TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Berg en Eik/ Huize Marie-Louise

Nijmegen, Gelderland, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Woonhuis
Category
onroerend gebouwd
Built
1923 - 1924
Address
Eversweg 4, Locatie: Kwakkenberg, 6523 LT Nijmegen
Place
Nijmegen
Province
Gelderland
Country
Netherlands
Coordinates
51.83051, 5.90237
Part of complex
522921
Monument number
522922

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

University Library, Vrije Universiteit Amsterdam

3 historical maps cover this location, the earliest the 1899 map "Composite: 327. Cleve." (David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

1. Omschrijving

De VILLA heeft een vlinderplattegrond en bestaat uit twee haaks op elkaar staande vleugels van nagenoeg gelijke vorm en afmeting. De op de tuin gerichte (het zuiden) buitenhoek is afgeschuind. De op het noorden gesitueerde binnenhoek is deels onder een hoek van 45° opgevuld. De vleugels zijn voorzien van erkers met balkons, twee driezijdige aan de zuidzijde en twee rechthoekige aan de kopkanten van de vleugels. De villa is voor een groot gedeelte onderkelderd, heeft twee bouwlagen en een zolderverdieping onder een samengesteld overstekend schilddak, dat is gedekt met rode verbeterde Hollandse pannen.

In de binnenhoek van de twee haaks op elkaar aansluitende dakdelen bevindt zich een brede gemetselde dakkapel met overstekend schilddak. Onder dit dakje is een doorlopende strook van vier ramen is aangebracht. In de dakschilden van de linker- en de rechtervleugel bevinden zich dakkapellen, die zijn voorzien van platte overstekende daken, met daktegels beklede zijkanten en stroken van drie (noordzijde) of vier (zuidzijde) ramen. De dakkapel op de kop van de noordwestvleugel heeft twee stolpramen met een gemetselde muurdam ertussen. Tussen de twee ramen van de dakkapel die op de kop van de noordoostvleugel ligt, bevindt zich een hoog opgemetselde schoorsteen met siermetselwerk, die door de overstekende dakrand steekt. Boven de afgeschuinde buitenhoek is ook het dak gedeeltelijk afgeschuind. Hier bevindt zich een tweezijdige dakkapel met een hoek van 90°, een bekleding van daktegels en een de hoeken omlopende strook van ramen onder een overstekend plat dak. In de nok van de noordwestvleugel bevindt zich nog een schoorsteen.

De gevels zijn opgetrokken met rode baksteen, gemetseld in halfsteens verband. De gevels hebben een hoge plint die ter hoogte van de gemetselde lekdorpels van de vensters wordt afgesloten met een anderhalfsteens rollaag. Ter hoogte van de lekdorpels van de tweede bouwlaag bevindt zich een zelfde rollaag. De tweede verdieping is voorzien van extra accenten in het metselwerk in de vorm van lisenen met in- en uitspringende horizontale banden. De spaarvelden tussen de lisenen hebben gemetselde lekdorpels. De erkers zijn eveneens voorzien van spaarvelden en lisenen, die hier een kapiteelachtige afsluiting van uitgemetselde randen hebben. De stompe hoeken van de driezijdige erkers en van de afgeschuinde zuidhoek zijn bovendien voorzien van tandversiering. De erkerbalkons hebben gemetselde balustrades met smalle verticale openingen.

De gevels worden afgesloten met een houten daklijst, waartegen paarsgewijs, telkens boven de lisenen, bewerkte balken zijn aangebracht. Deze balken ondersteunen de zeer fors overstekende dakrand met bakgoot. De hemelwaterafvoeren zijn van zink en hebben bij de afwatering van de balkons polygonale, trapsgewijs breder wordende vergaarbakken. De symmetrisch ingedeelde VOORGEVEL is samengesteld uit twee haaks op elkaar staande delen die nagenoeg elkaars spiegelbeeld vormen. De op deze wijze ontstane hoek van 90° is gedeeltelijk opgevuld onder een hoek van 45°. In dit gedeelte, dat naar boven toe trapsgewijs smaller wordt, is de ingangspartij gesitueerd. De ingangspartij bestaat uit een deur die aan beide zijden geflankeerd wordt door twee vensters. Voor de deur bevindt zich een porte cochère, een driezijdig, overdekt bordes met een driezijdig plat dak, dat rust op vier gemetselde, vierkante pijlers. Boven het platte dak rijst een driezijdig gedeelte op, dat de bovenlichten van de ingangspartij en een balkon bevat. De hoekopvulling', die op de begane grond één deur en vier vensters breed is, is hier slechts zo breed als de dubbele balkondeur die toegang geeft tot het balkon.

De ingangspartij valt niet alleen op door de bijzondere vormgeving, maar ook door de (baksteen)ornamentering. De deur en de vensters in de muur onder het platte dak zijn geplaatst in inspringende nissen van resp. zes en drie stenen diep. De muurdammen tussen de openingen zijn evenals de vierkante pijlers versierd met in- en uitspringende bakstenen. De bovenlichten boven het platte dak bestaan uit liggende, driemaal inspringende vensteropeningen gevuld met glas-in-lood. De balkonbalustrade heeft hierboven drie ruitvormige openingen en is ook voorzien van siermetselwerk. De bewerkte houten voordeur heeft een smal ruitje in het midden met een geornamenteerd smeedijzeren roostertje. Hieronder is in houtsnijwerk het monogram HR'van de opdrachtgever aangebracht. De venster hebben glas-in-loodramen. Rechts van de twee rechter vensters bevindt zich nog onder het platte dak een deur, de dienstingang. Deze is, afgezien van het monogram, op dezelfde wijze vormgegeven als de voordeur. De deurkozijnen hebben hardstenen dorpels en neuten. De bordesvloer is belegd met rode tegels en wordt omzoomd door drie granieten treden. Het overstekende platte dak wordt gedragen door paarsgewijs gekoppelde balken, waarvan de uiteinden bewerkt zijn. De balken rusten op de pijlers.

Rechts en links van de ingangspartij bevinden zich op de begane grond twee vensters met ramen en bovenlichten en spiegelluiken, waarvan de bovendelen horizontale schoepen hebben.

Links en rechts van de balkondeuren op de verdieping bevinden zich resp. één venster en een w.c.-raampje en twee d.m.v. de lekdorpel gekoppelde vensters met draairamen. Rechts van deze vensters is later een detonerend, liggend venster aangebracht met stalen ramen. De ACHTERGEVEL is samengesteld uit twee haaks op elkaar staande delen die nagenoeg elkaars spiegelbeeld vormen. De op deze wijze ontstane hoek van 90° is afgeschuind. In de afgeschuinde hoek bevinden zich dubbele tuindeuren met boven-en zijlichten. Hiervoor is een driezijdig terras aangelegd, dat wordt begrensd door een gemetseld muurtje met tandversiering op de hoeken. Het afgeschuinde gedeelte wordt aan beide zijden geflankeerd door een venster met raam en bovenlicht. Links en rechts hiervan bevinden zich de driezijdige erkers met balkon. De erkers hebben drie vensters met enkelruits ramen en bovenlicht. Het bovenlicht van het bredere middenvenster is tweedelig. Ieder balkon is toegankelijk d.m.v. twee dubbele balkondeuren. De linker erker heeft twee kelderlichten in de plint. De linkervleugel heeft links van de erker twee venster met enkelruits ramen en bovenlichten. De rechtervleugel heeft rechts van de erker dubbele tuindeuren met gedeeld bovenlicht, die aan beide zijden worden geflankeerd door venster met enkelruits ramen en bovenlichten. Voor de tuindeuren bevinden zich twee gemetselde treden. In de eerste bouwlaag zijn de deuren en vensters voorzien van spiegelluiken, waarvan het bovendeel horizontale schoepen bevat. In de tweede bouwlaag bevinden zich vier vensters met stolpramen, één in het afgeschuinde deel, één in de rechtervleugel en twee in de linkervleugel. Het meest linkse van deze twee lijkt later te zijn aangebracht of gewijzigd.

De symmetrisch ingedeelde LINKER ZIJGEVEL heeft in de eerste bouwlaag een rechthoekige erker, waarvan het brede midden blind is uitgevoerd en beide zijden één venster met enkelruits raam en luiken bevatten. In de tweede bouwlaag geeft een dubbele balkondeur met zijlichten toegang tot het balkon. De zijlichten hebben een bovenlicht. Links en rechts van de balkondeur bevindt zich een venster met enkelruits raam.

De nagenoeg symmetrisch ingedeelde RECHTER ZIJGEVEL heeft in de eerste bouwlaag een rechthoekige erker, waarvan het brede midden blind is uitgevoerd, de linker zijde een venster met enkelruits raam, bovenlicht en luiken van het eerder beschreven type heeft en de rechter zijde een houten (keuken)deur met bovenlicht bevat. De balkonbalustrade boven de erker is t.b.v. een brandtrap deels verwijderd. De pui in de tweede bouwlaag is later gewijzigd. Voor de keukendeur bevindt zich een bordes met vier treden en een muurtje met siermetselwerk. Rechts hiervan bevindt zich een trap naar de kelder.

Het INTERIEUR verkeert nog grotendeels in oorspronkelijke staat. In de middenas van de vlinderplattegrond bevinden zich achtereenvolgens de vestibule en belangrijke representatieve ruimten zoals de zeshoekige hal en de grote achthoekige kamer met de tuindeuren in de afgeschuinde hoek. Deze kamer wordt aan beide zijden geflankeerd door ruime kamers met driezijdige erkers. Vanuit de hal lopen gangen de beide vleugels in. De linkervleugel op het zuidoosten bevat woonvertrekken, een kleinere en een grote kamer met rechthoekige erker. Deze laatste is nu in gebruik als kloosterkapel. De rechtervleugel op het noordwesten bevat het trappenhuis en dienstvertrekken, zoals twee keukens en een bijkeuken. Hier bevindt zich ook de toegang naar de kelders, waar oorspronkelijke elementen als plavuizen, troggewelven, een gemetselde wijnopslag en stellingkasten bewaard zijn gebleven.

Andere oorspronkelijke elementen die bewaard zijn gebleven zijn: De rood met zwarte tegelvloeren in vestibule en dienstgang; De ca. 2.50m hoge lambrizering met panelen en eikenhouten deuren in de hal; De twee kastenwanden met resp. zitbank en glasdeurtjes links en schouw van groen-zwart geaderd marmer en geslepen spiegel rechts in de grote middenkamer; De keukens met roodbruin-witte terrazzovloeren, betegelde lambrizeringen met smalle groene banden, granito aanrechtbladen, aanrechtkastjes en buffetkasten met veelruits deurtjes; Het trappenhuis met twee-armige bordestrap met rijk geornamenteerde eikenhouten trappalen en leuning, waarvan de spijlen afwisselend bestaan uit rijk bewerkte spijlen en paarsgewijs gekoppelde, dwars geplaatste latten; De marmeren dorpels, visgraatparketvloeren, paneeldeuren in omlijstingen met kroonlijst en gestileerde cannelures en gestucte cassetteplafonds in de woonvertrekken; Paneeldeuren met eenvoudige, vlakke omlijstingen op de eerste verdieping en de zolder.

Waardering

VILLA van Oscar Leeuw uit 1923-1924 in de stijl van de Interbellum-architectuur.

- Van architectuurhistorische waarde als een goed en gaaf voorbeeld in ex- en interieur van een villa in de stijl van de Interbellum-architectuur met een plattegrond gebaseerd op Engelse voorbeelden. De villa heeft esthetische kwaliteiten in het ontwerp zoals goede verhoudingen, een bijzondere plattegrond, vormgeving en detaillering, zowel in in- als exterieur, en een rijke baksteenornamentering.

- Van ensemblewaarde als functioneel onderdeel van een villacomplex in de stijl van de Interbellum-architectuur.

Oscar Leeuw De Nijmeegse architect Oscar Leeuw (1866-1944) werd geboren te Roermond als zoon van de beeldhouwer Henri Jean Leeuw (1819-1909). In 1886 ging Oscar Leeuw werken bij de Nijmeegse stadsarchitect ir. Jan Jacob Weve. In 1897 vestigde Oscar zich als zelfstandig architect. Hij werkte samen met zijn broer Henri jr. (1861-1918), die al langer als kunstschilder en beeldhouwer in Nijmegen werkzaam was. Geheel volgens de idealen van die jaren realiseren zij bouwwerken die beschouwd kunnen worden als 'Gesamtkunstwerke' door de nauwe relatie tussen architectuur, beeldhouwkunst en schilderkunst. Voorbeelden hiervan zijn de villa Dennenheuvel (Ubbergen 1899-1903), het jachtslot 'De Mookerheide' (Mook 1902-1909) en het belangrijkste werk van de gebroeders, het concertgebouw De Vereeniging in Nijmegen (1914/1915).

Het vroege werk van Oscar Leeuw is sterk beïnvloed door de zowel de Duits-Oostenrijkse Jugendstil als de Frans-Belgische Art Nouveau. Daarnaast is er ook sprake van invloeden van het werk van architecten als K.P.C. de Bazel (1869-1923), M. Lauweriks (1864-1932) en H.P. Berlage (1856-1934) en de ontwerper Jac. van den Bosch (1868-1948).

Het werk uit de jaren tien en de eerste helft van de jaren twintig, de tweede periode van Leeuw, wordt gekenmerkt door zowel historiserende als expressionistische elementen. Belangrijk later werk van Oscar Leeuw vormen de merendeels verdwenen warenhuizen voor Vroom & Dreesman in Nijmegen, Venlo, Den Bosch, Heerlen, Eindhoven en Tilburg. In zijn laatste periode laat Leeuw zich beïnvloeden door het werk van Frank Lloyd Wright. Oscar Leeuw bouwde in Nijmegen, naast bovengenoemde werken, vele herenhuizen en villa's, een aantal winkels en andere gebouwen zoals een synagoge (1913), de Israëlitische Begraafplaats (1921), een garage, een bankgebouw (1920) en het museum Kam (1922) te Nijmegen. De architectuur van het museum vertoont naast historiserende tendensen ook expressionistische en Art Deco-stijlinvloeden en behoort tot de tweede periode van Leeuw.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

1. Description

The VILLA has a butterfly floor plan and consists of two wings at right angles to each other of nearly equal form and dimensions. The outer corner facing the garden (to the south) is bevelled. The inner corner situated to the north is partly filled at an angle of 45°. The wings are provided with bays with balconies, two three-sided on the south side and two rectangular on the ends of the wings. The villa is largely cellared, has two storeys and an attic storey under a composite overhanging hipped roof, which is covered with red improved Dutch tiles.

In the inner corner of the two roof sections meeting at right angles there is a broad masonry gable dormer with overhanging hipped roof. Under this roof a continuous strip of four windows is installed. In the roof slopes of the left and right wings there are dormers, which are provided with flat overhanging roofs, sides covered with roof tiles and strips of three (north side) or four (south side) windows. The dormer on the end of the northwest wing has two attic windows with a masonry wall dam between them. Between the two windows of the dormer on the end of the northeast wing is a high masonry chimney with decorative brickwork, which projects through the overhanging roof edge. Above the bevelled outer corner the roof is also partly bevelled. Here there is a two-sided dormer with an angle of 90°, a covering of roof tiles and a strip of windows running around the corners under an overhanging flat roof. In the ridge of the northwest wing there is another chimney.

The facades are built of red brick, laid in half-brick bond. The facades have a high plinth which is terminated at the height of the masonry sills of the windows with a one-and-a-half-brick roll course. At the height of the sills of the second storey there is the same roll course. The second floor is provided with additional accents in the brickwork in the form of pilaster strips with inset and projecting horizontal bands. The spandrel fields between the pilaster strips have masonry sills. The bays are likewise provided with spandrel fields and pilaster strips, which here have a capital-like finish of masonry edges. The blunt corners of the three-sided bays and of the bevelled south corner are moreover provided with tooth ornament. The bay balconies have masonry balustrades with narrow vertical openings.

The facades are finished with a wooden cornice, against which worked beams are applied in pairs, always above the pilaster strips. These beams support the very massive overhanging roof edge with gutter. The rainwater downpipes are of zinc and have polygonal, step-wise broadening collection baskets at the water drainage from the balconies. The symmetrically arranged FRONT FACADE is composed of two sections at right angles to each other which form nearly mirror images of each other. The 90° angle thus created is partly filled at an angle of 45°. In this section, which becomes step-wise narrower towards the top, the entrance arrangement is situated. The entrance arrangement consists of a door which is flanked on both sides by two windows. In front of the door there is a porte cochère, a three-sided covered porch with a three-sided flat roof, which rests on four masonry, square pillars. Above the flat roof rises a three-sided section, which contains the fanlights of the entrance arrangement and a balcony. The 'corner filling', which on the ground floor is one door and four windows wide, is here only as wide as the double door giving access to the balcony.

The entrance arrangement is notable not only for its special design, but also for the (brick) ornamentation. The door and windows in the wall under the flat roof are placed in recessed niches of six and three bricks deep respectively. The wall dams between the openings are, like the square pillars, decorated with inset and projecting bricks. The fanlights above the flat roof consist of horizontal, three-times recessed window openings filled with leaded glass. The balcony balustrade has above this three diamond-shaped openings and is also provided with decorative brickwork. The worked wooden front door has a narrow pane of glass in the middle with an ornamented wrought iron grill. Below this is in wood carving the monogram 'HR' of the patron. The windows have leaded glass panes. To the right of the two right windows there is still a door under the flat roof, the service entrance. This, apart from the monogram, is designed in the same way as the front door. The door frames have stone sills and thresholds. The porch floor is laid with red tiles and is bordered by three granite steps. The overhanging flat roof is supported by beams coupled in pairs, the ends of which are worked. The beams rest on the pillars.

To the right and left of the entrance arrangement on the ground floor there are two windows with panes and fanlights and mirror shutters, the upper parts of which have horizontal louvres.

To the left and right of the balcony doors on the floor there are respectively one window and a w.c. window and two windows coupled by the sill with casement windows. To the right of these windows a dissonant, horizontal window was later installed with steel frames. The REAR FACADE is composed of two sections at right angles to each other which form nearly mirror images of each other. The 90° angle thus created is bevelled. In the bevelled corner there are double garden doors with upper and side lights. A three-sided terrace has been laid out in front of this, which is bounded by a masonry wall with tooth ornament on the corners. The bevelled section is flanked on both sides by a window with pane and fanlight. To the left and right of this are the three-sided bays with balcony. The bays have three windows with single-pane frames and fanlight. The fanlight of the wider central window is two-part. Each balcony is accessible via two double balcony doors. The left bay has two cellar lights in the plinth. The left wing has two windows to the left of the bay with single-pane frames and fanlights. The right wing has double garden doors to the right of the bay with divided fanlight, which are flanked on both sides by windows with single-pane frames and fanlights. In front of the garden doors are two masonry steps. On the first floor the doors and windows are provided with mirror shutters, the upper part of which contains horizontal louvres. On the second floor there are four windows with attic windows, one in the bevelled section, one in the right wing and two in the left wing. The leftmost of these two appears to have been installed later or altered.

The symmetrically arranged LEFT SIDE FACADE has on the first floor a rectangular bay, the wide centre of which is executed blind and both sides contain one window with single-pane frame and shutters. On the second floor a double balcony door with side lights gives access to the balcony. The side lights have a fanlight. To the left and right of the balcony door is a window with single-pane frame.

The nearly symmetrically arranged RIGHT SIDE FACADE has on the first floor a rectangular bay, the wide centre of which is executed blind, the left side has a window with single-pane frame, fanlight and shutters of the previously described type and the right side contains a wooden (kitchen) door with fanlight. The balcony balustrade above the bay has been partly removed for a fire escape. The facade on the second floor was altered later. In front of the kitchen door is a porch with four steps and a wall with decorative brickwork. To the right of this is a staircase down to the cellar.

The INTERIOR is still largely in its original state. In the central axis of the butterfly floor plan there are successively the vestibule and important representative spaces such as the hexagonal hall and the large octagonal room with the garden doors in the bevelled corner. This room is flanked on both sides by spacious rooms with three-sided bays. From the hall corridors lead into both wings. The left wing to the southeast contains living quarters, a smaller and a large room with rectangular bay. The latter is now in use as a convent chapel. The right wing to the northwest contains the stairwell and service rooms, such as two kitchens and a scullery. Here is also the access to the cellars, where original elements such as tiles, barrel vaults, a masonry wine storage and shelving have been preserved.

Other original elements that have been preserved are: The red and black tiled floors in the vestibule and service corridor; The approximately 2.50m high wainscoting with panels and oak doors in the hall; The two cabinet walls with a bench and glass doors respectively on the left and fireplace of green-black veined marble and cut mirror on the right in the large middle room; The kitchens with reddish-brown-white terrazzo floors, tiled wainscoting with narrow green bands, granite work surfaces, work surface cabinets and dresser cabinets with many-paned doors; The stairwell with two-armed cantilevered staircase with richly ornamented oak staircase balusters and handrail, the spindles of which alternately consist of richly worked spindles and paired, transversely placed slats; The marble thresholds, herringbone parquet floors, panelled doors in surrounds with cornice and stylised fluting and stuccoed coffered ceilings in the living quarters; Panelled doors with simple, flat surrounds on the first floor and the attic.

Valuation

VILLA by Oscar Leeuw from 1923-1924 in the style of Interbellum architecture.

- Of architectural historical value as a good and intact example in exterior and interior of a villa in the style of Interbellum architecture with a floor plan based on English examples. The villa has aesthetic qualities in the design such as good proportions, a special floor plan, design and detailing, both in interior and exterior, and rich brickwork ornamentation.

- Of ensemble value as a functional component of a villa complex in the style of Interbellum architecture.

Oscar Leeuw The Nijmegen architect Oscar Leeuw (1866-1944) was born in Roermond as the son of sculptor Henri Jean Leeuw (1819-1909). In 1886 Oscar Leeuw began working for Nijmegen's municipal architect ir. Jan Jacob Weve. In 1897 Oscar established himself as an independent architect. He worked together with his brother Henri jr. (1861-1918), who had long been active in Nijmegen as an artist and sculptor. Entirely in keeping with the ideals of those years, they realized buildings that can be considered 'Gesamtkunstwerke' through the close relationship between architecture, sculpture and painting. Examples of this are the villa Dennenheuvel (Ubbergen 1899-1903), the hunting lodge 'De Mookerheide' (Mook 1902-1909) and the brothers' most important work, the concert hall De Vereeniging in Nijmegen (1914/1915).

Oscar Leeuw's early work is strongly influenced by both German-Austrian Jugendstil and French-Belgian Art Nouveau. There are also influences from the work of architects such as K.P.C. de Bazel (1869-1923), M. Lauweriks (1864-1932) and H.P. Berlage (1856-1934) and designer Jac. van den Bosch (1868-1948).

The work from the nineteen-tens and the first half of the nineteen-twenties, Leeuw's second period, is characterized by both historicizing and expressionistic elements. Important later work by Oscar Leeuw comprises mostly vanished department stores for Vroom & Dreesman in Nijmegen, Venlo, Den Bosch, Heerlen, Eindhoven and Tilburg. In his final period Leeuw is influenced by the work of Frank Lloyd Wright. Oscar Leeuw built in Nijmegen, besides the aforementioned works, many townhouses and villas, a number of shops and other buildings such as a synagogue (1913), the Israëlitische Begraafplaats (1921), a garage, a bank building (1920) and the museum Kam (1922) in Nijmegen. The architecture of the museum shows, besides historicizing tendencies, also expressionistic and Art Deco style influences and belongs to Leeuw's second period.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map