TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Landhuis, Paauwlaan 6

Wassenaar, Zuid-Holland, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Kasteel, buitenplaats
Function
Landhuis
Category
onroerend gebouwd
Built
1914 - 1916
Address
Paauwlaan 6, 2243 AA Wassenaar
Place
Wassenaar
Province
Zuid-Holland
Country
Netherlands
Coordinates
52.13526, 4.39530
Part of complex
525760
Monument number
525759

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

University Library, Vrije Universiteit Amsterdam

3 historical maps cover this location, the earliest the 1906 map "Rijnland" (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

Inleiding.

WOONHUIS (1) van het type landhuis, hoofdonderdeel van het complex, is in opdracht van D.T. Ruys gebouwd in 1914-1916 naar ontwerp van de architect L.J. Zaaijer in Nieuw Historiserende stijl, geïnspireerd op het Hollands-Classicisme en de engelse Landhuisstijl. De inspiratie op de Engelse landhuizen blijkt onder meer uit de groepering van de vertrekken rondom een ruim opgezette 'hall' met monumentale haardpartij en trappenhuis.

Op het terras tegen de voorgevel bevond zich eertijds een doorlopende, op zuilen rustende loggia.

Omschrijving.

Vrijstaand onderkelderd landhuis van twee bouwlagen en een zolderverdieping, wordt gedekt door een afgeplat, hoog schilddak met zeeg en heeft uitbouwen onder steekkappen met lagere nokhoogten. De met gesmoorde Hollandse pannen gedekte daken hebben schoorstenen met ijzeren windkappen op de nokhoeken. Links tegen de noordoostgevel is een onderkelderde, éénlaags dienstvleugel geplaatst onder schilddak met een schoorsteen, voorzien van ijzeren windkap op de nok. De voor- en zijdakschilden hebben aan weerszijden dakkapellen met een gebogen dak, voorzien van zesruits rondboogvormig openslaand raam. Dakkapellen in de vorm van een serliana komen voor in het midden van de zij- en achterdakschilden en bij het achterste dakschild tevens aan de zijkanten. De vliering wordt verlicht door kleine driehoekige dakkapellen met kleine getoogde raampjes. Ter plaatse van de zuidhoek van de voorgevel (zuidwest) is een vijfzijdig uitspringende, tweelaags erkerachtige toren geplaatst. Het pand heeft een samengestelde plattegrond, waarbij de verschillende ruimten zijn gegroepeerd rondom een centrale 'hall', welke verlicht wordt door een centraal geplaatst daklicht. De uit donkerrode baksteen in Vlaams verband (knipvoeg) opgetrokken gevels zijn lijstgevels, die worden afgesloten door een fries met guttae, waarin de op houten gootklossen rustende, overstekende gootlijst is opgenomen. De rechtgesloten deur- en vensteropeningen worden gedekt door aan de onderzijde licht gebogen strekken, op de begane grond grotendeels met natuurstenen tussen- en lekdorpels, als onderdeel van een doorlopende sierband boven de plint. Natuursteen is verder toegepast bij het entreeprotaal. De enkele en samengestelde raam- en deurpartijen hebben een roedenverdeling en zijn deels uitgevoerd als kruis- of kloosterkozijn, deels als schuifraam. Diverse vensters hebben nog groen geschilderde persiennes voor de benedenramen. Op de begane grond bevinden zich aan tuinzijde dubbele openslaande terrasdeuren en vaste ramen met roedenverdeling met enkele en dubbele bovenlichten boven de natuurstenen latei. De naar de tuin gerichte voorgevel (zuidwest) heeft een door een driehoekig fronton bekroonde middenrisaliet, waarvoor een halfcirkelvormige erker met balkon is geplaatst. De erker wordt afgesloten door een natuurstenen lijst met daarboven een houten, met snijwerk versierde balustrade Het balkon is toegankelijk middels twee paar openslaande balkondeuren. Centraal in het fronton is in een natuurstenen cartouche een oeil-du-boeuf geplaatst. Links van het risaliet is de gevel twee venstereenheden breed en rechts één. De gevel wordt rechts afgesloten door een vijfzijdige gesloten tweelaags erkerachtig, uitspringende toren, gedekt door een octagonale spits, bekroond onder een met koper bekleed helmdakje, waaronder zich de luidklok bevindt.

Voor de linker zijgevel (noordwest) is rechts een drie venstereenheden brede, rechthoekige erker met balkon geplaatst, die een vergelijkbare gevelafwerking met balustrade heeft als de erker aan de voorgevel. Ook dit balkon is toegankelijk via twee paar openslaande balkondeuren. Rechts van de erker bevindt zich een dubbel raam. Rechts daarvan is voor een dubbele deur met roedenverdeling en bovenlicht een gemetseld trapje geplaatst. Op de verdieping, rechts van de balkondeuren, bevinden zich twee vensters.

Centraal in de achtergevel (noordoost) is een door schuin oplopende muurtjes geflankeerde trap geplaatst, die aan de linker zijde op de rechthoekige, eenlaagse uitbouw aansluit. De trap komt uit bij een onder een luifel geplaatst bordes, waar zich een éénruits paneeldeur met boevenlicht en vierdelig zijlicht bevindt. De luifel rust op de noordhoek op een zuil. Op de verdieping erboven bevindt zich een loggia, waarvan de latei rust op twee zuilen. Hierachter bevindt zich een samengestelde deurpartij met roedenverdeling en glas-in-lood van het trappenhuis. Rechts van dit centraal geplaatste middendeel is de gevel twee venstereenheden breed, inclusief twee getraliede keldervensters. Bij beide langsgevels van de uitbouw steekt een dakkapel in de vorm van een serliana door de gootlijst. De noordwestelijke langsgevel heeft twee getraliede keldervensters, een kruiskozijn en een samengesteld raam. Bij de kopgevel (noordoost) zijn twee vensters symmetrisch in de gevel geplaatst. De zuidoostelijke langsgevel heeft rechts een door schuinoplopende muurtjes geflankeerde trap, die leidt naar een rondbogige paneeldeur onder een rondbogige, op sierlijk gesneden consoles rustende luifel. Rechts daarvan bevindt zich onder de serliana een koekoek van een keldervenster met daarboven een kruiskozijn.

In de zuidoostelijke lijstgevel van het hoofdgebouw is centraal in de gevel een avant-corps als uitpandig ingangsportaal geplaatst met erboven een balkon, voorzien van een gemetselde balustrade met ajourwerk. Een drietredige, uit cirkelsegmenten bestaande granieten bordestrap leidt naar een paneeldeur met rondbogig bovenlicht, gevat in een geblokte natuurstenen omlijsting. De van natuurstenen aanzet- en sluitstenen voorziene rondboog van het ingangsportaal rust op zuilen. Deze zijn geplaatst naar de beide zijmuren met natuurstenen hoekpijlers, waarvan de rechter (noordoost) met twee ramen. In het verlengde van deze eindmuren, naast de rondboog bevinden zich bekroonde wapenschilden. Links tegen het ingangsportaal is boven een gemetselde plint een plantenserre geplaatst onder een lessenaarsdak met glaspanelen. Rechts van het ingangsportaal bevinden zich twee venster en een deur. Voor de entree is een gemetselde trap met schuin oplopende zijmuurtjes geplaatst en onder het bovenlicht hangt een luifel. Op de verdieping bevinden zich in totaal vijf vensters van verschillende typen.

Het interieur kenmerkt zich eveneens door de Nieuw Historiserende stijl, die geïnspireerd is op het Hollands-Classicisme in combinatie met de Engelse Landhuisstijl. Plattegrondindeling en detaillering van het interieur zijn grotendeels gaaf bewaard gebleven en vooral op de begane relatief rijk uitgevoerd. Op de verdieping hebben enkele wijzingen van ondergeschikt belang plaatsgevonden. Bij het entreeportaal, geflankeerd door garderobe en toilet, is wit en zwart marmer op de vloer en als lambrisering toegepast. De merendeels oorspronkelijke paneeldeuren, zijn deels voorzien van glas-in-lood, sommige met zij- en bovenlicht. De in Oud-Hollandse stijl uitgevoerde, centrale 'hall' heeft eiken parket, (wit geschilderde) eiken balkenzoldering met op leeuwenkoppen lijkende sleutelstukken en een lambrisering, die doorloopt tot de bovendorpels van de paneeldeuren. De hal wordt centraal verlicht door een koepel met gebrandschilderd glas-in-lood. Tegenover de entree (noordwest) een grote schouw met zandstenen pilasters en een achterwand met uit de bouwtijd stammende Delftsblauwe tegels. Aan de noordoostzijde een scheluwe trap met bordes, waarvan de openslaande deuren uitkomen op de loggia. De in de middenas van de voorgevel gelegen salon, uitgevoerd in Neo-Lodewijk XV-stijl, heeft onder meer een decoratief gestuukt plafond, schouw en bruin marmeren vloer. De woonkamer met serre in Oud-Hollandse stijl ten zuiden ervan heeft onder meer een eiken parketvloer, (wit geschilderde) lage lambrisering, een eiken schouw met gecanneleerde Ionische zuilen. De eetkamer in Neo-Regence heeft onder meer een eiken parket, decoratief stucplafond, houten wandbekleding met wandbespanning en glazen penanten, een marmeren schouw met guirlandes.

De overloop van eerste en tweede verdieping heeft een octagonale vide, die evenals het trappenhuis uitgevoerd is met een balustrade met gesneden balusters. De eerste verdieping is sober en heeft eveneens in hoofdlijnen de oorspronkelijk opzet met lage lambrisering, paneeldeuren en diverse kleinere schouwen. Op de zolder bevinden zich diverse personeelskamers.

Waardering.

Het uit 1914-1916 daterende landhuis is van algemeen belang vanwege de cultuurhistorische waarde als karakteristiek voorbeeld van een monumentaal landhuis uit het begin van de 20ste eeuw en als representatief voorbeeld van de ontwikkeling van die landhuisarchitectuur in Nederland uit die tijd heeft doorgemaakt.

Het landhuis is van algemeen belang vanwege de architectuurhistorische waarde als karakteristiek voorbeeld van een landhuis in Nieuw Historiserende stijl, geïnspireerd op het Hollands-Classicisme en de Engelse Landhuisstijl.

Het landhuis kenmerkt zich door een vrij hoge mate van gaafheid wat betreft de hoofdvorm, het materiaalgebruik en de detailleringen, zowel in- als uitwendig. In het interieur betreft het zowel de plattegrond en de detailleringen van de diverse stijlkamers, in het bijzonder op de begane grond.

Het landhuis is in hoge mate van stedenbouwkundig belang als hoofdonderdeel van de buitenplaats en vanwege de stilistische, historisch-functionele ruimtelijke samenhang met de verschillende complexonderdelen en de in opzet formele tuinaanleg direct rond het huis.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

Introduction.

RESIDENCE (1) of the country house type, principal component of the complex, was built on commission of D.T. Ruys in 1914-1916 to designs by architect L.J. Zaaijer in Neo-Historicist style, inspired by Dutch Classicism and English Country House style. The inspiration from English country houses is evident inter alia in the grouping of rooms around a generously laid-out 'hall' with monumental fireplace and staircase.

On the terrace against the front facade there was formerly a continuous loggia resting on columns.

Description.

Detached, undercellared country house of two storeys and an attic storey, covered by a flattened, high hipped roof with sag and with extensions under half-hipped roofs of lower ridge heights. The roofs, covered with suppressed Dutch tiles, have chimneys with iron weathervanes at the ridge corners. On the left against the north-east facade is an undercellared, single-storey service wing placed under a hipped roof with a chimney, provided with an iron weathervane at the ridge. The front and side roof slopes have roof dormers on both sides with a curved roof, provided with a six-pane round-arched opening window. Roof dormers in the form of a serliana occur in the middle of the side and rear roof slopes and at the rear roof slope also on the sides. The attic is lit by small triangular roof dormers with small arched small windows. At the location of the south corner of the front facade (south-west) a five-sided projecting, two-storey oriel tower is placed. The building has a composite ground plan, with the various rooms grouped around a central 'hall', which is lit by a centrally placed skylight. The facades, built from dark red brick in Flemish bond (snap joint), are cornice-topped facades, finished with a frieze with guttae, in which the drip moulding resting on wooden gutter blocks is incorporated and overhangs. The straight-closed door and window openings are covered by lightly curved arches on the underside, on the ground floor largely with natural stone intermediate and sill stones, as part of a continuous decorative band above the plinth. Natural stone is further used at the entrance porch. The single and composite window and door sections have glazing bars and are partly executed as cross or cloister windows, partly as sash windows. Various windows still have green-painted shutters for the lower windows. On the ground floor on the garden side are double opening terrace doors and fixed windows with glazing bars with single and double fanlights above the natural stone lintel. The garden-facing front facade (south-west) has a central risalit crowned by a triangular pediment, in front of which a semicircular oriel with balcony is placed. The oriel is closed off by a natural stone moulding with above it a wooden balustrade decorated with carving. The balcony is accessible by means of two pairs of opening balcony doors. Centrally in the pediment is an oeil-du-boeuf placed in a natural stone cartouche. To the left of the risalit the facade is two window units wide and to the right one. The facade is closed on the right by a five-sided closed two-storey oriel-like projecting tower, covered by an octagonal spire, crowned under a copper-clad helm roof, beneath which is the bell.

Before the left side facade (north-west) a three window units wide, rectangular oriel with balcony is placed on the right, which has a similar facade finish with balustrade as the oriel on the front facade. This balcony is also accessible via two pairs of opening balcony doors. To the right of the oriel is a double window. To the right of that is a built-in step placed in front of a double door with glazing bars and fanlight. On the upper storey, to the right of the balcony doors, are two windows.

Centrally in the rear facade (north-east) a staircase flanked by sloping walls is placed, which on the left side adjoins the rectangular, single-storey extension. The staircase leads to a landing placed under a canopy, where a single-pane panel door with fanlight and four-part sidelight is located. The canopy rests on a column at the north corner. On the upper storey above is a loggia, the lintel of which rests on two columns. Behind this is a composite door section with glazing bars and leaded glass of the staircase. To the right of this centrally placed central section the facade is two window units wide, including two barred cellar windows. At both long facades of the extension a serliana-shaped roof dormer projects through the drip moulding. The north-west long facade has two barred cellar windows, a cross window and a composite window. At the gable end (north-east) two windows are placed symmetrically in the facade. The south-east long facade has a staircase flanked by sloping walls on the right, leading to a round-arched panel door under a round-arched canopy resting on elegantly carved consoles. To the right of that under the serliana is a ventilation opening of a cellar window with above it a cross window.

In the south-east cornice-topped facade of the main building a projecting entrance porch is placed centrally in the facade with above it a balcony, provided with a built-in balustrade with open-work. A three-step granite flight of steps consisting of circular segments leads to a panel door with round-arched fanlight, set in a rusticated natural stone frame. The round arch of the entrance porch with natural stone quoins and closing stones rests on columns. These are placed towards the two side walls with natural stone corner pilasters, of which the right one (north-east) has two windows. In the extension of these end walls, beside the round arch are crowned coats of arms. Against the entrance porch on the left is a plant conservatory placed above a built-in plinth under a lean-to roof with glass panes. To the right of the entrance porch are two windows and a door. In front of the entrance is a built-in staircase with sloping side walls and under the fanlight hangs a canopy. On the upper storey there are a total of five windows of different types.

The interior is also characterized by the Neo-Historicist style, inspired by Dutch Classicism in combination with English Country House style. The ground plan layout and detailing of the interior are largely well preserved and particularly richly executed on the ground floor. On the upper storey some alterations of minor importance have been made. At the entrance porch, flanked by cloakroom and toilet, white and black marble is used on the floor and as wainscoting. The mostly original panel doors are partly provided with leaded glass, some with side and fanlight. The central 'hall', executed in Old Dutch style, has oak parquet, (white-painted) oak ceiling with beams with key stones resembling lion heads and wainscoting, which continues to the sill of the panel doors. The hall is centrally lit by a dome with stained leaded glass. Opposite the entrance (north-west) a large fireplace with sandstone pilasters and a back wall with Delftware tiles from the building period. On the north-east side a winding staircase with landing, with opening doors leading onto the loggia. The salon located in the central axis of the front facade, executed in Neo-Louis XV style, has inter alia a decorative stuccoed ceiling, fireplace and brown marble floor. The sitting room with conservatory in Old Dutch style to the south of it has inter alia an oak parquet floor, (white-painted) low wainscoting, an oak fireplace with fluted Ionic columns. The dining room in Neo-Regence has inter alia oak parquet, decorative stuccoed ceiling, wooden wall cladding with wall covering and glazed pilasters, a marble fireplace with garlands.

The landing of first and second storey has an octagonal void, which like the staircase is executed with a balustrade with carved balusters. The first storey is sober and also broadly follows the original layout with low wainscoting, panel doors and various smaller fireplaces. On the attic are various staff rooms.

Valuation.

The country house dating from 1914-1916 is of general importance because of its cultural-historical value as a characteristic example of a monumental country house from the early 20th century and as a representative example of the development that country house architecture in the Netherlands underwent at that time.

The country house is of general importance because of its architectural-historical value as a characteristic example of a country house in Neo-Historicist style, inspired by Dutch Classicism and English Country House style.

The country house is characterized by a fairly high degree of integrity regarding the main form, the use of materials and the details, both internally and externally. In the interior this concerns both the ground plan layout and the detailing of the various style rooms, in particular on the ground floor.

The country house is of high urban planning importance as the principal component of the country estate and because of the stylistic, historically-functional spatial coherence with the various complex components and the formally laid-out garden arrangement directly around the house.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map