. The gutter is supported by stone blocks. The windows in the entrance section and of the corner pavilions are placed at regular intervals and all have a segmental arch surround. The frames and sashes of virtually all windows were replaced around 1960 by the present, mostly steel windows.

The elongated wings and side wings of the main building are largely detailed identically to the entrance section. The facades are divided by means of masonry pilasters into bays of always two windows wide. The long wings have a flat roof with shields with slates in Meuse coverage. The transverse wings a gabled roof with slates in Meuse coverage. The roof shields are interrupted per bay by a small, slate-covered dormer. Furthermore, each wing has a centrally placed stepped gable.

On each of the side wings an octagonal staircase tower was built. The one on the boys' side is somewhat higher and has an onion-shaped slate roof. At the rear, the building is considerably simpler in detailing. The basement section is absent here and furthermore details such as round-arch friezes are also omitted in the facade finish. Striking are the large glass panels of the stairs in both the central and flanking sections. The stained glass windows on the south side are by F. Nicolas and sons at Roermond.

The strict symmetry is also maintained in the internal division. Always use is made of a central corridor with terrazzo floor and on either side relatively small, rectangular rooms. In the ground floor spaces were mainly classrooms and dining halls. On the storey of the transverse wings were the large dormitories with iron roof truss structure and tie rods across the full width of the wing. The central entrance section has an ingenious and imposing roof truss structure of American pine. The basement originally served as a host bakery and kitchen. The storey of the entrance section housed the residential quarters of the management and staff. The long wings housed mainly sick rooms and guest rooms on the storey.

Corridors and many of the rooms are ornamented with glazed tiles. In the residential quarters, decorative painting was applied to the walls, showing influences of art nouveau in its design. These paintings have been removed or overpainted over the years. Particularly notable is the administrative hall, which is situated centrally on the rear facade of the entrance section. The original ornamentation, including amongst other things a parquet floor, wooden wainscoting and a natural stone chimney piece with mascarons, is completely preserved here.

The chapels for boys and girls located at each end of the transverse wings are placed transversely. The entrances face the courtyard; the low, five-sided choir extensions face the outside of the building. Due to lack of space, a side chapel of three bays was added to each chapel in 1930 and 1935. The walls of the chapels are built of machine-made brick laid in bond, enlivened with bands of yellow brick and round-arch friezes below the gutter. Each chapel has a gabled roof with slates in Meuse coverage and is provided with a roof light. Each choir section has a somewhat lower slate tent roof. The walls are supported by tapering buttresses with sandstone capping plates. Each bay is provided with a narrow pointed-arch window with a mullion and tracery in yellow brick profile stone. The front facades are ornamented with a system of blind recesses with tracery in brick in the manner of late-gothic brick churches. Both chapels have a few small ancillary spaces that are nowadays used for various functions. For each chapel, as part of the transverse wing a kind of atrium with cross-rib vaults was placed. In the nineteen-thirties, polychrome figurative paintings were applied here by one of the brothers who provided the teaching. Both chapels largely correspond in detailing both internally and externally, though in some details (roof light and facade cladding) the boys' chapel is somewhat more richly executed.

Internally, the rich colourful ornamentation is especially striking. Here especially use is made of glazed brick and different types of yellow brick. The elevation of the chapels is in two parts with stuccoed wainscoting and clerestory with pointed-arch windows. Each nave is vaulted with a net vault; each choir with a star vault. The wall arches are fairly substantial and run through to the colonnettes. The triumphal arches are painted. The side chapels are vaulted with a net vault. The boys' chapel, like its associated side chapel, has been converted into an archaeological museum. The interventions made for this are mainly limited to the terrazzo floor of the nave.

The inventory of the chapels still contains many of the original elements. In each chapel, above the wainscoting, neo-gothic holy statues from the atelier M. van Bokhoven-Jonkers at 's-Hertogenbosch and in the choir windows stained glass windows from the firm F. Nicolas and sons at Roermond are placed. Except for four, the ornamented oak pews have been removed. Also of interest are the stone altar retables with neo-gothic sculpture and the Stations of the Cross in the girls' chapel by the painter Windhausen from Roermond. In the choir of the girls' chapel is a large altar retable with sculpture made by M. van Bokhoven after design drawings by J.H.H. van Groenendael. The original paintings in amongst other things portrait medallions are under-painted. In the girls' chapel one of them has been restored. The wooden panel doors with surrounds are almost all still original.

Valuation

The deaf institute is of general interest. The deaf institute has cultural-historical value as a special expression of the development of health care in the south of the Netherlands around 1900, led mainly by religious personnel, and as an example of the typological development of large-scale institutions. The deaf institute has architectural-historical value because of the multitude and high quality of the applied stylistic elements and because of the place the building occupies in the oeuvre of architect J.H.H. van Groenendael. The deaf institute has been well preserved. The deaf institute is both functionally and typologically very rare.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map