TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Tussenstelling Utrecht

Utrecht, Utrecht, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Kazemat
Category
onroerend gebouwd
Built (approximately)
1939 - 1940
Address
nabij Waterlinieweg Utrecht (Bunnik 26)
Place
Utrecht
Municipality
Bunnik
Province
Utrecht
Country
Netherlands
Coordinates
52.07604, 5.16038
Monument number
531139

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

TU Delft Library

3 historical maps cover this location, the earliest the 1921 map "Bl. 18 Utrecht, 1921" (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

Cluster 43.

Groepsschuilplaats Type P

NIEUWE HOLLANDSE WATERLINIE

Inleiding

De Nieuwe Hollandse Waterlinie vormde van 1815 tot februari 1940 de hoofddefensielinie van het Koninkrijk der Nederlanden. De 85 kilometer lange verdedigingslinie die is gebaseerd op een uitgestrekte waterbarrière gesteund door militaire versterkingen, strekte zich uit van de Zuiderzee bij Muiden tot aan de Biesbosch bij Werkendam. De breedte varieerde van slechts enkele honderden meters ten oosten van Utrecht, tot 7,5 km en zelfs meer dan 10 km in de Vijfheerenlanden. Het typisch Hollandse defensiesysteem van inundaties was de verbeterde voortzetting van de eens zo succesvolle (oude) Hollandse Waterlinie uit 1672. Het concept voor een waterlinie dateert al uit 1589, toen prins Maurits opdracht kreeg van de Staten van Utrecht en Holland om te onderzoeken hoe de jonge Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden op een zo efficiënt mogelijke manier kon worden verdedigd. Door een optimaal gebruik van de geografische omstandigheden kon een bijzondere verdedigingslinie worden aangelegd. Daar waar hoog Nederland overgaat in het laag gelegen poldergebied is het tamelijk eenvoudig om land onder water te zetten met behulp van sluizen of het doorsteken van dijken. Aan de tastbare onderdelen van deze voornamelijk 'papieren tijger' werd eeuwenlang gesleuteld. Na WOII speelde de Nieuwe Hollandse Waterlinie geen rol van betekenis meer in de hoofddefensie. En in 1951 werden veel onderdelen van de Linie gedeclassificeerd, waarmee de opheffing van de Linie als zodanig een feit was.

Een verbeterde Waterlinie

De grond- en waterslag voor een verbeterde nieuwe Hollandse Waterlinie werd gelegd in de Franse tijd in 1796/97 door de directeur der Hollandse Fortificatiën C.R.T. Kraijenhoff. In zijn Memorie betreffende de eerste of capitale Waterlinie beschrijft Kraijenhoff gedetailleerd hoe de (oude) Hollandse Waterlinie er toen voorstond en geeft hij aan hoe deze Linie verbeterd zou moeten worden. Tevens bepleit hij een oostwaartse verlegging van de Linie om de stad Utrecht binnen de Linie te brengen, beschermd door een aaneenschakeling van voorposten. Niet alleen omdat Utrecht een belangrijke garnizoensstad was, maar vooral om te voorkomen dat de vijand de waterhindernis zou kunnen aftappen. De aanbevelingen die hij deed vormden het concept voor wat later de Nieuwe Hollandse Waterlinie gaat worden. In 1811 werden de plannen zelfs door Keizer Napoleon goedgekeurd: La ligne de Naarden à Gorcum doit donc être considérée comme la vraie ligne de l'Empire. Mede vanwege militaire en politieke ontwikkelingen werd het plan echter niet verder uitgewerkt. Na het vertrek van de Fransen, bij de aanloop tot het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden in het najaar van 1814, diende Kraijenhoff opnieuw een nota in, waarin zijn voorstellen uit 1796 en 1811 waren geactualiseerd. Daarop besloot Koning Willem I in het voorjaar van 1815 tot de aanleg van een nieuwe Waterlinie, toen nog 'Utrechtse Linie' genoemd. De militaire en waterstaatkundige werken voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie zouden het grootste en duurste infrastructurele project worden dat ooit in Nederland is uitgevoerd.

Bouwen aan een perfect systeem

Evenals de 'Oude' Hollandse Waterlinie steunde de 'Nieuwe' op uitgebreide - maar nu beter beheersbare - inundaties, waarbij forten en batterijen de inlaatpunten (sluizen) beschermden en de niet te inunderen terreinstroken en andere accessen afsloten. Samen met de waterbouwkundige Jan Blanken, inspecteur-generaal van Waterstaat, ontwikkelde Kraijenhoff als inspecteur-generaal der Fortificaties (1814-1826) de 'natte' plannen voor de Nieuwe Waterlinie en werd opdracht gegeven aan majoor-ingenieur Willem Offerhaus voor de bouw van een fortenkring om Utrecht. Tot aan Nieuwersluis werd het tracé van de (oude) Hollandse Waterlinie langs de Vecht aangehouden. Vanaf Nieuwersluis volgde de nieuwe linie de Vecht, tot enkele kilometers ten noorden van Utrecht. Daar moest de linie oostelijk om de stad heen buigen, om vervolgens langs de Vaartse Rijn verder te gaan tot aan de sluizen van Vreeswijk aan de Lek. Voorts sloot de nieuwe Waterlinie aan op het zuidelijke tracé dat in 1787 was verplaatst naar de Diefdijk en de Linge. Er dienden vijf zogenaamde 'inundatiekommen' te komen met op de accessen permanente verdedigingswerken. Op een zestal cruciale plekken werden door Blanken ontworpen waaiersluizen gebouwd. Deze sluizen, die zelfs tegen hoog water in geopend konden worden, waren ideaal voor militaire inundaties. De inrichting van een optimaal inundatiestelsel en de aanleg van de onmisbare permanente verdedigingswerken duurden, met onderbrekingen, van 1815 tot 1886. Dat de realisatie van de nieuwe Waterlinie zoveel tijd kostte, had alles te maken met de (internationale) politieke en militair-technische ontwikkelingen en de ingrijpende infrastructurele en waterstaatkundige veranderingen gedurende de negentiende eeuw. We kunnen in die eeuw een viertal bouwperioden onderscheiden. In de eerste fase van 1815-1826 werden de versterkingen rondom Utrecht gerealiseerd. Vervolgens bouwde de Dienst der Fortificatiën van 1841 tot 1864 de torenforten bij de rivieraccessen en tussen 1867-1872 vonden overal in de Linie verbeteringen plaats. Ten slotte werden tussen 1871 en 1886 de laatste forten van de Linie gebouwd. In de twintigste eeuw veranderden de militaire tactieken drastisch en werden veldversterkingen tussen de forten aangelegd met diverse werken van gewapend beton.

Bouwfasen in de negentiende eeuw

Gedurende de eerste bouwfase werd tussen 1816 en 1826 op de kwetsbare accessen rondom Utrecht een vijftal forten gebouwd. De eenvoudige werken bestonden uit aarden omwallingen, die precies in het hart van de te beveiligen weg of kade waren gelegen. De forten werden omgeven door een gracht en op de hoofdwal was de opstelplaats voor het geschut. De vorm en de omvang van de forten werden bepaald door de breedte van het acces en de ligging van de inundatiemiddelen. Op de hoog gelegen - en dus niet te inunderen - Houtense Vlakte werden vier lunetten gebouwd. Deze V-vormige versterkingen werden voorzien van zware bakstenen bekledingsmuren. Ten zuiden van Utrecht bouwde men ter bescherming van de inundatiesluizen forten bij Jutphaas, Vreeswijk en Culemborg. De volgende bouwfase diende zich aan nadat Nederland in 1839 België als onafhankelijke staat had erkend. Reorganisatie en vernieuwing van het verdedigingsstelsel waren nodig. Koning Willem II besloot tot een geconcentreerde verdediging, met de Nieuwe Hollandse Waterlinie als hoofddefensielinie. De vestingen en linies aan de landsgrenzen dienden om een eventuele vijandelijke opmars te vertragen, zodat de inundaties van Waterlinie tijdig konden worden gerealiseerd. De tweede actieve bouwperiode van de waterlinie duurde van 1841 tot 1864 en vond plaats, ondanks ingrijpende bezuinigingen op defensie (de omvang van het leger werd gehalveerd). Onder leiding van genieofficier Merkes van Gendt werden op de dijkaccessen langs de rivieren torenforten gebouwd. Bij de rivieraccessen van de Vecht, Lek, Linge en Waal verrezen ronde bakstenen torenforten. In diezelfde periode kregen veel kleinere werken van de linie 'bomvrije' gebouwen o.a. in de vorm van vierkante wachthuizen binnen de redoutes. Met de Napoleontische term 'bomvrij' (à l' epreuve de bombe) bedoelde men dat ze bestand waren tegen contemporain geschut. Het waren veelal wachthuizen met zware, gemetselde muren. Enige versterkingen op de dijkaccessen in het Vechtplassengebied, die nog uit de Franse tijd dateerden, werden vervangen door eenvoudige forten of redoutes. In 1853 werd de Kringenwet ingevoerd die bepaalde dat er binnen cirkel van 1000 meter van de forten beperkte bouw- en beplantingsvoorschriften golden i.v.m. een vrij schootsveld. Binnen deze kringen vinden we dan ook soms houten bebouwing. In 1951 werd de Kringenwet opgeschort en in 1963 ingetrokken. Omstreeks 1864 leek de Nieuwe Hollandse Waterlinie min of meer voltooid. Maar ontwikkelingen voor en tijdens de Frans-Duitse oorlog van 1870 brachten talloze tekortkomingen aan het licht, zowel op bouwkundig en wapentechnisch, als op tactisch gebied. Kolonel Kromhout kreeg de taak om de organisatie van de Waterlinie beter te structureren. Er waren veel te weinig bomvrije onderkomens voor manschappen en bomvrije magazijnen voor munitie. Bovendien bleken de zware muren van de hoge torenforten lang niet zo 'bomvrij' als ze heetten te zijn. Maar ook de nieuwe en de verbeterde 'bomvrije' forten bleken kort na oplevering alweer verouderd. In de daaropvolgende jaren werden de kwetsbare torens daarom beveiligd. Om de torens tegen directe treffers te beschermen, werd een zogenaamde 'contrescarp' aangebracht, een halfrondgaande aanaarding van een dik kleipakket of een gemetselde en aangeaarde galerij die los stond van de toren en daar in een ruime halve cirkelvorm omheen lag. Ook veel andere bomvrije wachthuizen kregen een stevige aarden dekking. De derde bouwperiode (1867- ca. 1872) volgde o.a. na de uitvindingen van geschut met een getrokken loop (ca. 1860). Dit ver dragende en nauwkeuriger geschut maakte duidelijk dat de werken in de Waterlinie toch zeer kwetsbaar waren. De forten misten dekkingsmogelijkheden voor manschappen en materieel. Er was behoefte aan bomvrije remises voor geschut en bomvrije kazernes voor de manschappen. Bovendien dienden de wallen te worden verzwaard. Door de toegenomen reikwijdte van de projectielen moesten de steden Naarden en Utrecht, die in de frontlinie kwamen te liggen, op grotere afstand worden verdedigd. Daarom werden vooruitgeschoven posten aangelegd. Het centraal gelegen Utrecht was al een kruispunt van wegen, maar werd sinds de jaren '60 ook een knooppunt van een nieuwe vorm van infrastructuur: de spoorwegen. De ring van zes oudere forten die Utrecht beschermde, lag ten opzichte van de mogelijke posities van vijandelijk geschut te dicht bij de stad. Daarom werd nog verder oostwaarts van de Domstad een tweede, vooruitgeschoven fortenkring aangelegd. Verder vonden langs de Lek verbeteringen plaats voor mogelijke onderwaterzettingen rond Utrecht: er kwam een nieuwe inlaatsluis bij Wijk bij Duurstede en er vonden verbeteringen plaats bij Honswijk. Begin jaren '70 realiseerde de regering zich dat het Nederlandse defensieapparaat de afgelopen dertig jaar sterk onder de bezuinigingen had geleden. Daarom diende de Minister van Oorlog de Vestingwet van 1874 in. Deze kende o.a. prioriteit toe aan de verbetering en vernieuwing van de Nieuwe Hollandse Waterlinie als hoeksteen van de Nederlandse verdediging. Binnen acht jaar moesten nieuwe werkzaamheden voor de hoofdverdedigingslinie worden verwezenlijkt (ruim 10 miljoen gulden). Daarmee ging men de vierde bouwperiode (ca. 1871-1886) in, die in feite een voortzetting was van de derde, maar op andere gronden. De Waterlinie was nog maar amper ingericht volgens de laatste eisen van een grote defensieve kracht, of in 1885 werd de brisantgranaat ingevoerd. Tegen dit explosieve projectiel was geen fort bestand. L'histoire se repète: op slag waren de forten van de gemoderniseerde Waterlinie weer verouderd en dus onbruikbaar. De geschiedenis van de vestingbouw leert dat de ontwikkelingen van de verdedigingsmethoden voortdurend achterlopen op die van de aanvalswapens. De forten bleken niet meer geschikt als opstellingsplaats voor vestinggeschut. Om trefkans te voorkomen, moesten manschappen en geschut worden gespreid in het linielandschap. De forten vervulden nog wel een rol als stormvrij infanteriesteunpunt. Sindsdien speelde 'maskering'(camouflage) door beplantingen op en bij de forten een rol. In deze periode werden op veel forten, behalve fortwachterswoningen, ook houten genie- en artillerieloodsen gebouwd om het materieel in vredestijd vochtvrij te stallen. Ondertussen vond toch op grote schaal nieuwbouw plaats in de Waterlinie. Van noord tot zuid verrezen nieuwe forten en batterijen in de Linie om een aaneengesloten 'snoer' van steunpunten op bepaalde afstand van elkaar te realiseren. Daarna kwam de fortenbouw tot stilstand. Het nut en de kracht van de kostenverslindende en snel verouderende forten van de Waterlinie stonden aan het eind van de negentiende eeuw ter discussie. Het accent werd van de zogenaamde 'dode weermiddelen' verlegd naar de levende, mobiele strijdkrachten die verspreid in veldversterkingen in de Linie zouden moeten opereren om een stormaanval met de nieuwste wapens te weerstaan.

WOI en WOII

Tijdens de mobilisaties van WOI en WOII werd een groot aantal veldversterkingen voor artillerie, infanterie en munitieopslag aangelegd. Loopgravenstelsels, groepsnesten, prikkeldraadversperringen, gevechtswagenversperringen en tankgrachten bepaalden het gezicht van de jongste Waterlinie. Ook bouwde men honderden betonnen groepsschuilplaatsen en vele mitrailleurkazematten tussen de forten in het linielandschap. Op en bij de forten verschenen de moderne golfplaten Nissen-hutten en Romney-loodsen voor diverse doeleinden.

GROEPSSCHUILPLAATSEN TYPE P in de TUSSENSTELLING UTRECHT

Inleiding

De GROEPSSCHUILPLAATSEN TYPE P in de TUSSENSTELLING UTRECHT, danken hun ontstaan aan de veranderde krijgstechniek vanaf het einde van de 19de eeuw. Vanaf die tijd stond vooral deconcentratie van de defensieve middelen voorop. De Tussenstelling Utrecht is in de periode 1939-1940 ingericht als een linie van groepsnesten en andere aarden werken, waarbinnen ook betonnen groepsschuilplaatsen tot stand zijn gebracht. Het acces via de niet inundeerbare Houtense Vlakte ten zuidoosten van de stad Utrecht en via de Kromme Rijn werd tot die tijd verdedigd door middel van een aantal forten en andere werken, zoals de complexen Fort bij Rijnauwen, Fort bij Vechten en Fort bij 't Hemeltje en De Lunetten (behorend tot de 'hoofdverdedigingslijn'). Het geschut van deze forten en werken bestreek weliswaar de totale breedte van het acces, maar toch werd besloten de geconcentreerde verdediging gedeeltelijk te vervangen door en aan te vullen met verspreide gevechtsopstellingen. Naast de werken van de Tussenstelling Utrecht ging het hierbij om concentraties van kleine betonnen werken tussen de forten bij Rijnauwen en bij Vechten en tussen de forten bij 't Hemeltje en bij Vechten. Tezamen met de forten vormden deze kleine betonnen en andere werken, die in verschillende fasen in de periode 1914-1940 tot stand zijn gebracht, de vooruitgeschoven verdediging van de Houtense Vlakte. Deconcentratie van de verdediging was onder meer een antwoord op de komst van het getrokken geschut (met roterende puntvormige projectielen), de brisantgranaat (met hoogexplosieve springlading) en op de verschijning van mobiel en verdragend geschut. In de laatste decennia van de 19de eeuw werden forten zo gemakkelijke en kwetsbare doelwitten die grote risico's opleverden door de daarin geconcentreerde functies. Vanaf het einde van de 19de eeuw werd daarom een deconcentratie van functies uitgevoerd, met name in de vorm van tussenbatterijen met betonnen batterijschuilplaatsen. In de mobilisatieperiode 1914-1918 ging deze deconcentratie verder en zijn (gemetselde, houten en aarden) loopgraven, manschappenopstellingen, -schuilplaatsen en betonnen en geschutsopstellingen (kazematten), e.d. aangelegd. Ook de opkomst van veel snellere aanvals- en vervoersmiddelen - zowel over land als door de lucht - waardoor verrassingsaanvallen mogelijk werden, speelde hierbij een rol, vooral in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog. Deconcentratie van de verdediging was een verschijnsel dat zich op veel plaatsen voordeed, maar vooral in het vlakke en 'overzichtelijke' Nederland.

De GROEPSSCHUILPLAATSEN TYPE P in de TUSSENSTELLING UTRECHT zijn onderdelen van een lineaire stelling achter de loopgravenstelling tussen de forten bij Rijnauwen en bij Vechten. Betonnen groepsschuilplaatsen vormden een antwoord op de komst van zware projectielen en brisante granaten. Deze laatste zorgden voor een regen van metaalscherven, die vele slachtoffers kon maken. Naar gelang de zwaarte van de granaat en de bescherming daartegen bestaat een classificatie in weerstands- of dekkingsklassen, gevormd door twee getallen, bv. W 12-15. Het eerste geeft aan dat de dekking voldoende is voor inslagen van projectielen tot dat kaliber (in cm); het tweede dat ook bescherming bestaat tegen één of ten hoogste enkele inslagen tot dit hogere kaliber. De vroegste typen groepsschuilplaatsen boden slechts bescherming tegen granaatscherven en werden 'scherfvrij' genoemd. De groepsschuilplaatsen Type P zijn volgens min of meer uniform of standaardontwerp in de jaren 1939-1940 op meerdere plaatsen in Nederland gebouwd. Het totaal aantal gebouwde exemplaren bedraagt circa 700, waarvan rond 570 in de Nieuwe Hollandse Waterlinie; het merendeel (circa 400) hiervan bestaat nog. Het bouwprogramma van de schuilplaatsen Type P was bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog niet afgerond en een aantal exemplaren is zichtbaar onvoltooid gebleven. Type P (vanwege de markante vorm ook wel 'piramide' genoemd) is vermoedelijk het meest bekende type betonnen verdedigingswerk in Nederland. Het type kwam voort uit het zogenoemde VIS 77 (Voorschrift Inrichten Stellingen no. 77), uit 1928, en had onder meer als bestemming deel uit te maken van de verdediging van accessen. De groepsschuilplaats Type P kwam gewoonlijk tot stand in de directe nabijheid van reeds bestaande of in dezelfde tijd gerealiseerde kazematten, geschutsopstellingen, versterkingen (groepsnesten) of loopgraven. Ook zijn ze wel op forten gebouwd. De groepsnesten en andere aard- en betonwerken later vrijwel overal zijn geëffend of gesloopt. De van oudsher geheel gesloten voorzijde of frontzijde van de groepsschuilplaatsen Type P was beoogd te worden gedekt door aardwerken, die deel konden uitmaken van een glacis ter bescherming van de loopgraaf of het groepsnest. Deze aardwerken zijn thans meestal niet meer aanwezig of nog slechts met moeite herkenbaar, maar met name op forten of in anderszins door reliëf gekenmerkt terrein bestaan er soms nog wel restanten. Maar ook elders zijn in de bodem mogelijk nog sporen of resten van (aard)werken aanwezig. Er bestaan diverse varianten van het Type P, zowel qua maatvoering en dekkingsklasse als in uitvoering en detaillering. Zo zijn er exemplaren gebouwd in de dekkingsklassen W 15-21 en W 21-28 bij maten die uiteenlopen van circa 5,50 x 7,20 x 4,70 m tot 6,50 x 8,20 x 4.90 m (b x d x h). Er zijn talrijke exemplaren van het Type P gebouwd in inundeerbare gebieden, waarbij vrijwel altijd een paalfundering is toegepast; andere hebben een rondom uitstekende betonnen funderingsplaat. Er komen grote rechthoekige toegangen voor, terwijl ook vaak een keermuur of incidenteel een trog met trap tegen inundatiewater is gebouwd in de dan hoog gelegen, vierkante toegang.

Ligging en relatie

Het ensemble bestaat in hoofdzaak uit een tussen de grote forten bij Rijnauwen en bij Vechten aan de oost- en zuidzijde en de Lunetten I t/m IV aan de westzijde gelegen en zich ruwweg van noord naar zuid uitstrekkende zwerm van groepsschuilplaatsen type P, als rest van een vroegere linie langs de westzijde van de Kromme Rijn. De linie maakte deel uit van de verdediging van het acces van de niet inundeerbare Houtense Vlakte. De groepsschuilplaatsen maakten deel uit van groepsnesten, waarvan echter weinig of niets meer in het veld waarneembaar is. De linie vulde de ruimte tussen de eerste en de tweede 19de-eeuwse fortenlinies ten oosten van Utrecht en dekte die ook en kon van daaruit ook zelf worden gedekt en vormde een 'levende veldversterking' van de linie van kleine betonnen werken tussen de forten bij Rijnauwen en bij Vechten. Deze laatste was in hoofdzaak samengesteld uit loopgraven tussen schuilplaatsen van de typen 1918/I en 1918/II, al dan niet hergebruikt als kazematten. Op iets grotere afstand van de linie liggen onder meer de kleinere forten het Werk aan de Hoofddijk (noord) en het Fort bij 't Hemeltje (zuidwest).

Omschrijving

De GROEPSSCHUILPLAATSEN TYPE P in de TUSSENSTELLING UTRECHT zijn éénlaagse, gewoonlijk in gewapend, circa 100 tot 180 cm dik gietbeton uitgevoerde, granaatvrije, militaire onderkomens, die beschutting konden bieden aan 10-12 manschappen infanterie / artillerie. Op het acces van de Houtense Vlakte en de Kromme Rijn behoren de meeste groepsschuilplaatsen type P tot de zwaarste klasse. De groepsschuilplaatsen Type P zijn gebouwd op een rechthoekig grondplan. De zichtbare hoogte boven het maaiveld varieert. De beide blinde zijgevels en de keelzijde zijn tot op ongeveer 3,00 m hoogte verticaal uitgevoerd. Daarboven gaan deze gevels met een knik van ongeveer 45 0 naar binnen, om vervolgens over te gaan in een vlakke dekking. Rechts in de keelzijde is op plaatselijk verschillende hoogte boven maaiveld een (later al dan niet dichtgezette) toegangsopening. De in zijn geheel verticale, gesloten frontzijde weerspiegelt de hoeken van 45 0 en eindigt dus als een 'afgeknotte puntgevel'. In een aantal gevallen zijn in de gevel(s) ijzeren haken of beugels meegegoten die konden dienen ter bevestiging van camouflagemateriaal. Een kenmerkend onderdeel bovenop de schuilplaats type P is de conische, betonnen 'uitlaat', die bestemd was voor toepassing van een periscoop. Deze periscopen zijn in de praktijk echter nooit aangebracht. Het interieur van de groepsschuilplaatsen Type P bestaat uit een korte gang (meestal met een betonnen keermuur of balustrade en gewoonlijk enkele neergaande treden) en een van daaruit naar links gerichte 'sluis' die afgrendelbaar moest zijn door een (uit meerdere delen bestaande) zware, stalen deur met grendels. Via een tweede, vergelijkbare deur kon rechtsom een achterliggende, vrijwel vierkante ruimte worden bereikt, de echte schuilplaats. De toegang kon vanuit deze ruimte worden bestreken door een schietgat. De stalen deuren zijn echter nooit geplaatst wegens materiaalschaarste. De op circa twee meter boven vloerniveau gelegen plafonds zijn vlak en rechthoekig. In een aantal gevallen zijn nog interieuronderdelen aanwezig, zoals (resten van) houten banken of een steun voor het luik ter afsluiting van het schietgat ter bestrijking van de ingang.

Waardering

De GROEPSSCHUILPLAATSEN TYPE P in de TUSSENSTELLING UTRECHT zijn van algemeen belang vanwege:

* Cultuurhistorische waarden als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zoals deze is ontworpen door C.R.T. Kraijenhoff en in eerste aanleg vanaf 1815 door hem, Jan Blanken en majoor-ingenieur Willem Offerhaus is gerealiseerd en daarna door anderen gedurende ongeveer 125 jaar is versterkt en verbeterd.

* Krijgshistorische waarden als onderdeel van een aaneengesloten militaire verdedigingslinie tussen de voormalige Zuiderzee en de Biesbosch. Deze bestond hoofdzakelijk uit een samenhangend systeem van inundatievelden en bijbehorende inundatiemiddelen en van schootsvelden. Dit systeem werd aangevuld met diverse, uit verschillende perioden daterende typen gebouwde of aangelegde (verdedigings)werken die dienden tot of bijdroegen aan afsluiting van niet te inunderen terreinen of andere accessen.

* Architectuurhistorische waarden, in het bijzonder als uiting van de militair-strategische bouwkunde, die gebaseerd is op: a. het systeem van inundatie en accesverdediging (19de en 20ste eeuw), b. de wedloop met de zich versterkende offensieve middelen (20ste eeuw) c. het systeem van 'levende' veldversterking in de diepte (20ste eeuw)

Het betreft hier onderdelen uit de periode 1939-1940. Deze onderdelen zijn voorbeelden van gewapend betonnen groepsschuilplaatsen Type P (Piramide), thans zonder aarden dekking.

* Ensemblewaarde en situationele waarden vanwege hun ligging binnen het systeem van de Nieuwe Hollandse Waterlinie in het algemeen en in het bijzonder in de directe relatie tot de complexen Fort bij Rijnauwen, Fort bij Vechten en tot de stelling van kleine betonnen werken tussen deze beide forten, alsmede tot het acces Houtense Vlakte. Tevens vanwege de functionele en fysieke samenhang tussen de afzonderlijke elementen.

* Archeologische waarden vanwege de mogelijk in de bodem aanwezige sporen en resten van (aard)werken en loopgraven als onderdelen van groepsnesten, hindernissen en dergelijke.

* Het ensemble en de onderdelen zijn representatief (karakteristiek) omdat ze duidelijk herkenbaar als samenhangende elementen van een van een verdiepte (gedeconcentreerde) verdedigingslinie uit de jaren 1939-1940 zijn toegevoegd aan het bestaande fortificatiestelsel.

* Het ensemble en de onderdelen zijn tamelijk gaaf bewaard en laten zich als gebouwde elementen nog in het veld nog goed in hun samenhang herkennen.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

Cluster 43.

Group Shelters Type P

NEW HOLLAND WATER LINE

Introduction

The New Holland Water Line formed the main defence line of the Kingdom of the Netherlands from 1815 until February 1940. The 85-kilometre-long defence line, which was based on an extensive water barrier supported by military fortifications, stretched from the Zuiderzee at Muiden to the Biesbosch at Werkendam. The width varied from only a few hundred metres east of Utrecht, to 7.5 km and even more than 10 km in the Vijfheerenlanden. The typically Dutch defence system of inundations was the improved continuation of the once so successful (old) Holland Water Line from 1672. The concept for a water line dates back to 1589, when Prince Maurits was commissioned by the States of Utrecht and Holland to investigate how the young Republic of the Seven United Netherlands could be defended in the most efficient manner possible. Through optimal use of the geographical circumstances, a special defence line could be created. Where high Netherlands transitions into the low-lying polder area, it is fairly simple to flood land with the aid of locks or by breaking through dykes. The tangible components of this mainly 'paper tiger' were tinkered with for centuries. After World War II, the New Holland Water Line no longer played any significant role in main defence. And in 1951, many components of the Line were declassified, which marked the abolition of the Line as such.

An improved Water Line

The foundation for an improved new Holland Water Line was laid during the French period in 1796/97 by the director of Dutch Fortifications C.R.T. Kraijenhoff. In his Memoir concerning the first or capital Water Line, Kraijenhoff describes in detail how the (old) Holland Water Line stood at that time and indicates how this Line should be improved. He also advocates for an eastward relocation of the Line to bring the city of Utrecht within the Line, protected by a chain of outposts. Not only because Utrecht was an important garrison city, but especially to prevent the enemy from being able to tap off the water obstacle. The recommendations he made formed the concept for what would later become the New Holland Water Line. In 1811 the plans were even approved by Emperor Napoleon: La ligne de Naarden à Gorcum doit donc être considérée comme la vraie ligne de l'Empire. Due partly to military and political developments, the plan was not, however, further developed. After the departure of the French, in the run-up to the new Kingdom of the Netherlands in the autumn of 1814, Kraijenhoff submitted a new memorandum in which his proposals from 1796 and 1811 were updated. Thereupon, King William I decided in the spring of 1815 to construct a new Water Line, then still called the 'Utrecht Line'. The military and water management works for the New Holland Water Line would become the largest and most expensive infrastructure project ever carried out in the Netherlands.

Building a perfect system

Like the 'Old' Holland Water Line, the 'New' one relied on extensive – but now better manageable – inundations, whereby forts and batteries protected the inlets (locks) and closed off the non-inundatable terrain strips and other accesses. Together with the water engineer Jan Blanken, inspector-general of Water Management, Kraijenhoff as inspector-general of Fortifications (1814-1826) developed the 'wet' plans for the New Water Line and Major-engineer Willem Offerhaus was commissioned to build a ring of forts around Utrecht. Up to Nieuwersluis, the route of the (old) Holland Water Line was maintained along the Vecht. From Nieuwersluis, the new line followed the Vecht to a few kilometres north of Utrecht. There the line had to bend eastward around the city, then to continue along the Vaartse Rijn to the locks of Vreeswijk on the Lek. Furthermore, the new Water Line connected to the southern route that had been moved to the Diefdijk and the Linge in 1787. There were to be five so-called 'inundation basins' with permanent defence works at the accesses. At half a dozen crucial locations, fan-shaped locks designed by Blanken were built. These locks, which could even be opened against high water, were ideal for military inundations. The establishment of an optimal inundation system and the construction of the indispensable permanent defence works lasted, with interruptions, from 1815 to 1886. The fact that the realisation of the new Water Line took so much time had everything to do with the (international) political and military-technical developments and the far-reaching infrastructural and water management changes during the nineteenth century. We can distinguish four construction periods in that century. In the first phase from 1815-1826, the fortifications around Utrecht were realised. Subsequently, the Fortifications Service built from 1841 to 1864 the tower forts at the river accesses, and between 1867-1872 improvements took place throughout the Line. Finally, between 1871 and 1886, the last forts of the Line were built. In the twentieth century, military tactics changed drastically and field fortifications were laid between the forts with various works of reinforced concrete.

Construction phases in the nineteenth century

During the first construction phase, between 1816 and 1826, five forts were built on the vulnerable accesses around Utrecht. The simple works consisted of earthen ramparts, positioned precisely in the heart of the road or quay to be protected. The forts were surrounded by a moat and on the main rampart was the position for artillery. The shape and size of the forts were determined by the width of the access and the location of the inundation facilities. On the high-lying – and thus non-inundatable – Houtense Plain, four lunettes were built. These V-shaped fortifications were provided with heavy brick facing walls. South of Utrecht, forts were built at Jutphaas, Vreeswijk and Culemborg to protect the inundation locks. The next construction phase began after the Netherlands recognised Belgium as an independent state in 1839. Reorganisation and renewal of the defence system were necessary. King William II decided on concentrated defence, with the New Holland Water Line as the main defence line. The fortresses and lines at the country's borders were to slow any possible enemy advance, so that the inundations of the Water Line could be realised in time. The second active construction period of the water line lasted from 1841 to 1864 and took place, despite far-reaching defence cuts (the size of the army was halved). Under the leadership of military engineer Merkes van Gendt, round tower forts were built on the dike accesses along the rivers. At the river accesses of the Vecht, Lek, Linge and Waal, round brick tower forts rose up. In the same period, many smaller works of the line received 'shrapnel-proof' buildings, including in the form of square guard houses within the redoubts. With the Napoleonic term 'shrapnel-proof' (à l'épreuve de bombe) was meant that they could withstand contemporary artillery. These were mostly guard houses with heavy, masonry walls. Some fortifications on the dike accesses in the Vechtplassen area, which still dated from the French period, were replaced by simple forts or redoubts. In 1853 the Ring Act was introduced, which stipulated that within a circle of 1000 metres of the forts, limited building and planting regulations applied with a view to maintaining a clear field of fire. Within these rings we sometimes find wooden buildings. In 1951 the Ring Act was suspended and in 1963 it was repealed. Around 1864, the New Holland Water Line seemed more or less complete. But developments before and during the Franco-German War of 1870 revealed numerous shortcomings, both in construction and weaponry, as well as in tactical matters. Colonel Kromhout was tasked with better structuring the organisation of the Water Line. There were far too few shrapnel-proof shelters for troops and shrapnel-proof magazines for ammunition. Moreover, the heavy walls of the high tower forts proved to be far less 'shrapnel-proof' than they were claimed to be. But even the new and improved 'shrapnel-proof' forts soon proved outdated after completion. In the following years, the vulnerable towers were therefore reinforced. To protect the towers against direct hits, a so-called 'counter-scarp' was applied – a semicircular earthing of a thick layer of clay or a masonry and earthed gallery that stood separately from the tower and lay around it in a spacious semicircular shape. Many other shrapnel-proof guard houses also received sturdy earthen covering.

The third construction period (1867-c. 1872) followed, among other things, after the invention of rifled artillery (c. 1860). This far-reaching and more accurate artillery made clear that the works in the Water Line were indeed very vulnerable. The forts lacked protective facilities for troops and materiel. There was a need for shrapnel-proof shelters for artillery and shrapnel-proof barracks for troops. Moreover, the ramparts had to be reinforced. Due to the increased range of projectiles, the cities of Naarden and Utrecht, which came to lie on the front line, had to be defended at a greater distance. Therefore, advanced outposts were established. The centrally located Utrecht was already a crossroads of routes, but since the 1860s had also become a hub of a new form of infrastructure: railways. The ring of six older forts that protected Utrecht was too close to the city relative to the possible positions of enemy artillery. Therefore, a second, advanced ring of forts was built further to the east of the cathedral city. Further improvements were made along the Lek for possible inundations around Utrecht: there was a new inlet lock at Wijk bij Duurstede, and improvements were made at Honswijk. In the early 1870s, the government realised that the Dutch defence apparatus had suffered greatly from cuts over the past thirty years. Therefore, the Minister of War introduced the Fortification Act of 1874. This gave, among other things, priority to the improvement and renewal of the New Holland Water Line as the cornerstone of Dutch defence. Within eight years, new works had to be realised for the main defence line (over 10 million guilders). This led to the fourth construction period (c. 1871-1886), which was in fact a continuation of the third, but on different grounds. The Water Line had hardly been set up according to the latest requirements of a great defensive force when, in 1885, the brisance grenade was introduced. No fort could withstand this explosive projectile. L'histoire se repète: overnight the forts of the modernised Water Line were outdated and therefore unusable. The history of fortress building teaches that the development of defence methods continually lag behind those of offensive weapons. The forts proved no longer suitable as positions for fortress artillery. To prevent hits, troops and artillery had to be dispersed in the line landscape. The forts still played a role as storm-proof infantry support points. From then on, 'concealment' (camouflage) through plantings on and near the forts played a role. In this period, besides fort keeper's houses, wooden engineering and artillery sheds were also built on many forts to keep the materiel dry in peacetime. Meanwhile, new construction took place on a large scale in the Water Line. From north to south, new forts and batteries rose in the Line to achieve a continuous 'string' of support points at certain distances from each other. After that, fort building came to a halt. The value and strength of the cost-devouring and rapidly obsolescent forts of the Water Line were under discussion at the end of the nineteenth century. The emphasis shifted from so-called 'dead defence means' to the living, mobile armed forces that, dispersed in field fortifications in the Line, would have to operate to withstand a storm attack with the latest weapons.

World War I and World War II

During the mobilisations of World War I and World War II, a large number of field fortifications for artillery, infantry and ammunition storage were laid out. Trench systems, squad nests, barbed wire obstacles, anti-tank obstacles and tank trenches characterised the aspect of the most recent Water Line. Also, hundreds of concrete group shelters and many machine gun casemates were built between the forts in the line landscape. Modern corrugated Nissen huts and Romney sheds for various purposes appeared on and near the forts.

GROUP SHELTERS TYPE P IN THE INTERMEDIATE POSITION UTRECHT

Introduction

The GROUP SHELTERS TYPE P IN THE INTERMEDIATE POSITION UTRECHT owe their origin to the changed military technique from the end of the 19th century. From that time on, deconcentration of defensive means was particularly emphasised. The Intermediate Position Utrecht was set up in the period 1939-1940 as a line of squad nests and other earthen works, within which concrete group shelters were also constructed. The access via the non-inundatable Houtense Plain to the south-east of the city of Utrecht and via the Kromme Rijn was until that time defended by means of a number of forts and other works, such as the complexes Fort at Rijnauwen, Fort at Vechten and Fort at 't Hemeltje and The Lunettes (belonging to the 'main defence line'). The artillery of these forts and works certainly covered the total width of the access, yet it was decided to partially replace concentrated defence and supplement it with dispersed combat positions. In addition to the works of the Intermediate Position Utrecht, this involved concentrations of small concrete works between the forts at Rijnauwen and Vechten and between the forts at 't Hemeltje and Vechten. Together with the forts, these small concrete and other works, which were constructed in various phases in the period 1914-1940, formed the advanced defence of the Houtense Plain. Deconcentration of defence was, among other things, a response to the arrival of rifled artillery (with rotating pointed projectiles), the brisance grenade (with high-explosive bursting charge) and the appearance of mobile and sustained artillery. In the last decades of the 19th century, forts became so easy and vulnerable targets that posed great risks due to the concentrated functions within them. From the end of the 19th century onwards, a deconcentration of functions was therefore carried out, particularly in the form of intermediate batteries with concrete battery shelters. In the mobilisation period 1914-1918, this deconcentration continued and (masonry, wooden and earthen) trenches, troop positions, shelters and concrete and gun positions (casemates), etc. were laid out. The rise of much faster attack and transport means – both on land and through the air – which made surprise attacks possible, also played a role in this, especially in the run-up to World War II. Deconcentration of defence was a phenomenon that occurred in many places, but especially in flat and 'open' Netherlands.

The GROUP SHELTERS TYPE P IN THE INTERMEDIATE POSITION UTRECHT are components of a linear position behind the trench position between the forts at Rijnauwen and Vechten. Concrete group shelters were a response to the arrival of heavy projectiles and brisance grenades. The latter caused a rain of metal splinters, which could cause many casualties. According to the weight of the grenade and the protection against it, there is a classification in resistance or protection classes, formed by two numbers, for example W 12-15. The first indicates that the protection is sufficient for impacts of projectiles up to that calibre (in cm); the second that protection also exists against one or at most a few impacts up to this higher calibre. The earliest types of group shelters offered only protection against grenade splinters and were called 'splinter-proof'. The Group Shelters Type P were built according to more or less uniform or standard design in the years 1939-1940 in multiple places in the Netherlands. The total number of examples built is approximately 700, of which around 570 in the New Holland Water Line; the majority (approximately 400) of these still exist. The construction programme of the Type P shelters had not been completed at the outbreak of World War II and a number of examples remained visibly unfinished. Type P (also called 'pyramid' because of the distinctive shape) is presumably the most well-known type of concrete defence work in the Netherlands. The type originated from the so-called VIS 77 (Regulation for Setting Up Positions no. 77), from 1928, and was intended, among other things, to form part of the defence of accesses. The Group Shelter Type P usually came into being in the immediate vicinity of already existing or simultaneously realised casemates, gun positions, fortifications (squad nests) or trenches. They were also sometimes built on forts. The squad nests and other earth and concrete works were later almost everywhere levelled or demolished. The completely closed front or front facade of the Group Shelters Type P was intended to be covered by earthworks, which could form part of a glacis to protect the trench or squad nest. These earthworks are now usually no longer present or can only be recognised with difficulty, but in particular on forts or in otherwise terrain-characterised areas, there are sometimes still remnants. But elsewhere, traces or remains of (earth)works may still be present in the soil. There are various variants of Type P, both in terms of dimensions and protection class as well as in execution and detailing. For example, there are examples built in the protection classes W 15-21 and W 21-28 with dimensions ranging from approximately 5.50 x 7.20 x 4.70 m to 6.50 x 8.20 x 4.90 m (w x d x h). Numerous examples of Type P were built in inundatable areas, whereby a pile foundation was almost always used; others have a concrete foundation plate projecting all around. There are large rectangular entrances, while a retaining wall or occasionally a trough with stairs against inundation water was often built in the then elevated, square entrance.

Location and relationship

The ensemble consists essentially of a swarm of Group Shelters Type P lying between the large forts at Rijnauwen and Vechten on the east and south sides and the Lunettes I to IV on the west side, extending roughly from north to south, as a remnant of a former line along the west side of the Kromme Rijn. The line was part of the defence of the access of the non-inundatable Houtense Plain. The group shelters formed part of squad nests, of which little or nothing is now observable in the field. The line filled the space between the first and second 19th-century fort lines to the east of Utrecht and covered them, and could itself be covered from them, and formed a 'living field fortification' of the line of small concrete works between the forts at Rijnauwen and Vechten. The latter was mainly composed of trenches between shelters of types 1918/I and 1918/II, either reused as casemates or not. At a somewhat greater distance from the line are, among others, the smaller forts the Work on the Hoofddijk (north) and the Fort at 't Hemeltje (south-west).

Description

The GROUP SHELTERS TYPE P IN THE INTERMEDIATE POSITION UTRECHT are single-storey, usually executed in reinforced, approximately 100 to 180 cm thick cast concrete, shrapnel-proof, military shelters, which could provide protection for 10-12 infantrymen/artillerymen. On the access of the Houtense Plain and the Kromme Rijn, most group shelters type P belong to the heaviest class. The Group Shelters Type P were built on a rectangular ground plan. The visible height above ground level varies. Both blind side walls and the rear wall are executed vertically up to approximately 3.00 m height. Above this, these walls slope inward at an angle of approximately 45 degrees, then transition to a flat roof. To the right in the rear wall is an entrance opening at locally varying height above ground level, which was later either closed or left open. The completely vertical, closed front wall reflects the angles of 45 degrees and thus ends as a 'truncated pointed gable'. In a number of cases, iron hooks or brackets were cast into the wall(s) that could serve to secure camouflage material. A characteristic component on top of the Type P shelter is the conical concrete 'outlet', which was intended for the use of a periscope. These periscopes were, however, never actually installed in practice.

The interior of the Group Shelters Type P consists of a short passage (usually with a concrete retaining wall or balustrade and usually some descending steps) and from there a 'lock' directed to the left that had to be closable by a heavy steel door (consisting of multiple parts) with bolts. Via a second, similar door, a rear, almost square space could be reached – the actual shelter. The entrance could be covered from this space by a loophole. The steel doors were, however, never installed due to material shortage. The ceilings located at approximately two metres above floor level are flat and rectangular. In a number of cases, interior fittings are still present, such as (remains of) wooden benches or a support for the flap to close the loophole for covering the entrance.

Valuation

The GROUP SHELTERS TYPE P IN THE INTERMEDIATE POSITION UTRECHT are of general importance because of:

* Cultural-historical values as part of the New Holland Water Line as designed by C.R.T. Kraijenhoff and initially realised from 1815 by him, Jan Blanken and Major-engineer Willem Offerhaus, and subsequently strengthened and improved by others over approximately 125 years.

* Military-historical values as part of a continuous military defence line between the former Zuiderzee and the Biesbosch. This consisted principally of a coherent system of inundation fields and associated inundation facilities and fields of fire. This system was supplemented with various types of built or constructed (defence) works from different periods that served to or contributed to the closure of non-inundatable terrains or other accesses.

* Architectural-historical values, in particular as an expression of military-strategic architecture, based on: a. the system of inundation and access defence (19th and 20th centuries), b. the race with strengthening offensive means (20th century), c. the system of 'living' field fortification in depth (20th century).

These are components from the period 1939-1940. These components are examples of reinforced concrete Group Shelters Type P (Pyramid), currently without earthen covering.

* Ensemble value and situational values because of their location within the system of the New Holland Water Line in general and in particular in the direct relationship to the complexes Fort at Rijnauwen, Fort at Vechten and to the line of small concrete works between these two forts, as well as to the Houtense Plain access. Also because of the functional and physical coherence between the individual elements.

* Archaeological values because of the possible traces and remains of (earth)works and trenches in the soil as components of squad nests, obstacles and the like.

* The ensemble and the components are representative (characteristic) because they are clearly recognisable as coherent elements of a recessed (deconcentrated) defence line from the years 1939-1940 added to the existing fortification system.

* The ensemble and the components are preserved in reasonably good condition and, as built elements, can still be well recognised in their coherence in the field.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map