Rijksmonumentenregister · Netherlands
R.K. Karmelitessenklooster
Echt, Limburg, Netherlands
The record
- Designation
- National monument (rijksmonument)
- Class
- Klooster, kloosteronderdl
- Function
- Klooster
- Category
- onroerend gebouwd
- Built
- 1879 - 1880
- Address
- Bovenste straat 48, 6101 EL Echt (Echt-Susteren 31)
- Place
- Echt
- Municipality
- Echt-Susteren
- Province
- Limburg
- Country
- Netherlands
- Coordinates
- 51.10380, 5.86535
- Monument number
- 525532
Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.
David Rumsey Map Collection, Stanford LibrariesDavid Rumsey Map Collection, Stanford LibrariesDavid Rumsey Map Collection, Stanford Libraries
3 historical maps cover this location, the earliest the 1875 map "Niederlande Und Belgien." (David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries).
This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗
The register's description
Omschrijving
Inleiding.
KARMELITESSENKLOOSTER gebouwd naar ontwerp van dr. P.J.H. Cuypers in de jaren 1879-1880 voor een communiteit Ongeschoeide Karmelitessen, die in 1875 vanuit het St. Josephskloster bij St. Gereon te Keulen naar Echt was uitgeweken vanwege de Kulturkampf. Het klooster kenmerkt zich door een Ambachtelijk-traditionele bouwtrant in baksteen, met sobere Neo-Gotische elementen. Het gebeeldhouwde reliëf in het timpaan van het kerkportaal is vermoedelijk van de hand van beeldhouwer Jos. Thissen uit Roermond. Het klooster is gesitueerd op een ruim perceel in het westen van de kern van Echt. De voorgevel van het carrévormige gebouw is opgenomen in de westelijke straatwand van de Bovenste Straat. Achter deze bevindt zich een meerzijdige ommuurde TUIN. Deze TUIN met slotmuren en kluizen is onlosmakelijk verbonden met het karmelitessenklooster en vervult een belangrijke functie voor de zusters bij het naleven van de kloosterregels. De karmel in Echt kreeg mede bekendheid door het verblijf tussen 1938 en 1942 van Edith Stein, die in 1998 werd heiligverklaard. Het klooster wordt sinds 1987 door een communiteit karmelitessen uit Maastricht bewoond. In 1960 vond een ingrijpende verbouwing plaats van o.a. de kapel en sacristie. Hierbij verdween de volledige Neo-Gotische uitmonstering van kapel en zusterkoor. Andere veranderingen betreffen het opnieuw betegelen van de kruisgang, vermoedelijk in het midden van de twintigste eeuw. De garage tegen de rechter zijgevel van het westpand wordt hier niet beschreven, evenals de moderne hostiebakkerij in de tuin.
Omschrijving.
Het KARMELITESSENKLOOSTER bestaat uit vier panden van ongelijke hoogte om een niet volledig rechthoekige binnenhof. De toegang tot de achter het klooster gelegen ommuurde TUIN wordt verleend via een poort aan de zijde van de Bovenste Straat, met een doorrit tussen de noordgevel van het klooster en het belendende pand. De eenvoudig opgezette tuin heeft onder meer een gedeeltelijk opnieuw aangelegde kloosterbegraafplaats en enkele oude grindpaden, bezit een ommuring en enkele kluizen. De vier kloosterpanden zijn opgetrokken in baksteen in kruisverband en worden voornamelijk afgesloten met zadeldaken belegd met gesmoorde mulden- en tuile du Nordpannen. De afwatering vindt plaats via houten bakgoten, waarbij zich onder de goot steeds een licht uitkragende gootlijst met muizentanden bevindt. De gevels zijn voorzien van rechtafgesloten of segmentboogvormig afgesloten gevelopeningen, gevuld met houten ramen en deuren. De vensters hebben bijna overal hardstenen lekdorpels en aan de bovenzijde rondboogvormige of segmentboogvormige boogtrommels met een eenvoudige metselwerkvulling. Het noordelijke 6 assen tellende deel van het twee bouwlagen hoge OOSTPAND is geknikt en wordt afgedekt door een zadeldak dat in het zuiden haaks aansluit tegen de muur van de hogere kapel. Deze kapel wordt gedekt door een zadeldak met de nokrichting dwars op de rooilijn. Het dak boven het oostpand is voorzien van een schoorsteen en bevat enkele oorspronkelijke gietijzeren dakraampjes. De VOORGEVEL heeft een iets uitspringende gepleisterde plint. De gevel van de kapel risaleert licht en eindigt in een puntgevel bekroond door een stenen gevelkruis. De puntgevel is afgewerkt met natuursteen afdekplaten en schouderstukken. De gevel heeft aan weerszijden lisenen, die in de topgevel overgaan in klimmende boogfriezen. De spitsboogvormige ingang is omgeven door pleisterwerk in blokverband en heeft een dubbele houten strokendeur. Voor de deur twee natuurstenen treden. Boven de deur een natuurstenen, geprofileerde latei en een gebeeldhouwd timpaan met de voorstelling van een tronende Maria met kind, geflankeerd door een karmeliet en een karmelietes. Rechts naast de deur een in het vierde kwart van de twintigste eeuw aangebrachte memoriesteen voor Edith Stein. Boven de entree wordt de gevel grotendeels gevuld door een rechthoekig venster op een doorlopende waterlijst omgeven door een gedeeltelijk getrapte omlijsting in natuursteen. Het venster is gevuld met slank Gotisch maaswerk in vier vakken, in de vorm van gekoppelde lancetbogen met driepasbekroningen. De glas-in-loodvulling dateert uit 1992. De voorgevel van het klooster heeft een knik tussen de tweede en derde as van links. De eerste en tweede bouwlaag worden gescheiden door een doorlopende, in siermetselwerk uitgevoerde cordonlijst. De assen zijn gevuld met segmentboogvormige vensters voorzien van gedeelde stolpramen onder drieruits bovenlichten. De hoofdentree naar het klooster bevindt zich ongeveer in het midden in de derde as van links. De deuropening heeft een gepleisterde, rechthoekige omlijsting en wordt bekroond door een drielingvenster van lancetbogen, voorzien van gebrandschilderd glas uit de tweede helft van de twintigste eeuw. De dubbele houten deuren zijn iets teruggelegen en hebben glaspanelen met smeedijzeren traliewerk. De rechts tegen de voorgevel aansluitende toegangspoort ligt iets terug en is voorzien van dubbele, opgeklampte houten deuren. De deuren zijn voorzien van siergehengen. Het geheel wordt bekroond door een trapgevel met ezelsrugafdekkingen en een smeedijzeren kruisbloem in de top. Het trapgeveltje is gevuld met vijf klimmende boognissen, waarbij de middelste is witgepleisterd en voorzien van een Heiligenbeeld. Tegen de achtergevel van de kapel sluit het twee bouwlagen hoge ZUIDPAND aan. Dit pand wordt afgedekt door een zadeldak en sluit in het westen aan tegen het drie bouwlagen hoge westpand. In de dakschilden enkele dakramen uit het vierde kwart van de twintigste eeuw. De LINKER ZIJGEVEL (zuidgevel) grenst grotendeels aan het belendende pand. Het vrijliggende deel heeft een regelmatige vensterindeling. Het onderkelderde WESTPAND wordt gedekt door een zadeldak met aangekapt zadeldak over een middenrisaliet aan de westzijde. Op de nok twee schoorstenen. In de schilden een serie oorspronkelijk gietijzeren dakraampjes. Het genoemde middenrisaliet van de ACHTERGEVEL (westgevel) wordt afgesloten met een puntgevel en is aan de onderzijde voorzien van een hoge gecementeerde plint. In de eerste bouwlaag bevindt zich een achterdeur onder een houten afdak. Het risaliet bevat voorts smalle vensters onder segmentbogen. Links zijn deze venstertjes naast elkaar in drie lagen geplaatst, rechts per drie klimmend. In de geveltop komen vier van deze vensters naast elkaar voor. De terugliggende gevelpartij links telt vier assen gevuld met houten kruisvensters. De terugliggende gevelpartij rechts is twee vensterassen breed met houten kruisvensters. Het scheluwe NOORDPAND telt twee bouwlagen en is voorzien van een eenlaags zijbeuk aan de kloosterhof. Deze beuk heeft een lessenaardak met tuile du Nordpannen. Het hoofdvolume heeft een zadeldak dat aan de westzijde met een schild tegen het westpand aansluit en aan de oostzijde het dak van het oostpand snijdt. De RECHTER ZIJGEVEL (noordgevel) grenst aan de smalle doorrit die naar de tuin leidt. Links springt de gevel iets in ter plaatse van het oostpand. De sobere gevel heeft enkele oorspronkelijke ramen. De aan de KLOOSTERHOF grenzende gevels zijn grotendeels voorzien van hoge, gepleisterde plinten. Aan de bovenzijde worden de gevel afgesloten door tandlijsten zoals voornoemd. De sobere binnenhof bestaat in hoofdzaak uit een gazon, voorzien van enkele struiken. Om het gazon loopt langs de gevels een eenvoudig pad dat voor de verbinding zorgt tussen de verschillende panden. De aan de binnenhof grenzende westgevel van het OOSTPAND heeft in twee bouwlagen zeven houten kruisvensters, afgezien van de middelste as van de eerste bouwlaag waar zich een segmentboogvormig afgesloten portiek bevindt. Deze entree is voorzien van dubbele deuren met zesruits indeling. De ramen in de eerste bouwlaag worden ontlast door een gemetselde rondboog, op de verdieping door een segmentboog. In de oksel van het oostpand en het zuidpand bevindt zich een slanke, veelhoekige traptoren met een houten open klokkenstoel voorzien van spitsbogen en bekroond door een dakspits met inzwenkende voet. Op de spits een ijzeren kruis met haantje. In de eerste bouwlaag van de hoektoren een deur onder segmentboog, voorts een nis voorzien van een heiligenbeeld, een vierruits venster en een luikje. De noordgevel van het ZUIDPAND telt zes vensterassen met in de eerste bouwlaag een serie nieuwe, ongedeelde tuimelramen. De ramen bevinden zich vermoedelijk binnen oorspronkelijke gevelopeningen. Ze worden ontlast door gemetselde rondbogen met eenvoudige baksteenvulling zoals elders. In de tweede bouwlaag kruisvensters zoals voornoemd bekroond door segmentbogen. De aan de kloosterhof grenzende oostgevel van het WESTPAND heeft geen gecementeerde plint, maar wel enkele kelderlichten met koekoek. Deze gevel telt tussen de aansluitingen van het noord- en zuidpand vier assen met kruisvensters in drie bouwlagen. In de eerste bouwlaag worden deze ontlast door rondbogen, voorts door segmentbogen. In de eerste bouwlaag bevindt zich geheel links een segmentboogvormige deurpartij naar de binnenhof, met dubbele houten deuren en een bovenlicht met drie vierruits ramen. Boven de aansluitingen van het zuid- en noordpand bevinden zich in de gevel kleine vierkante venstertjes. De ZUIDGEVEL van het noordpand heeft een lage gecementeerde plint en bevat in de vooruitspringende kruisgang een serie kruisvensters zoals beschreven. In de tweede bouwlaag bevinden zich kruisvensters ontlast door segmentbogen. De oorspronkelijke structuur van het INTERIEUR is in hoofdlijnen bewaard gebleven en heeft het gesloten karakter met voorzieningen voor 21 zusters, zoals in de kloosteregel bepaald, behouden. De interieurafwerking van het klooster is in de loop van de twintigste eeuw versoberd, met behoud van enkele kenmerkende elementen. De kapel bestaat uit een openbaar toegankelijke zaalkerk in het oostpand en een hierachter gelegen zusterkoor in het zuidpand. De begane grond van het klooster bevat gemeenschappelijke ruimten zoals refter (noordpand) en keuken (westpand) op hun oorspronkelijke plaats. De sober opgezette kruisgang loopt langs de kloosterhof in het oostelijke, noordelijke en westelijke pand. Op de verdieping zijn deze gangen aan de buitenzijde gelegen, zodat de zustercellen aan de kloosterhof grenzen. Van het interieur zijn voorts onder meer van belang de oorspronkelijke bordestrappen met bewerkte trappalen in het noordpand en het westpand, de spiltrap in de traptoren, de ruimtelijke opzet van de zustercellen op de verdieping met de oorspronkelijke paneeldeuren en bijbehorende geprofileerde kozijnen. In de droogzolder van het westelijke pand een hijsrad voor wasgoed. In het lekengedeelte van de kapel een oorspronkelijk balkenplafond.
Waardering.
Het KARMELITESSENKLOOSTER met achtergelegen TUIN in Echt vertegenwoordigt algemeen belang en is van cultuurhistorische waarde als bijzondere uitdrukking van de ontwikkeling van de Rooms-Katholieke kerk in het vierde kwart van de negentiende eeuw voor wat betreft bestemming en verschijningsvorm. Het betreft een goed herkenbaar voorbeeld van een Karmelietessenklooster in de Nederlands-Duitse grensstreek, dat vanwege de ontstaansgeschiedenis en de geografische ligging verbonden is met de Kulturkampf. Voorts heeft het klooster bijzondere betekenis vanwege de relatie met de figuur Edith Stein. Het klooster bezit architectuurhistorische waarde als goed en in hoofdlijnen gaaf bewaard typologisch voorbeeld van een sober opgezet karmelietessenklooster uit het vierde kwart van de negentiende eeuw. Deze opzet is in hoofdlijnen nog altijd goed herkenbaar door de aanwezigheid van een kruisgang, de structuur van zustercellen voor 21 zusters en de gemeenschapsruimten op hun oorspronkelijke plaats. De achterliggende besloten tuin met begraafplaats versterkt dit karakter. Het pand vertoont een sobere Ambachtelijk-traditionele bouwstijl met enkele Neo-Gotische elementen kenmerkend voor een deel van de in deze tijd gebouwde Kulturkampf-kloosters en valt voorts op vanwege esthetische kwaliteiten in de detaillering van de kerkgevel. Het sober vormgegeven klooster is een voorbeeld uit het oeuvre van architect Cuypers in het laatste kwart van de negentiende eeuw. Het klooster heeft ensemblewaarden als karakteristiek en beeldbepalend onderdeel van de historische bebouwing in het centrum van Echt, waar het met de achterliggende tuin ligt ingebed tussen de percelen ten westen van de Bovenste Straat.
English translation
The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com
Description
Introduction.
CARMELITE CONVENT built according to designs by Dr. P.J.H. Cuypers in the years 1879-1880 for a community of Discalced Carmelites, who had fled to Echt in 1875 from the St. Josephs Convent near St. Gereon in Cologne due to the Kulturkampf. The convent is characterized by a craftsman-traditional building style in brick, with austere Neo-Gothic elements. The sculptured relief in the tympanum of the church portal is presumed to be by sculptor Jos. Thissen from Roermond. The convent is situated on an extensive plot in the west of the centre of Echt. The front facade of the square-formed building is set within the western street line of the Bovenste Straat. Behind this lies a multi-sided walled GARDEN. This GARDEN with boundary walls and storage vaults is inseparably connected with the Carmelite convent and fulfils an important function for the sisters in observing the convent rules. The Carmel in Echt gained additional fame through the residence between 1938 and 1942 of Edith Stein, who was canonized in 1998. The convent has been inhabited since 1987 by a community of Carmelites from Maastricht. In 1960 a major conversion took place of, among others, the chapel and sacristy. This resulted in the complete disappearance of the Neo-Gothic furnishings of the chapel and sisters' choir. Other changes concern the retiling of the cloister, presumably in the middle of the twentieth century. The garage against the right side wall of the west building is not described here, nor is the modern host bakery in the garden.
Description.
The CARMELITE CONVENT consists of four buildings of unequal height surrounding an incompletely rectangular courtyard. Access to the walled GARDEN located behind the convent is provided via a gate on the side of the Bovenste Straat, with a passage between the north wall of the convent and the adjacent building. The simply laid out garden has among other things a partially newly established convent burial ground and some old gravel paths, has a boundary wall and some storage vaults. The four convent buildings are constructed in brick in cross-bonded pattern and are mainly finished with gabled roofs covered with smoked ogee and Flemish bond tiles. Drainage takes place via wooden gutters, whereby beneath the gutter there is always a slightly overhanging gutter line with decorative dentilation. The facades are provided with straight-finished or segmentally-arched openings, filled with wooden windows and doors. The windows are almost everywhere fitted with hard stone drip moulds and at the top with round-arched or segmentally-arched arch rings with simple brickwork infill. The northern 6-bay section of the two-storey high EAST BUILDING is angled and is covered by a gabled roof that abuts at right angles in the south against the wall of the higher chapel. This chapel is covered by a gabled roof with the ridge direction transverse to the building line. The roof above the east building is provided with a chimney and contains some original cast-iron roof lights. The FRONT FACADE has a slightly projecting rendered plinth. The chapel facade projects slightly and terminates in a pointed gable crowned by a stone gable cross. The pointed gable is finished with natural stone coping and shoulder pieces. The facade has lisenes on both sides, which in the top gable pass into rising arch friezes. The pointed-arched entrance is surrounded by rendered blockwork and has a double wooden plank door. In front of the door two natural stone steps. Above the door a natural stone, profiled lintel and a sculptured tympanum with the representation of a throned Mary with child, flanked by a Carmelite friar and a Carmelite nun. To the right of the door a memorial stone for Edith Stein affixed in the fourth quarter of the twentieth century. Above the entrance the facade is largely filled by a rectangular window on a continuous drip moulding surrounded by a partially stepped frame in natural stone. The window is filled with slender Gothic tracery in four sections, in the form of coupled lancet arches with trefoil crownings. The stained glass fill dates from 1992. The front facade of the convent has a break between the second and third bays from the left. The first and second storeys are separated by a continuous cornice line executed in decorative brickwork. The bays are filled with segmentally-arched windows provided with divided sash windows under three-light fanlights. The main entrance to the convent is located approximately in the middle in the third bay from the left. The door opening has a rendered, rectangular surround and is crowned by a triple lancet-arch window, provided with stained glass from the second half of the twentieth century. The double wooden doors are slightly recessed and have glass panels with wrought iron grilles. The access gate adjoining the right side of the front facade is set slightly back and is provided with double, pegged wooden doors. The doors are fitted with decorative hinges. The whole is crowned by a stepped gable with saddle-back cappings and a wrought iron cross finial at the top. The stepped gablette is filled with five rising arch niches, the middle one of which is rendered in white and fitted with a saint's image.
Against the rear wall of the chapel adjoins the two-storey high SOUTH BUILDING. This building is covered by a gabled roof and abuts in the west against the three-storey high west building. In the roof planes several roof lights from the fourth quarter of the twentieth century. The LEFT SIDE WALL (south wall) borders largely on the adjacent building. The detached section has a regular window arrangement. The cellared WEST BUILDING is covered by a gabled roof with an attached gabled roof over a central projection on the west side. On the ridge two chimneys. In the planes a series of originally cast-iron roof lights. The mentioned central projection of the REAR FACADE (west wall) is finished with a pointed gable and is provided at the base with a high cemented plinth. In the first storey there is a rear door under a wooden canopy. The projection contains further narrow windows under segmental arches. On the left these little windows are placed side by side in three rows, on the right in three rising rows. In the gable top four of these windows appear side by side. The recessed facade section on the left has four bays filled with wooden cross windows. The recessed facade section on the right is two window bays wide with wooden cross windows.
The irregular NORTH BUILDING has two storeys and is provided with a single-storey side aisle facing the convent courtyard. This aisle has a lean-to roof with Flemish bond tiles. The main volume has a gabled roof that adjoins with a roof plane against the west building on the west side and intersects the roof of the east building on the east side. The RIGHT SIDE WALL (north wall) borders the narrow passage that leads to the garden. On the left the facade projects slightly in line with the east building. The austere facade has some original windows.
The facades bordering the CONVENT COURTYARD are largely provided with high, rendered plinths. At the top the facades are finished with dentil lines as mentioned above. The austere inner courtyard consists mainly of a lawn, provided with some shrubs. Around the lawn runs a simple path along the facades that provides connection between the different buildings. The west wall of the EAST BUILDING bordering the inner courtyard has in two storeys seven wooden cross windows, apart from the middle bay of the first storey where a segmentally-arched portico is located. This entrance is provided with double doors with six-panel arrangement. The windows in the first storey are supported by a brick round arch, on the upper floor by a segmental arch. In the corner between the east building and the south building is a slender, polygonal stair tower with a wooden open belfry provided with pointed arches and crowned by a roof spire with incurving foot. On the spire an iron cross with weathervane. In the first storey of the corner tower a door under segmental arch, further a niche fitted with a saint's image, a four-pane window and a small shutter.
The north wall of the SOUTH BUILDING has six window bays with in the first storey a series of new, undivided pivot windows. The windows are presumed to be within original facade openings. They are supported by brick round arches with simple brickwork infill as elsewhere. In the second storey cross windows as mentioned above crowned by segmental arches.
The east wall of the WEST BUILDING bordering the convent courtyard has no cemented plinth, but does have some cellar lights with cuckoo openings. This wall has between the junctions of the north and south buildings four bays with cross windows in three storeys. In the first storey these are supported by round arches, further by segmental arches. In the first storey on the far left there is a segmentally-arched door section to the inner courtyard, with double wooden doors and a fanlight with three four-pane windows. Above the junctions of the south and north buildings there are small square little windows in the facade.
The SOUTH WALL of the north building has a low cemented plinth and contains in the projecting cloister a series of cross windows as described. In the second storey there are cross windows supported by segmental arches. The original structure of the INTERIOR has been preserved in its main lines and has retained the enclosed character with provisions for 21 sisters, as determined by the convent rule. The interior furnishings of the convent have been simplified over the course of the twentieth century, while retaining some characteristic elements. The chapel consists of a publicly accessible hall church in the east building and a sisters' choir located behind it in the south building. The ground floor of the convent contains communal spaces such as the refectory (north building) and kitchen (west building) in their original locations. The austere cloister runs along the convent courtyard in the east, north and west buildings. On the upper floor these corridors are located on the exterior side, so that the sisters' cells border on the convent courtyard. The interior is also significant for, among other things, the original staircase flights with carved stair balusters in the north and west buildings, the spiral stair in the stair tower, the spatial arrangement of the sisters' cells on the upper floor with the original panelled doors and associated profiled door frames. In the drying loft of the western building a hoist wheel for laundry. In the lay section of the chapel an original timber ceiling.
Valuation.
The CARMELITE CONVENT with adjoining GARDEN in Echt is of general importance and is of cultural-historical value as a notable expression of the development of the Roman Catholic Church in the fourth quarter of the nineteenth century with regard to purpose and appearance. This is a well-recognizable example of a Carmelite convent in the Dutch-German border region, which on account of its origins and geographical location is connected with the Kulturkampf. Furthermore, the convent has particular significance because of its relation to the figure Edith Stein. The convent possesses architectural-historical value as a well and substantially intact preserved typological example of an austere Carmelite convent from the fourth quarter of the nineteenth century. This arrangement is still substantially recognizable through the presence of a cloister, the structure of sisters' cells for 21 sisters and communal rooms in their original locations. The adjoining enclosed garden with burial ground strengthens this character. The building displays an austere craftsman-traditional building style with some Neo-Gothic elements characteristic of a group of Kulturkampf convents built in this period, and is furthermore notable for aesthetic qualities in the detailing of the church facade. The austerely designed convent is an example from the work of architect Cuypers in the last quarter of the nineteenth century.
The convent has ensemble value as a characteristic and image-defining component of the historical buildings in the centre of Echt, where it lies embedded with the adjoining garden between the plots to the west of the Bovenste Straat.
Nearby in the register
- Woonhuis, Bovenste Eind 6Woonhuisunder 1 mi
- Postkantoor, Bovenste straat 22Overheidsgebouwunder 1 mi
- Woonhuis, Bovenste straat 18Woonhuisunder 1 mi
- Kweekschool Zrs. UrsulinenOnderwijs en wetenschapunder 1 mi
Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.