TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Vrede

Zaandam, Noord-Holland, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Industrie
Function
Meelfabriek
Category
onroerend gebouwd
Built
1918
Address
Sluispolderweg 53, 1505 HJ Zaandam (Zaanstad 27)
Place
Zaandam
Municipality
Zaanstad
Province
Noord-Holland
Country
Netherlands
Coordinates
52.41818, 4.85375
Part of complex
518027
Monument number
518028

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

University Library, Vrije Universiteit Amsterdam

3 historical maps cover this location, the earliest the 1910 map "Polderkaart van de landen tusschen Maas en ij / door W.H. Hoekwater" (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

Inleiding

Voormalige MEELFABRIEK "Vrede" uit 1918.

Omschrijving

Fabrieksgebouw op L-vormig grondplan, bestaande uit een langgerekt, nagenoeg rechthoekig bouwblok van vijf bouwlagen onder een afgeplat schilddak voorzien van rode verbeterde Hollandse pannen en terracotta hoekpironnen, en haaks hierop een circa één verdieping hoger silogebouw met een kortere en bredere rechthoekige plattegrond. Het silogebouw is geheel gegoten in gewapend beton en aan de buitenzijde afgewerkt met een cementlaag. De buitengevels van het hoofdgebouw zijn opgetrokken in rode machinale baksteen waalformaat in kruisverband met platvolle voeg. Het hoofdgebouw heeft een omgaande bakgoot op zware, getrapt geprofileerde gootklossen. De regelmatig in de gevels geplaatste vensters zijn uitgevoerd in ijzer en voorzien van een kleine roedenverdeling. Boven de vensters is staand metselwerk aangebracht.

De lange, vrijwel symmetrische voorgevel (Z) van het hoofdgebouw wordt geleed door een verhoogde middenrisaliet, een hoog boven het gebouw uitstekende waterreservoirtoren rechts, en een sterk risalerende elevatortoren links. De elevatortoren heeft een rechthoekige plattegrond (haaks op de voorgevel) en een manshoge, zich verjongende betonnen sokkel voorzien van vertikale gleuven en onderbroken door een dubbele paneeldeur waarboven een gevelsteen met een door krulmotieven geflankeerd verdiept vlak met langs de onder- en zijranden bloemslingers en in het midden het Latijnse woord "LUX". Boven deze gevelsteen bevindt zich een gesloten spaarveld dat zich tot en met de vierde verdieping voortzet en daar voorzien is van drie gekoppelde vensters waaronder een ronde opening, vermoedelijk voor de zuigleiding waarmee het graan vanuit de schepen werd opgezogen. Ter weerszijden van het spaarveld zijn tot en met de derde verdieping twee lisenen aangebracht waartussen op elke verdieping een smal, tweeruits breed venster (het merendeel hiervan is verwijderd). Boven het spaarveld is in het metselwerk een meander aangebracht van terracotta tegels. De vijfde verdieping van de elevatortoren heeft aan de voorzijde twee vijftienruits (5x3) vensters waarboven terracotta siermotieven, en wordt afgesloten door een getrapte betonnen bovenzijde waarop een kleine, gemetselde achthoekige opbouw met een plattegrond in de vorm van een rechthoek met afgeschuinde hoeken die via luchtbogen verbonden zijn met vier hoge, met beton afgedekte gemetselde hoekpylonen. De twee pylonen aan de voorgevelzijde worden onderaan, zowel vóór als opzij, geflankeerd door een forse betonnen waterspuwer voorzien van guttae. Onder de vier waterspuwers zijn ter hoogte van de vijfde verdieping vertikale, in dwarsdoorsnede getrapte nissen aangebracht. De achtzijdige opbouw telt in de oost- en westgevel drie vierruits vensters, en heeft een getrapt uitgemetselde bovenrand, waarboven een achtzijdig schilddak voorzien van pannen en twee pironnen als genoemd. Aan de voorzijde bevindt zich een smalle, getrapt uitkragende uitbouw, onder- en bovenaan uitgevoerd in beton. Hieronder is een katrol aangebracht. De enkele meters boven de dakgoot uitstekende middenrisaliet van de voorgevel heeft een terugliggend middendeel, afgesloten door een uitknikkende betonnen luifel boven de vierde verdieping en voorzien van getrapte dagkanten, waartussen op alle verdiepingen een dubbele paneeldeur (op de tweede verdieping is deze verwijderd). De deels getrapte dagkanten van de deur op de begane grond zijn uitgevoerd in lichtgrijs graniet; de plint ter weerszijden is van beton. De deur op de begane grond heeft in de linker deurvleugel een loopdeurtje. Boven deze deur is een vergelijkbare gevelsteen aangebracht als in de elevatortoren, maar hier voorzien van het jaartal "1918". In de twee risalerende vertikale gevelstroken ter weerszijden van het terugliggende middendeel zijn tot bovenin twee smalle vertikale spaarvelden aangebracht waarin smalle tienruits (5x2) vensters. Deze twee hoekpartijen zijn voorzien van een blokachtige bekroning in beton. Hieronder is rond de hoekpartijen en boven de genoemde luifel een meander van terracotta tegels aangebracht. De hoog boven het gebouw uitstekende waterreservoirtoren rechts in de gevel heeft een vierkante plattegrond en aan de voorzijde een zich verjongende manshoge betonnen sokkel met in het midden een (vernieuwde) deurpartij en ter weerszijden een smal venster. Boven de deur is een gevelsteen aangebracht vergelijkbaar met die in de elevatortoren, hier voorzien van getrapte zijden en het Latijnse woord "PAX". Recht boven de gevelsteen bevinden zich op alle vier verdiepingen drie smalle vensters (die op de eerste verdieping zijn vernieuwd). Ook hier is het muurwerk tussen twee boven elkaar gelegen vensters verdiept. Boven de van twee paar smalle vensters voorziene vijfde verdieping zijn in het metselwerk rondom meandermotieven aangebracht. Alle vier de zijden van de toren hebben hierboven een over twee bouwlagen getrapt uitgemetseld middendeel met daarin twee paar kleine vensters boven elkaar. Ter hoogte van het waterreservoir is de toren boven en onder een met meanders gesierde gemetselde horizontale band getrapt uitgebouwd in beton en in het midden van alle zijden voorzien van een eveneens getrapt uitgebouwde (zowel in de hoogte als de breedte) risaliet. Hierboven zet de toren zich in een lage verdieping voort met tegen alle vier zijden in het midden een uitbouw voorzien van drie vensters en een topgevel. Het tentdak van de toren heeft oorspronkelijk pannen en een piron als genoemd. De voorgevel telt ter weerszijden van de middenrisaliet vier traveeën. De terugliggende geveldelen worden door lisenen geleed en bezitten een regelmatige vensterindeling. De lisenen strekken zich uit over vier bouwlagen en worden afgesloten door een horizontale gevelstrook met meandermotief ter hoogte van de vloer van de bovenste verdieping. Elke travee telt per bouwlaag één paar staande twintigruits (5x4) vensters; de bovenste verdieping heeft echter per travee twee paar smallere gekoppelde vensters. De spaarvelden tussen de lisenen hebben onderaan een plint van getrapte koppenlagen en een bovenrand van uitkragend staand metselwerk boven de vensters van de derde verdieping. De vertikale werking wordt versterkt doordat de muurvlakken boven en onder de vensters licht terugspringen. Het geveldeel links van de elevatortoren telt drie vensterassen (de drie vensters op de begane grond zijn recent dichtgemetseld) tussen twee hoeklisenen die zich tot bovenaan de gevel uitstrekken. Ook hier onderscheidt de bovenste verdieping zich door de toepassing van (drie paar) smalle gekoppelde vensters waaronder meandermotieven. Onder de overige vensters bevinden zich wederom terugliggende muurvlakken. Tussen de lisenen loopt een plint van getrapte koppenlagen. Het geveldeel rechts van de waterreservoirtoren heeft in het midden van elke bouwlaag een dubbele paneeldeur met ter weerszijden één paar smalle tienruits (5x2) vensters (op de begane grond en de eerste verdieping zijn deze vernieuwd en de deuren vervangen door vensters). Boven de deur van de vierde verdieping is een uitknikkende betonnen latei aangebracht waarop een hijsbalk rust. De twee paar vensters van deze verdieping rusten elk op een terugliggend gevelvlak met een enkel meandermotief. Onder de overige vensters van dit geveldeel bevindt zich een smal (even breed als het venster) terugliggend muurvlak.

Boven de vroegere ingang op de begane grond een gevelsteen vergelijkbaar met de bovengenoemde gevelstenen, maar zonder tekst. Zowel in het dakvlak van het rechter als het linker geveldeel zijn twee dakkapellen aangebracht voorzien van gekoppelde ramen en een plat dak met overstek. De dakvlakken boven beide zijgevels hebben drie van dergelijke dakkappellen. De linker zijgevel (W) wordt door de moderne aanbouw grotendeels aan het oog onttrokken. De rechter zijgevel (O) is door lisenen geleed in vier traveeën met op alle verdiepingen per travee een paar twintigruits (5x4) vensters (de vensters op de begane grond en de eerste verdieping zijn vernieuwd). Tussen de lisenen loopt een plint van getrapte koppenlagen. Boven de moderne deurpartij in de tweede travee van rechts bevindt zich een brede gevelsteen vergelijkbaar met de andere, maar met een leeg veld. Onder de vensters van de bovenste verdieping is een meandermotief aangebracht, eveneens van terracotta tegels. De achtergevel (N) heeft links een hoekrisaliet van drie traveeën waarboven twee dakkapellen als genoemd, en telt verder tien traveeën. De gevelgeleding en vensterverdeling is identiek aan de rechter zijgevel. In de rechter travee van de hoekrisaliet ontbreken echter vensters (de vensters op de begane grond en de eerste verdieping van de hoekrisaliet zijn vernieuwd). De travee uiterst rechts is smaller, telt slechts één vensteras en heeft evenals de travee ernaast op de begane grond een gewijzigde deur. In de zevende travee van rechts is naderhand een brede houten schuifdeur aangebracht, mogelijk ter vervanging van de dichtgezette deur in de achtste travee.

Het betonnen silogebouw wordt boven de begane grond geleed door hoge spaarvelden die tot bovenin doorlopen, en aan de bovenzijde getrapt zijn uitgevoerd. De west- en de oostgevel tellen beide tien spaarvelden, de noordgevel heeft er zes: twee ter weerszijden van een geringe middenrisaliet met twee smallere spaarvelden. In deze zich tot de eerste verdieping verjongende middenrisaliet bevindt zich een getoogde ingang waarvoor een vernieuwde houten schuifdeur. Links en rechts van de middenrisaliet zijn op de begane grond twee paar smalle, gekoppelde en getoogde vensters aangebracht die naderhand zijn dichtgezet. Dit laatste geldt ook voor de vensters in de zijgevels (eveneens twee smalle, gekoppelde en getoogde vensters per travee). Het hoofdgebouw heeft een gepleisterd inwendig betonskelet met één rij kolommen in de lengte-as. De kolommen staan ruim twee meter hart op hart en dragen elk een (minder brede) moerbalk waarvan de balkeinden rusten op muurkolommen. De moerbalken zijn bij de kolommen voorzien van schuine konsoles en dragen kinderbalken waarop de eveneens betonnen vloer rust. Het silogebouw telt op de begane grond vier rijen van negen kolommen op onderling gelijke afstand. Rechtstreeks op de kolommen rusten zowel in de lengte- als de breedterichting liggers met dezelfde breedte als de kolommen. De vijftig door liggers omsloten plafondvakken bestaan elk uit een vierzijdige (eveneens betonnen) trechter behorend bij de silo erboven. In totaal telt het silogebouw vijftig graansilo's die zich over alle verdiepingen uitstrekken. De betonnen kolommen, wanden en plafond van de begane grond zijn ook hier afgewerkt met een pleisterlaag die de afdrukken van de bekisting aan het oog onttrekt.

Waardering

De voormalige meelfabriek met silogebouw is van algemeen belang wegens cultuur- en architectuurhistorische waarde als historisch-functioneel hoofdonderdeel van het vroeg 20ste-eeuwse fabriekscomplex "Vrede". Het gebouw heeft situationele waarde door de prominente situering op de hoek van het Noordzeekanaal en het daarin uitmondende Zijkanaal H en vanwege de ligging binnen de Stelling van Amsterdam.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

Introduction

Former FLOUR MILL "Vrede" from 1918.

Description

Factory building on an L-shaped ground plan, consisting of an elongated, nearly rectangular building block of five storeys under a hipped roof fitted with red improved Dutch tiles and terracotta corner ornaments, and perpendicular to this a silo building approximately one storey higher with a shorter and broader rectangular floor plan. The silo building is entirely constructed in reinforced concrete and finished on the outside with a cement layer. The outer facades of the main building are built in red machine-made brick in a Waal format in Flemish bond with flush jointing. The main building has a continuous brick gutter on heavy, stepped profiled gutter brackets. The windows regularly placed in the facades are executed in iron and provided with a small glazing bar pattern. Above the windows solid brickwork is applied.

The long, virtually symmetrical front facade (S) of the main building is articulated by a raised central projection, a high water reservoir tower protruding above the building on the right, and a strongly projecting elevator tower on the left. The elevator tower has a rectangular ground plan (perpendicular to the front facade) and a man-high, tapering concrete plinth fitted with vertical grooves and interrupted by a double panel door above which a facade stone with a recessed field flanked by scroll motifs and along the lower and side edges floral garlands and in the middle the Latin word "LUX". Above this facade stone is a blind wall panel that continues up to and including the fourth storey and there provided with three coupled windows and underneath a round opening, presumably for the suction pipe through which the grain was sucked up from the ships. On either side of the blind wall panel two pilasters are applied up to and including the third storey between which on each storey a narrow, two-pane-wide window (most of these have been removed). Above the blind wall panel a meander pattern of terracotta tiles is applied in the brickwork. The fifth storey of the elevator tower has on the front two fifteen-pane (5x3) windows above which terracotta decorative motifs, and is finished by a stepped concrete top on which a small, brick-built octagonal superstructure with a ground plan in the form of a rectangle with chamfered corners connected via air arches with four high, concrete-capped brick corner pylons. The two pylons on the front facade side are flanked below, both front and side, by a substantial concrete water spout fitted with guttae. Below the four water spouts vertical, stepped in cross-section niches are applied at the level of the fifth storey. The octagonal superstructure has three four-pane windows in the east and west facades, and has a stepped brick-built upper edge, above which an octagonal hipped roof fitted with tiles and two ornaments as mentioned. On the front is a narrow, stepped projecting extension, executed in concrete at the top and bottom. Beneath this is a pulley. The central projection of the front facade, protruding a few metres above the roof gutter, has a recessed central section, finished by a projecting concrete canopy above the fourth storey and fitted with stepped reveals between which on all storeys a double panel door (on the second storey this has been removed). The partly stepped reveals of the door on the ground floor are executed in light grey granite; the plinth on either side is of concrete. The door on the ground floor has a pedestrian door in the left door leaf. Above this door a similar facade stone is applied as in the elevator tower, but here fitted with the date "1918". In the two projecting vertical facade strips on either side of the recessed central section two narrow vertical blind wall panels are applied up to the top in which narrow ten-pane (5x2) windows. These two corner sections are fitted with a block-like concrete crown. Below this around the corner sections and above the mentioned canopy a meander of terracotta tiles is applied. The high water reservoir tower protruding above the building on the right in the facade has a square ground plan and on the front a tapering man-high concrete plinth with in the middle a (renewed) door section and on either side a narrow window. Above the door a facade stone is applied similar to those in the elevator tower, here fitted with stepped sides and the Latin word "PAX". Directly above the facade stone on all four storeys three narrow windows are found (those on the first storey have been renewed). Here too the brickwork between two windows placed above one another is recessed. Above the fifth storey fitted with two pairs of narrow windows meander motifs are applied in the brickwork all around. All four sides of the tower have above this a middle section stepped out over two storeys with in it two pairs of small windows above one another. At the level of the water reservoir the tower is stepped out above and below a meander-decorated brick horizontal band in concrete and in the middle of all sides fitted with an equally stepped out (both in height and width) projection. Above this the tower continues in a low storey with against all four sides in the middle an extension fitted with three windows and a gable. The tent roof of the tower originally had tiles and an ornament as mentioned. The front facade has on either side of the central projection four bays. The recessed facade parts are articulated by pilasters and have a regular window layout. The pilasters extend over four storeys and are finished by a horizontal facade strip with meander motif at the level of the floor of the top storey. Each bay has per storey one pair of standing twenty-pane (5x4) windows; the top storey however has per bay two pairs of narrower coupled windows. The blind wall panels between the pilasters have at the bottom a plinth of stepped header courses and an upper edge of projecting brick above the windows of the third storey. The vertical effect is reinforced by the fact that the wall surfaces above and below the windows recede slightly. The facade part left of the elevator tower has three window axes (the three windows on the ground floor have recently been bricked up) between two corner pilasters that extend to the top of the facade. Here too the top storey distinguishes itself through the use of (three pairs of) narrow coupled windows above which meander motifs. Below the other windows are again recessed wall surfaces. Between the pilasters runs a plinth of stepped header courses. The facade part right of the water reservoir tower has in the middle of each storey a double panel door with on either side one pair of narrow ten-pane (5x2) windows (on the ground floor and first storey these have been renewed and the doors replaced by windows). Above the door of the fourth storey a projecting concrete lintel is applied on which a lifting beam rests. The two pairs of windows of this storey each rest on a recessed facade surface with a single meander motif. Below the other windows of this facade part is a narrow (as wide as the window) recessed wall surface.

Above the former entrance on the ground floor a facade stone comparable to the above-mentioned facade stones, but without text. In the roof plane of both the right and left facade parts two roof dormers are applied fitted with coupled windows and a flat roof with overhang. The roof planes above both side facades have three such roof dormers. The left side facade (W) is largely obscured from view by the modern extension. The right side facade (E) is articulated by pilasters in four bays with on all storeys per bay a pair of twenty-pane (5x4) windows (the windows on the ground floor and first storey have been renewed). Between the pilasters runs a plinth of stepped header courses. Above the modern door section in the second bay from the right is a broad facade stone comparable to the others, but with a blank field. Below the windows of the top storey a meander motif is applied, also of terracotta tiles. The rear facade (N) has on the left a corner projection of three bays with above it two roof dormers as mentioned, and has a further ten bays. The facade articulation and window arrangement is identical to the right side facade. In the right bay of the corner projection however windows are missing (the windows on the ground floor and first storey of the corner projection have been renewed). The bay furthest right is narrower, has only one window axis and has like the adjacent bay on the ground floor a modified door. In the seventh bay from the right a broad wooden sliding door was subsequently applied, possibly replacing the bricked-up door in the eighth bay.

The concrete silo building is articulated above the ground floor by high blind wall panels that extend to the top and are stepped at the top. The west and east facades each have ten blind wall panels, the north facade has six: two on either side of a slight central projection with two narrower blind wall panels. In this central projection tapering to the first storey is a vaulted entrance in front of which a renewed wooden sliding door. Left and right of the central projection on the ground floor two pairs of narrow, coupled and vaulted windows are applied which were subsequently bricked up. The same applies to the windows in the side facades (likewise two narrow, coupled and vaulted windows per bay). The main building has a plastered internal concrete skeleton with one row of columns along the longitudinal axis. The columns are set just over two metres centre to centre and each support a (slightly narrower) main beam of which the beam ends rest on wall columns. The main beams are fitted with sloped consoles at the columns and support secondary beams on which the equally concrete floor rests. The silo building has on the ground floor four rows of nine columns at equal mutual distance. Directly on the columns rest in both the longitudinal and transverse direction beams with the same width as the columns. The fifty ceiling bays enclosed by beams each consist of a four-sided (also concrete) funnel belonging to the silo above. In total the silo building has fifty grain silos that extend over all storeys. The concrete columns, walls and ceiling of the ground floor are here too finished with a plaster layer that conceals the imprints of the formwork from view.

Valuation

The former flour mill with silo building is of general interest for its cultural and architectural-historical value as a historically-functional main component of the early 20th-century factory complex "Vrede". The building has situational value through its prominent location at the corner of the Noordzeekanaal and the Zijkanaal H flowing into it and due to its location within the Stelling van Amsterdam.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map