TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Klooster, Korvelseweg 165

Tilburg, Noord-Brabant, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Klooster, kloosteronderdl
Function
Klooster
Category
onroerend gebouwd
Built
1880 - 1882
Address
Korvelseweg 165, 5025 JD Tilburg (and others)
Place
Tilburg
Province
Noord-Brabant
Country
Netherlands
Coordinates
51.55168, 5.07390
Part of complex
521077
Monument number
521078

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

University Library, Vrije Universiteit Amsterdam

4 historical maps cover this location, the earliest the 1868 map "Topografische atlas van het Koninkrijk der Nederlanden" (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

Inleiding.

Het capucijnenklooster is in 1880-1882 gebouwd in de sobere stijl, de capucijnen eigen. Hiervoor werd een eigen architect aangetrokken, Broeder Valenus van Deurne. In 1937 werd er een extra etage toegevoegd onder leiding van Broeder Felix van Dennenburg. Dit geschiedde op een bijzondere manier waarbij de oude kap werd opgevijzeld. Het interieur van het klooster werd in 1983 deels gewijzigd. Het doet anno 1999 dienst als bejaardentehuis voor de orde. De bijbehorende ommuurde moestuin is thans omgevormd tot park met hoge coniferen. Een oude beukenlaan uit de tijd van aanleg herinnert deels aan de oorspronkelijke opzet, toen deze nog veel omvangrijker was. Omschrijving.

Het drielaagse gebouw heeft een carrévormige plattegrond, waarvan één der zijden wordt ingenomen door de kloosterkerk. De gevels zijn opgetrokken uit rode Belgische baksteen, waarbij als enige decoratie een muizetandlijstje onder de dakgoot is toegepast. Op de omlopende zadeldaken liggen zowel kunstleien als schubleien. De voorgevel van het klooster springt ten opzichte van de kloosterkerk terug. De voorgevel telt tien traveeën. De getoogde stolpramen met kleppende bovenlichten hebben een kleine roedenverdeling uit 1937. De toegangsdeur is smal en geplaatst onder een rechte houten luifel. De ramen van de etages erboven hebben een kleiner formaat. De stolpramen hebben hier geen dubbele achtruits maar een zesruits indeling en de bovenlichten geen achttienruits maar een twaalruits verdeling. In het dakvlak zijn negenruits dakkapellen onder zadeldak geplaatst. De lange rechterzijgevel van het klooster is voor een klein deel ingenomen door de in 1967 aangebouwde recreatieruimte, die buiten de bescherming valt. De vensters hebben een tamelijk onregelmatige indeling, sommige ramen zoals op de linkerhoek, zijn dichtgemetseld. De vensters op de begane grond komen overeen met die van de voorgevel. Links bevindt zich weer een deur onder houten luifel en vijftienruits getoogd bovenlicht. Het merendeel van de vensters op de etages zijn getoogde zesruits raampjes, waar in 1983 achtruits vensters tussen zijn geplaatst. Enkele ramen zijn uitgevoerd als die op de begane grond. In het dak zijn twee dakkapellen onder zadeldak geplaatst. Links is er een hijsinstallatie met overkapping en deur gebouwd, rechts zijn twee grote dakkapellen onder plat dak met kleine roedenverdeling van de ramen zichtbaar. Hierboven is een klein opengewerkt torenspitsje zichtbaar. Hierin hing een bel die was verbonden met de grote klok die zich onder de grote dakkapel links bevindt. Dit was de moederklok: deze was niet alleen in de tuin zichtbaar maar de machinerie van de klok liep door het gehele gebouw naar alle klokken.

De achtergevel heeft acht traveeën waarvan zeven met getoogde ramen en een uitbouw onder plat dak met deur en kleine hoge raampjes, het toiletgebouw. Op de etage bevinden zich merendeels kleine ramen van de kloostercellen. De tweede etage bezit twaalfruits klepramen. De getoogde bovenlichten zijn dichtgemetseld. De beide bouwfasen van het klooster zijn hier het best zichtbaar, met name door het kleurverschil in de gebruikte baksteen. Via de hoofdingang komt men uit op de kloostergang onder lessenaardak. Hierin zijn grote rondboogramen met ijzeren sierroedenverdeling en marmeren vensterbanken. De deuren zijn voorzien van kraalprofiel. Op de binnenhof staan ranke zwarte gietijzeren kruisjes, die in 1995 zijn gecopieerd naar het oude model. Hier liggen de broeders begraven. De eerste was de bouwer van het klooster, broeder Valenius in 1884. In de gang memoreert een eikenhouten bord met siersnijwerk deze broeders. Een groot kruis met wit gietijzeren Corpus is eveneens opgesteld in de binnenhof. De binnenhof heeft op de etages in voor- en achtergevel brede getoogde stolpvensters. In de zijgevels zijn kleine getoogde zesruits ramen, waar zich de kloostercellen bevonden.

Ruimten die getuigen van de soberheid van de broeders zijn de beide toiletten en de hal, ingenieus door slechts één lampje te verlichten. De refter, een rechthoekige zaal van vijf vensterassen en een balken plafond, ademt dezelfde eenvoud. Een belangrijke ruimte is de sacristie. Deze heeft donker eikenhouten snijwerk en een lambrizering in exact dezelfde rijke Neo-barokke stijl als in de kerk. De tafel is over de gehele lengte van de muur ingelegd met hout in geometrisch patroon, credens, hieronder kastjes en daarboven snijwerk van kelk met hostie in Neo-barokke omlijsting en een klein kruisbeeld daarboven. Bij de grote renovatie uit 1983 werden vooral de kloostercellen aangepast, verder zijn de monumentwaarden gerespecteerd. Inwendig door de middengang te veranderen in een gang aan de zijde van de binnenhof. De eenvoudige deuren en luiken werden hergebruikt in de nu grotere en van sanitair voorziene cellen. Uitwendig veranderde het aanzicht door tussen de zesruits ramen een achtruits venster in dezelfde stijl te maken, waardoor de lichttoetreding sterk verbeterd werd. De zolderetage heeft behalve de opslagfunctie een reeks (logeer)kamers gekregen.

Waardering.

Het klooster is van algemeen belang. Het heeft cultuurhistorische waarde als voorbeeld van een geestelijke ontwikkeling, namelijk de bloei van orden en congregaties in de negentiende eeuw en is tevens van belang als voorbeeld van de laat-negentiende-eeuwse herschepping van het aloude capucijner kloostertype. Het is architectuurhistorisch van belang vanwege de stijl, het bijzondere materiaalgebruik en de ornamentiek, toegepast binnen de uitersteenvoudige, traditionale vormencanon van de capucijnerorde. Het heeft ensemblewaarden vanwege de samenhang van klooster en economiegebouwen. Het is tevens van belang in samenhang met de gaafheid van de stedelijke omgeving.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

Introduction.

The Capuchin monastery was built in 1880-1882 in the austere style characteristic of the Capuchins. For this purpose, a dedicated architect was engaged, Brother Valenus of Deurne. In 1937 an extra storey was added under the direction of Brother Felix of Dennenburg. This was done in a special manner whereby the old roof truss was jacked up. The interior of the monastery was partly altered in 1983. In 1999 it serves as a home for the elderly for the order. The associated walled kitchen garden has now been converted into a park with tall conifers. An old beech-lined avenue from the time of construction partially recalls the original layout, when it was much more extensive.

Description.

The three-storey building has a square ground plan, one side of which is occupied by the monastery church. The facades are built of red Belgian brick, with only a dentil moulding under the roof eaves as decoration. On the surrounding gabled roofs lie both artificial slate and timber shingles. The front facade of the monastery steps back in relation to the monastery church. The front facade has ten bays. The arched sash windows with hinged fanlights have a small glazing bars division from 1937. The entrance door is narrow and placed under a straight wooden canopy. The windows on the storeys above have a smaller format. The sash windows here do not have double back panes but a six-pane division and the fanlights no eighteen-pane but a twelve-pane division. Nine-pane roof dormers with gabled roofs are placed in the roof plane. The long right-hand side facade of the monastery is partially occupied by the recreation room built in 1967, which falls outside the protection. The windows have a fairly irregular layout, some windows such as on the left corner are bricked up. The windows on the ground floor correspond with those of the front facade. On the left there is again a door under a wooden canopy and fifteen-pane arched fanlight. The majority of the windows on the storeys are arched six-pane small windows, where eight-pane windows were inserted in 1983. Some windows are executed as those on the ground floor. Two roof dormers with gabled roofs are placed in the roof. On the left a lifting installation with canopy and door has been built, on the right two large roof dormers with flat roofs with small glazing bars divisions of the windows are visible. Above this a small open-work tower spire is visible. In it hung a bell which was connected to the large clock located under the large roof dormer on the left. This was the master clock: it was not only visible in the garden but the clock mechanism ran through the entire building to all clocks.

The rear facade has eight bays of which seven with arched windows and an extension under a flat roof with door and small high windows, the toilet building. On the storey there are mostly small windows of the monastery cells. The second storey has twelve-pane hinged windows. The arched fanlights are bricked up. The two building phases of the monastery are most clearly visible here, in particular through the colour difference in the brick used. Via the main entrance one enters the cloister walk under a lean-to roof. In it are large round-arch windows with iron ornamental glazing bars and marble window sills. The doors are provided with a bead moulding. On the courtyard stand slender black cast-iron crosses, which were copied in 1995 after the old model. Here the brothers are buried. The first was the builder of the monastery, brother Valenius in 1884. In the corridor a wooden board with decorative carving commemorates these brothers. A large cross with white cast-iron Corpus is also placed in the courtyard. The courtyard has on the storeys in front and rear facades wide arched sash windows. On the side facades are small arched six-pane windows, where the monastery cells were located.

Rooms that bear witness to the austerity of the brothers are the two toilets and the hall, ingeniously lit by only one small lamp. The refectory, a rectangular hall of five window axes and a beamed ceiling, breathes the same simplicity. An important room is the sacristy. This has dark carved oakwork and wainscoting in exactly the same rich Neo-Baroque style as in the church. The table is inlaid with wood in geometric pattern along the entire length of the wall, credenza, below this cupboards and above this carving of chalice with host in Neo-Baroque surround and a small crucifix above. At the major renovation in 1983 the monastery cells were mainly adapted, furthermore the monument values were respected. Internally by changing the central corridor into a corridor at the side of the courtyard. The simple doors and shutters were reused in the now larger cells equipped with sanitary facilities. Externally the appearance changed by making an eight-pane window in the same style between the six-pane windows, whereby light entry was greatly improved. The attic storey has, in addition to the storage function, a series of (guest) rooms.

Valuation.

The monastery is of general importance. It has cultural-historical value as an example of a spiritual development, namely the flourishing of orders and congregations in the nineteenth century and is also of importance as an example of the late nineteenth-century re-creation of the ancient Capuchin monastery type. It is of architectural-historical importance because of the style, the special use of materials and the ornamentation, applied within the extremely simple, traditional formal canon of the Capuchin order. It has ensemble values because of the coherence of monastery and economic buildings. It is also of importance in relation to the integrity of the urban environment.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map