TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Bijgebouwen, Deelen/Vrijland-Noord Arnhem

Arnhem, Gelderland, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Bijgebouwen
Category
onroerend gebouwd
Built
1941
Address
Deelen/Vrijland-Noord Arnhem
Place
Arnhem
Province
Gelderland
Country
Netherlands
Coordinates
52.04273, 5.89631
Part of complex
529714
Monument number
529716

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

University Library, Vrije Universiteit Amsterdam

3 historical maps cover this location, the earliest the 1918 map "Bl. 19 Arnhem, 1918" (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

Inleiding

Gebouw I A ligt vrijstaand ten oosten van de toegangsweg tot Vrijland-Noord en aan de noordwestzijde van de centrale oost-west weg, globaal tussen de gebouwen 15(a) en 8. Het grote bouwwerk met zijn segmentboogvormige dak strekt zich met de grootste lengte uit van oost naar west en deze lengte staat loodrecht op de huidige toegangsweg. Gebouw I A is een in 1941 tot stand gekomen, relatief grote vliegtuighangar en is op macroniveau onderdeel van een grote militaire vliegveldstructuur uit de jaren 1940-45, op mesoniveau van een ijl complex van in rechthoekig-geometrische structuur geplaatste gebouwen, en maakt hierin op microniveau deel uit van enige relatief solitair en in directe aansluiting op die ruimtelijke structuur geplaatste panden. De hangar, het enige nog op Vrijland-Noord bestaande exemplaar uit de Duitse bezettingsperiode - is een zogenoemde 'Junkershalle', genoemd naar de ontwerpfirma: vliegtuigbouwer Junkers. Bijzonder aan het systeem van Junkers is niet alleen de vorm van hun hallen, maar vooral de wijze van constructie: de als grote schakels of segmenten uitgevoerde spanten konden per vrachtauto of met de trein worden aangevoerd, ter plaatse worden geassembleerd en zonder kraan worden opgericht en gestabiliseerd, waarna een hal kon worden afgemonteerd en eventueel ook worden voorzien van aanbouwen. De Junkershalle was in de Duitse tijd de belangrijkste hangar van de 'Fliegerhorst Deelen' en stond bekend als de 'Werfthalle'. Na de oorlog werd de Junkershalle, een op Europese schaal inmiddels schaars type, in dezelfde functie hergebruikt. Maar enkele jaren voor de eeuwwisseling heeft het gebouw zijn functie verloren en werd het aan zijn lot overgelaten, wat tot een snelle degradatie van vooral de beide aanbouwen ervan heeft geleid.

Omschrijving

Grote VLIEGTUIGHANGAR voor reparatiedoeleinden op overwegend rechthoekige plattegrond (ruwweg 50 x 60 m beslaand) en grotendeels gedekt door een met bitumineus materiaal bedekt en als boogsegment uitgevoerd dak; aan de noord-, zuid- en westzijde over de volle lengte en breedte van de hangar in ca. 50 cm dik muurwerk uitgevoerde bakstenen aanbouwen onder flauw hellende lessenaardaken. De oostelijke gevel / hoofdgevel is voorzien van een zestal grote rechthoekige metalen deuren, boven en onder in rails rollend, met hierboven (in de verder door metalen platen gesloten geveltop) een tussen de deuren en de daklijst uitgespaard, eenmaal getrapt licht, waarvan de glazen in verticale metalen roeden zijn gevat. De bovenrails zijn door middel van ijzeren portalen tot buiten de segmentboog verlengd. Links en rechts van de deuren metselwerk met in de aanbouwen twee vensteropeningen onder rollaag en met betonnen kalf, waarin boven vierruits valramen en onder dubbele houten naar binnen openende vierruits draairamen, beide beneden het kalf voorzien van plaatstalen luiken met in groen en wit geschilderd lijstmotief. De westgevel wordt op de begane grond geheel ingenomen door de bakstenen aanbouw; hierboven bevindt zich een met dat in de oostgevel vergelijkbaar licht. De onderkelderde aanbouw is op zijn beurt links voorzien van een kleine aanbouw met stroomvoorziening en telt verder 15 vensteropeningen onder rollaag en met bakstenen lekdorpels, waarvan er enkele later zijn gebruikt voor de montage van luchtkanalen; de overige (12) bevatten dubbele houten ramen in zesruitsverdeling. Ongeveer onder twee van de hergebruikte vensters (3e en 4e van rechts) een bakstenen trap naar kelderniveau. Verder is er een tweetal brede getoogde toegangsopeningen onder hanenkam, waarin verticaal beplankte houten deuren met deels gebogen gehengen. In de noordgevel van de aanbouw een vermoedelijk later ingebrachte toegangsopening onder betonnen latei met grote houten deur. Op het dak van de westelijke aanbouw een tweetal bakstenen schoorstenen. De zuidgevel (van de zuidelijke, slechts met een 'vouw' in het dak in de hal overgaande aanbouw) bevat ongeveer in het midden een vergelijkbare toegangsopening en verder links en rechts hiervan zes vensteropeningen onder rollaag en met betonnen kalf, waarin boven vierruits valramen en onder dubbele houten naar binnen openende vierruits draairamen, alle beneden het kalf voorzien van plaatstalen luiken met in groen en wit geschilderd lijstmotief; de korte westgevel telt vier relatief kleine vensters met dubbele vierruits ramen. In de oksel van westelijke en zuidelijke aanbouw is later een kleine bakstenen ruimte met dubbele deuren bijgebouwd. De dito noordgevel is voorzien van vergelijkbare vensteropeningen, maar mist een toegangsopening. De westelijke gevel van deze aanbouw bevat links een getoogde en rechts een rechthoekige toegang met bovenlicht en verticaal in vijven verdeeld raam, beide met in visgraatmotief beplankte deur; asymmetrisch tussen deze twee een vensteropening onder rollaag en met betonnen kalf, waarin boven een vierruits valraam en onder dubbele houten naar binnen openende vierruits draairamen, en beneden het kalf voorzien van plaatstalen luiken met in groen en wit geschilderd lijstmotief. Op het dak een bakstenen schoorsteen. Het interieur bestaat in de eerste plaats uit een grote ongedeelde en ongeveer vierkante centrale ruimte die wordt overspannen door een uit een viertal uit profielijzeren vakwerksegmenten samengestelde boogspanten, op ongeveer 10 meter uiteen geplaatst en onderling enige malen verbonden door middel van vakwerkliggers. Hier bovenop is regelwerk aangebracht dat een houten beschot draagt, waarop de feitelijke dakbedekking is aangebracht. De spanten gaan op in de binnenmuren van de noordelijke en zuidelijke aanbouwen en vinden uiteindelijk steun in profielijzeren en betonnen of bakstenen constructies in respectievelijk onder die aanbouwen. De daken van de drie aanbouwen worden en werden gedragen door houten spantsystemen, maar een groot deel hiervan is inmiddels ingestort. Ondanks dat is een belangrijk deel van het interieur redelijk intact en bevat het voor de bouwtijd kenmerkende onderdelen en details, zoals een deel van het verwarmingssysteem, tegelwerk, deuren, deurposten en geschilderde lambriseringen.

Waardering

VLIEGTUIGHANGAR, van algemeen belang als zeer zeldzaam en goed herkenbaar onderdeel van een uit de Tweede Wereldoorlog stammend en door de Duitse bezetter als onderdeel van een groot militair vliegveld opgezet legerkamp, vanwege: architectuurhistorische, stedenbouwkundige, technisch-historische, krijgs- en cultuurhistorische en complex- en ensemblewaarden, die onder meer kunnen blijken uit de toepassing van materialen en (prefab)technieken in een voor die tijd nieuwe en gepatenteerde vorm, uit de voor de bouwtijd kenmerkende onderdelen en details, uit de kunstmatig opgezette en sterk bij de reeds vooraf bestaande ruimtelijke inrichting aansluitende geometrische nederzettingsstructuur en de hierbinnen - althans voor zover dat in de drie grote aanbouwen van het hoofdvolume redelijkerwijs mogelijk was - tot in detaillering doorgevoerde camouflage, uit de samenhang van en met het totale militaire vliegveldconcept en de ruimtelijke hoofdlijnen en onderdelen van het kampement, en uit de onderlinge verwantschap van de hierbij toegepaste vormen.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

Introduction

Building I A stands detached to the east of the access road to Vrijland-Noord and on the north-west side of the central east-west road, roughly between buildings 15(a) and 8. The large structure with its segmental arch-shaped roof extends with its greatest length from east to west and this length is perpendicular to the current access road. Building I A is an aircraft hangar created in 1941, a relatively large one, and is at the macro level part of a large military airfield structure from the years 1940-45, at the meso level of a sparse complex of buildings arranged in a rectangular-geometric structure, and forms at the micro level part of some relatively solitary buildings placed in direct connection with that spatial structure. The hangar, the only example still existing on Vrijland-Noord from the German occupation period, is a so-called 'Junkershalle', named after the design firm: aircraft manufacturer Junkers. What is special about the Junkers system is not only the shape of their hangars, but especially the method of construction: the roof trusses executed as large links or segments could be brought in by truck or by train, assembled on site and erected and stabilised without a crane, after which a hangar could be disassembled and possibly also be provided with extensions. The Junkershalle was the most important hangar of the 'Fliegerhorst Deelen' during the German period and was known as the 'Werfthalle'. After the war, the Junkershalle, meanwhile a scarce type on a European scale, was reused in the same function. But a few years before the turn of the century, the building lost its function and was left to its fate, which led to rapid degradation of especially its two extensions.

Description

Large AIRCRAFT HANGAR for repair purposes on a predominantly rectangular floor plan (roughly 50 x 60 m in area) and largely covered by a roof covered with bituminous material and executed as an arch segment; on the north, south and west sides over the full length and width of the hangar approximately 50 cm thick brick extensions under gently sloping lean-to roofs. The eastern façade / main façade is provided with six large rectangular metal doors, rolling on rails top and bottom, with above (in the façade top otherwise closed with metal plates) a stepped light reserved between the doors and the roof line, the glazing of which is set in vertical metal bars. The upper rails are extended by means of iron portals to outside the segmental arch. Left and right of the doors masonry with in the extensions two window openings under a roller course and with concrete sill, in which above four-pane casement windows and below double wooden inward-opening four-pane casement windows, both below the sill provided with sheet-steel shutters with a list motif painted in green and white. The west façade is entirely taken up on the ground floor by the brick extension; above this is a light comparable to that in the east façade. The basement extension is in turn provided on the left with a small extension with power supply and further contains 15 window openings under roller course and with brick drip sills, some of which were later used for the installation of air ducts; the remainder (12) contain double wooden windows with six-pane glazing bars. Roughly below two of the reused windows (3rd and 4th from the right) a brick staircase to basement level. Further there are two wide arched access openings under rooster comb, in which vertically boarded wooden doors with partly curved hinges. In the north façade of the extension a presumably later introduced access opening under concrete lintel with large wooden door. On the roof of the western extension two brick chimneys. The south façade (of the southern extension, which only merges with the hall with a 'fold' in the roof) contains roughly in the centre a comparable access opening and further left and right of this six window openings under roller course and with concrete sill, in which above four-pane casement windows and below double wooden inward-opening four-pane casement windows, all below the sill provided with sheet-steel shutters with a list motif painted in green and white; the short west façade has four relatively small windows with double four-pane windows. In the corner of western and southern extension a small brick space with double doors was later added. The likewise north façade is provided with comparable window openings, but lacks an access opening. The west façade of this extension contains on the left an arched and on the right a rectangular access with fanlight and vertically divided in five-pane window, both with a door boarded in herringbone motif; asymmetrically between these two a window opening under roller course and with concrete sill, in which above a four-pane casement window and below double wooden inward-opening four-pane casement windows, and below the sill provided with sheet-steel shutters with a list motif painted in green and white. On the roof a brick chimney. The interior consists primarily of a large undivided and approximately square central space which is spanned by arch trusses composed of four profile-steel lattice segments, placed approximately 10 metres apart and connected to each other several times by means of lattice beams. Purlins are placed above this which carry a wooden covering, on which the actual roof covering is laid. The trusses merge into the inner walls of the northern and southern extensions and ultimately find support in profile-steel and concrete or brick structures in and below those extensions respectively. The roofs of the three extensions are and were carried by wooden truss systems, but much of this has meanwhile collapsed. Despite this, an important part of the interior is reasonably intact and contains components and details characteristic for the period of construction, such as part of the heating system, tilework, doors, door posts and painted wainscoting.

Valuation

AIRCRAFT HANGAR, of general interest as a very rare and readily recognisable component of an army camp dating from the Second World War and set up by the German occupier as part of a large military airfield, by reason of: architectural-historical, urban planning, technical-historical, military and cultural-historical and complex and ensemble values, which can be demonstrated among other things in the use of materials and (prefab) techniques in a form new and patented for that time, in the components and details characteristic for the period of construction, in the artificially created and strongly aligned geometric settlement structure with the spatial organisation already existing beforehand and the camouflage carried through to the detail within this—at least insofar as was reasonably possible in the three large extensions of the main volume—, in the coherence of and with the total military airfield concept and the spatial main lines and components of the camp, and in the mutual affinity of the forms applied herein.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map