Rijksmonumentenregister · Netherlands
Begraafplaats, Soerenseweg 71
Apeldoorn, Gelderland, Netherlands
The record
- Designation
- National monument (rijksmonument)
- Class
- Begraafplaats en -onderdelen
- Function
- Begraafplaats
- Category
- onroerend gebouwd
- Built
- 1896
- Address
- Soerenseweg 71, Locatie: Sprengenbos, 7314 JE Apeldoorn
- Place
- Apeldoorn
- Province
- Gelderland
- Country
- Netherlands
- Coordinates
- 52.21942, 5.93938
- Part of complex
- 514497
- Monument number
- 514498
Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.
University Library, Vrije Universiteit AmsterdamUniversity Library, Vrije Universiteit AmsterdamUniversity Library, Vrije Universiteit Amsterdam
3 historical maps cover this location, the earliest the 1892 map "Kaart ten behoeve der cavaleriemanoeuvres in 1892 op de schaal van 1:50.000 / [Topographische Inrichting]" (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).
This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗
The register's description
Omschrijving
Inleiding
ALGEMENE BEGRAAFPLAATS omsloten door smeedijzeren HEKWERK, gelegen aan de Soerenseweg nabij de hoek met de Jachtlaan.
In 1896 werd een aanvang gemaakt met de aanleg van een nieuwe begraafplaats aan de Soerenseweg, destijds nog op ruime afstand van de zich sterk uitbreidende kom van het dorp. Het terrein was in 1895 aangekocht van H. Hoegen Dijkhof. Hoewel de eerste begraving in 1897 plaats vond na het plotselinge overlijden van burgemeester J.A. van Hasselt, één van de belangrijkste promotors van het nieuwe terrein, zou het nog tot 1 januari 1900 duren, voordat de begraafplaats officieel in gebruik werd genomen. Door de explosieve groei van Apeldoorn werd al 15 jaar later, in 1915, een grootschalige uitbreiding gerealiseerd, waarmee het terrein haar huidige omvang bereikte.
Omschrijving
Algemeen:
De Algemene Begraafplaats aan de Soerenseweg is gelegen in het oostelijke deel van de bebouwde kom van Apeldoorn in de wijk Sprengenbos. Het terrein bezit in hoofdvorm een min of meer zeshoekige plattegrond. Het terrein wordt aan de noordzijde begrensd door de oost-west verlopende Soerenseweg, aan de oostzijde door de noord-zuid verlopende Zandloperweg, aan de zuidoostzijde door de Planetenlaan, aan de zuidwestzijde door de noordwest-zuidoost verlopende Schuttersweg en aan de noordwestzijde door de noordoost-zuidwest verlopende Jachtlaan. Aan de Zandloperweg is een smal rechthoekig kavel van het oorspronkelijke terrein afgescheiden ten behoeve van een (kringloop)bedrijf. In de noordwestelijke hoek van het terrein (hoek Jachtlaan/Soerenseweg) is een klein gedeelte afgescheiden ten behoeve van een transformatorhuisje uit het midden van de eerste helft van de 20ste eeuw.
Het terrein wordt vrijwel geheel omsloten door een eenvoudig smeedijzeren hekwerk met rechte hekstijlen en korte en lange spijlen, die eenvoudig gepunt eindigen. Er zijn drie horizontale regels. De stijlen worden aan de achterzijde gesteund door ijzeren steunen. Aan de Soerenseweg, nabij het trafohuisje, bevindt zich een enkelvoudig draaihek. Aan de Zandloperweg bevindt zich een niet meer in gebruik zijnde dubbel draaihek.
Hoofdentree:
De hoofdentree bevindt zich aan de Soerenseweg, echter niet in de middenas van het terrein, maar ten opzichte daarvan naar het oosten verschoven. Deze hoofdentree is bereikbaar via een ruime, segmentvormige oprijlaan met aan oost- en westzijde opritten. Het terrein tussen oprijlaan en Soerenseweg is ingezaaid met gras en kent een afwisselende beplanting, bestaande uit diverse solitaire loofbomen (waaronder esdoorn) en een groep rododendrons in de middenpartij. Langs de van grind voorziene oprit staan onder meer rode beuken. Aan de openbare weg wordt het terrein afgescheiden door een reeks ver uiteenstaande jonge paardekastanjes, die aansluiten bij de oudere laanbeplanting aan de overzijde van de Soerenseweg.
Hoofdstructuur:
Haaks op de hoofdentree vangt zuidelijk hiervan een lange noord-zuid verlopende hoofdas aan, waarvan het onderste uiteinde naar het westen is omgebogen en de hoofdas vormt van een monumentaal driekwartrond. De hoofdas wordt in het noordelijke deel doorsneden door een oost-west verlopende dwarsas met op de kruising een klein rond, waarop in 1897 burgemeester Van Hasselt werd begraven. Uitgaande vanuit de hoofdentree werd over de kop van het zo ontstane Latijnse kruis een groot ellipsvormig padenstelsel aangelegd, voorzien van brede gebogen paden, waaraan de representatieve 1ste klasse graven werden gesitueerd. Het juist genoemde kleine "Van Hasseltrond" grenst aan de zuidelijke zijde van deze ellips. Aan de noordzijde sluit op de ellips een halfcirkelvormig open terrein aan, dat deel uitmaakt van de hoofdentree.
Binnen de ellips werden eenvoudige rechte noord-zuid verlopende en rug-aan-rug gelegen gravenreeksen aangelegd, bestemd voor 2de klassegraven. Deze grafreeksen worden in het noordelijke deel doorsneden door gebogen en oost-west verlopende secundaire paden. De beide paden aan weerszijden van de hoofdas hoeken aan de noordzijde om, waardoor hier ruimte is geschapen voor een aantal 1ste klasse graven.
Tegen de noordoost- en noordwestflanken van de ellips sluiten segmentvormige vakken aan, die worden omgeven door sterk gebogen paden, bestemd voor 1ste klasse graven.
Ten zuiden van de ellips werden aan weerszijden van de hoofdas rechte reeksen 3de klasse graven aangelegd (oost-west verlopend en rug-aan-rug liggend), die in het oosten en westen aansluiten op gebogen paden en grote visblaasvormige terreinen met 4de klasse graven (tegenwoordig open terreinen, ingezaaid met gras). Zuidelijk hiervan bevindt zich aan weerszijden van de hoofdas een groot niet door paden doorsneden terrein, dat aan het uiteinde halfrond eindigt. Deze terreinen bevatten 5de klasse graven, die slechts via smalle stroken gras bereikbaar zijn.
De grote noord-zuid verlopende hoofdas buigt in het zuidelijke deel van de begraafplaats met een kwartrond naar het westen en vervolgt hier zijn weg als breed hoofdpad binnen de driekwartcirkelvormige hoofdstructuur van het westelijke deel van het terrein. Dit driekwartrond bezit als kern een bijna cirkelvormig klein rond met ingebogen oostzijde (hierop sluit het grote 5de klasse terrein met rondgebogen uiteinde aan, dat zich westelijk van de noord-zuid verlopende hoofdas bevindt). Het kleine rond bezit een dubbele krans graven, waarvan de meeste dateren uit het tweede kwart en het midden van de 20ste eeuw. Vanuit dit kleine rond wordt het grote driekwartrond ontsloten door zes, vrijwel het gehele terrein doorsnijdende paden, als de spaken van een wiel. Tussen deze radialen bevinden zich in de westelijke helft van het rond zes smalle, halfcirkelvormig verlopende paden met dicht opeen liggende, rug-aan-rug gelegen 2de en 3de klasse graven (2de klasse in het noordwestelijke kwart, 3de klasse in het zuidwestelijke kwart). Ook aan de buitenzijde van het grote hoofdpad bevinden zich vergelijkbare halfcirkelvormig verlopende paden, doorsneden door de radialen en secundaire radialen. Het zuidoostelijke kwart van het driekwartrond kent geen interne padenstructuur. Dit terrein was bestemd voor dicht opeen liggende 4de klasse graven.
Rondom het kruis met ellipsvormige hoofdstructuur en het driekwartrond is een grote krans van vrijwel evengrote ronden (en halfronden) aangelegd, met elkaar verbonden door omlopende paden. De tussen ronden, omlopende paden en hoofdstructuur gelegen vakken werden opgevuld met korte rechte of gebogen reeksen graven, in de noordoostelijke hoek 1ste klasse graven, in de noordwestelijke 2de klassegraven, in de zuidwestelijke hoek 3de klassegraven, in zuidoostelijke hoek 4de en 5de klasse graven. Deze (half)ronden zijn omgeven door kransen met graven en ook het middenterrein bestaat uit meestal dubbele reeksen kransvormig gerangschikte graven rondom een sterk begroeid hart. Oorspronkelijk waren zes complete ronden gepland en twee halfronden. Vooral in het zuidelijke deel van de begraafplaats is met de situering van enkele ronden en halfronden geschoven.
De aanleg, zoals deze in 1915 werd opgetekend (en ook op een luchtfoto is waar te nemen) werd in de loop van deze eeuw niet in zijn compleetheid vastgehouden. Niet alleen vond er, voornamelijk aan de noordwestzijde en in de zuidoosthoek een verdichting van de structuur plaats door het toevoegen van extra paden, ook werd de plaats van een aantal van de kleine ronden en halfcirkels verschoven. Een rond in de zuidoostelijke hoek kwam te vervallen, hoewel het wel was aangelegd. Dit is nog te constateren aan de bewaard gebleven beplanting, die eens het hart van het rond vormde. De ooit geplande ingang in de zuidwestelijke hoek van het terrein kwam te vervallen. Ook werd er op sommige plaatsen gekozen voor een andere klassenindeling.
De 1ste klasse graven zijn over het algemeen gelegen aan de meest representatieve, vrij brede paden. De opzet rondom de graven is ruim, ze liggen vrijwel nergens rug-aan-rug. Dit is wel het geval bij de 2de en lagere klassen graven. Deze graven zijn strenger geordend, liggen dichter opeen en bovendien rug-aan-rug in taludvormige stroken, ontsloten door iets lager gelegen paden.
De 4de en 5de klasse graven zijn op eenvoudige wijze gerangschikt in lange reeksen, vlak naast en achter elkaar. Paden ontbreken op de binnenterreinen. De graven zijn via smalle grasstroken bereikbaar.
Bij nagenoeg alle graven staan kleine hardstenen nummerpaaltjes. Deze bezitten een halfronde bovenzijde en zijn aan de voorkant voorzien van een ingehakt grafnummer, dat in de meeste gevallen correspondeert met de nummering op de in 1928 bewerkte kaarten.
Groenelementen:
Langs de meeste hoofdpaden en goed beschouwd rondom alle geledende elementen en vakken binnen de hoofdstructuur vindt men aan weerszijden laanbeplanting, in de meeste gevallen in de vorm van Hollandse eiken (met name in het noordelijke en noordoostelijke deel), linden (vooral in het middendeel) en groene beuken (met name in het westelijke en zuidelijke deel). Deze reeksen uniforme bomen vormen fraaie, verbindende elementen, die de hoofdstructuur accentueren. Op deze wijze wordt een duidelijke scheidslijn getrokken tussen de formele hoofdstructuur en de wat betreft groenelementen veel informeler ingevulde binnenterreinen. Laanbeplanting is ook aangebracht langs de buitenranden van de meeste ronden.
Er kan een aantal beplantingswijzen worden aangetroffen. Bij de breedste paden is er sprake van een dubbele laanbeplanting, d.w.z. aan beide zijden van het pad een rij bomen. Langs verschillende paden (onder meer de verbindende paden tussen de ronden) bevindt zich een enkelzijdige laanbeplanting. Meestal bevinden de bomenreeksen zich in smalle borders vòòr de graven, op sommige plaatsen echter staan ze geheel vooraan binnen de grafvakken (noordelijke deel ellipsvorm).
In het zuidoostelijke deel van de begraafplaats is de laanbeplanting in veel gevallen verdwenen of vervangen door jonge aanplant. Aan de noord-zuid verlopende hoofdas en langs de ellipsvorm staan Hollandse eiken (aan het noordelijke deel van de hoofdas jonge aanplant). Zuidelijk van de ellips staan deze eiken telkens aan weerszijden van de rug-aan-rug gelegen gravenrijen. De uiteinden van deze reeksen zijn beplant met rododendron. In het westelijke deel van het terrein bestaat de laanbeplanting vooral uit linden en beuken. Met uitzondering van de beuken, die geen intensieve ondergroei toelaten, staan met name de linden en eiken in smalle grasstroken.
De kleine ronden werden in het hart beplant met dennen, die inmiddels tot forse exemplaren zijn uitgegroeid. In het 1ste klasse gedeelte, waar de binnencirkel van het noordoostelijke rond slechts van een enkele krans graven is voorzien, bevindt zich achter de graven ook nog een krans grote rododendronstruiken. Ook de ronden kregen een laanbeplanting, soms dubbel (binnen- en buitenring), soms enkelvoudig (buitenring).
Op de binnenterreinen zijn het vooral solitaire groenelementen, die het beeld bepalen. Deze groenelementen kennen een grote variatie: diverse soorten loofbomen, diverse treurbomen, zoals treurberken en treurbeuken, conifeerachtigen, struiken en heesters (rododendrons, hulst). Op diverse plaatsen zijn solitairen inmiddels uitgegroeid tot indrukwekkende exemplaren, zoals rode beuken, hulstbomen, dennen en cipressen. Deze elementen spelen een belangrijke rol in het romantische beeld van de begraafplaats.
Ook bij de individuele grafmonumenten worden groenelementen aangetroffen. Soms behoren deze tot de stoffering van de begraafplaats zelf, in veel gevallen zijn zij in het verleden als kleine struiken of boompjes toegevoegd als onderdeel van het graf. Ook deze groenelementen zijn vooral in het oudste gedeelte van de begraafplaats inmiddels uitgegroeid tot zeer forse exemplaren, die de graftekens en zerken soms totaal hebben overwoekerd of beschadigd. Voorbeelden hiervan zijn de grote rododendronstruiken in de graven van de families Gouda Quint en Teding. Ook monumentale groepen naaldhout, geplaatst binnen de hekwerken komen voor, zoals rondom de zerk van burgemeester J.A. van Hasselt en het graf van de familie Tutein Nolthenius.
Andere belangrijke groenelementen binnen de hoofdstructuur van het terrein zijn de beide visblaasvormige open terreinen zuidwestelijk en zuidoostelijk van het ellipsvormige padenstelsel. Deze ooit voor 4de klasse graven bedoelde terreinen vormen thans fraaie, open grasvelden, omzoomd door paden en de groene coulissen van de wel ingevulde terreinen.
Het gehele terrein wordt omsloten door een brede groenzône, waarvoor vooral dennen, sparren, beuken en hulst werden toegepast. Deze beplanting dateert voor het grootste deel van na 1915, maar in het noordelijke deel bevinden zich ook oudere groenelementen. De strook vormt inmiddels een gesloten afscherming ten opzichte van straten en woonwijken rondom de begraafplaats en is tevens een belangrijke groene achtergrond op het terrein zelf.
DE GRAFTEKENS
Typen en stijlen
Sinds de officiële ingebruikname in 1900 is op de Algemene Begraafplaats een grote verscheidenheid aan eenvoudige en rijke grafmonumenten verrezen, die een goed beeld geven van bijna honderd jaar funeraire grafkunst en veranderende tradities in Apeldoorn. Het 1ste klasse gedeelte direkt ten zuiden van de hoofdentree heeft in de inventarisatie de meeste aandacht gekregen. Hier treft men dan ook de beste voorbeelden van historische grafmonumenten in diverse stijlen en typen.
Over het algemeen kan worden gesteld, dat de grafkunst in Apeldoorn vrij ingetogen en sober was. Er werd slechts spaarzaam gebruik gemaakt van weelderige ornamentiek en ook doodssymboliek werd maar mondjesmaat toegepast. Ook is goed te zien, dat Apeldoorn in het begin van de 20ste eeuw nog een plaats in ontwikkeling was. Uitzonderlijk veel representatieve rijke graven zijn er (nog) niet, de grootscheepse vestiging van welgestelden vond pas aan het einde van de 19de eeuw plaats. Tevens was de 19de eeuw een periode, waarin velen Apeldoorn nog niet permanent bewoonden en uiteindelijk werden begraven in hun geboorteplaats. Ook de hier begraven adel hield er, met een enkele uitzondering, sobere ideeën op na. Bovendien werd er in de periode 1900-1923 nog veel begraven op de Oude Begraafplaats aan de Loolaan, waar veel welgestelde (adellijke) families hun familiegraven hadden. Rijk uitgevoerde graven van middenstanders en industriëlen ziet men pas vanaf de jaren '10 en '20. In deze periode is echter reeds een algemene versobering in de grafcultuur in Nederland in gang gezet, zodat ook in deze periode al te uitbundige voorbeelden ontbreken.
Ook door het ontbreken van een Rooms Katholiek gedeelte ontbeert de begraafplaats een overvloed aan typische symboliek en ornamentiek in de vorm van sterk religieus gebonden motieven en symbolen (het kruis in diverse varianten, christushoofden en -monogrammen, alpha- en omegatekens, afbeeldingen van Maria, heiligen en engelen, vlammend hart en de werktuigen van Christus' lijden). Deze elementen werden niet toegepast door de overwegend Hervormde of Gereformeerde bevolking. Zij kozen eerder voor eenvoudige kruisen of een opengeslagen bijbel. Vaker voorkomend is de typisch "wereldse", vaak op de klassieken geïnspireerde symboliek: gebroken zuilen, grafstèles, obelisken, toortsen, florale motieven (bloemen, eikeblad, guirlandes, lauwerkrans, palmtak, treurbomen, etc.), urnen en vuurpotten, etc. Motieven uit de dierenwereld, zoals de ourobouros- of staartbijtende slang, vlinders, duiven e.d komen merkwaardigerwijs nauwelijks voor.
Toegepaste versierende motieven (symbolische of louter decoratieve) zijn soms in de dan heersende stijlen uitgevoerd, zoals Jugendstil, art deco of zakelijkheid.
De verscheidenheid aan graftekentypen is groot. Een zeer geliefde combinatie is een grote liggende hardstenen zerk binnen een rijk uitgewerkt smeedijzeren hekwerk. De zerken boden plaats aan de opschriften met namen, geboorte- en sterfdata- en -plaatsen van de overledenen. De zerken werden ofwel geplaatst op lage hardstenen of bakstenen banden (bij de eenvoudige zandgraven) of op wat hogere, meestal hardstenen, naar achteren oplopende plinten.
Ook staande graftekens komen binnen de hekwerken voor, echter niet vaak samen met liggende zerken. De staande tekens variëren van eenvoudige aan de klassieken herinnerende grafmonumenttypen, zoals de klassieke stèle met fronton en akroteria, de obelisk (in diverse vormen en formaten) tot sober of juist rijk uitgevoerde triomfboogmotieven, combinaties van deze motieven en diverse in vrijere vormen opgezette silhouetstenen.
Grote bouwwerken komen niet voor, wel aan het klassieke triomfboogmotief ontleende monumenten. Grafkapellen en mausolea werden hier niet opgericht.
Een op deze begraafplaats vrij veel voorkomend type graf heeft de vorm van een groot bed of ledikant, met hoog oplopende zijkanten en hoge achterwand, soms uitgevoerd in steen, soms van ijzer, waarmee het idee van een spijlenbed ontstond. Op deze wijze werd de symboliek van de "laatste rustplaats" op zeer letterlijke wijze tot uitdrukking gebracht.
Sterk individuele grafkunst komt op de Algemene Begraafplaats ook voor. Eén van de fraaiste voorbeelden is het monumentale graf van de Van Heeckerens nabij de hoofdentree. Voorts bezitten verschillende graven beeldhouwwerk of bronzen plaquettes, bijzonder opgezette graftekens (soms van de hand van bekende Apeldoornse kunstenaars of architecten) of verwijzingen naar de werkzaamheden van de overledenen (voorganger, brandweer, architect, militair, arts, etc.).
In de loop van de 20ste eeuw worden de grafmonumenten geleidelijk aan steeds eenvoudiger van opzet. In de jaren '20 en '30 overheersen invloeden uit de art deco, waarbij geometrische rechthoekige elementen worden gekoppeld tot monumentale of vaak asymmetrisch opgezette monumenten. Sterk gestileerde, repeterende en geometrische decoraties sluiten goed aan bij deze stijl.
In Apeldoorn vindt men vrij veel haast architectonisch opgezette graftekens, uitgevoerd in natuur- of baksteen.
Vanaf het midden van de 20ste eeuw versobert het grafmonument sterk tot een eenvoudige hardstenen of marmeren plaat met geprofileerde of rechthoekige bovenzijde. Het grafvak vult men met grint, brokken natuursteen en kleine planten.
Hekwerken en omheiningen van de grafmonumenten
Zeer veel graven werden voorzien van hekwerken, soms geheel van smeedijzer met gietijzeren ornamenten, vaak ook bestaande uit hardstenen hekpalen, verbonden door metalen schakelkettingen of buishekken. In veel gevallen werd een klein gedeelte binnen de omheining vrij gehouden voor beplanting of steenslag. Met name bij de wat forsere graven bood dit beplantingsvak ruimte voor een forse struik of een treurboom. Bij enkele graven vindt men achter of binnen de ijzeren omheining een vrijstaande treurboom of zelfs een kleine cluster naaldbomen, veelal larix of thuja. Een dergelijke opzet vindt men vooral bij de op grote hoekkavels gelegen (vaak adellijke) graven aan het ellipsvormig opgezette gedeelte. Monumentaal voorbeeld is het graf van burgemeester Van Hasselt, dat is omgeven door een krans hoge coniferen.
Vele binnen omheiningen gelegen grafvakken werden gevuld met steenslag, zoals fijn grint, of splinters hard- of leisteen.
Materiaalgebruik
Het materiaalgebruik is vrij uniform en net als elders in Nederland vooral gekozen vanwege de klimaatbestendigheid. Duurzame materialen zoals harde en gepolijste natuursteensoorten waren in zwang. Het merendeel van de grafmonumenten bestaat voor het grootste gedeelte uit hardsteen (zerken, stèles, silhouetstenen, basementen en sokkels, onderdelen van de omheining). Vooral voor de ornamentiek werden andere materialen toegepast: marmer voor kruisen, vuurpotten, zuiltjes, reliëfs e.d. In enkele gevallen werd gebruik gemaakt van graniet, marmer of zwerfsteen, en brons (een enkele sculptuur of reliëf). Ook op de monumenten aangebrachte tekstpanelen waren van (wit) marmer.
De periode van de late 19de en vroege 20ste eeuw was ook de tijd van het experimenteren met tot dan toe niet of weinig toegepaste nieuwe materialen. Zo vindt men dan ook enkele grafornamenten, die geheel zijn uitgevoerd in cement of kunststeen, al dan niet met een gewapende kern. Diverse soorten baksteen, waaronder soms verblendsteen of geglazuurde steen, werden toegepast voor voetmuren. Vanaf de jaren '30 wordt baksteen ook voor het opgaande werk toegepast en ziet men hoger opgemetselde, architectonisch vormgegeven graven, vaak uitgevoerd in rustieke handvormsteen.
In de loop van de eerste helft van de 20ste eeuw komt graniet sterk op als geliefd materiaal. In Apeldoorn wordt dit materiaal graag zeer ruw bewerkt gebruikt, hetgeen de monumenten een rustiek karakter geeft. Ook fraai gepolijst graniet komt voor.
De natuurstenen onderdelen werden naar believen glad gepolijst, gefrijnd of voorzien van andere vormen van bewerking (bijvoorbeeld gebouchardeerd). Met name de hardstenen onderdelen konden worden geaccentueerd door lijsten, ornamenten en vlakken zwart te lakken. Helaas is deze afwerking vrij kwetsbaar en is zij thans op vele monumenten nog maar vaag aanwezig. Zwarte lak werd ook toegepast om de teksten op zerken en basementen te accentueren. Dit gebeurde zowel met de ten opzichte van het tekstveld verheven belettering als met de verdiept aangebrachte inscripties. In slechts een enkel geval werden ook andere kleuren toegepast bij het accentueren van opschriften en decoraties, dan vooral in zilver- of goudkleurige verf.
Een nieuw, vrij kostbaar produkt, dat in het begin van de 20ste eeuw populair was, kennen we ook uit de reclamewereld uit die tijd: het marmerglas, te bewerken plaatmateriaal, dat bestond uit een gegoten glasmengsel, dat in gepolijste vorm voor allerlei doeleinden kon worden gebruikt (reclamepanelen, naamborden, tafelbladen, wandbekleding). Ook voor grafschriften was het bijzonder geliefd. In Apeldoorn komen we dit materiaal verschillende malen tegen. Fraai is een exemplaar, voorzien van een geslepen of gestraalde voorstelling van een vrouw, vervaardigd in het glasatelier Bouvy te Amsterdam.
Smeed- en gietijzer is veelvuldig toegepast in de opmerkelijk talrijke hekwerken. Vele hekwerken zijn in modieuze stijlen uitgevoerd en kunnen wedijveren met de rijkste hekken in bijvoorbeeld villawijk de Parken. Mogelijk is de aanwezigheid van een bekende "hekwerkenfabrikant" in Apeldoorn, de firma Versteegh, van invloed geweest op deze rijke hekkentraditie. In enkele graven staan ijzeren armaturen of lessenaars, waarop marmeren of marmerglazen tekstpaneeltjes zijn bevestigd. Deze opzet is vooral in het begin van de 20ste eeuw een korte periode populair geweest.
Bij enkele graven bevinden zich grote metalen trommels met fraaie grafkransen of -takken van blik. De trommels worden afgesloten door een glazen deksel.
Opschriften en typografie
Opschriften op zerken en staande graftekens zijn in de meeste gevallen aangebracht binnen rechthoekige, licht verdiepte en bewerkte tekstvelden. Daar waar meer personen worden vermeld, worden de opschriften vaak onderbroken door een dwarsbalk of door een eenvoudig klassiek ornamentje.
Bij de meeste grafmonumenten beperken de opschriften op zerken, basementen en staande graftekens zich tot de opsomming van namen, geboorte- en sterfdata en -plaatsen van de overledenen, vaak vergezeld van de aanhef "Hier rust(en)" of de toevoeging "Rust in vrede", of varianten daarvan. Veel graven bezitten slechts een zeer bescheiden opschrift, bestaande uit "Familiegraf" en de naam van de betreffende familie.
Verschillende grafmonumenten zijn tevens voorzien van een korte bijbeltekst met plaatsaanduiding. Zeer persoonlijke uitingen in de vorm van een gedicht of vers komen ook voor.
De belettering op monumenten en zerken is sterk tijdgebonden. Het merendeel van de graven draagt opschriften in op het latijnse schrift geïnspireerde belettering, soms nog zeer klassiek van vorm, meestal echter in de vorm van contemporaine drukletters. Meestal is de tekst geheel opgezet in kapitalen, soms zijn alleen de persoonsnamen of de beginletters op deze wijze uitgevoerd. Deze belettering kent vele varianten, van sierlijke klassieke letters met schreef tot eenvoudige schreefloze letters.
Vooral in de 19de eeuw en de eerste jaren van de 20ste eeuw is op veel begraafplaatsen de gotische minuskel zeer populair, met name bij Rooms Katholieke graven. Dit lettertype ontbreekt op de Algemene Begraafplaats vrijwel geheel.
Na de eeuwwisseling doen moderne lettertypes hun intrede. Zo vindt men op diverse zerken en monumenten de typische op de art-nouveau en art-deco geïnspireerde sierlijke typografie, de zakelijke ronde en schreefloze letter uit de periode van de Nieuwe Zakelijkheid en de op de stijl van de Delftse School aansluitende robuuste schreefloze letter uit de jaren '40 en '50.
Verschillende grafmonumenten op deze begraafplaats kunnen worden toegeschreven aan de in de vroege 20ste eeuw florerende Apeldoornse steenhouwersateliers, waarvan de ateliers van de firma's Wegerif, Tesink en Wed.P.Meyer de bekendste waren. Op sommige graven bevinden zich de ingegraveerde namen van deze bedrijven.
Bekende personages
Op de Algemene Begraafplaats aan de Soerenseweg zijn in het verleden tal van plaatselijk en regionaal bekende personages begraven: leden van bekende Gelderse adellijke families (Van Heeckeren, Van Regteren, Van Weede), figuren uit de plaatselijke politiek, rechtbankfunctionarissen en diverse Apeldoornse notabelen, militairen, predikanten, kunstenaars (architecten en aannemers). Opvallend is ook het grote aantal fabrikanten en ondernemers, die aan het einde van de 19de eeuw in Apeldoorn vele speciaalzaken en magazijnen vestigden als gevolg van de grote toeloop van welgestelden. Vele welgestelde families uit het noorden van het land (met name Friesland) hebben zich in de tweede helft van de 19de eeuw in Apeldoorn gevestigd. Hun talrijke aanwezigheid blijkt ook uit de vele Friese eigennamen en geboorteplaatsen, vermeld op zerken en stenen. Een andere categorie wordt gevormd door de aan het Koninklijk Huis verbonden personen, die hier begraven liggen, zoals leden van de hofhouding en (opper)houtvesters van het Kroondomein.
Waardering
Algemene begraafplaats (1896, 1915) met hekwerk (1915) en grafzerken/-monumenten.
- Van architectuurhistorische waarde vanwege de uit verscheidene perioden daterende grafzerken/-monumenten die in de toen heersende stijlen zijn uitgevoerd.
- Van cultuurhistorische belang wegens de funerair-historische en lokale/regionale genealogische waarde. Vanwege het kenmerkende laat-negentiende en vroeg-twintigste eeuwse karakter van het oudste gedeelte van de begraafplaats.
- Van tuinhistorische waarde vanwege de kwaliteit van de gaaf bewaard gebleven bijzondere aanleg - een uitgekiende combinatie van romantisch-landschappelijke en een meer formele opzet - met zijn kenmerkende hoofd- en nevenelementen (centrale as, ellipsvormig padenstelsel, driekwartrond en krans van ronden en halfronden), de aanleg van lanen en paden en de historische beplanting (laanbeplanting en waardevolle individuele groenelementen en solitairen) naar ontwerp van Fa. Groenwegen en Zn. (1896) en G. Versteeg (1915). Wegens het gevarieerde sortiment bomen en heesters van hoge ouderdom.
Cultuurhistorische omschrijving
De in 1895 aanbestede dienstwoning annex poortgebouw en dienstruimten werd gebouwd naar ontwerp van de Apeldoornse architect J.A. Wijn. In 1896 werd het geheel voltooid. In 1896 werd tegelijk het ontwerp voor de aanleg van het terrein geleverd door de Firma Groenewegen en Zn. Tuinarchitect Groenewegen had nogal een kostbaar plan opgesteld, waarover het College van Burgemeester (Van Hasselt) en Wethouders zich herhaaldelijk moesten verantwoorden. Uiteindelijk kwam Koningin Regentes Emma te hulp. Zij bood aan het representatieve plantsoen aan de Soerenseweg te bekostigen, zodat de aanleg van de rest van het terrein betaalbaar werd.
In mei 1897 volgde de eigenlijk nog niet geplande ingebruikname van het terrein. Op 8 mei 1897 overleed plotseling één van de initiators van de aanleg, burgemeester Mr. J.A. van Hasselt. Zijn begrafenis vond plaats op een fraaie locatie gekozen in de cirkelvormige verbreding van de brede hoofdas die van noord naar zuid de begraafplaats doorsnijdt. Uit het feit, dat nog in maart en april 1897 uitvoerig werd gediscussieerd over de hoge kosten van de aanleg en de beplanting mag blijken dat het terrein nog lang niet gebruiksklaar was. Het duurde dan ook nog tot het einde van 1899, voordat de volgende begrafenis plaats vond. Op 1 januari 1900 werd de begraafplaats uiteindelijk officieel in gebruik genomen.
Afscheid van de Oude Begraafplaats
De Oude Begraafplaats aan de Loolaan functioneerde nog jaren door maar werd uiteindelijk op 13 juli 1923 gesloten. Vele bekende Apeldoorners vonden tussen 1900 en 1923 op de Oude Begraafplaats nog hun laatste rustplaats, zoals leden van de (adellijke) families Mollerus, Bas Backer en Bentinck. Zij hadden op de Oude Begraafplaats nog ruimte beschikbaar in hun familiegraven. In en kort na 1923 vonden diverse overplaatsingen plaats van de Loolaan naar de Soerenseweg. Het betrof in de meeste gevallen in de periode 1900-1923 aan de Loolaan begraven personen, die na de sluiting van de Oude Begraafplaats werden overgebracht in nieuwe familiegraven op de Nieuwe Begraafplaats.
In 1953 werd uiteindelijk een aanvang gemaakt met de ruimingswerkzaamheden en verdween de Oude Begraafplaats uit het dorpsbeeld van Apeldoorn. Ook in deze periode werden verschillende graven van de Loolaan overgebracht naar de Soerenseweg (onder andere leden van de familie Tutein Nolthenius).
De in 1900 geopende begraafplaats aan de Soerenseweg zou nog jaren na sluiting van het oude terrein ter onderscheid "Nieuwe Begraafplaats" worden genoemd.
Het uit 1896 daterende plan van aanleg
Tuinarchitect Groenewegen leverde in 1896 een ontwerp dat typerend is voor de periode rond de eeuwwisseling. Hoewel de begraafplaats in het eerste kwart van de 20ste eeuw aanzienlijk werd uitgebreid, bleef het oorspronkelijke concept van Groenewegen grotendeels intact. Het plan vertoont een mengvorm van elementen uit de romantische, landschappelijke stijl en een meer formele strakke stijl.
De vooral in de eerste helft van de 19de eeuw bij de aanleg van begraafplaatsen en parken zeer populaire landschappelijke stijl was in de loop van de 19de eeuw om verschillende redenen in populariteit gedaald. Deze landschappelijke stijl, zich uitend in een zeer vrije, ruime opzet, met vele schilderachtige elementen als gebogen paden, onverwachte doorkijkjes en een grote diversiteit aan donkere groenelementen, was voortgekomen uit een zeer romantische benadering van de dood. Aan het einde van de 19de eeuw wordt de houding ten opzichte van de dood veel afstandelijker en zakelijker. De voortschrijdende medische wetenschap had er voor gezorgd, dat vele ziekten en dus ook de dood, bevochten konden worden. De dood werd minder vanzelfsprekend, de angst en het respect werden groter. Deze minder romantische en poëtische houding uitte zich ook in een strakkere, "waardiger" aanleg van de begraafplaatsen. De formele stijl, waarin symmetrie en barokke elementen een belangrijke rol gingen spelen, was hiervoor uitermate geschikt. Overigens was ook in de tuinarchitectuur voor landhuizen en stadsparken een tendens naar een meer formele, monumentale opzet te bespeuren.
De formele stijl had ook praktische voordelen. Door de grote bevolkingstoename en het daaruit voortvloeiende groter aantal sterfgevallen was meer behoefte ontstaan aan een gebruiksvriendelijker type begraafplaats, met gemakkelijk bereikbare graven en een overzichtelijke hoofdstructuur. Daarnaast vroeg het meer intensieve gebruik ook een zorgvuldiger omspringen met de beschikbare ruimte. Een hogere grafdichtheid kon eerder met een wat strakkere, formele structuur worden bereikt, dan in een meer landschappelijke, romantisch opgezette structuur, waar relatief veel ruimte werd gelaten voor onverwachte doorkijkjes, grote en kleine boomgroepen en open percelen.
Toch werd aan bovengenoemde aspecten zoveel waarde gehecht, dat zij nog tot ver in de in de 20ste eeuw een belangrijke plaats bleven innemen in de aanleg van begraafplaatsen. Zo raakten tuinarchitecten dan ook zeer bedreven in het combineren van beide stijlen (de landschappelijke stijl en de formele stijl) in hun ontwerpen. Deze combinatie wordt wel Gemengde tuinstijl genoemd. De begraafplaats aan de Soerenseweg is er een duidelijk voorbeeld van.
Groenewegen maakte een in plattegrond vooral formeel plan, dat opvalt door een beperkt aantal hoofdmotieven, die hij inpaste binnen een vrijwel rechthoekig terrein, dat geheel omsloten werd door een strook begroeiing. De hoofdentree aan de Soerenseweg, waarvan de gebouwen blijkens de historische gegevens eerder waren gepland dan het plan van aanleg was goedgekeurd, vormde het oriëntatiepunt in het ontwerp. Haaks op deze hoofdentree plaatste Groenewegen een lange hoofdas, die het terrein in noordzuidrichting doorsnijdt. Deze hoofdas wordt gekruist door een dwarsas met op de kruising een klein rond, waarop in 1897 burgemeester Van Hasselt werd begraven. Uitgaande vanuit de hoofdentree werd over de kop van het zo ontstane kruis een groot ellipsvormig padenstelsel aangelegd, voorzien van brede gebogen paden, waaraan de representatieve 1ste klasse graven (de "koopgraven") werden gesitueerd. Binnen dit ovaal werden eenvoudige rechte gravenreeksen aangelegd, bestemd voor 2de klassegraven. Deze grafreeksen worden in het noordelijke deel doorsneden door gebogen verlopende secundaire paden. Ten zuiden van het ovaal werden aan weerszijden van de hoofdas rechte reeksen 3de klasse graven aangelegd, die in het oosten en westen aansluiten op gebogen paden en grote visblaasvormige terreinen met 4de klasse graven. Op de noordwestelijke en noordoostelijke gebogen paden van de ellipsvorm sluiten eveneens gebogen paden aan met 1ste klasse graven.
Op het uiterste zuidelijke deel van het terrein - zo ver mogelijk verwijderd van de 1ste en 2de klasse graven - werd ruimte gecreëerd voor de laagste klasse graven (5de). Hiervoor waren aan weerszijden van de middenas grote velden beschikbaar, die aan de oost- en westzijde werden omsloten door halfrond-omlopende paden.
Merkwaardigerwijs vormt de hoofdstructuur in plattegrond de contouren van een gestileerde teddybeer, maar hiervan zal de ontwerper zich wel niet bewust zijn geweest.
In plattegrond oogt de hoofdstructuur van dit oudste deel van de begraafplaats uiterst formeel. Ten opzichte van de noord-zuid verlopende hoofdas is er sprake van een sterke symmetrie. In het terrein zelf wordt deze formele structuur veel minder sterk ervaren. De sterk gebogen paden van het dominerende ellipsvormige gedeelte laten veel ruimte voor steeds wisselende doorkijkjes, laanbeelden en bijzondere hoekaansluitingen. Hier komt de romantiek van de landschappelijke stijl weer om de hoek kijken. Aan de brede hoofdpaden wordt de sfeer mede bepaald door de tot flinke exemplaren uitgegroeide laanbeplanting. Langs de hoofdpaden vindt men aan weerszijden laanbeplanting, in de meeste gevallen in de vorm van Hollandse eiken of linden. Op de binnenterreinen zijn het vooral solitaire groenelementen, die het beeld bepalen. Deze groenelementen kennen een grote variatie: diverse treurbomen, conifeerachtigen, struiken. Deze elementen spelen mee in het romantische beeld van de begraafplaats.
Invulling van de vakken
In het formele deel direct ten zuiden van de hoofdentree bevinden zich de meeste historische 1ste klassegraven. Deze zijn gerangschikt langs de brede gebogen hoofdpaden, waarbij op grote hoekkavels vaak de meest representatieve graven zijn gesitueerd. Deze graven bezitten soms rijk uitgewerkte graftekens en hekwerken en zijn gesitueerd in ruime, sterk gebogen reeksen, waarmee het duidelijkst de romantische gedachte tot uitdrukking werd gebracht. Deze gebogen paden zijn dusdanig aangelegd, dat zij fraaie gezichten bieden over de reeksen monumentale graftekens en groenelementen. Langs de hoofdpaden vindt men een representatieve beplanting in de vorm van Hollandse eiken. Bij de graven is ruimte voor individuele beplanting in de vorm van treurbomen, rododendrons, dennen, etc. Deze beplanting is in veel gevallen inmiddels uitgegroeid tot monumentale exemplaren en bepaalt in sterke mate het schilderachtige romantische aanzien van de begraafplaats. Deze keuze van de aanplant is typisch voor de tijd van ontstaan: de melancholieke sfeer werd versterkt door diverse treurbomen (treurberk, treurbeuk) en vooral veel donkere, altijd groen blijven bomen, zoals cipres, spar en den. De bomen en verschillende heestersoorten, gecombineerd met de gevarieerde grafmonumenten met vaak hekwerken rondom, inscripties, etc. moesten de bezoeker verleiden tot mijmeringen over het vergankelijke leven. Het binnenterrein binnen het ovaal werd gereserveerd voor goedkopere 2de klasse graven, die in rechte lange reeksen werden gerangschikt. Deze rug-aan-rug gelegen graven liggen vrij dicht opeen en worden ontsloten door eenvoudige paden. De graven zijn gelegen op lichte, zadeldakvormige verhogingen in het terrein.
Ook de andere 2de en lagere klasse gedeelten kenmerken zich door deze opzet.
Uitbreidingsplan 1915
Als gevolg van de grote groei, die Apeldoorn in het begin van de 20ste eeuw doormaakte, ontstond al gauw behoefte aan meer ruimte op de begraafplaats. Deze uitbreiding werd in of vlak na 1915 gerealiseerd, hoogstwaarschijnlijk naar ontwerp van de Apeldoornse gemeente-architect G. de Zeeuw, die het op 18 november 1915 gedateerde plan heeft ondertekend. Met uitzondering van de noordzijde werd rondom het oude gedeelte een aanzienlijk stuk grond in gebruik genomen en voorzien van een monumentale nieuwe structuur. Deze liet de oude opzet van 1896 grotendeels ongemoeid, maar op sommige plaatsen werden enige aanpassingen verricht om aansluitingen van paden en dergelijke beter te laten verlopen. Ook werd de groenbegrenzing van het oude terrein voor het grootste deel opgegeven.
De bijzondere vorm van het in 1915 beschikbare terrein, min of meer een zeshoek vroeg om een bijzondere benadering. Als hoofdmotief werd een groots driekwartrond aangelegd, waarvan het denkbeeldige, ontbrekende noordoostelijke kwart als het ware onder het oudste deel van de begraafplaats werd geschoven. De oude noord-zuid verlopende hoofdas uit 1896 werd naar het zuiden verlengd en naar het westen omgebogen, waar het de hoofdas vormt van het monumentale driekwartrond. Deze hoofdas sluit uiteindelijk aan de oostzijde weer aan op de oost-west verlopende hoofdas in het oudste gedeelte.
Rondom het 19de-eeuwse gedeelte en het driekwartrond werd een grote krans van vrijwel evengrote ronden (en halfronden) gepland, met elkaar verbonden door omlopende paden. De tussen ronden, omlopend paden en hoofdstructuur gelegen vakken werden opgevuld met korte rechte of gebogen reeksen graven, in de noordoostelijke hoek 1ste klasse graven, in de noordwestelijke 2de klassegraven, in de zuidwestelijke hoek 3de klassegraven, in zuidoostelijke hoek 4de en 5de klasse graven. Het grote driekwartrond wordt ontsloten door zes, vrijwel het gehele terrein doorsnijdende paden, als de spaken van een wiel.
Het gehele terrein wordt omsloten door een brede strook groen, waarvoor vooral dennen, sparren, beuken en hulst werden toegepast. Deze strook vormt inmiddels een gesloten afscherming ten opzichte van straten en woonwijken rondom de begraafplaats en is bovendien een belangrijke groene achtergrond op het terrein zelf.
Omstreeks 1918 moet het nieuwe gedeelte, zoals gepresenteerd in het uitbreidingsplan van 1915, zijn voltooid. De oudste begravingen dateren dan ook uit die tijd. Grote delen van het driekwartrond werden in de loop van de jaren 1918-1930 ingevuld.
De aanleg, zoals deze in 1915 vast lag en ook op een historische luchtfoto is waar te nemen werd in de loop van deze eeuw niet in zijn compleetheid vastgehouden. Niet alleen vond er, met name aan de noordwestzijde en in de zuidoosthoek een verdichting van de structuur plaats door het toevoegen van extra paden (waarschijnlijk in of kort na 1928), ook werd de plaats van een aantal van de kleine ronden en halfcirkels verschoven. Een rond in de zuidoostelijke hoek kwam te vervallen, hoewel het wel was aangelegd. Dit is nog te constateren aan de bewaard gebleven coniferenbeplanting, die eens het hart van het rond vormde. De ooit geplande ingang in de zuidwestelijke hoek van het terrein kwam te vervallen. Ook werd er op sommige plaatsen gekozen voor een andere klassenindeling.
In de loop van de tweede helft van de 20ste eeuw vonden uitgebreide ruimingswerkzaamheden plaats in het zuidoostelijke deel van de begraafplaats. Het betreft vooral 4de en 5de klasse delen ten zuiden van het formele deel in de as van de hoofdentree en oostelijk van het driekwartrond. Hier resteren enkele vakken met eenvoudige graven, merendeels daterend uit de periode 1915-1940. In dit gedeelte verdwenen ook delen van de historische laanbeplanting.
De oorspronkelijk voor 4de klasse graven ingerichte terreinen ten zuidwesten en zuidoosten van het ellipsvormig opgezette gedeelte (daterend uit 1896) zijn tegenwoordig niet meer als zodanig in gebruik. Het is niet duidelijk of deze visblaasvormige terreinen ooit helemaal opgevuld zijn met graven (op de luchtfoto uit de jaren '20 is dit niet goed zichtbaar). Tegenwoordig zijn het met gras ingezaaide open terreinen, die worden omzoomd door lange (gebogen) paden met reeksen bomen (linden en eiken).
English translation
The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com
Description
Introduction
GENERAL CEMETERY enclosed by wrought-iron fencing, located on the Soerenseweg near the corner with the Jachtlaan.
In 1896, work began on the construction of a new cemetery on the Soerenseweg, at that time still at considerable distance from the rapidly expanding village centre. The land was purchased in 1895 from H. Hoegen Dijkhof. Although the first burial took place in 1897 following the sudden death of Mayor J.A. van Hasselt, one of the most important promoters of the new site, it was not until 1 January 1900 that the cemetery was officially opened for use. Due to Apeldoorn's explosive growth, a large-scale expansion was realised as early as 1915, bringing the site to its present size.
Description
General:
The General Cemetery on the Soerenseweg is located in the eastern part of the built-up area of Apeldoorn in the Sprengenbos district. The site has a roughly hexagonal plan. The site is bounded on the north side by the east-west running Soerenseweg, on the east side by the north-south running Zandloperweg, on the southeast side by the Planetenlaan, on the southwest side by the northwest-southeast running Schuttersweg and on the northwest side by the northeast-southwest running Jachtlaan. A narrow rectangular plot of the original site has been separated at the Zandloperweg for a (recycling) business. In the northwestern corner of the site (corner Jachtlaan/Soerenseweg) a small section has been separated for a transformer station from the mid-first half of the 20th century.
The site is almost entirely enclosed by a simple wrought-iron fence with straight fence stiles and short and long bars, which simply end in points. There are three horizontal rules. The stiles are supported on the back by iron braces. On the Soerenseweg, near the transformer station, there is a simple swing gate. On the Zandloperweg there is a double swing gate no longer in use.
Main entrance:
The main entrance is located on the Soerenseweg, but not in the central axis of the site; instead it is shifted eastwards relative to it. This main entrance is accessible via a spacious, segment-shaped approach drive with approach ramps on the east and west sides. The area between the approach drive and the Soerenseweg is sown with grass and features mixed plantings, consisting of various solitary deciduous trees (including maple) and a group of rhododendrons in the central section. Along the gravel-surfaced drive stand, among others, red beeches. On the public road the site is separated by a series of widely spaced young horse chestnuts, which connect to the older avenue planting on the opposite side of the Soerenseweg.
Main structure:
At right angles to the main entrance, starting south of it, a long north-south running main axis begins, the lower end of which is bent westwards and forms the main axis of a monumental three-quarter circle. The main axis is intersected in the northern part by an east-west running cross axis, with a small circle at the crossing, on which Mayor Van Hasselt was buried in 1897. Starting from the main entrance, a large elliptical path system was laid out across the head of this so-created Latin cross, provided with wide curved paths, on which the representative 1st class graves were situated. The aforementioned small "Van Hasselt circle" borders the southern side of this ellipse. On the north side, a semicircular open area adjoins the ellipse, which forms part of the main entrance.
Within the ellipse, simple straight north-south running and back-to-back arranged grave rows were laid out, intended for 2nd class graves. These grave rows are intersected in the northern part by curved and east-west running secondary paths. The two paths on either side of the main axis turn at the north side, creating space here for a number of 1st class graves.
Adjacent to the northeast and northwest flanks of the ellipse are segment-shaped plots, which are surrounded by strongly curved paths, intended for 1st class graves.
South of the ellipse, straight rows of 3rd class graves were laid out on either side of the main axis (running east-west and lying back-to-back), which connect in the east and west to curved paths and large fish-bladder-shaped areas with 4th class graves (nowadays open areas, sown with grass). South of this, on either side of the main axis, is a large area not intersected by paths, which ends in a semicircle at its end. These areas contain 5th class graves, which are only accessible via narrow strips of grass.
The large north-south running main axis bends in the southern part of the cemetery in a quarter-circle to the west and continues here as a wide main path within the three-quarter circle-shaped main structure of the western part of the site. This three-quarter circle has as its core an almost circular small circle with an indented east side (on which the large 5th class area with a semicircular end adjoins, which lies west of the north-south running main axis). The small circle has a double ring of graves, most of which date from the second quarter and the mid-20th century. From this small circle, the large three-quarter circle is accessed by six paths, which cut through virtually the entire site, like the spokes of a wheel. Between these radials, in the western half of the circle, there are six narrow, semicircle-running paths with closely positioned, back-to-back arranged 2nd and 3rd class graves (2nd class in the northwest quarter, 3rd class in the southwest quarter). Comparable semicircle-running paths with graves are also found on the outside of the large main path, intersected by the radials and secondary radials. The southeast quarter of the three-quarter circle has no internal path structure. This area was intended for closely packed 4th class graves.
Around the cross with elliptical main structure and the three-quarter circle, a large ring of roughly equal-sized circles (and semicircles) was created, connected to each other by surrounding paths. The plots lying between circles, surrounding paths and main structure were filled with short straight or curved rows of graves, 1st class graves in the northeast corner, 2nd class graves in the northwest, 3rd class graves in the southwest corner, 4th and 5th class graves in the southeast corner. These (semi)circles are surrounded by rings of graves and the central area also consists mainly of double rows of graves arranged in ring formation around a heavily vegetated heart. Originally six complete circles and two semicircles were planned. Particularly in the southern part of the cemetery, the positioning of some circles and semicircles was shifted.
The layout, as recorded in 1915 (and also visible in an aerial photograph) was not maintained in its entirety over the course of this century. Not only was there a densification of the structure, mainly on the northwest side and in the southeast corner, through the addition of extra paths, but the position of some of the small circles and semicircles was also shifted. A circle in the southeast corner was removed, although it had been laid out. This can still be established from the preserved planting, which once formed the heart of the circle. The originally planned entrance in the southwest corner of the site never came about. In some places, a different class division was chosen.
The 1st class graves are generally located on the most representative, fairly wide paths. The layout around the graves is spacious; they lie back-to-back almost nowhere. This is the case with 2nd and lower class graves. These graves are arranged more strictly, lie closer together and furthermore back-to-back in sloped strips, accessed by slightly lower paths.
The 4th and 5th class graves are arranged simply in long rows, placed directly next to and behind each other. Paths are absent in the interior areas. The graves are accessible via narrow grass strips.
At virtually all graves stand small sandstone number posts. These have a semicircular top and are provided on the front with an incised grave number, which in most cases corresponds to the numbering on the maps prepared in 1928.
Green elements:
Along most of the main paths and, properly considered, around all articulating elements and plots within the main structure, one finds avenue plantings on either side, in most cases in the form of Dutch oaks (particularly in the northern and northeastern part), limes (especially in the middle part) and green beeches (particularly in the western and southern part). These rows of uniform trees form attractive, connecting elements that accentuate the main structure. In this way, a clear dividing line is drawn between the formal main structure and the much more informal green elements filling the interior areas. Avenue planting has also been applied along the outer edges of most of the circles.
A number of planting methods can be encountered. At the widest paths there is double avenue planting, that is, a row of trees on both sides of the path. Along various paths (including the connecting paths between the circles) there is single-sided avenue planting. Usually the tree rows are located in narrow borders in front of the graves, but in some places they stand entirely at the front within the grave plots (northern part of the ellipse).
In the southeast part of the cemetery, the avenue planting has in many cases disappeared or been replaced by young planting. Along the north-south running main axis and along the ellipse stand Dutch oaks (young planting at the northern part of the main axis). South of the ellipse, these oaks stand alternately on either side of the back-to-back arranged grave rows. The ends of these rows are planted with rhododendrons. In the western part of the site, the avenue planting consists mainly of limes and beeches. With the exception of the beeches, which do not allow intensive undergrowth, the limes and oaks in particular stand in narrow grass strips.
The small circles were planted in the heart with pines, which have meanwhile grown into substantial specimens. In the 1st class section, where the inner circle of the northeast circle has only a single ring of graves, there is also a ring of large rhododendron bushes behind the graves. The circles also received avenue planting, sometimes double (inner and outer ring), sometimes single (outer ring).
In the interior areas, it is primarily solitary green elements that determine the character. These green elements show great variety: various types of deciduous trees, various weeping trees, such as weeping birches and weeping beeches, coniferous plants, shrubs and bushes (rhododendrons, holly). In various places, solitary trees have meanwhile grown into impressive specimens, such as red beeches, holly trees, pines and cypress trees. These elements play an important role in the romantic character of the cemetery.
Green elements are also found at the individual grave monuments. Sometimes these are part of the cemetery's own furnishings; in many cases they were added in the past as small shrubs or trees as part of the grave. These green elements, especially in the oldest part of the cemetery, have meanwhile grown into very large specimens, which have sometimes completely overgrown or damaged the grave signs and headstones. Examples of this are the large rhododendron bushes in the graves of the Gouda Quint and Teding families. Also monumental groups of coniferous timber, placed within the fences, are encountered, such as around the headstone of Mayor J.A. van Hasselt and the grave of the Tutein Nolthenius family.
Other important green elements within the main structure of the site are the two fish-bladder-shaped open areas southwest and southeast of the elliptical path system. These areas, once intended for 4th class graves, now form attractive, open grasslands, bordered by paths and the green backdrops of the well-filled areas.
The entire site is enclosed by a broad green zone, for which especially pines, spruces, beeches and holly were used. This planting dates largely from after 1915, but in the northern part there are also older green elements. The strip now forms a closed screen against the streets and residential areas surrounding the cemetery and is also an important green backdrop on the site itself.
THE GRAVE MARKERS
Types and styles
Since the official opening in 1900, a great variety of simple and ornate grave monuments have been erected on the General Cemetery, which give a good picture of nearly a hundred years of funerary sculpture and changing traditions in Apeldoorn. The 1st class section directly south of the main entrance received the most attention in the inventory. Here one finds the best examples of historical grave monuments in various styles and types.
In general, it can be said that grave sculpture in Apeldoorn was relatively restrained and sober. Lavish ornamentation was used sparingly and death symbolism was also applied only sparingly. It is also clear that Apeldoorn was still a developing place at the beginning of the 20th century. Exceptionally many representative ornate graves do not (yet) exist; the large-scale settlement of the wealthy took place only at the end of the 19th century. Furthermore, the 19th century was a period when many people did not yet live in Apeldoorn permanently and ultimately were buried in their birthplace. Also, the nobility buried here held, with one exception, sober ideas. Moreover, much was still buried in the period 1900-1923 at the Old Cemetery on the Loolaan, where many wealthy (aristocratic) families had their family graves. Richly executed graves of the middle classes are seen only from the 1910s and '20s onwards. In this period, however, a general sobering of grave culture in the Netherlands had already begun, so that even in this period there are no overly exuberant examples.
Also due to the absence of a Roman Catholic section, the cemetery lacks an abundance of typical symbolism and ornamentation in the form of strongly religiously bound motifs and symbols (the cross in various forms, Christ heads and monograms, alpha and omega signs, depictions of Mary, saints and angels, flaming heart and the instruments of Christ's passion). These elements were not applied by the predominantly Reformed and Calvinist population. They preferred simple crosses or an open book. More common is the typically "secular", often classically inspired symbolism: broken columns, grave stelae, obelisks, torches, floral motifs (flowers, oak leaf, garlands, laurel wreath, palm frond, weeping trees, etc.), urns and fire vessels, etc. Motifs from the animal world, such as the ouroboros or tail-biting serpent, butterflies, doves and the like are remarkably rare.
Applied decorative motifs (symbolic or merely decorative) are sometimes executed in the prevailing styles of the time, such as Art Nouveau, Art Deco or New Objectivity.
The variety of grave marker types is great. A very popular combination is a large recumbent sandstone headstone within an ornately executed wrought-iron enclosure. The headstones provided space for inscriptions with the names, birth and death dates and places of the deceased. The headstones were either placed on low sandstone or brick bands (for simple sand graves) or on somewhat higher, usually sandstone, sloping plinths.
Standing grave markers also occur within the enclosures, but not often together with recumbent headstones. The standing markers vary from simple monuments reminiscent of the classics, such as the classical stele with pediment and acroteria, the obelisk (in various forms and sizes) to soberly or indeed ornately executed triumphal arch motifs, combinations of these motifs and various freely designed silhouette stones.
Large structures do not occur, although monuments derived from the classical triumphal arch motif do. Funeral chapels and mausolea were not built here.
A grave type that is quite common on this cemetery has the form of a large bed or crib, with high-rising sides and high back wall, sometimes executed in stone, sometimes in iron, creating the idea of a slatted bed. In this way, the symbolism of the "final resting place" was expressed in a very literal manner.
Strongly individual grave sculpture also occurs on the General Cemetery. One of the finest examples is the monumental grave of the Van Heeckeren family near the main entrance. Furthermore, various graves possess sculpture or bronze plaques, particularly arranged grave markers (sometimes by the hand of well-known Apeldoorn artists or architects) or references to the professions of the deceased (clergyman, firefighter, architect, military, doctor, etc.).
In the course of the 20th century, grave monuments gradually become simpler in design. In the 1920s and '30s, influences from Art Deco dominate, with geometric rectangular elements combined into monumental or often asymmetrically arranged monuments. Strongly stylised, repetitive and geometric decorations fit well with this style.
In Apeldoorn one finds quite a few almost architecturally arranged grave markers, executed in natural stone or brick.
From the mid-20th century onwards, the grave monument becomes much simpler, reduced to a simple sandstone or marble slab with profiled or rectangular top. The grave plot is filled with gravel, chunks of natural stone and small plants.
Fences and enclosures of the grave monuments
Very many graves were provided with fences, sometimes entirely of wrought iron with cast-iron ornaments, often also consisting of sandstone fence posts, connected by metal chains or tubular fences. In many cases, a small section within the enclosure was left free for planting or stone chippings. Particularly with the somewhat larger graves, this planting area provided space for a substantial shrub or a weeping tree. At some graves, one finds behind or within the iron enclosure a free-standing weeping tree or even a small cluster of conifers, usually larch or thuja. Such a layout is found especially at (often aristocratic) graves located on large corner plots at the elliptically arranged section. A monumental example is the grave of Mayor Van Hasselt, which is surrounded by a ring of tall conifers.
Many grave plots within enclosures were filled with stone chippings, such as fine gravel, or splinters of hard or slate stone.
Material use
The use of materials is quite uniform and, like elsewhere in the Netherlands, chosen primarily for weather resistance. Durable materials such as hard and polished natural stone types were in common use. The majority of grave monuments consist largely of sandstone (headstones, stelae, silhouette stones, bases and plinths, parts of the enclosure). Particularly for the ornamentation, other materials were used: marble for crosses, fire vessels, small columns, reliefs, etc. In some cases use was made of granite, marble or glacial erratic stone, and bronze (an occasional sculpture or relief). Text panels affixed to the monuments were of (white) marble.
The period of the late 19th and early 20th centuries was also the time of experimentation with materials that were new or little used up to that point. One therefore also finds some grave ornaments, which are entirely executed in cement or artificial stone, with or without a reinforced core. Various types of brick, including sometimes facing brick or glazed stone, were applied for foundation walls. From the 1930s onwards, brick is also used for the superstructure and one sees higher-built, architecturally designed graves, often executed in rustic handmoulded brick.
In the course of the first half of the 20th century, granite became increasingly popular as a preferred material. In Apeldoorn, this material is often used very roughly worked, which gives the monuments a rustic character. Also nicely polished granite occurs.
The natural stone components were polished smooth as desired, picked or provided with other forms of working (for example bushhammered). In particular, the sandstone components could be accentuated by lists, ornaments and surfaces painted black. Unfortunately, this finish is quite vulnerable and is now only faintly present on many monuments. Black paint was also applied to accentuate the texts on headstones and bases. This was done both with lettering raised relative to the text field and with incised inscriptions. In only one case were other colours applied to accentuate inscriptions and decorations, mainly in silver- or gold-coloured paint.
A new, fairly costly product, which was popular at the beginning of the 20th century, we also know from the advertising world of that time: marbled glass, a workable sheet material, consisting of a cast glass mixture, which in polished form could be used for various purposes (advertising panels, nameplates, table tops, wall cladding). It was also particularly popular for grave inscriptions. In Apeldoorn we encounter this material several times. A fine example, provided with a cut or blasted representation of a woman, was made in the glass atelier Bouvy in Amsterdam.
Wrought and cast iron are extensively applied in the remarkably numerous fences. Many fences are executed in fashionable styles and can rival the richest fences in, for example, the villa district de Parken. It is possible that the presence of a well-known "fence factory" in Apeldoorn, the firm Versteegh, had an influence on this rich fence tradition. In some graves stand iron fittings or lecterns, on which marble or marbled glass text panels are mounted. This arrangement was particularly popular for a brief period at the beginning of the 20th century.
At a few graves there are large metal drums with fine grave wreaths or branches of tinplate. The drums are closed by a glass lid.
Inscriptions and typography
Inscriptions on headstones and standing grave markers are in most cases placed within rectangular, slightly recessed and worked text fields. Where more persons are mentioned, the inscriptions are often interrupted by a cross-bar or by a simple classical ornament.
With most grave monuments, the inscriptions on headstones, bases and standing grave markers are limited to a list of names, birth and death dates and places of the deceased, often accompanied by the greeting "Here rests" or the addition "Rest in peace", or variations thereof. Many graves have only a very modest inscription, consisting of "Family grave" and the name of the family concerned.
Various grave monuments are also provided with a short biblical text with location indication. Highly personal expressions in the form of a poem or verse also occur.
The lettering on monuments and headstones is strongly time-bound. The majority of graves bear inscriptions in lettering inspired by the Latin script, sometimes still very classical in form, usually however in the form of contemporary print letters. Usually the text is entirely set in capitals, sometimes only the personal names or the first letters are executed in this way. This lettering has many variants, from elegant classical letters with serif to simple sans-serif letters.
Especially in the 19th century and the first years of the 20th century, Gothic minuscule was very popular on many cemeteries, particularly on Roman Catholic graves. This typeface is almost entirely absent from the General Cemetery.
After the turn of the century, modern typefaces make their entrance. Thus, on various headstones and monuments, one finds the typical typographically elegant style inspired by Art Nouveau and Art Deco, the business-like round and sans-serif letters from the period of New Objectivity and the robust sans-serif letter conforming to the style of the Delft School from the 1940s and '50s.
Various grave monuments on this cemetery can be attributed to the stoneworking ateliers flourishing in the early 20th century in Apeldoorn, of which the ateliers of the firms Wegerif, Tesink and Wed.P.Meyer were the most well-known. On some graves, the engraved names of these businesses are to be found.
Notable personages
On the General Cemetery on the Soerenseweg, numerous locally and regionally well-known personages have been buried in the past: members of well-known Gelderland aristocratic families (Van Heeckeren, Van Regteren, Van Weede), figures from local politics, court officials and various Apeldoorn notables, military men, clergymen, artists (architects and contractors). It is also striking that there is a large number of manufacturers and entrepreneurs who established numerous specialist shops and warehouses in Apeldoorn at the end of the 19th century as a result of the great influx of the wealthy. Many wealthy families from the north of the country (particularly Friesland) settled in Apeldoorn in the second half of the 19th century. Their numerous presence is also evident from the many Friesian proper names and birthplaces, mentioned on headstones and stones. Another category is formed by persons connected to the Royal House, who are buried here, such as members of the household and (chief) foresters of the Crown Estate.
Valuation
General cemetery (1896, 1915) with fencing (1915) and grave headstones/monuments.
- Of architectural-historical value for the grave headstones/monuments dating from various periods, executed in the styles prevailing at the time.
- Of cultural-historical importance due to the funerary-historical and local/regional genealogical value. Due to the characteristic late nineteenth and early twentieth century character of the oldest part of the cemetery.
- Of garden-historical value due to the quality of the well-preserved exceptional layout - a carefully considered combination of romantic-landscape and more formal design - with its characteristic main and secondary elements (central axis, elliptical path system, three-quarter circle and ring of circles and semicircles), the layout of avenues and paths and the historical planting (avenue planting and valuable individual green elements and solitary trees) designed by Fa. Groenwegen and Zn. (1896) and G. Versteeg (1915). Due to the varied assortment of trees and shrubs of great age.
Cultural-historical description
The service dwelling adjoining a gatehouse and service rooms advertised for tender in 1895 was built to the design of Apeldoorn architect J.A. Wijn. The whole was completed in 1896. In 1896, the design for the layout of the grounds was simultaneously provided by the firm Groenewegen and Sons. Landscape architect Groenewegen had drawn up quite an expensive plan, for which the Burgomasters' and Aldermen's Board (Van Hasselt) had to account on several occasions. Ultimately Queen Regent Emma came to the rescue. She offered to finance the representative green space on the Soerenseweg, so that the layout of the rest of the grounds became affordable.
In May 1897, the actual, not yet fully planned inauguration of the grounds followed. On 8 May 1897, one of the initiators of the layout, Burgomeister Mr. J.A. van Hasselt, died suddenly. His funeral took place at a fine location chosen in the circular widening of the broad main axis that runs north to south through the cemetery. From the fact that the high costs of the layout and planting were still discussed extensively in March and April 1897, it appears that the grounds were far from ready for use. It took until the end of 1899 before the next burial took place. On 1 January 1900, the cemetery was finally officially opened for use.
Farewell to the Old Cemetery
The Old Cemetery on the Loolaan continued to function for many years but was ultimately closed on 13 July 1923. Many well-known Apeldoorners found their final resting place on the Old Cemetery between 1900 and 1923, such as members of the (noble) families Mollerus, Bas Backer and Bentinck. They still had space available on the Old Cemetery in their family graves. In and shortly after 1923, various removals took place from the Loolaan to the Soerenseweg. In most cases, these concerned persons buried on the Loolaan during the period 1900-1923, who after the closure of the Old Cemetery were transferred to new family graves on the New Cemetery.
In 1953, clearance work finally began and the Old Cemetery disappeared from the townscape of Apeldoorn. During this period too, various graves from the Loolaan were transferred to the Soerenseweg (including members of the family Tutein Nolthenius).
The cemetery opened in 1900 on the Soerenseweg would, many years after closure of the old grounds, still be called the "New Cemetery" to distinguish it.
The 1896 layout plan
Landscape architect Groenewegen provided in 1896 a design typical of the period around the turn of the century. Although the cemetery was considerably expanded in the first quarter of the 20th century, Groenewegen's original concept remained largely intact. The plan shows a mixture of elements from the romantic, landscape style and a more formal, rigid style.
The landscape style, especially popular in the first half of the 19th century in the layout of cemeteries and parks, had declined in popularity during the course of the 19th century for various reasons. This landscape style, expressed in a very free, spacious layout with many picturesque elements such as curved paths, unexpected vistas and a great diversity of dark green elements, had emerged from a very romantic approach to death. At the end of the 19th century, attitudes towards death became much more distant and businesslike. Advances in medical science had meant that many diseases and thus death itself could be fought. Death became less self-evident, fear and respect increased. This less romantic and poetic attitude also expressed itself in a more rigid, "more dignified" layout of cemeteries. The formal style, in which symmetry and baroque elements played an important role, was perfectly suited for this. Incidentally, in landscape architecture for country houses and city parks, a trend towards a more formal, monumental design was also discernible.
The formal style also had practical advantages. The large increase in population and the resulting larger number of deaths created a need for a more user-friendly type of cemetery, with easily accessible graves and a clear main structure. Moreover, more intensive use also required a more careful management of available space. A higher grave density could be achieved more readily with a somewhat rigid, formal structure than with a more landscape, romantically arranged structure, where relatively much space was left for unexpected vistas, large and small groups of trees and open areas.
Yet such importance was attached to the aforementioned aspects that they remained an important feature in the layout of cemeteries well into the 20th century. Landscape architects thus became very skilled at combining both styles (the landscape style and the formal style) in their designs. This combination is called Mixed Garden Style. The cemetery on the Soerenseweg is a clear example of this.
Groenewegen created a plan that was primarily formal in its ground plan, distinguished by a limited number of main motifs, which he inserted within an almost rectangular site, which was completely enclosed by a strip of vegetation. The main entrance on the Soerenseweg, whose buildings according to historical sources had been planned earlier than the layout plan was approved, formed the orientation point in the design. At right angles to this main entrance, Groenewegen placed a long main axis, which runs through the grounds in a north-south direction. This main axis is crossed by a transverse axis with a small round at the intersection, where Burgomeister Van Hasselt was buried in 1897. Starting from the main entrance, a large oval-shaped path system was laid out over the head of the resulting cross, with broad curved paths, along which the representative 1st-class graves (the "freehold graves") were situated. Within this oval, simple straight rows of graves were laid out, intended for 2nd-class graves. These grave rows are in the northern part intersected by curved secondary paths. South of the oval, straight rows of 3rd-class graves were laid out on either side of the main axis, which in the east and west connect to curved paths and large vesica-piscis shaped areas with 4th-class graves. The northwestern and northeastern curved paths of the oval likewise connect to curved paths with 1st-class graves.
In the southernmost part of the grounds – as far as possible removed from the 1st and 2nd-class graves – space was created for the lowest class graves (5th). For this purpose, large fields were available on either side of the central axis, which were enclosed on the east and west sides by semi-circular paths.
Curiously, the main structure in ground plan forms the contours of a stylised teddy bear, but the designer was probably not aware of this.
In ground plan, the main structure of this oldest part of the cemetery appears extremely formal. There is a strong symmetry with respect to the north-south running main axis. Within the grounds themselves, this formal structure is experienced much less strongly. The strongly curved paths of the dominant oval-shaped section leave much room for constantly changing vistas, avenue views and special corner connections. Here the romance of the landscape style peeks around the corner. The atmosphere of the broad main paths is also determined by the avenue planting that has grown into fine specimens. Along the main paths, on either side, one finds avenue planting, in most cases in the form of Dutch oaks or lindens. In the interior grounds, it is mainly solitary green elements that determine the image. These green elements show great variety: various weeping trees, conifers, shrubs. These elements contribute to the romantic image of the cemetery.
Layout of the compartments
In the formal part directly south of the main entrance, most of the historical 1st-class graves are located. These are arranged along the broad curved main paths, with the most representative graves often situated on large corner plots. These graves sometimes possess richly worked grave markers and fencing and are situated in spacious, strongly curved rows, through which the romantic idea was most clearly expressed. These curved paths are laid out in such a way that they offer beautiful views over the rows of monumental grave markers and green elements. Along the main paths, one finds a representative planting in the form of Dutch oaks. By the graves, there is space for individual planting in the form of weeping trees, rhododendrons, pines, etc. This planting has in many cases since grown into monumental specimens and strongly determines the picturesque romantic appearance of the cemetery. This choice of planting is typical of the time of origin: the melancholic atmosphere was intensified by various weeping trees (weeping birch, weeping beech) and especially many dark, evergreen trees, such as cypress, spruce and pine. The trees and various species of shrubs, combined with the varied grave monuments often with fencing, inscriptions, etc., were intended to entice visitors to musing on the transience of life. The interior grounds within the oval were reserved for cheaper 2nd-class graves, which were arranged in long straight rows. These back-to-back graves lie fairly close together and are accessed by simple paths. The graves are located on slight, saddle-shaped elevations in the grounds.
The other 2nd-class and lower-class sections are also characterised by this layout.
1915 Expansion plan
As a result of the great growth that Apeldoorn experienced in the early 20th century, a need for more space at the cemetery soon arose. This expansion was realised in or shortly after 1915, most likely to the design of Apeldoorn municipal architect G. de Zeeuw, who signed the plan dated 18 November 1915. With the exception of the north side, a considerable area of land was brought into use around the old section and provided with a monumental new structure. This left the old layout of 1896 largely untouched, but in some places some adjustments were made to allow path connections and the like to run better. The green boundary of the old grounds was also largely abandoned.
The unusual shape of the territory available in 1915, more or less a hexagon, called for a special approach. A grand three-quarter round was laid out as the main motif, of which the imaginary, missing northeastern quarter was as it were tucked under the oldest part of the cemetery. The old north-south running main axis from 1896 was extended to the south and bent to the west, where it forms the main axis of the monumental three-quarter round. This main axis ultimately connects on the east side again to the east-west running main axis in the oldest section.
Around the 19th-century section and the three-quarter round, a large wreath of virtually equal-sized rounds (and semi-rounds) was planned, interconnected by surrounding paths. The compartments located between rounds, surrounding paths and main structure were filled with short straight or curved rows of graves, 1st-class graves in the northeastern corner, 2nd-class graves in the northwestern, 3rd-class graves in the southwestern corner, 4th and 5th-class graves in the southeastern corner. The large three-quarter round is accessed by six paths that run through virtually the entire grounds, like the spokes of a wheel.
The entire grounds are enclosed by a broad strip of green, for which mainly pines, spruces, beeches and holly were used. This strip now forms a closed screen with respect to the streets and residential areas around the cemetery and is also an important green background within the grounds themselves.
By around 1918, the new section, as presented in the 1915 expansion plan, must have been completed. The oldest burials date from around that time. Large parts of the three-quarter round were filled in during the years 1918-1930.
The layout as it was fixed in 1915 and is also visible on a historical aerial photograph was not maintained in its entirety in the course of this century. Not only did a densification of the structure take place, particularly on the northwest side and in the southeastern corner, through the addition of extra paths (probably in or shortly after 1928), but also the location of a number of the small rounds and semi-circles was shifted. A round in the southeastern corner was eliminated, although it had been laid out. This is still evident from the preserved conifer planting, which once formed the heart of the round. The once-planned entrance in the southwestern corner of the grounds never materialised. Also, in some places a different class division was chosen.
In the course of the second half of the 20th century, extensive clearance work took place in the southeastern part of the cemetery. This concerns mainly 4th and 5th-class sections south of the formal section on the axis of the main entrance and east of the three-quarter round. Some compartments remain here with simple graves, mostly dating from the period 1915-1940. Parts of the historical avenue planting also disappeared in this section.
The territories originally set up for 4th-class graves to the southwest and southeast of the oval-arranged section (dating from 1896) are no longer used as such today. It is unclear whether these vesica-piscis shaped territories were ever completely filled with graves (this is not clearly visible on the aerial photograph from the 1920s). Today they are open grounds seeded with grass, which are bordered by long (curved) paths with rows of trees (lindens and oaks).
Nearby in the register
- Poortgebouw, Soerenseweg bij 71Begraafplaats en -onderdelenunder 1 mi
- De PaddestoelWoonhuisunder 1 mi
- EderaWoonhuisunder 1 mi
- Bosch ZichtWoonhuisunder 1 mi
Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.