TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Woonhuis, Deventerweg 113

Zutphen, Gelderland, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Woonhuis
Category
onroerend gebouwd
Built
1905
Address
Deventerweg 113, 7203 AE Zutphen
Place
Zutphen
Province
Gelderland
Country
Netherlands
Coordinates
52.15035, 6.20656
Monument number
523418

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

TU Delft Library

3 historical maps cover this location, the earliest the 1889 map "05. Zutphen (1889)" (TU Delft Library).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

Inleiding

HERENHUIS met TUINHEK, deel uitmakend van woonblok bestaande uit veertien aaneengesloten herenhuizen. Het hoekpand is gebouwd in ca. 1905 door aannemer/ architect H.J. van der Klip (1861-1938) in overgangsarchitectuur. De als aannemer geschoolde Van der Klip signeerde als architect zijn bouwtekeningen, hetgeen overigens in die tijd wel meer gebruikelijk was. Van der Klip is voor de bouw van verscheidene woningen, alle van een nagenoeg zelfde type, in de periode 1903-1914 aan deze zijde van de Deventerweg verantwoordelijk geweest. Het hoekpand bezit behalve een souterrain en bel-etage, een tweede bouwlaag en zolderverdieping. De tweebeukige indeling is goed uit de voorgevel af te leiden. De voor- en linker zijgevel van het pand vertonen duidelijke Jugendstil kenmerken zoals de asymmetrische indeling van de gevels. Het hoekpand wordt behalve door een hoektorentje, door twee erkers, een veranda, vier balkonnetjes en een fraaie, overhoeks geplaatste ingangspartij gekenmerkt, die alle zijn voorzien van sierlijke hekwerkjes in hout of ijzer uitgevoerd en met uitzondering van de erkers door afdakjes worden gedekt. Genoemde onderdelen geven reliëf aan de gevel hetgeen eveneens een kenmerk van Jugendstil is. Daarnaast bestaat er veel aandacht voor details en plantenmotieven in de glas in loodramen, friezen en ijzeren hekwerken. De gevels zijn in gele verblendsteen uitgevoerd met siermetselwerk in hetzelfde materiaal; in deuren, kozijnen, klossen en beschot is fijn gedetailleerd houtsnijwerk toegepast en zijn decoratieve patronen in verschillende kleuren in boogtrommels in de zijgevel aangebracht in natte cement met behulp van een sjabloon. De architect wilde hiermee de sgraffito-techniek imiteren die omstreeks 1900 veelvuldig werd toegepast in België. In de beschrijving wordt deze techniek aangeduid met de term imitatie-sgraffito. De voor- en linker zijgevel staan in sterk contrast met de sobere achtergevel (met houten serre, waarboven een balkon) en de traditionele aankleding van het interieur. De rijke uitvoering van de voorgevel toont duidelijk aan dat de voorgevel het 'gezicht' naar buiten was waaraan het aanzien af te lezen was. De hoekwoning grenst evenals de overige huizen in dit blok, met een korte voortuin aan de parallelweg van de Deventerweg. Een ijzeren TUINHEK in Jugendstil vormentaal scheidt de voortuin van de stoep langs de parallelweg van de Deventerweg.

Het hoekpand is ten noorden van de Deventerweg gesitueerd, aan de noordoost grens van de bebouwde kom van Zutphen en is met zijn voorgevel op één rooilijn met de overige rij woningen in het blok gelegen. Het hoekpand grenst met de linker zijgevel aan een naamloze straat die doodloopt tegen een klein sportcomplex nog voor de achter de huizen gelegen spoorlijn en bedrijventerrein.

Omschrijving

De plattegrond bezit als hoofdvorm een rechthoek. Het samengestelde dak, gevormd door een platdak met in de voorgevel kleine schilddakjes, bezit in de linker zijgevel twee aangekapte lessenaarsdaken en is met rode kruispan belegd. De hoektoren in de linkerzijde van de gevel bezit een tentdak, dat op de kepers is voorzien van schubvorsten. De toren wordt door een piron met uitbundige vormen door een windvaan bekroond. Alle daken bevatten een bakgoot op gesneden klossen.

De VOORGEVEL is in twee beuken verdeeld waarbij de terugwijkende linkerbeuk met veranda en een van een afdak voorzien bovenliggend balkon, uitmondt in de eerder genoemde hoektoren. De rechter beuk bezit een halfronde erker waarboven zich een balkon bevindt. Onder de hoger gelegen vijfhoekige veranda (in het linker gedeelte van de gevel) die via de hardstenen trap aan de voorzijde is te bereiken, zijn drie halfsteens rondbogen aangebracht. De veranda is in rode verblendsteen opgetrokken. Drie van de vijf zijden worden door een in gele baksteen uitgevoerde rondboog die rust op hoge kolommen, afgesloten. De middelste opening bevat de trap en is het breedst. De eensteens rondboog wordt door een koppenlaag van gele verblendsteen om en om afgewisseld. Omdat de vijfde zijde de zijmuur betreft van de gedeeltelijk inpandig gelegen veranda is deze blind. De aanzetstenen van de vier bogen worden alle gevormd door uitgemetselde gele bakstenen onder de binnenwelving van de bogen. De borstwering tussen de kolommen wordt gevormd door een granito dekplaat op een lage kolom. Donkergroen geglazuurde bakstenen begrenzen de granitovloer van de veranda. Het balkon, gescheiden van de veranda door een in zwarte baksteen uitgevoerde geprofileerde lijst, bezit een ijzeren hekwerk met een motief van drie bloemstengels bijeengehouden door een cirkel. Op de met gele bakstenen gemetselde kolommen die in het verlengde staan van hun varianten op de veranda, rusten op bloemtakken gelijkende houten kolommen op granitodekplaten. Deze dragen het rechthoekige lessenaarsdak boven het balkon waarvan de uiteinden van de draagbalken die haaks op de gevel staan, zijn voorzien van een in hout uitgezaagde kop 'en profil'. In de laatste geleding onder de torenhelm komt een samengesteld halfrond venster voor met stolpramen in het midden, geflankeerd door lagere zijlichten met kwartcirkelvormige bovenlichten. Een steens boog met koppen in rode verblendsteen, sluit het venster af. Onder de geprofileerde dakrand zijn segmentboogvormig afgesloten spaarvelden (waarin siermetselwerk) aangebracht die onderling door een uitgemetselde streklaag zijn verbonden. De uitgemetselde hoeken van de toren worden door kleine consoles ondersteund. De rechterbeuk bevat in het souterrain, dat de halfronde vorm van de hoger gelegen erker heeft overgenomen, drie moderne ramen. De erker bezit drie vensters waarin moderne, van voorzetramen voorziene schuiframen met een door een verticale roede verdeeld tweeruits bovenlicht zijn geplaatst. Dit type venster wordt meermalen in de zij- en achtergevel herhaald. Alleen in het middelste raam komt een drieruits bovenlicht voor. De vensters in de voorgevel rusten alle op afgeronde granito vensterdorpels die door trapsgewijs uitgemetselde consoles, waartussen siermetselwerk, worden ondersteund. De vensters worden boven afgesloten door een halfsteens segmentboog met imitatie-sgraffito (bladranken). Tussen raam en boogvulling bevindt zich een kast voor de rolluiken. Een zwarte verblendstenen waterlijst markeert de overgang van erker naar balkon. De muurdammen tussen de ramen van de erker lopen als kolommen op het balkon door en worden door een granito dekplaat afgesloten. Tussen de kolommen is een sierhekwerk gevat, dat identiek is aan het links gelegen balkonhek. De dubbele balkondeuren met lagere zijlichten zijn bovenaan voorzien van een roedeverdeling die de kop van de raampjes in drie ruitjes verdeeld; de kop van elke deurruit bezit 4x2 ruitjes. Het bovenlicht van de deuren is door twee verticale roeden onderverdeeld. De bovenlichten van de zijlichten hebben de vorm van een kwartcirkel en leunen tegen het hoger geplaatste bovenlicht van de deuren. Deuren en ramen worden door een uitgemetselde sierband (met natuurstenen tussenstenen) die de vorm herhaalt van de drie bovenlichten, boven afgesloten. De eensteens sierband bestaat uit gele verblendsteen waarin in de buitenboog om en om geplaatst, koppen van rode verblendsteen die door uitkragende consoles worden ondersteund van onder meer geglazuurde baksteen. De zijkanten van dit rechtergedeelte van de gevel zijn voorzien van in zwarte verblendsteen uitgevoerde plantmotieven. In de geveltop komen drie halfrond afgesloten vensters voor waarvan de twee buitenste draairamen met bovenlichten betreffen. Het middelste venster bevat een stolpraam met een door twee verticale roeden onderverdeeld halfrond bovenlicht. De drie vensters worden door drie bogen, identiek als boven de deuren van het balkon met sierpatroon door tussenstenen met elkaar verbonden. De drievoudige boog is hier echter niet uitgemetseld. De gevel wordt beëindigd door een reeks van uitgemetselde consoles van ongelijke lengte die de klossen onder de dakrand ondersteunen, waartussen een doorlopende in zwarte verblendsteen uitgevoerde sierlijst.

De asymmetrisch ingedeelde LINKER ZIJGEVEL bezit ter weerszijden van een naar voorspringend gedeelte een linkerbeuk die een overdekt balkon bevat en rechts een smalle beuk die de toren vormt. De in hoogte afwijkende dakvlakken worden evenals in de voorgevel door windveren beëindigd die zijn voorzien van gesneden koppen 'en profil'.

Het middengedeelte van de gevel, dat deels schuil gaat achter struikgewas in de smalle tuin naast het huis, bevat een begane gronds draairaam. Het boogveld is weer met imitatie-sgraffito ingevuld zoals eerder vermeld en afgesloten door een halfsteens boog met rode verblendsteen. Ter weerszijden van de boog is als siermetselwerk eveneens in rode verblendsteen, een driehoek aangebracht waarboven zich een smal hoog venster bevindt. De twee vensters bevatten glas in loodramen met in de kop een horizontale roedeverdeling. De afsluitende boogvelden zijn hetzelfde als hiervoor besproken. Ter hoogte van de verdiepingsvloer komt in de linkerzijde van dit gedeelte van de gevel een aan elkaar identiek venster met draairaam voor. De gevel bevat in de derde bouwlaag een venster met drie gekoppelde meerruits ramen waarin diverse glassoorten. Een segmentboog sluit de drie draairamen boven af. De gevel wordt langs de gehele daklijst afgesloten op een wijze zoals te zien is in de voorgevel en die via de overhoeks geplaatste zijmuur die met de toren is verbonden ook daar voorkomt. In de bedoelde overhoeks geplaatste muur is de entree opgenomen. In de gecementeerde voetmuur bevindt zich onder het bordes van de trap, een halfronde blindnis. Een eenvoudige bakstenen trap met moderne buisleuning, evenwijdig aan de gevel geplaatst, loopt tot aan het tuinhekje en markeert de ingangspartij die door een aangekapt schilddakje wordt gedekt. Dit wordt door één houten kolom op het bordes ondersteund. Vanuit de kolom rijzen, overeenkomstig het balkon aan de voorgevel, korbelen op in de vorm van gestileerde bloemstengels ter ondersteuning van het met daktegels belegde afdakje. Tussen de bloemstengels is in hout uitgevoerd een slangekop aangebracht. De deurpartij is gevat in een kozijn, overeenkomstig aan dat van de balkondeuren in de voorgevel. Het deurkozijn rust op hardstenen neuten en dito dorpel. De deur met in het midden een klein deurruit wordt geflankeerd door een verdiept veld waarin bloemmotieven zijn gesneden. De onderzijde bevat panelen met gebiljoeneerde randen; in de bovenzijde komen ruitjes met bewerkt geelkleurig glas voor. De zijlichten bevatten kathedraalglas. Boven het afdakje boven de deur grenst een venster dat identiek is aan het venster, dat voorkomt in de erker van de voorgevel. Doordat het lessenaarsdak in de rechter benedenhoek de overhoeks geplaatste muur volgt ontstaat hier een vijfzijdig dakvlak.

Het linkse deel van de gevel bevat een schuifraam (op lekdorpeltegels), zoals dat ook voorkomt boven de ingangspartij en aldaar beschreven. Het balkon op de hoek in deze gevel wordt door een balustrade met eenvoudige spijlen afgeschermd. De dubbele balkondeuren bezitten grote ruiten waarvan de kop door een verticale roede is gedeeld. Een drielichts getoogd bovenlicht sluit de balkondeuren boven af. Ter weerszijden is in rode verblendsteen siermetselwerk opgenomen. Het lessenaarsdak dat naar beneden is doorgetrokken, rust rechts tegen het vooruitspringende gedeelte van de gevel; links bestaat de zijkant onder het overstekende dak uit plankdelen, met een uitgezaagde onderrand.

Het rechter gedeelte van de linker zijgevel wordt door de in de voorgevel beschreven torenhelm, beëeindigd. Boven het souterrain bevat de eerste bouwlaag een venster van het type dat voorkomt in de erker in de voorgevel en overeenkomstig deze erker, in rode verblendsteen is opgetrokken. Ter plaatse van de overgang naar de verdieping van rood in geel metselwerk, is een segmentboogvormige muursleuf boven de vensterboog geplaatst, die door een koppenlaag van zwarte verblendsteen wordt omlijst. Het gecementeerde veld is voorzien van imitatie-sgraffito (lofwerk). In de tweede bouwlaag komt een identiek venster als in de eerste bouwlaag voor. Het hoogst in de toren geplaatste venster is identiek aan het venster, dat ook voorkomt in de voorzijde van de toren en herhaalt ook de vormen van het fries onder het dak.

De sober uitgevoerde ACHTERGEVEL wijkt in vele opzichten geheel af van de twee eerder besproken gevels. De achtergevel met risalerend rechter gedeelte, is opgetrokken in een grauwe baksteen (in kruisverband gemetseld) en wordt per bouwlaag door dubbele spekbanden, bestaande uit een gele verblendstenen koppenlaag geklemd tussen twee rode verblendstenen streklagen onderverdeeld. De spekbanden sluiten aan ter hoogte van de wisseldorpels van de ramen en worden bij de bovendorpels door de gecementeerde boogvelden onderbroken. Het stolpraam in de derde bouwlaag in het risalerende rechterdeel van de gevel is, (door het uit het platte dak voortkomende dakschild van het lessenaarsdak) verstoken van een boogveld. De spekband zet zich hierboven het raam ononderbroken voort en eindigt tegen de schuine dakrand. Naast de spekbanden vormen waterlijsten horizontale elementen in deze smalle langgerekte achtergevel. Verticaal wordt het risalerende deel over drie bouwlagen op de hoeken door gele verblendstenen gemarkeerd, met uitzondering van de linkerhoek in de derde bouwlaag van het risaliet die gecementeerd is. Het souterrain heeft ten behoeve van een bedrijfsfunktie een gewijzigde indeling gekregen. De aanvankelijk door kolommen ondersteunde open ruimte onder de erker links, is dichtgezet en voorzien van ramen in het gecementeerde muurvlak. Rechts bevindt zich een blindnis ter plaatse van een dichtgezette deur en op de hoek komt een gekoppeld draairaam voor. De brede erker op de bel-etage in het linker gedeelte bevat aan de voorzijde een dubbele enkelruits deur met zijlichten waarvan de kop van de ruiten door een verticale roede is gedeeld. De deur- en raamkozijnen zijn met bladmotieven geïnciseerd. De erker wordt afgesloten door een daklijst met gesneden klossen onder een modern balkonhek. Boven de dubbele balkondeuren (met gedeeld bovenlicht) sluit een segmentboog (met gele verblendstenen koppenlaag) het gecementeerde boogveld af bij alle vensters in dit gedeelte van de gevel. De bovenste verdieping bevat een venster met gekoppelde draairamen dat elk een tweeruits bovenlicht bevat. Het rechter deel van de gevel bevat in de eerste twee bouwlagen een venster, identiek aan het venster, dat voorkomt in de erker in de voorgevel. Het stolpraam dat de risaliet afsluit is reeds besproken. De linkerzijde van het risaliet is behoudens de doorlopende spekbanden en waterlijsten geheel blind uitgevoerd.

Het INTERIEUR bevat een aantal waardevolle onderdelen. De hal is voorzien van een lambrizering en bevat een fraaie vestibule. De kamer en suite is voorzien van rijk geornamenteerde stucplafonds waarin een koof- en perklijst met rolwerk temidden van bladranken in de hoeken is opgenomen. Tussen de ramen en het plafond bevindt zich de opbergkast van de rolluiken. Zowel originele paneeldeuren met diamantkoppen als de twee schouwen zijn aanwezig. Waar oorspronkelijke interieur-onderdelen verloren zijn gegaan worden deze door de eigenaar op goede wijze hersteld of teruggebracht.

Het ijzeren TUINHEK aan de straatzijde vormt met die van de andere huizen in deze rij, die overigens alle goed zijn bewaard, één geheel. De sierlijk welvende spijlen van het hek komen per drie bovenaan samen en worden boven één van de twee regels van het hek door een ornament bekroond.

Waardering

HERENHUIS Deventerweg 113, met TUINHEK, maakt onderdeel uit van een wooncomplex bestaande uit veertien aaneengesloten woonhuizen gebouwd begin 20ste eeuw door H.J. van der Klip.

- Van architectuurhistorisch belang als goed, gaaf voorbeeld van een herenhuis met in Jugendstil uitgevoerde voorgevels. Opvallend is de rijke detaillering in het houtwerk. In in- en exterieur, de toepassing van siermetselwerk in verschillende kleuren verblendsteen, het gebruik van kathedraalglas voor de bovenlichten, de decoratieve invulling van de gecementeerde boogtrommels en friezen met imitatie-sgraffito, alsook het Jugendstil tuinhek aan de voorzijde. In het interieur bevinden zich veelal de oorspronkelijke paneeldeuren, schouwen en stucplafonds.

- Van stedenbouwkundig belang omdat het pand onderdeel vormt van een historisch gegroeid stedelijk (stadsuitbreidings)gebied in het eerste kwart van deze eeuw en daarin een beeldbepalende rol speelt. Het belang wordt versterkt door de ligging op een hoek (Deventerweg en naamloos straatje). Het hoekpand heeft ensemble waarde in relatie met de overige woningen aan deze zijde van de Deventerweg die eveneens in Jugendstil zijn opgetrokken. Het huis vormt daarnaast een goed voorbeeld van het type herenhuis met korte voortuin en diepe achtertuin dat door een ijzeren tuinhek (Jugendstil) van de stoep, bakstenen ventweg en hoofdstraat wordt gescheiden.

- Van cultuurhistorisch belang als goed voorbeeld van een herenhuis als onderdeel van een complex van woningen van de gegoede burgerij die zich omstreeks 1900 buiten de stad vestigden.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

Introduction

TOWN HOUSE with GARDEN GATE, forming part of a residential block consisting of fourteen adjoining town houses. The corner property was built around 1905 by contractor/architect H.J. van der Klip (1861-1938) in transitional architecture. Van der Klip, trained as a contractor, signed his building drawings as an architect, which was indeed more customary at that time. Van der Klip was responsible for the construction of several dwellings, all of virtually identical type, during the period 1903-1914 on this side of the Deventerweg. In addition to a basement and mezzanine, the corner property has a second storey and attic storey. The two-aisle layout is clearly evident from the front facade. The front and left side facades of the property display clear Art Nouveau characteristics such as the asymmetrical arrangement of the facades. Apart from a corner turret, the corner property is characterized by two bay windows, a veranda, four small balconies and a fine, diagonally positioned entrance section, all of which are provided with elegant ironwork or woodwork and, with the exception of the bay windows, are covered by roof sections. These components give relief to the facade, which is also a characteristic of Art Nouveau. Furthermore, there is much attention to detail and plant motifs in the stained glass windows, friezes and iron railings. The facades are executed in yellow facing brick with decorative brickwork in the same material; fine detailed wood carving is applied in doors, frames, blocks and boarding and decorative patterns in various colours are applied in arch soffits in the side facade in wet cement with the aid of a template. The architect thereby intended to imitate the sgraffito technique that was widely applied around 1900 in Belgium. In the description this technique is referred to as imitation sgraffito. The front and left side facades stand in stark contrast to the austere rear facade (with wooden conservatory, above which a balcony) and the traditional finishes of the interior. The rich execution of the front facade clearly shows that the front facade was the 'face' to the outside from which the appearance could be read. The corner dwelling, like the other houses in this block, borders with a short front garden the parallel road of the Deventerweg. An iron GARDEN GATE in Art Nouveau forms separates the front garden from the pavement along the parallel road of the Deventerweg.

The corner property is situated north of the Deventerweg, on the north-east boundary of the built-up area of Zutphen and, with its front facade on the same building line as the other row of dwellings in the block, is positioned. The corner property borders with the left side facade a nameless street that ends against a small sports complex still before the railway line and business district behind the houses.

Description

The floor plan has as its main form a rectangle. The composite roof, formed by a flat roof with small hipped roofs in the front facade, has two adjoining lean-to roofs in the left side facade and is covered with red roof tiles. The corner turret on the left side of the facade has a pyramidal roof, which is provided with tiled roof boards cut along the rafters. The turret is crowned by a pyramidal finial with exuberant forms by a weather vane. All roofs contain a gutter on carved brackets.

The FRONT FACADE is divided into two aisles with the recessed left aisle with veranda and an overlying balcony provided with a roof section, ending in the aforementioned corner turret. The right aisle has a semicircular bay window above which there is a balcony. Below the higher-placed pentagonal veranda (in the left part of the facade) that can be reached via the stone steps at the front, three half-brick semicircular arches have been installed. The veranda is constructed in red facing brick. Three of the five sides are closed off by an arch executed in yellow brick resting on tall columns. The middle opening contains the stairs and is the widest. The one-brick arch is enlivened by a header course of yellow facing brick alternating all around. Since the fifth side is the side wall of the partially internalised veranda, it is blind. The springer stones of the four arches are all formed by laid-out yellow bricks under the inner curve of the arches. The balustrade between the columns is formed by a granite coping on a low column. Dark green glazed bricks border the granite floor of the veranda. The balcony, separated from the veranda by a profiled band executed in black brick, has an iron railing with a motif of three flower stems held together by a circle. On the columns laid in yellow brick which extend the variants on the veranda, wooden columns resembling floral branches rest on granite coping plates. These support the rectangular lean-to roof above the balcony, the ends of the supporting beams of which, perpendicular to the facade, are provided with a head carved in wood 'en profile'. In the last section below the turret roof there is a composite semicircular window with fixed lights in the centre, flanked by lower side lights with quarter-circle fanlights. A brick arch with headers in red facing brick closes off the window. Below the profiled roof edge segmental arch-shaped spandrel panels (containing decorative brickwork) are installed, connected to each other by a laid-out string course. The laid-out corners of the turret are supported by small consoles. The right aisle contains in the basement, which has taken on the semicircular shape of the higher bay window, three modern windows. The bay window has three windows containing modern sash windows provided with outer frames with a two-light fanlight divided by a vertical glazing bar. This type of window is repeated several times in the side and rear facades. Only in the middle window is there a three-light fanlight. The windows in the front facade all rest on rounded granite window sills supported by stepped-out consoles, between which decorative brickwork is placed. The windows are closed above by a half-brick segmental arch with imitation sgraffito (leafy scrolls). Between frame and arch filling there is a blind box for roller shutters. A black facing brick drip moulding marks the transition from bay window to balcony. The wall piers between the windows of the bay window continue as columns on the balcony and are closed off by a granite coping. Between the columns a decorative railing is fitted, identical to the balcony railing on the left. The double balcony doors with lower side lights are provided at the top with a glazing bar that divides the top of the small windows into three panes; the top of each door pane has 4x2 panes. The fanlight of the doors is subdivided by two vertical glazing bars. The fanlights of the side lights have the shape of a quarter-circle and lean against the higher-placed fanlight of the doors. Doors and windows are closed above by a laid-out decorative band (with natural stone intermediate stones) that repeats the shape of the three fanlights. The one-brick decorative band consists of yellow facing brick in which headers of red facing brick are placed alternately all around in the outer arch, supported by projecting consoles of, among others, glazed brick. The sides of this right part of the facade are provided with plant motifs executed in black facing brick. In the gable top there are three semicircular-terminated windows of which the two outer ones are casement windows with fanlights. The middle window contains a fixed light with a semicircular fanlight subdivided by two vertical glazing bars. The three windows are connected by three arches, identical to those above the balcony doors with decorative pattern through intermediate stones. The triple arch is not laid out here, however. The facade is terminated by a series of laid-out consoles of unequal length supporting the blocks under the roof edge, between which a continuous decorative band executed in black facing brick.

The asymmetrically arranged LEFT SIDE FACADE has on either side of a projecting section a left aisle containing a covered balcony and on the right a narrow aisle forming the turret. The roof planes of different heights are terminated, as in the front facade, by weather boards provided with carved heads 'en profile'.

The middle section of the facade, which is partly hidden behind shrubbery in the narrow garden next to the house, contains a ground-floor casement window. The arch field is again filled with imitation sgraffito as previously mentioned and closed off by a half-brick arch with red facing brick. On either side of the arch, decorative brickwork in red facing brick, a triangle is applied above which a narrow high window is located. The two windows contain stained glass with a horizontal glazing bar division in the head. The closing arch fields are the same as previously discussed. At the level of the floor level, on the left side of this section of the facade, a window identical to each other with a casement window is found. The facade contains in the third storey a window with three coupled multi-light windows with various types of glass. A segmental arch closes the three casement windows above. The facade is closed along the entire roof line in the manner as seen in the front facade and which also occurs there via the diagonally positioned side wall connected to the turret. The entrance is included in the said diagonally positioned wall. In the cemented base wall, below the landing of the steps, there is a semicircular blind opening. A simple brick staircase with modern tubular railing, placed parallel to the facade, leads to the garden gate and marks the entrance section which is covered by an adjoining hipped roof. This is supported by one wooden column on the landing. From the column, corbels rise in the manner of stylised flower stems in accordance with the balcony on the front facade in support of the roof section covered with roof tiles. Between the flower stems a snake's head is executed in wood. The door section is enclosed in a frame, in accordance with that of the balcony doors in the front facade. The door frame rests on stone sill blocks and likewise sill. The door with a small window pane in the middle is flanked by a recessed field in which flower motifs are carved. The lower part contains panels with gilded edges; in the upper part are panes with worked yellow-coloured glass. The side lights contain cathedral glass. Above the roof section above the door adjoins a window identical to the window found in the bay window of the front facade. Because the lean-to roof in the right lower corner follows the diagonally positioned wall, a pentagonal roof plane is created here.

The left part of the facade contains a sash window (on flashing tiles), as also occurs above the entrance section and is described there. The balcony on the corner in this facade is screened off by a balustrade with simple balusters. The double balcony doors have large panes of which the top is divided by a vertical glazing bar. A three-light arched fanlight closes the balcony doors above. On either side decorative brickwork in red facing brick is incorporated. The lean-to roof, which is carried down, rests on the right against the projecting part of the facade; on the left the side below the overhanging roof consists of board sections, with a sawn-out lower edge.

The right part of the left side facade is terminated by the turret roof described in the front facade. Above the basement the first storey contains a window of the type found in the bay window in the front facade and, in accordance with this bay window, is constructed in red facing brick. At the point of transition from the storey from red to yellow brickwork, a segmental arch-shaped wall grooved above the window arch is placed, which is bordered by a header course of black facing brick. The cemented field is provided with imitation sgraffito (foliage work). In the second storey there is an identical window as in the first storey. The highest window placed in the turret is identical to the window that also appears in the front of the turret and also repeats the forms of the frieze below the roof.

The austere REAR FACADE differs in many respects entirely from the two facades previously discussed. The rear facade with projecting right section is constructed in grey brick (laid in English bond) and is subdivided per storey by double string courses, consisting of a yellow facing brick header course clamped between two red facing brick stretcher courses. The string courses meet at the height of the window sills and are interrupted at the upper sills by the cemented arch fields. The fixed light in the third storey in the projecting right part of the facade is, (due to the roof shield from the flat roof of the lean-to roof), lacking an arch field. The string course continues above this window uninterrupted and ends against the sloping roof edge. Besides the string courses, drip mouldings form horizontal elements in this narrow elongated rear facade. Vertically, the projecting part over three storeys on the corners is marked by yellow facing bricks, with the exception of the left corner in the third storey of the projection which is cemented. The basement has received a modified layout for business use. The space originally supported by columns beneath the bay window on the left is closed off and provided with windows in the cemented wall surface. On the right there is a blind opening at the location of a blocked door and on the corner there is a coupled casement window. The broad bay window on the mezzanine in the left part has at the front a double single-light door with side lights of which the top of the panes is divided by a vertical glazing bar. The door and window frames are incised with leaf motifs. The bay window is closed off by a roof line with carved brackets under a modern balcony railing. Above the double balcony doors (with divided fanlight) a segmental arch (with yellow facing brick header course) closes the cemented arch field at all windows in this part of the facade. The upper storey contains a window with coupled casement windows each containing a two-light fanlight. The right part of the facade contains in the first two storeys a window identical to the window found in the bay window in the front facade. The fixed light that closes off the projection has already been discussed. The left side of the projection is, apart from the continuous string courses and drip mouldings, entirely blind.

The INTERIOR contains a number of valuable components. The hall is provided with wainscoting and contains a fine vestibule. The interconnected room is provided with richly ornamented stucco ceilings in which a cove and frieze with scrollwork amid leafy scrolls in the corners is incorporated. Between the windows and the ceiling there is the storage cupboard for the roller shutters. Both original panelled doors with diamond heads and the two fireplaces are present. Where original interior components have been lost, they are restored or reinstated in good manner by the owner.

The iron GARDEN GATE on the street side forms, with those of the other houses in this row, which are otherwise all well preserved, one whole. The elegantly curved balusters of the gate come together three at a time at the top and are crowned above one of the two rails of the gate by an ornament.

Appreciation

TOWN HOUSE Deventerweg 113, with GARDEN GATE, forms part of a residential complex consisting of fourteen adjoining dwellings built in the early 20th century by H.J. van der Klip.

- Of architectural historical significance as a good, well-preserved example of a town house with front facades executed in Art Nouveau. Notable is the rich detailing in the woodwork. In interior and exterior, the application of decorative brickwork in various colours of facing brick, the use of cathedral glass for the fanlights, the decorative filling of the cemented arch soffits and friezes with imitation sgraffito, as well as the Art Nouveau garden gate at the front. The interior largely retains the original panelled doors, fireplaces and stucco ceilings.

- Of urban planning significance because the property forms part of a historically developed urban (city expansion) area in the first quarter of this century and plays a defining role therein. The significance is reinforced by the location on a corner (Deventerweg and unnamed street). The corner property has group value in relation to the other dwellings on this side of the Deventerweg which are also constructed in Art Nouveau. The house furthermore forms a good example of the type of town house with short front garden and deep rear garden that is separated by an iron garden gate (Art Nouveau) from the pavement, brick ventilation passage and main street.

- Of cultural historical significance as a good example of a town house as part of a complex of dwellings of the affluent bourgeoisie who settled outside the city around 1900.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map