Rijksmonumentenregister · Netherlands
J.P. Thijssepark
Amstelveen, Noord-Holland, Netherlands
The record
- Designation
- National monument (rijksmonument)
- Class
- Tuin, park en plantsoen
- Function
- Wandelpark
- Category
- onroerend gebouwd
- Built (approximately)
- 1940 - 1972
- Address
- Zuidelijke Hoornsloot/Pr. Irenelaan/Amsterdamseweg Amstelveen
- Place
- Amstelveen
- Province
- Noord-Holland
- Country
- Netherlands
- Coordinates
- 52.31475, 4.84245
- Monument number
- 532027
Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.
University Library, Vrije Universiteit AmsterdamUniversity Library, Vrije Universiteit Amsterdam
2 historical maps cover this location, the earliest the 1910 map "Polderkaart van de landen tusschen Maas en ij / door W.H. Hoekwater" (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).
This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗
The register's description
Omschrijving
Inleiding
Het J.P. THIJSSEPARK is een langgerekt openbaar park met wandelpaden langs inheemse beplanting, aangelegd in de eerste helft van de twintigste eeuw als overgangsgebied tussen het Amsterdamse Bos en een Amstelveense villawijk.
De gemeente Nieuwer-Amstel was tot in de jaren twintig van de twintigste eeuw een agrarische gemeente in een polderlandschap met weilanden. Het dorp Nieuwer-Amstel vormde de kern. Net zoals het aangrenzende Amsterdam, kwam de gemeente Nieuwer-Amstel in deze periode met uitbreidingsplannen. De gemeente hoopte forenzen te trekken door het creëren van een groene woonomgeving in Amstelveen.
De Vaste Commissie voor Uitbreidingsplannen in Noord-Holland had als taak de Amstelveense en Amsterdamse uitbreidingsplannen in goede banen te leiden. De Commissie boog zich al in 1925 over het uitbreidingsplan Nieuwer-Amstel van 1924. De Commissie besteedde speciale aandacht aan stedelijk groen en natuurschoon, waaronder het Bosplan. Het bosplan voorzag in de aanleg van een groot (700 hectare) stedelijk recreatiegebied met bos, weiden en water, het Amsterdamse Bos. Het Amsterdamse bos vormt de scheiding met Amstelveen. Aan de Amstelveense rand van het Amsterdamse Bos zag men graag wat meer groen dat verder tussen de bebouwing zou doorlopen (het J.P. Thijssepark). De percelen grenzend aan het bos zouden door hun ligging en de grotere waarde geschikt zijn voor een landelijk vorm van bebouwing. In 1937 werd het bosplan door de gemeente Amsterdam goedgekeurd. Het basisplan voor de gemeente Nieuwer-Amstel werd in 1935 goedgekeurd. In 1964 veranderde de naam van het bestuursgebied Nieuwer-Amstel, vanwege de groei van Amstelveen, in Amstelveen.
Door de economische malaise eind jaren dertig stagneerde de uitgifte van percelen voor de huizenbouw. Met het oog op werkverschaffing drong het gemeentebestuur aan op een versnelde aanleg van de openbare parken. In 1939 gaf de gemeente toestemming voor de aanleg van het eerste heempark, De Braak, en een jaar later begon men met de aanleg van het J.P Thijssepark.
Afdeling Plantsoenen In 1927 werd de 25 jarige tuinbaas C.P. (Chris) Broerse (1902-1995) als gemeentelijke groenbeheerder aangesteld. Al in 1931 werd hij bevorderd tot directeur van de in datzelfde jaar opgerichte gemeentelijke afdeling Plantsoenen en begraafplaats Zorgvlied, en zorgde voor ontwerp en aanleg van nieuwe plantsoenen. Hij kreeg in 1938 assistentie van J. (Koos) Landwehr (1911-1996), die zijn kwekerij moest beëindigen vanwege de aanleg van het Amsterdamse Bos. Landwehr was naast plantenkenner ook tekenaar en illustreerde de botanische werken die hij zelf schreef. Broerse en Landwehr zijn de grondleggers van een nieuwe natuurstijl die na 1945 in Nederland veel invloed heeft gehad en ook internationaal gezien een nieuwe richting in de tuinkunst vertegenwoordigt.
Broerse ontwikkelde zich tot een productief ontwerper; een groot deel van de parken en plantsoenen in Amstelveen zijn van zijn hand. Daarnaast tekende hij in de periode 1946-1954 zo'n 300 plannen voor de herbeplanting van Walcheren. Broerse brak internationaal door met zijn heemtuin op de Internationale Tuinbouwtentoonstelling Floriade in Rotterdam (1960). Daarnaast was hij jarenlang voorzitter van de Bond van Nederlandse Tuinarchitecten (BNT), en schreef veel artikelen. Hij bevorderde het werken met inheemse beplanting bij collega's van andere gemeenten. Broerse bleef tot zijn pensioen voor de gemeente Amstelveen werken. Zijn werk werd in 1976 bekroond met de J.T.P Bijhouwerprijs voor tuin- en landschapsarchitectuur vanwege de "bijzonder creatieve en artistieke kwaliteiten van zijn gehele oeuvre". Opgemerkt werd verder: "Zonder nochtans de natuurlijk orde na te bootsen, weet de heer Broerse voor steeds verschillende uitgangspunten overtuigende oplossingen te vinden. ... Door dit werk van waarlijk internationale allure en om zijn grote kennis van de Nederlandse flora en zijn gebruik daarvan, komt de heer Broerse de J.T.P. Bijhouwerprijs toe".
Ontstaansgeschiedenis J.P. Thijssepark Eind negentiende eeuw bestonden in Nederland al diverse verenigingen ter bestudering van flora en fauna. Zij hadden een klein ledenbestand van academici en deskundige amateurs. Vanaf 1900 neemt de popularisering van de botanie en biologie een vlucht. Verschillende publicaties verschijnen, waaronder De Levende Natuur en de Verkade albums. Met name de Verkade albums met opgewekte teksten van Jac. P. Thijsse en aantrekkelijke illustraties, brengen de natuur bij een groot publiek in huis. De interesse voor natuur, plantgemeenschappen en wilde planten leidde er uiteindelijk toe dat deze vanaf de jaren twintig een plek kregen in de tuinkunst.
Broerse's plan voor het J.P. Thijssepark omvatte in de noordelijke hoek een bebouwing met enkele of dubbele villa's. Het Amsterdamse Bos moest in overeenstemming worden gebracht met deze villabebouwing. De vrij brede Landscheidingsvaart en Hoornsloot lagen tussen het bos en het park, en evenwijdig daaraan moest de groene overgangszone komen. Broerse maakte een ruimtelijke indeling van water, open en gesloten beplanting op een smalle strook grond. Naast meanderende waterpartijen kwam er in de uiterste noordwesthoek van het park een 'heuvel'. Vanaf de heuvel was er een fraai uitzicht over het meters lager gelegen Amsterdamse Bos dat op dat moment in aanleg was, en aan de andere kant op de laag gelegen vijver. Een fysieke verbinding met het Amsterdamse Bos kwam er niet.
Het uitgangssituatie voor het Thijssepark was een nat weiland op veengrond. In tegenstelling tot de Braak werd de inheemse beplanting minder sociologisch gegroepeerd (volgens plantengemeenschappen) en werd wat meer variatie aangebracht. Desalniettemin geeft het park een beeld van natuurlijke soortencombinaties en van verschillende landschapstypes op veen zoals een hoogveen-, laagveen- en heidelandschap. Ook verlandingsstadia (van water naar moeras) zijn aanwezig. De schoonheid van de inheemse plant stond echter voorop.
Het park kreeg zijn huidige omvang in drie fasen. Men begon in 1940 aan de noordzijde, grenzend aan de Hoornsloot, de waterscheiding met het Amsterdamse bos. Tijdens de Tweede Wereldoorlog, in 1942, werd de uitvoer van het plan gestaakt. Een kwart van het park vanaf de ingang aan de Prins Bernhardlaan tot aan de heuvel was toen afgerond. Na de oorlog is het werk hervat. Aan het middengedeelte begon men in 1949. Ten zuiden van het voltooide J.P. Thijssepark konden 60 grote bouwpercelen worden uitgegeven, maar dat liep niet zo snel. In afwachting van de exploitatie zijn hier sportvelden geprojecteerd, die nog altijd in gebruik zijn. Het laatste deel, het gebied tussen de Oude Karselaan en het sportpark is in 1972 aangelegd door Broerse's opvolger B.J. Galjaard samen met J. Landwehr. Om het smalle perceel (optisch) te verbreden moest een deel van de achterliggende sloot aangeplempt worden. Het park werd in het begin van de jaren vijftig opgedragen aan de hierboven genoemde J.P. Thijsse (1865-1945), die een belangrijke rol speelde in de natuureducatie en tevens oprichter was van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten.
Het haakvormige J.P. Thijssepark ligt in het noordwesten van Amstelveen, ten oosten van het Amsterdamse Bos. De begrenzing is aangegeven op bijbehorende kaart.
Omschrijving
J.P. THIJSSEPARK. Verschillende relatief verborgen ingangen, aan de Prins Berhardlaan, Prinses Irenelaan (2) en de Amsterdamseweg, geven toegang tot het park. Smalle paden slingeren door een begroeiing van bomen, dichte struiken en kruiden naar open ruimten van wisselende grootte en geven zichten op de vijvers met een op de afwisselende beplanting: een schilderachtig beeld. De beplanting benadrukt de wisseling van de seizoenen, en geeft afwisseling in vorm, textuur en kleur. Solitaire bomen versterken de dieptewerking en verbijzonderen een pad of ruimte. De open ruimten zijn relatief besloten en gaan via corridors van wandelpaden (gesloten bladerdak) vloeiend in elkaar over. Er is een grote dieptewerking doordat het pad door het slingerend verloop niet is te overzien, en ook doordat de omgeving aan weerszijden grotendeels onzichtbaar blijft door de begroeiing aan de randen. Hier en daar is een zicht gemaakt over de Hoornsloot richting het Amsterdamse bos. De paden hebben namen die naar de plaatselijke beplanting verwijzen als bosbespad, heidepad en klokjespad en staan op houten richtingaanwijzers aangegeven. Het ven, een veertig meter brede vijver met rijke oeverbeplanting en golvende oeverlijn, is de grootste open ruimte in het park. De vijvers staan in verbinding met de Hoornsloot en de Landscheidingsvaart; soms zijn er stuwen of lage dammen aangebracht om de waterhuishouding goed te kunnen regelen. Waar de oevers beschoeiing nodig hebben (en de oever in het zicht ligt) is, is de beschoeiing van takken en stammen vervaardigd.
Door de hoge (winter-)waterstand hebben bomen weinig ruimte om te wortelen en worden soms te zwaar of zakken scheef. Sommige bomen zijn om die reden gekandelaberd of geknot. Karakteristiek zijn de meerstammige bomen die natuurlijk uit kunnen groeien. Om verschillende soorten en volwassen bomen in het park te kunnen hebben wordt de grondwaterstand precies zo gehouden dat deze overleven. De verlaagde waterstand zorgt echter voor oxidatie en inklinking van de veenbodem waardoor deze periodiek aangevuld wordt.
De dynamiek van de beplanting is groot in een heempark. De kruiden en planten blijven niet vast op hun plek staan maar verspreiden zich door bijvoorbeeld uitzaaien en uitlopers. Het natuurlijk ogende park vergt zeer intensief onderhoud door gespecialiseerd personeel dat voortdurend de afweging maakt waar ze de natuur haar gang laat gaan en waar ze ingrijpt. Kruiden moeten met de hand worden uitgetrokken om gewenste zaailingen over te houden. De continuïteit en intensiteit van het onderhoud heeft erin geresulteerd dat het park in goede staat verkeert.
Waardering
Het J.P. THIJSSEPARK is van algemeen en tuinhistorisch belang vanwege:
- de plaats in de nationale en Europese tuinarchitectuurgeschiedenis,
- de invloed op Nederlandse ontwerpers en het publiek met betrekking tot het ontwerpen en tuinieren met wilde planten,
- de harmonische compositie en esthetische samenhang met inheemse beplanting,
- de plaats binnen het oeuvre van C.P. Broerse,
- de gaafheid; de goede architectonische en materiële staat,
- de uniciteit.
English translation
The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com
Description
Introduction
The J.P. THIJSSEPARK is an elongated public park with walking paths alongside native planting, laid out in the first half of the twentieth century as a transitional area between the Amsterdamse Bos and an Amstelveense villa neighbourhood.
The municipality of Nieuwer-Amstel was until the nineteen-twenties an agricultural municipality in a polder landscape with meadows. The village of Nieuwer-Amstel formed the centre. Like adjacent Amsterdam, the municipality of Nieuwer-Amstel came forward with expansion plans in this period. The municipality hoped to attract commuters by creating a green residential environment in Amstelveen.
The Standing Committee for Expansion Plans in North Holland had the task of steering the Amstelveense and Amsterdam expansion plans in the right direction. The Committee already deliberated in 1925 on the Nieuwer-Amstel expansion plan of 1924. The Committee paid special attention to urban greenery and natural beauty, including the Bosplan. The forest plan provided for the creation of a large (700 hectare) urban recreation area with forest, meadows and water, the Amsterdamse Bos. The Amsterdamse Bos forms the boundary with Amstelveen. On the Amstelveense edge of the Amsterdamse Bos, people were keen to see more greenery that would extend further between the buildings (the J.P. Thijssepark). The plots bordering the forest would, by their location and increased value, be suitable for a rural form of development. In 1937 the forest plan was approved by the municipality of Amsterdam. The basic plan for the municipality of Nieuwer-Amstel was approved in 1935. In 1964 the name of the administrative region Nieuwer-Amstel changed to Amstelveen, due to Amstelveen's growth.
Due to economic hardship in the late nineteen-thirties, the issue of plots for house building stagnated. With a view to job creation, the municipal administration urged accelerated development of the public parks. In 1939 the municipality gave permission for the development of the first heempark, De Braak, and a year later work began on the J.P. Thijssepark.
Department of Parks In 1927 the 25-year-old head gardener C.P. (Chris) Broerse (1902-1995) was appointed as municipal parks manager. As early as 1931 he was promoted to director of the municipal Department of Parks and Zorgvlied Cemetery, established that same year, and was responsible for the design and development of new parks. He received assistance in 1938 from J. (Koos) Landwehr (1911-1996), who had to close his nursery due to the development of the Amsterdamse Bos. Landwehr was, besides a plant expert, also a draughtsman and illustrated the botanical works which he himself wrote. Broerse and Landwehr were the founders of a new nature-style that after 1945 had great influence in the Netherlands and also represents, from an international perspective, a new direction in garden art.
Broerse developed into a prolific designer; much of Amstelveen's parks and gardens were designed by him. In addition, between 1946 and 1954 he drew some 300 plans for the replanting of Walcheren. Broerse broke through internationally with his heemgarden at the International Horticultural Exhibition Floriade in Rotterdam (1960). Furthermore, he was chairman of the Association of Dutch Garden Architects (BNT) for many years and wrote many articles. He promoted working with native planting among colleagues in other municipalities. Broerse remained employed by the municipality of Amstelveen until his retirement. His work was honoured in 1976 with the J.T.P. Bijhouwer Prize for garden and landscape architecture for the "exceptionally creative and artistic qualities of his entire oeuvre". It was further noted: "While not imitating the natural order, Mr. Broerse is able to find convincing solutions for ever different starting points. ... Because of this work of truly international calibre and because of his extensive knowledge of Dutch flora and his use of it, Mr. Broerse is awarded the J.T.P. Bijhouwer Prize".
Origins of J.P. Thijssepark At the end of the nineteenth century there were already various societies in the Netherlands for the study of flora and fauna. They had a small membership of academics and expert amateurs. From 1900 onwards the popularization of botany and biology takes off. Various publications appear, including De Levende Natuur and the Verkade albums. In particular the Verkade albums with lively texts by Jac. P. Thijsse and attractive illustrations, bring nature into the homes of a large public. The interest in nature, plant communities and wild plants eventually led to these being given a place in garden art from the nineteen-twenties onwards.
Broerse's plan for the J.P. Thijssepark included in the northern corner some buildings with single or double villas. The Amsterdamse Bos had to be brought into harmony with this villa development. The relatively wide Landscheidingsvaart and Hoornsloot lay between the forest and the park, and parallel to them the green transitional zone was to come. Broerse created a spatial layout of water, open and dense planting on a narrow strip of land. In addition to meandering water features, a 'mound' was created in the far northwest corner of the park. From the mound there was a fine view over the Amsterdamse Bos, several metres lower, which was being developed at that time, and on the other side over the low-lying pond. There was no physical connection to the Amsterdamse Bos.
The initial situation for the Thijssepark was a wet meadow on peat soil. Unlike the Braak, the native planting was grouped less sociologically (according to plant communities) and more variation was introduced. Nonetheless, the park gives a picture of natural species combinations and of different landscape types on peat such as a raised bog, lowland bog and heathland. Vegetation succession stages (from water to marsh) are also present. However, the beauty of the native plant was paramount.
The park reached its present size in three phases. Work began in 1940 on the northern side, bordering the Hoornsloot, the watershed with the Amsterdamse Bos. During the Second World War, in 1942, the execution of the plan was halted. A quarter of the park from the entrance at the Prins Bernhardlaan to the mound had been completed by then. After the war work resumed. Work on the central section began in 1949. South of the completed J.P. Thijssepark, 60 large building plots could be issued, but this progressed slowly. Pending development, sports fields were planned here, which are still in use today. The final section, the area between the Oude Karselaan and the sports park was developed in 1972 by Broerse's successor B.J. Galjaard together with J. Landwehr. To make the narrow plot (optically) wider, part of the underlying ditch had to be filled. The park was named in the early nineteen-fifties after the aforementioned J.P. Thijsse (1865-1945), who played an important role in nature education and was also founder of the Society for the Preservation of Nature Monuments.
The hook-shaped J.P. Thijssepark is located in the northwest of Amstelveen, east of the Amsterdamse Bos. The boundaries are indicated on the accompanying map.
Description
J.P. THIJSSEPARK. Various relatively hidden entrances, at the Prins Bernhardlaan, Prinses Irenelaan (2) and the Amsterdamseweg, give access to the park. Narrow paths wind through a growth of trees, dense shrubs and herbaceous plants to open spaces of varying size and offer views of the ponds with changing planting: a picturesque image. The planting emphasizes the change of the seasons and provides variety in form, texture and colour. Solitary trees enhance the sense of depth and distinguish a path or space. The open spaces are relatively enclosed and flow into one another through corridors of walking paths (closed canopy) seamlessly. There is a great sense of depth because the path cannot be seen along its winding course, and also because the surroundings on either side largely remain hidden by planting along the edges. Here and there a view has been created over the Hoornsloot towards the Amsterdamse Bos. The paths have names referring to local planting such as cowberry path, heathland path and bellflower path and are indicated on wooden direction signs. The ven, a forty-metre-wide pond with rich bank planting and undulating shoreline, is the largest open space in the park. The ponds are connected to the Hoornsloot and the Landscheidingsvaart; occasionally locks or low dams have been installed to properly regulate water management. Where banks need revetment (and the bank is in view), the revetment is constructed from branches and logs.
Due to high (winter) water levels, trees have little space to root and are sometimes too heavy or lean over. Some trees for this reason have been pollarded or topped. Characteristic are the multi-stemmed trees that can grow naturally. To have different species and mature trees in the park, the groundwater level is maintained precisely so that they survive. The lowered water level, however, causes oxidation and settlement of the peat soil, which is therefore periodically replenished.
The dynamics of planting is great in a heempark. The herbaceous plants do not remain fixed in their places but spread by, for example, self-seeding and runners. The naturally appearing park requires very intensive maintenance by specialized staff who continuously assess where to let nature take its course and where to intervene. Herbaceous plants must be removed by hand to retain desired seedlings. The continuity and intensity of maintenance has resulted in the park being in good condition.
Valuation
The J.P. THIJSSEPARK is of general and garden-historical importance because of:
- its place in the national and European garden architecture history,
- its influence on Dutch designers and the public regarding the design and cultivation of wild plants,
- the harmonious composition and aesthetic coherence with native planting,
- its place within the oeuvre of C.P. Broerse,
- its integrity; the good architectural and material condition,
- its uniqueness.
Nearby in the register
- Verkeersobject, Amsterdamseweg bij 212Verkeersobjectunder 1 mi
- Handel en kantoor, Amsterdamseweg bij 204Handel en kantoorunder 1 mi
- Kantoorgebouw Van Leer's VatenfabrHandel en kantoorunder 1 mi
- Park, Amsterdamseweg bij 204Tuin, park en plantsoenunder 1 mi
Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.