TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Zonneweelde

Arnhem, Gelderland, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Woonhuis
Category
onroerend gebouwd
Built (approximately)
1910
Address
De la Reijstraat 9, Locatie: Hoek Bothaplein., Transvaalbuurt, 6814 AD Arnhem
Place
Arnhem
Province
Gelderland
Country
Netherlands
Coordinates
51.98586, 5.90715
Monument number
516867

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

University Library, Vrije Universiteit Amsterdam

2 historical maps cover this location, the earliest the 1899 map "Composite: 327. Cleve." (David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

Inleiding:

HERENHUIS met HEKWERK. Het halfvrijstaande hoekpand, "ZONNEWEELDE" (weergegeven in vergulde Art Nouveau-belettering in een verdiept paneel in de voorgevel), is gebouwd rond 1910 door architect W. Diehl in een stijl die invloeden vertoont van de Engelse landhuisstijl, de geometrische Art Nouveau van de Wiener Secession en Charles Rennie Mackintosh. Het herenhuis heeft een bijzonder kleurgebruik met een plint in schoon metselwerk van oranje verblendsteen en gepleisterde donkergrijs geschilderde gevels onder een overstekend dak met een rode geglazuurde pannen. De kozijnen zijn wit met groen glas-in-lood in de bovenlichten. Een opmerkelijk element van de architectuur van Diehl uit deze periode is de toepassing van kozijnen met een vast kalf en een veelruits verdeling voor de bovenlichten, waarbij een raamhout ontbreekt en de roeden direct in het kozijnhout zijn geplaatst.

Het herenhuis is gelegen op de hoek van de De la Reijstraat en het Bothaplein in de Transvaalbuurt, een door ir. Tellegen ontworpen wijk met overwegend herenhuizen uit de periode 1905-1915. De voorgevel (westgevel) aan de De la Reijstraat kijkt uit over de St. Jansbeek en een van haar bruggen in Art Nouveau-stijl, de noordgevel ligt aan het Bothaplein en kijkt via het noordelijke deel van de De la Reijstraat uit over park Sonsbeek. Het pand bezit aan beide straten een smalle strook tuin van het trottoir gescheiden door een smeedijzeren hekwerk.

Omschrijving:

Het pand bezit een samengestelde plattegrond, bestaande uit een rechthoekige kernbouw met tegen de rechter zijgevel een rechthoekige uitbouw met daarvoor een trap met luifel aan de zijde van de voorgevel. Achter deze rechthoekige uitbouw bevindt zich een kleine binnenplaats. De kernbouw bezit op de hoek van de west- en de noordgevel een ca. driekwartcilindervormige uitbouw, die wordt gevormd door twee gebogen erkers over twee bouwlagen. Het pand bestaat uit een souterrain, twee bouwlagen en een zolderverdieping onder een schilddak met de nok haaks op de voorgevel en op de uitbouw een hierop aansluitend lager schilddak met de nok evenwijdig aan de voorgevel. De daken zijn gedekt met rode geglazuurde kruispannen met gebakken pironnen op de nokeinden van het hoofddak en een broekstuk met krul op het nokeinde van het dak van de uitbouw. Het dak bezit op het voorschild van de kernbouw twee grote houten dakkapellen met een houten topgeveltje, afgesloten door een geprofileerde gootlijst in schouderboog- of golflijnvorm. Beide dakkapellen bezitten een drielichtkozijn met drie 6-ruits draairamen en met leien beklede zijkanten. Op het dakschild boven de linker zijgevel (aan het Bothaplein) staat links een grotere dakkapel van hetzelfde type. Deze dakkapel heeft in het midden een houten kruiskozijn, met 6-ruits draairamen en 4-ruits bovenlichten, waarvan het onderste deel wordt geflankeerd door ramen met dubbele 6-ruits draairamen. Deze dakkapel heeft gepleisterde stenen zijwanden. Op de rechter zijwand van deze dakkapel sluit een gepleisterde schoorsteen aan, die aan de onderzijde breed uitloopt. Een andere gepleisterde schoorsteen staat op het rechter dakschild van het hoofddak aan de achterzijde bij de nok. De daken bezitten houten, met zink beklede bakgoten met ruim overstek op bewerkte klossen. De goot van de uitbouw steekt minder ver over dan die van het hoofdblok.

Het pand bezit een hoge plint, gemetseld in oranje verblendsteen in kruisverband, aan de bovenzijde afsluitend met een halfsteens rollaag. De gevels daarboven zijn gepleisterd en donkergrijs geschilderd. De vensters van de voorgevel bezitten ter afsluiting rollagen in oranje verblendsteen. De asymmetrisch ingedeelde VOORGEVEL van het hoofdblok telt drie traveeën en bezit op de bel-etage in de middentravee een loggia met een driezijdig gesloten bordes ervoor. Het bordes bezit een verblendstenen borstwering (een voortzetting van de hoge plint) en is aan de rechterzijde toegankelijk vanuit de tuin via een trap met een in verblendsteen gemetselde trapbalustrade met een kwartcirkelvormige holle bovenzijde, afgesloten door een rollaag met grijs geschilderde natuur- of kunststenen hoekblokken. De loggia sluit af met een houten lateibalk op gepleisterde imposten met daarboven een houten luifel met groot overstek, bestaande uit een plat, met houten profiellijsten omgeven plat dak op geprofileerde klossen met cirkelvormige uiteinden. Vanuit deze uiteinden ontspringen ijzeren ogen, waaraan getordeerde, smeedijzeren stangen zijn bevestigd die de luifel dragen. Het plafond van deze luifel en het plafond van de loggia bezitten een kraaldelenafwerking. Openslaande dubbele terrasdeuren, waarachter zich schuifdeuren bevinden, geven toegang tot de loggia. Boven de aansluiting van de luifel bezit de gevel een in oranje verblendsteen uitgevoerde segmentboogvormige ontlastingsboog (met een hoger middendeel). Hierboven bevindt zich in de tweede bouwlaag nog een loggia met een gepleisterde borstwering met deklijst. Deze door een rollaag van oranje verblendsteen afgesloten, rechthoekige opening is aan de bovenzijde voorzien van een driedelig bovenlicht rustend op een balk met een getoogde onderzijde. De drie delen bezitten een 12-ruits verdeling waarbij de roeden direct in het kozijnhout zijn geplaatst. De ruitjes bezitten glas-in-lood met groen glas en kleine grijze, ruitvormige ruitjes op de kruising van de loodstrips. De balkondeuren van de loggia zijn evenals beneden dubbel uitgevoerd met draai- en schuifdeuren.

Rechts van de loggia op de bel-etage bezit de gevel van de kernbouw een venster met drielichtkozijn met vast kalf. Het kozijn bezit drie enkelruits lage vaste onderramen en drie hoge bovenlichten met een 12-ruits verdeling met glas-in-lood als beschreven bij de loggia op de eerste verdieping. Dit venster verlicht de er achter gelegen vestibule en hal. Hierboven bevindt zich op de verdieping een rechthoekig verdiept paneel met daarin uitgespaard in kapitaalletters in Art Nouveau-vormgeving de naam ZONNEWEELDE. De letters zijn verguld, op een gepleisterd donkergrijs veld.

Hierboven bevindt zich weer een venster met drielichtkozijn met 12-ruits verdeling met de roeden direct in het kozijnhout geplaatst (dit is bij alle bovenlichten het geval). De raampjes bezitten glas-in-lood als beschreven bij de loggia op de eerste verdieping. In de hoge plint bevindt zich rechts van het bordes een souterrainvenster onder rollaag met veelruits raam.

Aan de linkerzijde bezit de voorgevel van de kernbouw een gebogen erker die de gehele gevelhoogte bestrijkt. De linkerzijgevel bezit uiterst rechts een erker van hetzelfde type. Samen vormen deze erkers een cilindervormig hoekelement. De hoge plint volgt de cirkellijn van deze erker. De erker heeft zowel in de voorgevel als de zijgevel op beide bouwlagen een venster met houten kruiskozijn, dat de gebogen gevellijn volgt. Deze vensters bezitten onder twee enkelruits schuiframen. De bovenlichten bezitten direct in het kozijnhout geplaatste roeden met 16-ruits verdeling welke de booglijn van de gevel volgen. De bovenlichten zijn voorzien van glas-in-lood van het hierboven beschreven type. De gebogen muurvlakken tussen de vensters van de bel-etage en de eerste bouwlaag zijn bekleed met leien in Maasdekking. De asymmetrisch ingedeelde LINKER ZIJGEVEL telt twee traveeën en bezit links een tweelaags erker van het zelfde type als rechts, maar breder van uitvoering, waardoor de gevel minder sterk gebogen is. Deze erker bezit zowel in de eerste als tweede bouwlaag een breder venster (drielichtkozijn met bovenlichten met 16-ruits verdeling) van hetzelfde type als dat van de hoekerker rechts. Het middenraam onder is bij deze vensters recent gewijzigd in een tuimelraam. De erker bezit aan weerszijden van de vensters gepleisterde vlakken en een strook leien in maasdekking tussen de vensters van beide bouwlagen. Het middendeel van de linker zijgevel is blind uitgevoerd. In de hoge plint van de rechter erker en onder het blinde geveldeel bevinden zich resp. twee en één recht gesloten souterrainvensters met veelruits ramen.

Rechts van de voorgevel van de kernbouw bevindt zich in de hoek van de korte rechterzijgevel van de kernbouw en de voorgevel van de uitbouw het ingangsportiek met bordestrap onder een vlakke luifel met geprofileerde bakgoot op klossen. Deze portiek heeft aan de zijde van de voorgevel een tochtwand, waarvan de plint en borstwering een voortzetting vormen van de voorgevel van de kernbouw. De plint in oranje verblendsteen eindigt in een gemetselde trapbalustrade met kwartcirkelvormige beëindiging en gepleisterde borstwering. Op de borstwering is een houten kruiskozijn geplaatst met lage enkelruits onderlichten en hoge 12-ruits bovenlichten. Het glas van de onderramen en de roeden van de bovenlichten zijn direct in het kozijn geplaatst. De bovenlichten bezitten glas-in-lood van het eerder beschreven type. Op dit kozijn rust een onderslagbalk die de portiekluifel ondersteund. Een hardstenen trap met hardstenen bordes leidt naar de voordeur, welke in de korte rechter zijgevel van de kernbouw is opgenomen. Deze deuropening met ongeprofileerd kozijn op hardstenen neuten en onderdorpel bezit een paneeldeur met vier 4-ruits raampjes. Onder de trap van deze ingang bevindt zich in de plint aan de voorzijde een hoog portiek afgesloten door een segmentboog van de toegang van het souterrain, een voormalige dienstingang, vanuit de voortuin. Een verblendstenen trap met hardstenen treden leidt vanuit de tuin naar dit portiek, dat een terrazzo-vloer met smetranden bezit. Het portiek is overwelfd. Het deurkozijn bezit granieten neuten en onderdorpel en een paneeldeur. De ondiepe rechter zijgevel van de kernbouw bezit in de tweede bouwlaag boven de luifel van de ingang een venster met kozijn met 16-ruits verdeling en glas-in-lood. De uitbouw heeft in de voorgevel rechts in de eerste bouwlaag, onder de vlakke luifel van de ingang een venster met schuifraam en bovenlicht 16-ruits verdeling en glas-in-lood. In de tweede bouwlaag van de voorgevel van deze uitbouw bevindt zich een venster met houten kruiskozijn met schuiframen en bovenlichten met 16-ruits verdeling en glas-in-lood. De uitbouw bezit tot aan de eerste verdieping een afgeschuinde terugspringende hoek met daarin een venster onder strek in oranje verblendsteen met enkelruits draairaam. Hierboven wordt de overgang naar de rechte hoek van de tweede bouwlaag gemaakt door twee driehoekige vlakken. In de rechter zijgevel van deze uitbouw bevindt zich in de eerste bouwlaag een venster met schuifraam en bovenlicht met 16-ruits verdeling en glas-in-lood. In de tweede bouwlaag van bevindt zich een venster met tweedelig kozijn met 16-ruits roedenverdelingen en glas-in-lood. De achtergevel van de uitbouw, gelegen aan de binnenplaats bezit een onderbouw in oranje verblendsteen en gepleisterde bovengevel. De beklinkerde vloer van de BINNENPLAATS bevindt zich op souterrainniveau. In de zuidgevel (rechter zijgevel van de kernbouw) bevindt zich in de hoge plint van oranje verblendsteen een ondiep, segmentboogvormig afgesloten portiek met kozijn op hardstenen neuten en onderdorpel voorzien van een paneeldeur met raam en bovenlicht. Rechts hiervan een venster met strek en enkelruits raam met 2-ruits bovenlicht. Hierboven bevindt zich in de tweede bouwlaag een venster onder rollaag met kruiskozijn, enkelruits ramen en bovenlichten met 12-ruits verdeling en glas-in-lood. Boog, strek en rollaag zijn uitgevoerd in oranje verblendsteen. Hierboven bevindt zich een venster van hetzelfde type onder een houten geveltop, afgesloten door een gebogen gootlijst. Links van het portiek bevindt zich een uitbouw met een voormalig diensttoilet. Het binnenplaatsje wordt aan de zuid en oostzijde begrensd door een éénlaags bouw, waarin zich drie vaste kasten met paneeldeuren voorzien van 2-ruits raampjes en ventilatiesleuven bevinden.

Het INTERIEUR bevat nog verscheidene onderdelen uit de bouwtijd. Van belang zijn ondermeer: vestibule en hal met marmeren vloeren en plinten, tochtpui met glas-in-lood en bovenlichten met veelruits verdeling met glas-in-lood met cirkeltjes van gekleurd glas; Het trappenhuis met bordestrap tot in zolderverdieping met geornamenteerde houten trappalen en een balustrade met afwisselend houten spijlen en planken; De keuken met terrazzovloer, vaste keukenkast met paneeldeurtjes en dubbele deuren met ruitjes afgesloten door een geprofileerde lijst met klosjes, houten schouw met eenzelfde lijst als de kast, aanrecht met granito blad en kastjes met paneeldeuren. Verder zijn bewaard gebleven terrazzovloeren, een enkele parketvloer, lambrizeringen, paneeldeuren in geprofileerde omlijstingen, marmeren schouwen, Art Nouveau-stucplafonds met rechthoekige vlakken en roosmotieven in "Mackintosh-stijl" (Atelier Silberling & zonen Amsterdam, catalogusnr. 422b).

De ondiepe tuin aan de west- en de noordzijde wordt begrensd door een smeedijzeren HEKWERK met laddervormige stijlen en eenvoudige spijlenhekken op een voetmuur van oranje verblendsteen. Aan de De La Reijstraat leidt rechts een pad belegd met achthoekige crèmekleurige en kleine rode vierkante tegels naar de trappen van ingangen van souterrain en hoofdverdieping. Hier bevinden zich smeedijzeren poorthekken naar de tuin en souterraintrap. Het tegelpad leidt verder naar een deur onder een luifeltje, die zich bevindt rechts naast de zijvleugel en toegang geeft tot de binnenplaats.

Waardering:

HERENHUIS met HEKWERK gebouwd rond 1910 door W. Diehl.

- Van architectuurhistorisch belang als een goed en gaaf voorbeeld van een herenhuis in een stijl die invloeden vertoont van Art Nouveau en Engelse landhuisstijl. Het herenhuis is van architectuurhistorisch belang vanwege de hoogwaardige esthetische kwaliteiten van het ontwerp zoals een bijzondere hoofdvorm, een opmerkelijke hoekoplossing en een bijzondere detaillering. Het pand is bovendien van architectuurhistorisch belang als onderdeel van het oeuvre van de architect Willem Diehl. Het betreft hier een pand uit de laatste fase van de Art Nouveau-periode van Diehl.

- Van stedebouwkundig belang vanwege de prominente plaats op de hoek van de De la Reystraat en het Bothaplein midden in de voornamelijk in het eerste decennium van deze eeuw gebouwde Transvaalbuurt, waar een aanzienlijk deel van de herenhuizen door Diehl is ontworpen.

WILLEM DIEHL kwam oorspronkelijk uit Den Haag waar hij in 1890 op de ambachtsschool was toegelaten. In 1898 vertrok hij naar Antwerpen en werkte daar op het bureau van E. Thielens (ontwerper van de Antwerpse Zoo), waar hij de architect E. van Averbeke (1876-1946) ontmoette. In 1899 begonnen ze samen een bureau en ontwierpen tot en met 1901 verschillende panden in Antwerpen in Art Nouveau-stijl. Vermoedelijk vertrok Diehl in 1901 of 1902 voor korte tijd naar Brussel, waar hij bij het bureau van George Hobé gewerkt zou hebben en mogelijk contact heeft gehad met de Art Nouveau-architect D'Aronco, wiens werk hem beïnvloed kan hebben. In 1902 is hij om nog onduidelijke redenen vanuit België vertrokken en in Arnhem aangekomen, waar hij zich op 6 december in de Jacob Cremerstraat vestigde. In 1903 ontwierp hij de tijdelijke paviljoens van de internationale kunstnijverheidstentoonstelling in Art Nouveau-stijl en een grafmonument voor de brandstoffenhandelaar Kooij. In de periode 1904-15 ontwierp hij een groot aantal herenhuizen in Art Nouveau-stijl in de pas aangelegde Transvaalbuurt, veelal in opdracht van Kooij, waarvan het witte hoekpand met de ronde gevel van de firma Belderbos het meest opvallende is. Diehl betrok er in 1911 het door hemzelf ontworpen pand De La Reijstraat 11.

Verder bouwde Diehl in de binnenstad, de Burgemeesterswijk en aan de singels, ondermeer het Luxor-theater (1915-1916) in Art Deco-stijl en het kantoor van de levensverzekeringsmaatschappij Vesta (1930-1931) in traditionalistische stijl met invloeden van rationalisme en Amsterdamse school. De Art Nouveau-architectuur van Willem Diehl heeft een zeer herkenbaar eigen karakter. Dit komt ondermeer tot uiting in de op rijk bewerkte klossen rustende gootoverstekken tussen doorlopende hoekdammen, de vorm van de vensters, het gebruik van stalen lateien en de aparte roedenverdelingen. Diehl is verder mogelijk beïnvloed door de Antwerpse Art Nouveau, de Schotse architect Charles Rennie Mackintosh en de Wiener Secession.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

Introduction:

MANSION with IRONWORK. The semi-detached corner property, "ZONNEWEELDE" (displayed in gilded Art Nouveau lettering in a recessed panel in the front facade), was built around 1910 by architect W. Diehl in a style showing influences from the English country house style, the geometric Art Nouveau of the Wiener Secession and Charles Rennie Mackintosh. The mansion has distinctive colour use with a plinth in fair-faced brickwork of orange facing brick and plastered dark grey painted facades under an overhanging roof with red glazed tiles. The window frames are white with green leaded glass in the fanlights. A remarkable element of Diehl's architecture from this period is the application of window frames with a fixed light and multi-pane divisions for the fanlights, whereby a sash rail is absent and the glazing bars are placed directly in the frame wood.

The mansion is located on the corner of De la Reijstraat and Bothaplein in the Transvaalbuurt, a district designed by engineer Tellegen with predominantly mansions from the period 1905-1915. The front facade (west facade) facing De la Reijstraat overlooks the St. Jansbeek and one of its Art Nouveau-style bridges, the north facade faces Bothaplein and overlooks the northern part of De la Reijstraat towards Sonsbeek park. The property possesses at both streets a narrow strip of garden separated from the pavement by wrought-iron ironwork.

Description:

The property has a composite ground plan, consisting of a rectangular main building with a rectangular extension against the right side facade and in front of it a staircase with canopy on the side of the front facade. Behind this rectangular extension is a small courtyard. The main building has on the corner of the west and north facades approximately a three-quarter cylinder-shaped extension, formed by two curved bay windows over two storeys. The property consists of a basement, two storeys and an attic storey under a hipped roof with the ridge perpendicular to the front facade and on the extension a lower hipped roof connected to this with the ridge parallel to the front facade. The roofs are covered with red glazed interlocking tiles with clay ridge cresting at the ridge ends of the main roof and a curved ridge cresting with curl at the ridge end of the extension roof. The roof has on the front slope of the main building two large wooden roof dormers with a wooden gabled top, closed by a moulded gutter line in shoulder-arch or wave-line form. Both dormers have a three-light window frame with three 6-pane casement windows and slate-clad sides. On the roof slope above the left side facade (facing Bothaplein) stands on the left a larger dormer of the same type. This dormer has in the middle a wooden cross window, with 6-pane casement windows and 4-pane fanlights, the lower part of which is flanked by windows with double 6-pane casement windows. This dormer has plastered stone side walls. On the right side wall of this dormer adjoins a plastered chimney, which widens at the base. Another plastered chimney stands on the right roof slope of the main roof at the rear near the ridge. The roofs have wooden gutters lined with zinc with ample overhang on worked brackets. The gutter of the extension projects less far than that of the main block.

The property has a high plinth, laid in orange facing brick in stretcher bond, closed at the top with a half-brick roll moulding. The facades above are plastered and painted dark grey. The windows of the front facade have roll mouldings in orange facing brick as a finish. The asymmetrically arranged FRONT FACADE of the main block has three bays and has on the belle-étage in the central bay a loggia with a three-sided enclosed steps platform in front of it. The platform has a facing brick parapet (a continuation of the high plinth) and is accessible on the right side from the garden via a staircase with a staircase balustrade laid in facing brick with a quarter-circle shaped hollow top side, closed by a roll moulding with grey painted natural or artificial stone corner blocks. The loggia closes with a wooden lintel beam on plastered imposts and above it a wooden canopy with large overhang, consisting of a flat roof surrounded by wooden mouldings on profiled brackets with circular ends. From these ends spring iron eyes, to which twisted wrought-iron rods are attached that support the canopy. The ceiling of this canopy and the ceiling of the loggia have a beaded finish. Opening double terrace doors, behind which sliding doors are located, provide access to the loggia. Above the junction of the canopy the facade has a segmental arch-shaped relieving arch executed in orange facing brick (with a higher middle section). Below this on the second storey there is still a loggia with a plastered parapet with coping line. This rectangular opening, closed by a roll moulding of orange facing brick, is provided at the top with a three-part fanlight resting on a beam with a curved underside. The three parts have a 12-pane division with the glazing bars placed directly in the frame wood. The panes have leaded glass with green glass and small grey diamond-shaped panes at the crossings of the lead strips. The balcony doors of the loggia are, like below, executed as double doors with casement and sliding doors.

To the right of the loggia on the belle-étage the facade of the main building has a window with three-light frame with fixed light. The frame has three single-pane low fixed lower lights and three high fanlights with a 12-pane division with leaded glass as described at the loggia on the first floor. This window lights the vestibule and hall behind it. Above this is on the floor a rectangular recessed panel with the name ZONNEWEELDE carved out in capital letters in Art Nouveau design. The letters are gilded, on a plastered dark grey field.

Above this there is again a window with three-light frame with 12-pane division with the glazing bars placed directly in the frame wood (this is the case for all fanlights). The panes have leaded glass as described at the loggia on the first floor. In the high plinth to the right of the platform is a basement window under roll moulding with multi-pane frame.

On the left side the front facade of the main building has a curved bay window extending the full height of the facade. The left side facade has at the far right a bay window of the same type. Together these bay windows form a cylindrical corner element. The high plinth follows the circle line of this bay window. The bay window has on both the front and side facade on both storeys a window with wooden cross frame that follows the curved facade line. These windows have below two single-pane sash windows. The fanlights have glazing bars placed directly in the frame wood with 16-pane division which follow the arch line of the facade. The fanlights are provided with leaded glass of the type described above. The curved wall surfaces between the windows of the belle-étage and the first storey are clad with slate in Maas-style covering. The asymmetrically arranged LEFT SIDE FACADE has two bays and has on the left a two-storey bay window of the same type as on the right, but broader in execution, whereby the facade is less strongly curved. This bay window has in both the first and second storey a broader window (three-light frame with fanlights with 16-pane division) of the same type as that of the corner bay window on the right. The middle window below has recently been changed to a tilt window. The bay window has plastered surfaces on both sides of the windows and a strip of slate in Maas-style covering between the windows of both storeys. The middle section of the left side facade is executed blind. In the high plinth of the right bay window and below the blind facade section there are respectively two and one straight closed basement windows with multi-pane frames.

To the right of the front facade of the main building there is in the corner of the short right side facade of the main building and the front facade of the extension the entrance porch with stoop stairs under a flat canopy with moulded gutter on brackets. This porch has on the side of the front facade a draught screen, of which the plinth and parapet form a continuation of the front facade of the main building. The plinth in orange facing brick ends in a laid staircase balustrade with quarter-circle termination and plastered parapet. On the parapet a wooden cross window is placed with low single-pane lower lights and high 12-pane fanlights. The glass of the lower lights and the glazing bars of the fanlights are placed directly in the frame. The fanlights have leaded glass of the type described earlier. On this frame rests a lintel beam that supports the porch canopy. A stone staircase with stone platform leads to the front door, which is incorporated in the short right side facade of the main building. This door opening with unbeaded frame on stone imposts and stone sill has a panelled door with four 4-pane panes. Below the stairs of this entrance is in the plinth at the front a high porch closed by a segmental arch to the access of the basement, a former servants' entrance, from the front garden. A facing brick staircase with stone steps leads from the garden to this porch, which has a terrazzo floor with tile borders. The porch is vaulted. The door frame has granite imposts and sill and a panelled door. The shallow right side facade of the main building has in the second storey above the canopy of the entrance a window with frame with 16-pane division and leaded glass. The extension has in the front facade on the right in the first storey, below the flat canopy of the entrance a window with sash frame and fanlight with 16-pane division and leaded glass. In the second storey of the front facade of this extension there is a window with wooden cross frame with sash windows and fanlights with 16-pane division and leaded glass. The extension has up to the first floor a chamfered recessed corner with in it a window under lintel in orange facing brick with single-pane casement window. Above this the transition to the straight corner of the second storey is made by two triangular surfaces. In the right side facade of this extension there is in the first storey a window with sash frame and fanlight with 16-pane division and leaded glass. In the second storey there is a window with two-part frame with 16-pane glazing bar divisions and leaded glass. The rear facade of the extension, located at the courtyard has an orange facing brick lower section and plastered upper facade. The brick-paved floor of the COURTYARD is at basement level. In the south facade (right side facade of the main building) there is in the high plinth of orange facing brick a shallow, segmental arch-closed porch with frame on stone imposts and stone sill provided with a panelled door with window and fanlight. To the right of this a window with lintel and single-pane window with 2-pane fanlight. Above this on the second storey there is a window under roll moulding with cross frame, single-pane windows and fanlights with 12-pane division and leaded glass. Arch, lintel and roll moulding are executed in orange facing brick. Above this is a window of the same type under a wooden gable top, closed by a curved gutter line. To the left of the porch there is an extension with a former servants' toilet. The small courtyard is bounded on the south and east sides by a one-storey building, in which there are three fixed cupboards with panelled doors provided with 2-pane windows and ventilation slots.

The INTERIOR contains various components from the time of construction. Of importance are among others: vestibule and hall with marble floors and plinths, draught screen with leaded glass and fanlights with multi-pane division with leaded glass with small circles of coloured glass; The stairwell with stoop stairs up to attic storey with ornamented wooden newels and a balustrade with alternating wooden balusters and boards; The kitchen with terrazzo floor, fixed kitchen cupboard with panelled doors and double doors with panes closed by a moulded list with brackets, wooden hood with the same list as the cupboard, sink with granito top and cupboards with panelled doors. Furthermore there have been preserved terrazzo floors, an occasional parquet floor, wainscoting, panelled doors in moulded frames, marble chimney pieces, Art Nouveau stucco ceilings with rectangular panels and rose motifs in "Mackintosh style" (Atelier Silberling & sons Amsterdam, catalogue no. 422b).

The shallow garden on the west and north sides is bounded by wrought-iron IRONWORK with ladder-shaped uprights and simple spile fences on a base wall of orange facing brick. At De La Reijstraat on the right a path paved with octagonal cream-coloured and small red square tiles leads to the stairs of entrances of basement and main floor. Here are wrought-iron gate panels to the garden and basement stairs. The tile path continues to a door under a small canopy, which is located to the right next to the side wing and provides access to the courtyard.

Valuation:

MANSION with IRONWORK built around 1910 by W. Diehl.

- Of architectural historical importance as a good and intact example of a mansion in a style showing influences from Art Nouveau and English country house style. The mansion is of architectural historical importance because of the high aesthetic qualities of the design such as a distinctive main form, a remarkable corner solution and distinctive detailing. The property is furthermore of architectural historical importance as part of the oeuvre of architect Willem Diehl. This concerns a property from the final phase of Diehl's Art Nouveau period.

- Of urban planning importance because of the prominent location on the corner of De la Reijstraat and Bothaplein in the middle of the Transvaalbuurt, built mainly in the first decade of this century, where a considerable part of the mansions was designed by Diehl.

WILLEM DIEHL originally came from The Hague where he was admitted to the vocational school in 1890. In 1898 he moved to Antwerp and worked at the office of E. Thielens (designer of the Antwerp Zoo), where he met the architect E. van Averbeke (1876-1946). In 1899 they started an office together and designed various buildings in Antwerp in Art Nouveau style until 1901. Diehl presumably left for Brussels in 1901 or 1902 for a short time, where he would have worked at the office of George Hobé and may have had contact with the Art Nouveau architect D'Aronco, whose work may have influenced him. In 1902 he left Belgium for reasons still unclear and arrived in Arnhem, where he settled on 6 December in the Jacob Cremerstraat. In 1903 he designed the temporary pavilions of the international applied arts exhibition in Art Nouveau style and a monument for the fuel merchant Kooij. In the period 1904-15 he designed a large number of mansions in Art Nouveau style in the newly laid out Transvaalbuurt, mostly commissioned by Kooij, of which the white corner building with the curved facade of the Belderbos company is the most striking. Diehl moved into the building he designed himself at De La Reijstraat 11 in 1911.

Furthermore Diehl built in the city centre, the Burgemeesterswijk and along the canals, among others the Luxor theatre (1915-1916) in Art Deco style and the office of the life insurance company Vesta (1930-1931) in traditionalist style with influences from rationalism and the Amsterdam school. The Art Nouveau architecture of Willem Diehl has a very recognizable distinctive character. This is expressed among other things in the gutter overhangs resting on richly worked knobs between continuous corner pillars, the form of the windows, the use of steel lintels and the distinctive glazing bars. Diehl was further possibly influenced by Antwerp Art Nouveau, the Scottish architect Charles Rennie Mackintosh and the Wiener Secession.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map