TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Onze Lieve Vrouwe van Lourdes

Heiloo, Noord-Holland, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Kapel
Function
Kapel(F1)
Category
onroerend gebouwd
Built
1938 - 1940
Address
Kennemerstraatweg 464, 1851 NG Heiloo
Place
Heiloo
Province
Noord-Holland
Country
Netherlands
Coordinates
52.59617, 4.70950
Part of complex
515981
Monument number
515983

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

University Library, Vrije Universiteit Amsterdam

3 historical maps cover this location, the earliest the 1915 map "19 Alkmaar" (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

Inleiding

De aan Onze Lieve Vrouw van Lourdes gewijde KAPEL, als onderdeel van het complex 'Sint Willibrordus', is gelijktijdig (1938-1940) gebouwd met het middendeel van het hoofdgebouw waarmee het bouwkundig één geheel vormt. Niet alleen het exterieur, maar ook het interieur van de kapel verkeert nog vrijwel geheel in de originele staat. Zo zijn de hoofd- en zijaltaren en de kerkbanken bewaard gebleven, evenals de in de jaren vijftig aangebrachte gebrandschilderde ramen van de Haarlemse glazenier K. Trautwein. Het bankenplan is naderhand enigszins ingekort om ruimte te maken voor een modern, centraler gelegen hoofdaltaar.

Beschrijving

Door een rijk uitgewerkte koorpartij met het hoofdgebouw verbonden ronde koepelkerk met een 24-zijdige tamboer en een hoog dito tentdak bekleed met koper en bekroond door een halve wereldbol met kruis. De hoofdingang is ondergebracht in een ondiepe rechthoekige aanbouw tegen de oostzijde met een zadeldak van gesmoorde verbeterde Hollandse pannen. Het uitwendige muurwerk van de kapel is voorzien van een gemetselde plint en evenals het hoofdgebouw uitgevoerd in gele genuanceerde machinale baksteen waalformaat in kettingverband met licht achteroverhellende voeg. De hoge rondbouw wordt op regelmatige wijze geleed door zes paar lisenen waartussen behalve aan de kant van de koor- en de ingangspartij vier series van zeven (2-3-2) langwerpige rondboogvensters. Het muurwerk wordt afgesloten door een 24-zijdige betonnen bakgoot op dito klossen die zich voortzet langs het koordak. De overgang van de rondbouw naar de tamboer wordt gevormd door een omgaand 24-zijdig koperen lessenaarsdak. De relatief lage 24-zijdige tamboer wordt op dezelfde wijze door lisenen geleed als de rondbouw en is halfweg tussen elke twee paar lisenen voorzien van een rondvenster (totaal zes). Het muurwerk van de tamboer wordt eveneens afgesloten door een 24-zijdige betonnen bakgoot op klossen.

In de als topgevel uitgevoerde en door een gemetselde klokkenstoel bekroonde voorgevel (O) van de uitgebouwde hoofdingang is een rondboogportaal uitgespaard met kwartronde hoekzuilen van lichtgrijs graniet, getrapt gemetselde dagkanten en dito archivolten die omgeven zijn door tufstenen reliëfs met symbolen ontleend aan de Litanie van Maria. De via een brede gemetselde trap bereikbare dubbele eikenhouten portaaldeur is diagonaal beschoten rond twee op ooghoogte aangebachte ruitvormige raampjes. Het halfronde bovenlicht boven de deur wordt in drieën gedeeld door twee gesneden stijlen in de vorm van engelen die bloemslingers vasthouden. Boven het portaal zijn drie rondboogvensters aangebracht waarvan het middelste hoger is. Ter weerszijden van het portaal zit een paar kleinere dito vensters. De beide zijgevels van de aanbouw tellen drie rondboogvensters en worden afgesloten door een betonnen bakgoot op dito klossen. In de rechterzijgevel (N) zijn deze drie vensters hoger geplaatst en zit rechtsonder nog een klein rondvenster. Alle vensters van de aanbouw zijn voorzien van non-figuratief glas-in-lood in pastelkleuren. De koorpartij tegen de westzijde van de kapel is samengesteld uit een hoog, van een halfronde absis voorzien koor met ter weerszijden lagere bouwdelen van twee bouwlagen met plat dak die de verbinding vormen met de divergerende zijvleugels van de binnenhof: aan de zuidzijde de voormalige broederkapel (nu dagkapel) en aan de noordzijde de vroegere novicenkapel en de sacristie. Beide kapellen zijn voorzien van rondboogvensters: drie bovenin de westgevel van de novicenkapel en bij de broederskapel zeven in de oostgevel en vier paar in de westgevel. Het koor heeft bovenin beide zijgevels drie rondboogvensters en een flauw, eveneens met koper gedekt zadeldak. In de halfronde absis tegen de door een natuurstenen kruis bekroonde sluitmuur van het koor bevinden zich vier rondvensters. Direct boven deze rondvensters loopt een zevenzijdig rondboogfries op ruitvormige natuurstenen kraagstenen waarboven het muurwerk eveneens zevenzijdig opgetrokken is. Ook de op betonnen klossen rustende bakgoot erboven en het absisdak heeft een zevenzijdige vorm. Aan de zijde van de binnenhof loopt rond de absis en langs beide kapellen een open galerij van gemetselde pijlers waartussen dito segmentbogen met natuurstenen aanzetstenen. De gang boven het vlakke betonnen plafond van de galerij is voorzien van kleine rondvensters en een met gesmoorde romaanse pannen gedekt lessenaarsdak, dat zich voortzet boven de twee rechthoekige uitbouwen in de noordoost- en zuidoosthoek van de binnenhof. In de zijmuur van deze uitbouwen zit een deur die via een gemetselde trap toegang geeft tot de binnenhof. In het interieur van de kapel staan in een wijde cirkel zes paar twaalf meter hoge betonnen zuilen (de twaalf apostelen symboliserend) die voorzien zijn van blokvormige, aan de kopse zijden onderaan afgeschuinde kapitelen waarop een 24-zijdige betonnen ring rust die het koepelgewelf draagt. Dit ter hoogte van de tamboer aangebrachte 24-delige schaalgewelf heeft een diameter van 20 meter en is uitgevoerd in schoonmetselwerk van afwisselende banen kloostermoppen en handvormstenen waalformaat (in verband met de accoustiek). Ter plaatse van de zes rondvensters van de tamboer zijn lunetten gemetseld. De genoemde betonring is geprofileerd als kroonlijst en wordt door betonnen radiaalbalken waarop een omgaande betonnen plafondplaat verbonden met een tweede betonring bovenop de buitenmuren. De betonnen bouwdelen zijn afgewerkt met een ruwe pleisterlaag. De muren zijn aan de binnenzijde uitgevoerd in schoonmetselwerk van handgevormde gele genuanceerde kloostermoppen (formaat ca. 30 x 11 cm) in Vlaams verband met ruwe voeg, en worden op regelmatige afstand geleed door lisenen. Ter hoogte van de dwars-as bevindt zich zowel links als rechts een tussen twee lisenen ingeklemde lage risaliet waarin twee eikenhouten rondboogdeuren die toegang geven tot de achterliggende, uitgebouwde biechtruimten. Tussen deze deuren die voorzien zijn van een rondboograam in glas-in-lood is beeldhouwwerk aangebracht: links (Z) Maria Magdalena, rechts (N) Johannes de Doper (beide gaven voorbeelden van boetedoening). Alle vloeren in de kapel zijn betegeld met Solenhofener leisteen. De kerkruimte opent met een rondboog naar het koor waarvan de hoog gelegen vloer bereikbaar is via een uitwaaierende trap tussen twee halfronde uitbouwen. Deze zijn voorzien van een bronzen hek waarin christelijke symbolen zijn verwerkt (o.a. een fontein, kerk, schip, bijbel, mijter). Op de houten handlijst van het linker hek staat een bronzen adelaar, op die van het rechter een duif. Linksonder is in de rondboog een hoeksteen ingemetseld gedateerd 10 september 1938. Op de brede onderste trede van de convexe trap staat links en rechts van het midden een eveneens convex bronzen hek dat fungeert als communiebank en waarin symbolen voor de Eucharistie zijn verwerkt. De onderste traptrede zet zich uit- en inzwenkend langs de muur voort tot voorbij de vier zij-altaren in de eerste en derde travee ter weerszijden van het koor. De buitenste twee zijaltaren zijn geplaatst tegen een rondbogig spaarveld waarin een deels geschilderd en geglazuurd terracotta reliëf van de beeldhouwer J. Maris: links Jozef en rechts Willibrordus. De twee zij-altaren direct ter weerszijden van het koor zijn geplaatst in een halfronde, via drie convexe treden toegankelijke absis. In de achterwand hiervan is een sokkel aangebracht waarop links een Mariabeeld van P. Biesiot en rechts een Heilig Hartbeeld (beide van natuursteen). Alle trappen in de kapel hebben treden van crèmekleurige gepolijste kalksteen met contrasterende de stootborden van zwart marmer. De zij-altaren zijn uitgevoerd in licht-leverkleurige travertin oniciato, het hoofdaltaar in donkergrijze travertin antico. Laatstgenoemd altaar draagt een roodkoperen tabernakel en is geplaatst op een rechthoekig podium van drie treden vóór de halfronde koorabsis. De laatste heeft een half-bolvormig gewelf waarin vier rondvensters met in gebrandschilderd glas symbolen voor de Eucharistie. Het grote houten kruisbeeld achter het hoofdaltaar is eveneens vervaardigd door P. Biesiot. De Solenhofener tegels in het koor zijn ter onderscheid gepolijst. Het koor heeft een betonnen cassettenplafond bestaande uit negen casetten. De dwarsliggers hiervan rusten op een natuursteenblok waaronder een korte gemetselde wandpijler op een natuurstenen console. De drie rondboogvensters bovenin beide zijmuren van het koor tonen links (Z) Paulus, Christus en Johannes, en rechts (N) Lot, Melchisedek en Abraham. Daaronder opent het koor naar beide zijkapellen door middel van twee rondbogen rustend op een grijsgranieten pijler. De rondbogen zijn dichtgezet met glazen puien die gedeeltelijk weggeschoven kunnen worden zodat zonodig vanuit de broeders- en novicenkapel de mis in de kapel bijgewoond kon worden. Dit gold in het bijzonder voor de zieke broeders: de ziekenzaal grensde aan het balkon tegen de westwand van de broederskapel. Het balkon tegen de oostwand van de novicenkapel was bestemd voor bezoekers. Beide balkons hebben een zware opengewerkte balustrade van grenenhout met houtsneden van P. Biesiot. Ook de rondboogvensters in de zijkapellen zijn voorzien van gebrandschilderd glas. De drie ramen in de novicenkapel tonen de stichter van de orde S.M. Glorieux, Willibrordus en Adelbertus. In de ramen van de noordmuur van de broederskapel staat de verschijning van Maria aan Bernadette centraal. De zeven ramen in de zuidmuur tonen van links naar rechts de vier evangelisten, Liduina, Christus en Barbara. Het houten plafond van de broederskapel wordt gedragen door kinderbinten rustend op twee moerbalken waaronder consoles als in het koor; het houten plafond van de ondiepe novicenkapel rust op een enkelvoudige balklaag. De broederskapel heeft nog het oorspronkelijke bankenplan met eenvoudige eikenhouten banken. De vloeren en wanden van de broeders- en novicenkapel zijn uitgevoerd als in de kapel. De niet-genoemde deuren in de kapel zijn merendeels getoogde, horizontaal beschoten eikenhouten deuren. Aan de gebrandschilderde ramen in de kapel ligt een uitgebreid iconografisch programma ten grondslag. Centraal in elk van de vier groepen van zeven gebrandschilderde vensters staat Maria aan wie de kapel gewijd is. In de muren eronder zijn kruiswegstaties aangebracht in de vorm van een liggend spaarveld met fresco. De gebrandschilderde rondvensters van de tamboer stellen de zes scheppingsdagen voor. De eenvoudige eikenhouten kerkbanken hebben vlakke zijden waarin een kruismotief is gesneden. Boven de hoofdingang is tegen de oostmuur een eikenhouten balkon aangebracht. Dit vermoedelijk uit 1949 daterende balkon wordt ondersteund door vier achthoekige stijlen en heeft een in- en uitzwenkende vorm (concaaf-convex-concaaf) en een dito houten spijlenhek. De balkonvloer bestaat uit eikenhouten parket in visgraatpatroon. Het brede hoofdportaal wordt geflankeerd door zijportalen waarvan de zuidelijke voorzien is van twee toiletruimten uit de bouwtijd en de noordelijke van een naar de orgelruimte leidende bordestrap waaronder een bergruimte. De portalen hebben getoogde eikenhouten deuren, wanden en vloeren als in de kapel.

Waardering

De kapel is van algemeen belang wegens cultuur- en architectuurhistorische waarde als zorgvuldig ontworpen en gaaf bewaard gebleven historisch-functioneel hoofdonderdeel van het complex 'Sint Willibrordus'. De kapel heeft situationele waarde als hart van dit complex en vanwege de markante stedenbouwkundige situering aan de Kennemerstraatweg.

Op het balkon staat het in 1949 door de firma Bern. Pels en Zoon te Alkmaar vervaardigde drieklaviers pijporgel waarvan de kast uitgevoerd is in eiken en voorzien van paneeldeuren. Het orgel telt maar liefst 36 registers en heeft elektro-pneumatische sleepladen. Het merendeel van het pijpwerk is ondergebracht in de door een houten tongewelf overwelfde ruimte boven het hoofdportaal in de aanbouw.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

Introduction

The CHAPEL dedicated to Our Lady of Lourdes, as part of the complex 'Sint Willibrordus', was built simultaneously (1938-1940) with the central section of the main building with which it forms one architectural whole. Not only the exterior, but also the interior of the chapel remains virtually entirely in its original state. The high and side altars and church benches have been preserved, as well as the stained-glass windows installed in the 1950s by the Haarlem glazier K. Trautwein. The bench arrangement was subsequently shortened somewhat to make room for a modern, centrally located high altar.

Description

A round domed church with an elaborately worked choir section connected to the main building, with a 24-sided tambour and a high corresponding pyramidal roof clad with copper and crowned by a hemisphere with cross. The main entrance is housed in a shallow rectangular extension on the east side with a gabled roof of smoked improved Dutch tiles. The external masonry of the chapel is provided with a brick plinth and, like the main building, executed in yellow-toned machine-made bricks in Flemish bond format with slightly receding joints. The high round structure is regularly articulated by six pairs of lesenes between which, except on the side of the choir and entrance section, four series of seven (2-3-2) oblong round-arched windows are located. The masonry is finished with a 24-sided concrete gutter on corresponding corbels which continues along the choir roof. The transition from the round structure to the tambour is formed by a continuous 24-sided copper lean-to roof. The relatively low 24-sided tambour is articulated in the same manner by lesenes as the round structure and is provided with a round window (total six) halfway between each pair of lesenes. The masonry of the tambour is also finished with a 24-sided concrete gutter on corbels.

In the front facade (E) of the extended main entrance, executed as a gable and crowned by a brick belfry, a round-arched portal is set out with quarter-round corner columns of light grey granite, stepped brick jambs and corresponding archivolts surrounded by tufa stone reliefs with symbols drawn from the Litany of Mary. The double oak portal door, reached via a wide brick staircase, is diagonally boarded around two diamond-shaped windowpanes placed at eye level. The semicircular fanlight above the door is divided into three parts by two carved mullions in the form of angels holding flower garlands. Above the portal are three round-arched windows, the central one being higher. On either side of the portal is a pair of smaller similar windows. Both side facades of the extension have three round-arched windows and are finished with a concrete gutter on corresponding corbels. In the right side facade (N) these three windows are placed higher and below on the right is a small round window. All windows of the extension are provided with non-figurative stained glass in pastel colours. The choir section against the west side of the chapel is composed of a high choir with a semicircular apse, with lower structures on either side of two storeys with flat roof forming the connection to the diverging side wings of the courtyard: on the south side the former brothers' chapel (now day chapel) and on the north side the former novices' chapel and the sacristy. Both chapels are provided with round-arched windows: three at the top of the west facade of the novices' chapel and in the brothers' chapel seven in the east facade and four pairs in the west facade. The choir has three round-arched windows at the top of both side facades and a shallow roof, also clad with copper, of gabled form. In the semicircular apse against the closing wall of the choir, crowned by a natural stone cross, there are four round windows. Directly above these round windows runs a seven-sided round-arched frieze on diamond-shaped natural stone corbels above which the masonry is also constructed in seven-sided form. The gutter resting on concrete corbels above and the apse roof also have a seven-sided form. On the courtyard side a continuous open gallery with brick pillars and corresponding segmental arches with natural stone springers runs around the apse and along both chapels. The passage above the flat concrete ceiling of the gallery is provided with small round windows and a lean-to roof clad with smoked Romanesque tiles, which continues above the two rectangular extensions in the northeast and southeast corner of the courtyard. In the side wall of these extensions is a door which via a brick staircase gives access to the courtyard. In the interior of the chapel stand in a wide circle six pairs of twelve metre high concrete columns (symbolising the twelve apostles) which are provided with block-shaped capitals with bevelled edges at the ends at the bottom, upon which rests a 24-sided concrete ring which carries the domed vault. This 24-part scale vault installed at the level of the tambour has a diameter of 20 metres and is executed in fair-faced masonry of alternating courses of cloister bricks and hand-formed bricks in Flemish bond format (in connection with acoustics). At the location of the six round windows of the tambour, lunettes are laid. The aforementioned concrete ring is profiled as a cornice and is connected by concrete radial beams on which a continuous concrete ceiling plate rests to a second concrete ring on top of the outer walls. The concrete building elements are finished with a rough plaster layer. The walls are executed on the inside in fair-faced masonry of hand-formed yellow-toned cloister bricks (format approx. 30 x 11 cm) in Flemish bond with rough joints, and are articulated at regular intervals by lesenes. At the height of the transverse axis, on both left and right, there is a low risalit wedged between two lesenes containing two oak round-arched doors which give access to the adjacent, extended confessional spaces. Between these doors, which are provided with a round-arched window in stained glass, sculpture is placed: on the left (S) Mary Magdalene, on the right (N) John the Baptist (both provided examples of penitence). All floors in the chapel are tiled with Solnhofen slate. The church space opens with a round arch into the choir, whose high floor is accessible via a fan-shaped staircase between two semicircular extensions. These are provided with a bronze balustrade in which Christian symbols are incorporated (including a fountain, church, ship, bible, mitre). On the wooden handrail of the left balustrade stands a bronze eagle, on that of the right a dove. Below on the left a cornerstone is set in the round arch dated 10 September 1938. On the broad lower step of the convex staircase stands on the left and right of the centre a likewise convex bronze balustrade which functions as a communion rail and in which symbols for the Eucharist are incorporated. The lowest step of the staircase continues indenting and projecting along the wall past the four side altars in the first and third bays on either side of the choir. The two outer side altars are placed against a round-arched spandrel in which a partly painted and glazed terracotta relief by the sculptor J. Maris: on the left Joseph and on the right Willibrordus. The two side altars directly on either side of the choir are placed in a semicircular apse accessible via three convex steps. A base is installed in the back wall on which on the left is a Mary statue by P. Biesiot and on the right a Sacred Heart statue (both of natural stone). All staircases in the chapel have steps of cream-coloured polished limestone with contrasting risers of black marble. The side altars are executed in light-brown travertine oniciato, the high altar in dark-grey travertine antico. The latter altar bears a red-copper tabernacle and is placed on a rectangular platform of three steps in front of the semicircular choir apse. The latter has a hemispherical vault with four round windows with stained glass symbols for the Eucharist. The large wooden crucifix behind the high altar was also made by P. Biesiot. The Solnhofen tiles in the choir are polished by contrast. The choir has a concrete coffered ceiling consisting of nine coffers. The cross beams rest on a natural stone block below which a short brick wall pillar rests on a natural stone console. The three round-arched windows at the top of both side walls of the choir show on the left (S) Paul, Christ and John, and on the right (N) Lot, Melchisedek and Abraham. Below this the choir opens into both side chapels by means of two round arches resting on a grey granite pillar. The arches are closed with glazed partitions which can be partially slid open so that if necessary the mass in the chapel could be attended from the brothers' and novices' chapel. This was particularly the case for sick brothers: the sick ward was adjacent to the balcony against the west wall of the brothers' chapel. The balcony against the east wall of the novices' chapel was intended for visitors. Both balconies have a heavy openwork balustrade of pine wood with wood carvings by P. Biesiot. The round-arched windows in the side chapels are also provided with stained glass. The three windows in the novices' chapel show the founder of the order S.M. Glorieux, Willibrordus and Adelbertus. In the windows of the north wall of the brothers' chapel the apparition of Mary to Bernadette is central. The seven windows in the south wall show from left to right the four evangelists, Liduina, Christ and Barbara. The wooden ceiling of the brothers' chapel is supported by collar ties resting on two collar beams below which consoles as in the choir; the wooden ceiling of the shallow novices' chapel rests on a single beam layer. The brothers' chapel still has the original bench arrangement with simple oak benches. The floors and walls of the brothers' and novices' chapels are executed as in the chapel. The aforementioned doors in the chapel are mostly arched, horizontally boarded oak doors. The stained-glass windows in the chapel are based on an extensive iconographic programme. Central in each of the four groups of seven stained-glass windows is Mary to whom the chapel is dedicated. In the walls below are stations of the cross in the form of a recumbent spandrel with fresco. The stained-glass round windows of the tambour represent the six days of creation. The simple oak church benches have flat sides in which a cross motif is carved. Above the main entrance, against the east wall, an oak balcony is placed. This balcony, apparently dating from 1949, is supported by four octagonal posts and has an indenting and projecting form (concave-convex-concave) and a corresponding wooden railing. The balcony floor consists of oak parquet in herringbone pattern. The broad main portal is flanked by side portals, of which the southern one is provided with two toilet rooms from the construction period and the northern one with a spiral staircase leading to the organ room, below which is a storage space. The portals have arched oak doors, walls and floors as in the chapel.

Valuation

The chapel is of general interest due to its cultural and architectural historical value as a carefully designed and well-preserved historic-functional main component of the 'Sint Willibrordus' complex. The chapel has situational value as the heart of this complex and because of its striking urban planning position on the Kennemerstraatweg.

On the balcony stands the three-manual pipe organ manufactured in 1949 by the firm Bern. Pels and Zoon in Alkmaar, of which the case is executed in oak and provided with panel doors. The organ has no fewer than 36 stops and has electro-pneumatic slider chests. The majority of the pipework is housed in the space above the main portal in the extension, which is vaulted by a wooden barrel vault.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map