TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Plofsluis

Nieuwegein, Utrecht, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Fort, vesting en -onderdelen
Category
onroerend gebouwd
Address
Plofsluis Nieuwegein te Nieuwegein
Place
Nieuwegein
Province
Utrecht
Country
Netherlands
Coordinates
52.03473, 5.11494
Monument number
531560

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries

5 historical maps cover this location, the earliest the 1637 map "The Bishoprick of Ultraiectum. Ultraiectum Dominium" (David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

Cluster 51. Plofsluis.

NIEUWE HOLLANDSE WATERLINIE

Inleiding

De Nieuwe Hollandse Waterlinie vormde van 1815 tot februari 1940 de hoofddefensielinie van het Koninkrijk der Nederlanden. De 85 kilometer lange verdedigingslinie die is gebaseerd op een uitgestrekte waterbarrière gesteund door militaire versterkingen, strekte zich uit van de Zuiderzee bij Muiden tot aan de Biesbosch bij Werkendam. De breedte varieerde van slechts enkele honderden meters ten oosten van Utrecht, tot 7,5 km en zelfs meer dan 10 km in de Vijfheerenlanden. Het typisch Hollandse defensiesysteem van inundaties was de verbeterde voortzetting van de eens zo succesvolle (oude) Hollandse Waterlinie uit 1672. Het concept voor een waterlinie dateert al uit 1589, toen prins Maurits opdracht kreeg van de Staten van Utrecht en Holland om te onderzoeken hoe de jonge Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden op een zo efficiënt mogelijke manier kon worden verdedigd. Door een optimaal gebruik van de geografische omstandigheden kon een bijzondere verdedigingslinie worden aangelegd. Daar waar hoog Nederland overgaat in het laag gelegen poldergebied is het tamelijk eenvoudig om land onder water te zetten met behulp van sluizen of het doorsteken van dijken. Aan de tastbare onderdelen van deze voornamelijk 'papieren tijger' werd eeuwenlang gesleuteld. Na WOII speelde de Nieuwe Hollandse Waterlinie geen rol van betekenis meer in de hoofddefensie. En in 1951 werden veel onderdelen van de Linie gedeclassificeerd, waarmee de opheffing van de Linie als zodanig een feit was.

Een verbeterde Waterlinie

De grond- en waterslag voor een verbeterde nieuwe Hollandse Waterlinie werd gelegd in de Franse tijd in 1796/97 door de directeur der Hollandse Fortificatiën C.R.T. Kraijenhoff. In zijn Memorie betreffende de eerste of capitale Waterlinie beschrijft Kraijenhoff gedetailleerd hoe de (oude) Hollandse Waterlinie er toen voorstond en geeft hij aan hoe deze Linie verbeterd zou moeten worden. Tevens bepleit hij een oostwaartse verlegging van de Linie om de stad Utrecht binnen de Linie te brengen, beschermd door een aaneenschakeling van voorposten. Niet alleen omdat Utrecht een belangrijke garnizoensstad was, maar vooral om te voorkomen dat de vijand de waterhindernis zou kunnen aftappen. De aanbevelingen die hij deed vormden het concept voor wat later de Nieuwe Hollandse Waterlinie gaat worden. In 1811 werden de plannen zelfs door Keizer Napoleon goedgekeurd: La ligne de Naarden à Gorcum doit donc être considérée comme la vraie ligne de l'Empire. Mede vanwege militaire en politieke ontwikkelingen werd het plan echter niet verder uitgewerkt. Na het vertrek van de Fransen, bij de aanloop tot het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden in het najaar van 1814, diende Kraijenhoff opnieuw een nota in, waarin zijn voorstellen uit 1796 en 1811 waren geactualiseerd. Daarop besloot Koning Willem I in het voorjaar van 1815 tot de aanleg van een nieuwe Waterlinie, toen nog 'Utrechtse Linie' genoemd. De militaire en waterstaatkundige werken voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie zouden het grootste en duurste infrastructurele project worden dat ooit in Nederland is uitgevoerd.

Bouwen aan een perfect systeem

Evenals de 'Oude' Hollandse Waterlinie steunde de 'Nieuwe' op uitgebreide - maar nu beter beheersbare - inundaties, waarbij forten en batterijen de inlaatpunten (sluizen) beschermden en de niet te inunderen terreinstroken en andere accessen afsloten. Samen met de waterbouwkundige Jan Blanken, inspecteur-generaal van Waterstaat, ontwikkelde Kraijenhoff als inspecteur-generaal der Fortificaties (1814-1826) de 'natte' plannen voor de Nieuwe Waterlinie en werd opdracht gegeven aan majoor-ingenieur Willem Offerhaus voor de bouw van een fortenkring om Utrecht. Tot aan Nieuwersluis werd het tracé van de (oude) Hollandse Waterlinie langs de Vecht aangehouden. Vanaf Nieuwersluis volgde de nieuwe linie de Vecht, tot enkele kilometers ten noorden van Utrecht. Daar moest de linie oostelijk om de stad heen buigen, om vervolgens langs de Vaartse Rijn verder te gaan tot aan de sluizen van Vreeswijk aan de Lek. Voorts sloot de nieuwe Waterlinie aan op het zuidelijke tracé dat in 1787 was verplaatst naar de Diefdijk en de Linge. Er dienden vijf zogenaamde 'inundatiekommen' te komen met op de accessen permanente verdedigingswerken. Op een zestal cruciale plekken werden door Blanken ontworpen waaiersluizen gebouwd. Deze sluizen, die zelfs tegen hoog water in geopend konden worden, waren ideaal voor militaire inundaties. De inrichting van een optimaal inundatiestelsel en de aanleg van de onmisbare permanente verdedigingswerken duurden, met onderbrekingen, van 1815 tot 1886. Dat de realisatie van de nieuwe Waterlinie zoveel tijd kostte, had alles te maken met de (internationale) politieke en militair-technische ontwikkelingen en de ingrijpende infrastructurele en waterstaatkundige veranderingen gedurende de negentiende eeuw. We kunnen in die eeuw een viertal bouwperioden onderscheiden. In de eerste fase van 1815-1826 werden de versterkingen rondom Utrecht gerealiseerd. Vervolgens bouwde de Dienst der Fortificatiën van 1841 tot 1864 de torenforten bij de rivieraccessen en tussen 1867-1872 vonden overal in de Linie verbeteringen plaats. Ten slotte werden tussen 1871 en 1886 de laatste forten van de Linie gebouwd. In de twintigste eeuw veranderden de militaire tactieken drastisch en werden veldversterkingen tussen de forten aangelegd met diverse werken van gewapend beton.

Bouwfasen in de negentiende eeuw

Gedurende de eerste bouwfase werd tussen 1816 en 1826 op de kwetsbare accessen rondom Utrecht een vijftal forten gebouwd. De eenvoudige werken bestonden uit aarden omwallingen, die precies in het hart van de te beveiligen weg of kade waren gelegen. De forten werden omgeven door een gracht en op de hoofdwal was de opstelplaats voor het geschut. De vorm en de omvang van de forten werden bepaald door de breedte van het acces en de ligging van de inundatiemiddelen. Op de hoog gelegen - en dus niet te inunderen - Houtense Vlakte werden vier lunetten gebouwd. Deze V-vormige versterkingen werden voorzien van zware bakstenen bekledingsmuren. Ten zuiden van Utrecht bouwde men ter bescherming van de inundatiesluizen forten bij Jutphaas, Vreeswijk en Culemborg. De volgende bouwfase diende zich aan nadat Nederland in 1839 België als onafhankelijke staat had erkend. Reorganisatie en vernieuwing van het verdedigingsstelsel waren nodig. Koning Willem II besloot tot een geconcentreerde verdediging, met de Nieuwe Hollandse Waterlinie als hoofddefensielinie. De vestingen en linies aan de landsgrenzen dienden om een eventuele vijandelijke opmars te vertragen, zodat de inundaties van Waterlinie tijdig konden worden gerealiseerd. De tweede actieve bouwperiode van de waterlinie duurde van 1841 tot 1864 en vond plaats, ondanks ingrijpende bezuinigingen op defensie (de omvang van het leger werd gehalveerd). Onder leiding van genieofficier Merkes van Gendt werden op de dijkaccessen langs de rivieren torenforten gebouwd. Bij de rivieraccessen van de Vecht, Lek, Linge en Waal verrezen ronde bakstenen torenforten. In diezelfde periode kregen veel kleinere werken van de linie 'bomvrije' gebouwen o.a. in de vorm van vierkante wachthuizen binnen de redoutes. Met de Napoleontische term 'bomvrij' (à l' epreuve de bombe) bedoelde men dat ze bestand waren tegen contemporain geschut. Het waren veelal wachthuizen met zware, gemetselde muren. Enige versterkingen op de dijkaccessen in het Vechtplassengebied, die nog uit de Franse tijd dateerden, werden vervangen door eenvoudige forten of redoutes. In 1853 werd de Kringenwet ingevoerd die bepaalde dat er binnen cirkel van 1000 meter van de forten beperkte bouw- en beplantingsvoorschriften golden i.v.m. een vrij schootsveld. Binnen deze kringen vinden we dan ook soms houten bebouwing. In 1951 werd de Kringenwet opgeschort en in 1963 ingetrokken. Omstreeks 1864 leek de Nieuwe Hollandse Waterlinie min of meer voltooid. Maar ontwikkelingen voor en tijdens de Frans-Duitse oorlog van 1870 brachten talloze tekortkomingen aan het licht, zowel op bouwkundig en wapentechnisch, als op tactisch gebied. Kolonel Kromhout kreeg de taak om de organisatie van de Waterlinie beter te structureren. Er waren veel te weinig bomvrije onderkomens voor manschappen en bomvrije magazijnen voor munitie. Bovendien bleken de zware muren van de hoge torenforten lang niet zo 'bomvrij' als ze heetten te zijn. Maar ook de nieuwe en de verbeterde 'bomvrije' forten bleken kort na oplevering alweer verouderd. In de daaropvolgende jaren werden de kwetsbare torens daarom beveiligd. Om de torens tegen directe treffers te beschermen, werd een zogenaamde 'contrescarp' aangebracht, een halfrondgaande aanaarding van een dik kleipakket of een gemetselde en aangeaarde galerij die los stond van de toren en daar in een ruime halve cirkelvorm omheen lag. Ook veel andere bomvrije wachthuizen kregen een stevige aarden dekking. De derde bouwperiode (1867- ca. 1872) volgde o.a. na de uitvindingen van geschut met een getrokken loop (ca. 1860). Dit ver dragende en nauwkeuriger geschut maakte duidelijk dat de werken in de Waterlinie toch zeer kwetsbaar waren. De forten misten dekkingsmogelijkheden voor manschappen en materieel. Er was behoefte aan bomvrije remises voor geschut en bomvrije kazernes voor de manschappen. Bovendien dienden de wallen te worden verzwaard. Door de toegenomen reikwijdte van de projectielen moesten de steden Naarden en Utrecht, die in de frontlinie kwamen te liggen, op grotere afstand worden verdedigd. Daarom werden vooruitgeschoven posten aangelegd. Het centraal gelegen Utrecht was al een kruispunt van wegen, maar werd sinds de jaren '60 ook een knooppunt van een nieuwe vorm van infrastructuur: de spoorwegen. De ring van zes oudere forten die Utrecht beschermde, lag ten opzichte van de mogelijke posities van vijandelijk geschut te dicht bij de stad. Daarom werd nog verder oostwaarts van de Domstad een tweede, vooruitgeschoven fortenkring aangelegd. Verder vonden langs de Lek verbeteringen plaats voor mogelijke onderwaterzettingen rond Utrecht: er kwam een nieuwe inlaatsluis bij Wijk bij Duurstede en er vonden verbeteringen plaats bij Honswijk. Begin jaren '70 realiseerde de regering zich dat het Nederlandse defensieapparaat de afgelopen dertig jaar sterk onder de bezuinigingen had geleden. Daarom diende de Minister van Oorlog de Vestingwet van 1874 in. Deze kende o.a. prioriteit toe aan de verbetering en vernieuwing van de Nieuwe Hollandse Waterlinie als hoeksteen van de Nederlandse verdediging. Binnen acht jaar moesten nieuwe werkzaamheden voor de hoofdverdedigingslinie worden verwezenlijkt (ruim 10 miljoen gulden). Daarmee ging men de vierde bouwperiode (ca. 1871-1886) in, die in feite een voortzetting was van de derde, maar op andere gronden. De Waterlinie was nog maar amper ingericht volgens de laatste eisen van een grote defensieve kracht, of in 1885 werd de brisantgranaat ingevoerd. Tegen dit explosieve projectiel was geen fort bestand. L'histoire se repète: op slag waren de forten van de gemoderniseerde Waterlinie weer verouderd en dus onbruikbaar. De geschiedenis van de vestingbouw leert dat de ontwikkelingen van de verdedigingsmethoden voortdurend achterlopen op die van de aanvalswapens. De forten bleken niet meer geschikt als opstellingsplaats voor vestinggeschut. Om trefkans te voorkomen, moesten manschappen en geschut worden gespreid in het linielandschap. De forten vervulden nog wel een rol als stormvrij infanteriesteunpunt. Sindsdien speelde 'maskering'(camouflage) door beplantingen op en bij de forten een rol. In deze periode werden op veel forten, behalve fortwachterswoningen, ook houten genie- en artillerieloodsen gebouwd om het materieel in vredestijd vochtvrij te stallen. Ondertussen vond toch op grote schaal nieuwbouw plaats in de Waterlinie. Van noord tot zuid verrezen nieuwe forten en batterijen in de Linie om een aaneengesloten 'snoer' van steunpunten op bepaalde afstand van elkaar te realiseren. Daarna kwam de fortenbouw tot stilstand. Het nut en de kracht van de kostenverslindende en snel verouderende forten van de Waterlinie stonden aan het eind van de negentiende eeuw ter discussie. Het accent werd van de zogenaamde 'dode weermiddelen' verlegd naar de levende, mobiele strijdkrachten die verspreid in veldversterkingen in de Linie zouden moeten opereren om een stormaanval met de nieuwste wapens te weerstaan.

WOI en WOII

Tijdens de mobilisaties van WOI en WOII werd een groot aantal veldversterkingen voor artillerie, infanterie en munitieopslag aangelegd. Loopgravenstelsels, groepsnesten, prikkeldraadversperringen, gevechtswagenversperringen en tankgrachten bepaalden het gezicht van de jongste Waterlinie. Ook bouwde men honderden betonnen groepsschuilplaatsen en vele mitrailleurkazematten tussen de forten in het linielandschap. Op en bij de forten verschenen de moderne golfplaten Nissen-hutten en Romney-loodsen voor diverse doeleinden.

PLOFSLUIS

Inleiding

PLOFSLUIS, als vitaal onderdeel van het inundatiesysteem in het gebied tussen de Lek en het IJsselmeer. Het verdedigingssysteem van de Nieuwe Hollandse Waterlinie was in de eerste plaats gebaseerd op het gecontroleerd onder water zetten van (grote) terreinoppervlakken. Gecontroleerde inundatie vergde een ingenieus systeem van waterwerken, zoals sluizen, stuwen en kanalen, waarmee het noodzakelijke peil snel en binnen nauwe grenzen gesteld en gehandhaafd kon worden. Er werden verschillende typen sluizen toegepast, afhankelijk van de plaats waar ze in het systeem functioneerden. Soms werden reeds bestaande scheepvaart-, uitwaterings- of keersluizen gebruikt, maar ook zijn er vele nieuwe gebouwd of bestaande (sterk) aangepast. De zogenoemde Plofsluis in het Amsterdam-Rijnkanaal, nabij de westelijke aftakking van het Lekkanaal, is een unieke variant van de keersluis, een sluistype dat als primair doel heeft water te keren. De bouw van de Plofsluis was het gevolg van de aanleg van het Amsterdam-Rijnkanaal, dat verruiming en gedeeltelijke vervanging van het van omstreeks 1890 daterende Merwedekanaal inhield. Het Amsterdam-Rijnkanaal kwam in twee fasen tot stand: de eerste fase - het kanaal ten noorden van de Lek van Amsterdam tot aan Wijk bij Duurstede en het Lekkanaal - kwam nog grotendeels gereed vóór het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Het gedeelte van Wijk tot aan Tiel werd pas na de oorlog, in 1952, opgeleverd. Het Amsterdam-Rijnkanaal doorsneed de inundatievelden ten zuiden en ten oosten van Utrecht en zou een onacceptabele verzwakking van de landsverdediging in dit gebied teweegbrengen: de inundatievelden zouden leegstromen via het nieuwe kanaal. Om dit tegen te gaan en de scheepvaart niet onnodig te hinderen is besloten een serie met stortmateriaal te vullen betonnen silo's boven het kanaal aan te leggen, die door opblazen de totale waterloop zouden afsluiten en hiermee ook het acces via het kanaal. In 1937 begon Rijkswaterstaat met de bouw, maar toen de oorlog in mei 1940 ook op Nederlands grondgebied losbarstte, was de Plofsluis nog niet voltooid. De werkzaamheden zijn uiteindelijk niet afgerond en de Plofsluis heeft dus nooit dienst gedaan voor de beoogde functie. Wel zijn er later een schietbaan en opslag voor vervuilde grond in ondergebracht. Aan de noordzijde is tegen de Plofsluis een brug over het Amsterdam-Rijnkanaal geconstrueerd. Deze brug en de in het verlengde ervan gelegen stalen boogbrug over het Lekkanaal (geopend 1938). De iets verderop gelegen Overeindseweg was deels zuidwaarts verlegd, waardoor deze weg via de beide bruggen over de kanalen werd geleid. De brug over het Lekkanaal is uitgevoerd als een boogbrug met verstijfde liggers en de brug is geheel geklonken. De verbinding met de brug naast de Plofsluis en de zuidwaartse aansluiting naar de Vuilcopsekanaaldijk (de westelijke weg langs het Amsterdam-Rijnkanaal) zijn ten dele gebouwd als gewapend betonnen plaatbruggen op betonnen pijlers (ook wel: viaducten). Het laatste segment werd echter uitgevoerd als houten brug, om het eventueel gemakkelijk te kunnen vernietigen en zo het acces af te sluiten. Later is dit deel vervangen door een eveneens betonnen plaatbrug - zij het gedragen door stalen kolommen. Deze werken vormen de aanbrug aan de westzijde van de brug naast de Plofsluis. Dit deel van de brug leidt over en ligt deels op het authentieke westelijke landhoofd van de Plofsluis. Het landhoofd zelf bevat een aantal aan de sluis verwante functies die in een gewapend betonnen constructie zijn ondergebracht en die nog goed herkenbaar zijn. Aan de oostzijde van de Plofsluis was een vergelijkbare constructie gerealiseerd, maar hiervan is veel minder bewaard gebleven. Met name de betonnen en de houten aanbruggen zijn verdwenen. De betonnen constructie is deels opgegaan in een ovaal aardlichaam dat tot stand kwam bij de verbreding van het Amsterdam-Rijnkanaal. In 1982 besloot men het kanaal te vergraven en aan de oostkant om de Plofsluis heen te leiden, aangezien de scheepvaart veel hinder ondervond van de smalle doorvaart ter hoogte van het kunstwerk.

Ligging en relatie met andere complexen.

De PLOFSLUIS ligt over het Amsterdam-Rijnkanaal, bij de afsplitsing van het Lekkanaal. De sluis kon bewerkstelligen dat als de nabijgelegen inundatievelden onder water gezet zouden worden in tijden van oorlog, de velden niet via het kanaal weer leeg zouden lopen. Ten westnoordwesten van de sluis ligt het Fort bij Jutphaas, een van de oudste onderdelen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie (1819-1820). Het fort kwam in de tweede linie te liggen door de aanleg van de Batterijen aan de Overeindseweg, ten noorden en noordoosten van de Plofsluis. Ten zuiden van de Plofsluis bevinden zich onder meer werken langs het Lekkanaal. Onder deze concentraties van werken bevinden zich - naast enkele sluizen met een civiele en militaire functie - ook resten van enige gietstalen koepelkazematten, die mede als verdediging van de Plofsluis dienden.

Omschrijving

De PLOFSLUIS (1937-1940) is te beschouwen als een keersluis, maar dan van een uniek type. De sluis bestaat uit een boven het Amsterdam-Rijnkanaal gebouwde reeks van vijf betonnen compartimenten of silo's met relatief zwakke bodem, waarin stortmateriaal in de vorm van zand, grind en / of puin zou worden opgetast. Bij oorlogsdreiging kon men de bodem laten springen, waardoor de inhoud in de onderliggende waterweg zou storten en daarmee de vaarweg voor de vijand zou afsluiten en bovendien zou voorkomen dat water via het kanaal de inundatievelden verliet. De sluisfunctie kon dus slechts geactiveerd worden door de Plofsluis als zodanig op te blazen. De lengte van de sluis bedraagt ongeveer 70 meter, de breedte ongeveer 40 m en de hoogte 10 m, bij een hoogte van ongeveer 6 m boven het kanaalpeil. De overspanning bestaat uit vijf parallelle compartimenten die in totaal met zo'n 40.000 ton stortmateriaal zouden worden gevuld. De constructie kent één centrale, langgerekte, afgeronde betonnen pijler met aan weerszijden een doorvaartopening en eveneens zware betonnen landhoofden. Door de verlegging van het kanaal reikt de sluis niet meer van kanaaloever tot kanaaloever, maar ligt het oostelijk landhoofd nu op een ovaal schiereiland. Dit schiereiland is een restant van de vroegere oostoever van het Amsterdam-Rijnkanaal en het omvat binnen de gewapend betonnen landhoofden nog verschillende ruimten waarin destijds met de Plofsluis verbonden functies en voorzieningen waren of dienden te worden ondergebracht. Te noemen zijn een bemalingsinstallatie en een kelder voor een brandstoftank, zogenoemde 'riolen' en bergplaatsen voor schotbalken. De brug naast de Plofsluis, die bestaat uit een gewapend betonnen rijvloer met aan de noordzijde een ijzeren balustrade van horizontale stroken op balusters, breekt hier plotseling af. Op het aan de westzijde gelegen hoofd bleven veel meer oorspronkelijke kenmerken en elementen bewaard. Behalve dezelfde typen ruimten en hun functies bleef hier met name de aanbrug (het viaduct) intact. Dit viaduct bestaat uit een gedeelte dat in het verlengde van de brug naast de Plofsluis ligt. Dit deel leidt op betonnen palen naar de Overeindsebrug en wordt tweezijdig begeleid door hetzelfde type balustrade. Op het oostelijke landhoofd splitst het viaduct zich en takt een zuidwaartse aansluiting af naar de Vuilcopsekanaaldijk. Dit type wegen over viaducten, compleet met authentieke vooroorlogse beveiliging - is tamelijk schaars geworden. Beide landhoofden omvatten aan de zuidzijde een vooruitstekende betonnen hoofden, terwijl aan het zuidwestelijke hoofd een stalen damwand aansluit. In beide landhoofden is onder de plofsluis verder een stel stalen puntdeuren geplaatst en tevens zijn er voorzieningen voor het inlaten van schotbalken. De begrenzing van het beschermde object strekt zich zover uit als de desbetreffende kaart laat zien.

Waardering

De PLOFSLUIS is van algemeen belang vanwege:

* Cultuurhistorische waarden als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zoals deze is ontworpen door C.R.T. Kraijenhoff en in eerste aanleg vanaf 1815 door hem, Jan Blanken en majoor-ingenieur Willem Offerhaus is gerealiseerd en daarna door anderen gedurende meer dan 125 jaar is versterkt en verbeterd.

* Architectuurhistorische waarden in het bijzonder als uiting van de aan de militair-strategische doelen gelieerde weg- en waterbouwkunde, die gebaseerd is op het systeem van inundatie en accesverdediging (20ste eeuw).

Het betreft hier een uniek voorbeeld van een grote betonnen overspanning van een vaarweg die door opblazen ervan een cruciale, afsluitende rol had moeten spelen in het inundatiesysteem van het gebied tussen Lek en Zuiderzee. Het is verder een voorbeeld van een schaars voorkomend type weg en brug/viaduct uit de vooroorlogse jaren.

* Krijgshistorische waarden als onderdeel van een aaneengesloten militaire verdedigingslinie tussen de voormalige Zuiderzee en de Biesbosch. Deze bestond hoofdzakelijk uit een samenhangend systeem van inundatievelden en bijbehorende inundatiemiddelen en van schootsvelden. Dit systeem werd aangevuld met diverse, uit verschillende perioden daterende typen gebouwde of aangelegde (verdedigings)werken die dienden tot of bijdroegen aan afsluiting van niet te inunderen terreinen of andere accessen.

* Ensemblewaarde en situationele waarden vanwege zijn ligging en functioneren binnen het systeem van de Nieuwe Hollandse Waterlinie in het algemeen en in het bijzonder in de directe relatie tot de Batterijen aan de Overeindseweg en de werken nabij het Lekkanaal.

* De Plofsluis is uniek omdat het bouwwerk het enige tot stand gebrachte voorbeeld van een door middel van het opblazen van het werk te activeren grootschalige keersluis is en het is karakteristiek omdat het nog steeds de fysieke onderdelen, kenmerken en vele van de omgevingskenmerken vertoont die destijds tot bouw aanleiding waren.

* De Plofsluis is goed bewaard omdat vrijwel alle belangrijke onderdelen herkenbaar zijn gebleven en het beoogde functioneren ervan nog goed in de ruimtelijke context is waar te nemen. Hetzelfde geldt voor de in aan het bouwwerk opgenomen en gekoppelde onderdelen en functies en voor de brug / het viaduct.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

Cluster 51. Plofsluis.

NEW HOLLAND WATERLINE

Introduction

The New Holland Waterline formed the main defensive line of the Kingdom of the Netherlands from 1815 until February 1940. The 85-kilometre-long defensive line, which was based on an extensive water barrier supported by military fortifications, stretched from the Zuiderzee at Muiden to the Biesbosch at Werkendam. The width varied from only a few hundred metres east of Utrecht to 7.5 km and even more than 10 km in the Vijfheerenlanden. The typically Dutch defensive system of inundations was the improved continuation of the once highly successful (old) Holland Waterline of 1672. The concept for a waterline dates back to 1589, when Prince Maurits was commissioned by the States of Utrecht and Holland to investigate how the young Republic of the Seven United Netherlands could be defended in the most efficient manner possible. By making optimal use of geographical circumstances, a special defensive line could be established. Where high Netherlands transitions into the low-lying polder area, it is fairly straightforward to inundate land by means of sluices or by breaching dykes. The tangible components of this mainly 'paper tiger' were tinkered with for centuries. After WWII, the New Holland Waterline no longer played a significant role in main defence. And in 1951, many components of the Line were declassified, effectively bringing about the dissolution of the Line as such.

An Improved Waterline

The groundwork for an improved new Holland Waterline was laid during the French period in 1796/97 by the director of Dutch Fortifications, C.R.T. Kraijenhoff. In his Memorandum concerning the first or capital Waterline, Kraijenhoff describes in detail how the (old) Holland Waterline stood at that time and indicates how this Line should be improved. He also advocates for an eastward relocation of the Line to bring the city of Utrecht within the Line, protected by a chain of outposts. Not only because Utrecht was an important garrison town, but especially to prevent the enemy from being able to drain the water obstacle. The recommendations he made formed the concept for what later became the New Holland Waterline. In 1811, the plans were even approved by Emperor Napoleon: La ligne de Naarden à Gorcum doit donc être considérée comme la vraie ligne de l'Empire. Due partly to military and political developments, the plan was not, however, pursued further. After the departure of the French, in the run-up to the new Kingdom of the Netherlands in autumn 1814, Kraijenhoff submitted a further memorandum in which his proposals from 1796 and 1811 had been updated. Upon this, King William I decided in spring 1815 to construct a new Waterline, then still called the 'Utrecht Line'. The military and water management works for the New Holland Waterline would become the largest and most expensive infrastructural project ever carried out in the Netherlands.

Building a Perfect System

Like the 'Old' Holland Waterline, the 'New' relied on extensive – but now better controllable – inundations, with forts and batteries protecting the inundation points (sluices) and closing off the non-inundatable terrain strips and other accesses. Together with the hydraulic engineer Jan Blanken, inspector-general of Public Works, Kraijenhoff as inspector-general of Fortifications (1814-1826) developed the 'wet' plans for the New Waterline, and major-engineer Willem Offerhaus was commissioned to build a ring of forts around Utrecht. As far as Nieuwersluis, the course of the (old) Holland Waterline along the Vecht was maintained. From Nieuwersluis, the new line followed the Vecht to several kilometres north of Utrecht. There the line had to bend eastwards around the city, then continuing along the Vaartse Rijn as far as the sluices of Vreeswijk on the Lek. Furthermore, the new Waterline connected to the southern course that had been relocated in 1787 to the Diefdijk and the Linge. Five so-called 'inundation basins' were to be created with permanent defensive works on the accesses. At six crucial locations, fan-shaped sluices designed by Blanken were built. These sluices, which could even be opened against high water, were ideal for military inundations. The establishment of an optimal inundation system and the construction of the essential permanent defensive works lasted, with interruptions, from 1815 to 1886. The fact that the realisation of the new Waterline took so much time had everything to do with (international) political and military-technical developments and the drastic infrastructural and water management changes during the nineteenth century. In that century, we can distinguish four building periods. In the first phase from 1815-1826, the fortifications around Utrecht were realised. Subsequently, from 1841 to 1864, the Department of Fortifications built tower forts at the river accesses, and between 1867-1872 improvements were made throughout the Line. Finally, between 1871 and 1886, the last forts of the Line were built. In the twentieth century, military tactics changed drastically and field fortifications between the forts were constructed with various reinforced concrete structures.

Building Phases in the Nineteenth Century

During the first building phase, between 1816 and 1826, five forts were built on the vulnerable accesses around Utrecht. The simple structures consisted of earth ramparts, which were positioned precisely in the heart of the access or quay to be protected. The forts were surrounded by a moat, and on the main rampart was the gun placement. The shape and size of the forts were determined by the width of the access and the position of the inundation facilities. On the elevated – and therefore non-inundatable – Houtense Plain, four lunettes were built. These V-shaped fortifications were provided with heavy brick facing walls. South of Utrecht, forts were built at Jutphaas, Vreeswijk and Culemborg to protect the inundation sluices. The next building phase ensued after the Netherlands recognised Belgium as an independent state in 1839. Reorganisation and renewal of the defence system were necessary. King William II decided on concentrated defence, with the New Holland Waterline as the main defensive line. The fortresses and lines at the land borders were to delay any potential enemy advance, so that the inundations of the Waterline could be realised in time. The second active building period of the waterline lasted from 1841 to 1864 and took place despite drastic defence budget cuts (the size of the army was halved). Under the leadership of engineer officer Merkes van Gendt, tower forts were built on the dyke accesses along the rivers. Round brick tower forts rose at the river accesses of the Vecht, Lek, Linge and Waal. In the same period, many smaller works of the line acquired 'bombproof' buildings, among other things in the form of square guardhouses within the redoubts. The Napoleonic term 'bombproof' (à l'épreuve de bombe) meant that they could withstand contemporary artillery. They were mostly guardhouses with heavy, mortared walls. Some fortifications on the dyke accesses in the Vechtplassen area, which still dated from the French period, were replaced by simple forts or redoubts. In 1853, the Ring Law was introduced, which stipulated that within a circle of 1000 metres of the forts, limited building and planting regulations applied with regard to a clear field of fire. Within these circles, we sometimes find wooden structures. In 1951, the Ring Law was suspended and in 1963 it was repealed. Around 1864, the New Holland Waterline appeared to be more or less complete. But developments before and during the Franco-German War of 1870 revealed numerous shortcomings, both in terms of construction and weapon technology, and on tactical grounds. Colonel Kromhout was tasked with better structuring the organisation of the Waterline. There were far too few bombproof shelters for personnel and bombproof magazines for ammunition. Moreover, the heavy walls of the tall tower forts proved to be far from as 'bombproof' as they were claimed to be. But the new and improved 'bombproof' forts also turned out to be outdated shortly after completion. In the following years, the vulnerable towers were therefore reinforced. To protect the towers against direct hits, a so-called 'contrescarp' was applied – a half-circling earthing with a thick layer of clay or a mortared and earthed gallery that stood separately from the tower and enclosed it in a spacious semicircular form. Many other bombproof guardhouses also received sturdy earth coverage. The third building period (1867 – c. 1872) followed among other things after the invention of rifled artillery (c. 1860). This long-range and more accurate artillery made clear that the works in the Waterline were indeed very vulnerable. The forts lacked shelter possibilities for personnel and materiel. There was a need for bombproof gun sheds and bombproof barracks for personnel. Moreover, the ramparts had to be reinforced. Due to the increased range of projectiles, the cities of Naarden and Utrecht, which came to be in the front line, had to be defended at a greater distance. Therefore, advanced outposts were established. The centrally located Utrecht was already a crossroads of roads, but from the 1860s onwards also became a hub of a new form of infrastructure: railways. The ring of six older forts that protected Utrecht was too close to the city relative to possible positions of enemy artillery. Therefore, a second, advanced ring of forts was constructed further to the east of the city. Further along the Lek, improvements were made for possible submersion around Utrecht: a new inundation sluice was created at Wijk bij Duurstede and improvements were made at Honswijk. In the early 1870s, the government realised that the Dutch defence apparatus had suffered greatly from budget cuts over the previous thirty years. Therefore, the Minister of War introduced the Fortification Act of 1874. This assigned, among other things, priority to the improvement and renewal of the New Holland Waterline as the cornerstone of Dutch defence. Within eight years, new works for the main defensive line had to be realised (over 10 million guilders). This ushered in the fourth building period (c. 1871-1886), which was in fact a continuation of the third, but on different grounds. The Waterline had barely been equipped according to the latest requirements of a powerful defensive force, when in 1885 the explosive shell was introduced. No fort could withstand this explosive projectile. History repeats itself: overnight, the forts of the modernised Waterline were again outdated and thus unusable. The history of fortification building teaches that the development of defence methods continually lag behind those of attack weapons. The forts proved no longer suitable as positions for fort artillery. To avoid being hit, personnel and guns had to be dispersed throughout the line landscape. The forts still fulfilled a role as storm-proof infantry support points. Since then, 'camouflage' through planting on and around the forts played a role. In this period, wooden engineering and artillery sheds were built on many forts, in addition to fort keeper's houses, to store materiel moisture-free in peacetime. Meanwhile, new construction took place on a large scale in the Waterline. From north to south, new forts and batteries rose in the Line to realise a connected 'string' of support points at certain distances from each other. After this, fort construction came to a halt. The utility and strength of the costly and rapidly obsolescent forts of the Waterline were debated at the end of the nineteenth century. The emphasis was shifted from the so-called 'dead means of defence' to the living, mobile armed forces that, dispersed in field fortifications in the Line, would have to operate to withstand a storm attack with the latest weapons.

WWI and WWII

During the mobilisations of WWI and WWII, a large number of field fortifications for artillery, infantry and ammunition storage were constructed. Trench systems, group nests, barbed wire barriers, anti-tank obstacles and anti-tank ditches characterised the face of the youngest Waterline. Hundreds of concrete group shelters and many machine-gun casemates were also built between the forts throughout the line landscape. Modern corrugated-iron Nissen huts and Romney sheds for various purposes appeared on and around the forts.

PLOFSLUIS

Introduction

PLOFSLUIS, as a vital component of the inundation system in the area between the Lek and the IJsselmeer. The defence system of the New Holland Waterline was primarily based on the controlled inundation of (large) terrain surfaces. Controlled inundation required an ingenious system of waterworks, such as sluices, weirs and canals, by means of which the necessary water level could be quickly set and maintained within narrow limits. Different types of sluices were used, depending on where they functioned in the system. Sometimes existing shipping, drainage or check sluices were used, but many new ones were also built or existing ones (substantially) modified. The so-called Plofsluis in the Amsterdam-Rhine Canal, near the western branch of the Lek Canal, is a unique variant of the check sluice, a type of sluice whose primary purpose is to hold back water. The construction of the Plofsluis resulted from the construction of the Amsterdam-Rhine Canal, which involved the expansion and partial replacement of the Merwede Canal dating from around 1890. The Amsterdam-Rhine Canal came into being in two phases: the first phase – the canal north of the Lek from Amsterdam to Wijk bij Duurstede and the Lek Canal – was largely completed before the outbreak of the Second World War. The section from Wijk to Tiel was only delivered after the war, in 1952. The Amsterdam-Rhine Canal intersected the inundation fields south and east of Utrecht and would cause an unacceptable weakening of national defence in this area: the inundation fields would drain via the new canal. To prevent this and not to unnecessarily hinder shipping, it was decided to construct a series of concrete silos filled with ballast material above the canal, which by detonation would block the entire water course and thus also close the access via the canal. In 1937, the State Waterboard began construction, but when war broke out on Dutch territory in May 1940, the Plofsluis was not yet complete. The work was ultimately not finished and the Plofsluis never served its intended function. However, a shooting range and storage for contaminated soil were later housed in it. On the north side, a bridge over the Amsterdam-Rhine Canal was constructed against the Plofsluis. This bridge and the steel arch bridge over the Lek Canal located in its extension (opened 1938). The nearby Overeindseweg had been partly relocated southwards, causing this road to be led via both bridges over the canals. The bridge over the Lek Canal is executed as an arch bridge with stiffened girders and the bridge is entirely riveted. The connection with the bridge next to the Plofsluis and the southward connection to the Vuilcopsekanaaldijk (the western road along the Amsterdam-Rhine Canal) were partly constructed as reinforced concrete slab bridges on concrete piers (also known as viaducts). However, the last segment was executed as a wooden bridge to enable easy destruction if necessary and thus to close the access. Later, this section was replaced by an equally concrete slab bridge – albeit supported by steel columns. These works form the approach bridge on the west side of the bridge next to the Plofsluis. This part of the bridge leads over and partly lies on the authentic western abutment of the Plofsluis. The abutment itself contains a number of functions related to the sluice, which are housed in a reinforced concrete structure and which are still clearly recognisable. On the east side of the Plofsluis, a similar structure was realised, but much less of it has been preserved. In particular, the concrete and wooden approach bridges have disappeared. The concrete structure has partly merged into an oval earth body that resulted from the widening of the Amsterdam-Rhine Canal. In 1982, it was decided to deepen the canal and to lead it around the Plofsluis on the east side, as shipping suffered considerable inconvenience from the narrow passage at the level of the structure.

Location and Relationship with Other Complexes.

The PLOFSLUIS is located over the Amsterdam-Rhine Canal, at the point where the Lek Canal branches off. The sluice could ensure that if the nearby inundation fields were inundated in times of war, the fields would not drain via the canal. About west-northwest of the sluice lies Fort bij Jutphaas, one of the oldest components of the New Holland Waterline (1819-1820). The fort came to lie in the second line due to the construction of the Batteries on the Overeindseweg, north and northeast of the Plofsluis. South of the Plofsluis are, among other things, works along the Lek Canal. Among these concentrations of works are – in addition to a few sluices with civilian and military functions – remains of some cast-steel dome casemates, which also served as defence of the Plofsluis.

Description

The PLOFSLUIS (1937-1940) is to be regarded as a check sluice, but of a unique type. The sluice consists of a series of five concrete compartments or silos built above the Amsterdam-Rhine Canal with relatively weak bottoms, in which ballast material in the form of sand, gravel and/or rubble would be stacked. In the event of war, the bottom could be blown up, causing the contents to fall into the underlying waterway and thus blocking the fairway for the enemy and furthermore preventing water from draining the inundation fields via the canal. The sluice function could therefore only be activated by blowing up the Plofsluis itself. The length of the sluice is approximately 70 metres, the width approximately 40 m and the height 10 m, with a height of approximately 6 m above the canal level. The span consists of five parallel compartments which would be filled in total with approximately 40,000 tons of ballast material. The structure has one central, elongated, rounded concrete pile with a passage opening on each side and similarly heavy concrete abutments. Due to the canal relocation, the sluice no longer extends from canal bank to canal bank, but the eastern abutment now lies on an oval peninsula. This peninsula is a remnant of the former east bank of the Amsterdam-Rhine Canal and it encompasses within the reinforced concrete abutments various spaces in which functions and facilities connected with the Plofsluis were or were to be housed at that time. These include a pumping station and a cellar for a fuel tank, so-called 'drainage pipes' and storage places for shutter beams. The bridge next to the Plofsluis, which consists of a reinforced concrete deck with an iron balustrade of horizontal strips on balusters on the north side, breaks off sharply here. On the abutment located on the west side, many more original features and elements were preserved. Apart from the same types of spaces and their functions, the approach bridge (the viaduct) was particularly preserved here intact. This viaduct consists of a section that is in line with the bridge next to the Plofsluis. This section leads on concrete piles towards the Overeindse Bridge and is accompanied on both sides by the same type of balustrade. On the eastern abutment, the viaduct branches and a southward connection branches off towards the Vuilcopsekanaaldijk. This type of roads over viaducts, complete with authentic pre-war protection, has become fairly rare. Both abutments comprise on the south side a projecting concrete head, while on the southwestern abutment a steel sheet-pile wall is attached. In both abutments, a set of steel pointed gates has been placed below the plofsluis and there are also provisions for inserting shutter beams. The delimitation of the protected object extends as far as the relevant map shows.

Valuation

The PLOFSLUIS is of general importance because of:

* Cultural-historical values as part of the New Holland Waterline as designed by C.R.T. Kraijenhoff and initially realised from 1815 by him, Jan Blanken and major-engineer Willem Offerhaus, and subsequently strengthened and improved by others for more than 125 years.

* Architectural-historical values, in particular as an expression of the road and hydraulic engineering linked to military-strategic objectives, which is based on the system of inundation and access defence (20th century).

This is a unique example of a large concrete span over a fairway which, by means of its detonation, was to play a crucial, closing role in the inundation system of the area between the Lek and the Zuiderzee. It is furthermore an example of a rare type of road and bridge/viaduct from the pre-war years.

* Military-historical values as part of a continuous military defensive line between the former Zuiderzee and the Biesbosch. This consisted mainly of a coherent system of inundation fields and associated inundation facilities and field of fire zones. This system was supplemented with various types of built or laid-out (defensive) works from different periods that served to or contributed to the closure of non-inundatable terrains or other accesses.

* Ensemble value and situational values because of its location and function within the system of the New Holland Waterline in general and in particular in the direct relationship to the Batteries on the Overeindseweg and the works near the Lek Canal.

* The Plofsluis is unique because the structure is the only realised example of a large-scale check sluice that could be activated by means of detonating the work itself, and it is characteristic because it still displays the physical components, features and many of the environmental characteristics that were responsible for its construction at that time.

* The Plofsluis is well preserved because virtually all important components have remained recognisable and its intended functioning can still be well perceived in the spatial context. The same applies to the components and functions incorporated and linked to the structure and to the bridge/viaduct.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map