TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Cellengebouw

Arnhem, Gelderland, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Gerechtsgebouw
Function
Cellencomplex
Category
onroerend gebouwd
Built
1882 - 1886
Address
Wilhelminastraat 16, 6812 CW Arnhem
Place
Arnhem
Province
Gelderland
Country
Netherlands
Coordinates
51.98539, 5.87924
Part of complex
516730
Monument number
516731

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

TU Delft Library

3 historical maps cover this location, the earliest the 1881 map "05. Arnhem (1881)" (TU Delft Library).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

Omschrijving:

Het CELLENGEBOUW (KOEPEL) heeft een rond grondplan met een diameter van 63m en vier bouwlagen met ieder vijftig cellen en een zolderverdieping. Het cellengebouw wordt afgesloten door een koepeldak, dat rust op een ringvormig lessenaarsdak boven de cellen. De hoogte bedraagt 37,90m.

In de vier windstreken zijn tegen het gebouw aan rechthoekige traptorens gesitueerd die reiken tot de geboorte van het koepeldak. Van deze torens zijn er twee opgenomen in de verbindingsgangen met resp. het administratiegebouw en het dienstgebouw.

Gezien de uniforme uitvoering van het gebouw zal volstaan worden met de beschrijving van één van de torens en één travee met celramen.

Het opgaand muurwerk bestaat uit roodbruine baksteen van waalformaat, gemetseld in kruisverband op een plint van klinkers. De strekken, bogen en vlechtingen zijn gemetseld in gele baksteen. Het geheel wordt afgesloten met een uitkragende betonnen goot (oorspronkelijk hardsteen) op hardstenen consoles, telkens twee kleinere afgewisseld met een grotere. Aan de goot is een smeedijzeren hekwerk bevestigd.

Het koepeldak is omgeven door een omlopend zinken roevendak boven de ringvormige zolderverdieping. De koepel is gedekt met losanges (zinken platen in ruitvorm) tussen achtentwintig halfronde eveneens met zink beklede roeven. Het bovenste gedeelte van de koepel is vanaf even onder de bovenste rij dakvensters tot aan de lantaarn gedekt met vlak zink tussen opstaande roeven. In het omlopend lessenaarsdak zijn veertien en in de koepel achtentwintig vlakke dakvensters aangebracht. Bovenop de koepel bevindt zich een veertienzijdige lantaarn met een veertienzijdig tentdakje, waarvan de verticale delen en de dakschildjes zijn gevuld met glas. Het bovenste deel is afgedekt met lood en wordt bekroond door een koperen piron.

Op elke verdieping bevinden zich tweeënvijftig getoogde vensteropeningen met smeedijzeren kozijnen op een ijzeren lekdorpel, waarin gegoten 10-ruits ijzeren ramen zijn afgehangen. Boven elk raam bevindt zich, teruggelegen in de vensteropening, een bakstenen segmentboog. De vensteropening zelf wordt afgesloten met een segmentboog van gele Ijsselsteen in waalformaat. Tijdens de bouw zijn op de derde verdieping van de vijfde, elfde en twaalfde travee al grotere 20-ruits ramen geplaatst. Later is van meerdere vensters de onderdorpel verlaagd en zijn deze voorzien van 20-ruits ramen m.n. aan de noord- en de oostzijde. De kleine vensteropeningen en ook sommige van de grotere vensteropeningen zijn voorzien van tralies. Onder elk venster zijn twee openingen uitgespaard die zijn voorzien van een roostertje. De openingen zijn aan de uiteinden voorzien van een baksteen die met de kop half uit het vlak van de muur steekt, waardoor het suizen van de wind wordt tegengegaan.

De torens, waarvan de zijgevels blind zijn uitgevoerd, zijn voor eenderde deel opgenomen in de wand van het cellengebouw. De hoeken van de torens zijn vanaf ca. 1m boven het maaiveld, waar een hardstenen blok de overgang vormt, voorzien van een gemetselde kraal die doorloopt tot aan het niveau van de goot van het cellengebouw. Hier wordt het kraalprofiel weer beëindigd door een hardstenen blok en een in het metselwerk opgenomen hardstenen speklaag. De toren bezit nog drie andere hardstenen speklagen, waarin deels de wisseldorpels van het grote meerdelige venster zijn opgenomen. Aan de bovenzijde bevindt zich een uitkraging van metselwerk op een hardstenen band op hardstenen consoles. De torens worden aan de voor- en de zijkanten bekroond door een hardstenen holkeellijst, waarboven zich gemetselde kantelen met hardstenen ezelsruggen bevinden. Achter de kantelen ligt een met zink bedekt plat dak.

De noordelijke en zuidelijke toren die niet in een verbindingsgang zijn opgenomen, bezitten op de begane grond een getoogde deuropening met later aangebrachte veelruits stalen deur met veelruits bovenlicht. De segmentboog is gemetseld met gele Ijsselsteen. Boven de deur bevond zich op het niveau van de eerste verdieping een venster gelijk aan de celvensters. Hierboven bevond zich bij alle vier de torens een meerdelig venster, dat zich uitstrekte over twee bouwlagen en was uitgevoerd als hardstenen kruisvenster met rondboog bovenlicht, afgesloten door een Florentijnse boog met geboorte-, boog- en sluitstenen van gele Ijsselsteen. In 1962 is aan de zuid- en de noordzijde het celraam verwijderd en de onderdorpel van het kruisvenster tot vlak boven de deuropening verlaagd en voorzien van meerdere delen, gescheiden door hardstenen kalven en middenstijlen. De vensteropeningen zijn voorzien van veelruits ijzeren ramen. Boven het venster bevinden zich drie blinde schietsleuven, afgesloten door rollagen van gele Ijsselsteen. In de uitkragende partij bevinden zich aan de voorzijde drie en aan de beide zijkanten twee blinde ronde schietgaten met vier sluitstenen van gele IJsselsteen.

Het INTERIEUR van het CELLENGEBOUW verkeert nog grotendeels in oorspronkelijke staat. De centrale ruimte heeft een middenlijn van 53m en een hoogte van 30,40m. De ruimte wordt overspannen door een dubbel beschoten kap van geklonken ijzeren spanten, waarop in het midden de veertienzijdige lichtlantaarn is geplaatst. De begane grond van de centrale ruimte was oorspronkelijk toegankelijk vanuit de vier windrichtingen. Nu slechts enkel vanuit het administratiegebouw in het oosten en het dienstgebouw in het westen. In de ruimte zijn vier gietijzeren wenteltrappen geplaatst, die toegang geven tot de galerijen op de eerste, tweede en derde verdieping. De vloer van de hal bestaat uit een o,20m dikke laag beton, afgewerkt met asfalt. Midden op de vloer staat een later opgericht houten gebouwtje, de bewaarderskamer.

De wanden van de centrale ruimte zijn doorlopend rond gemetseld in gele baksteen, afgewisseld met banden van rode baksteen. De segmentbogen boven de doorgangen zijn eveneens in deze steen uitgevoerd. Het gele en rode metselwerk wordt afgesloten door een gepleisterd hoofdgestel, waarin zich achtentwintig zware hardstenen consoles bevinden die de spantbenen van de koepel dragen. Boven dit hoofdgestel bevindt zich een brede, in verschillende tinten groen geschilderde strook met metselwerk, dat door vlakke gepleisterde pilasters is verdeeld in rechthoeken met door profiellijsten omgeven gepleisterde casementen, wederom afgesloten met een gepleisterd hoofdgestel.

De rondgaande wanden bezitten zesenvijftig deurtraveeën. In het derde kwart van deze eeuw werden alle oorspronkelijke, grenen opgeklampte deuren vervangen door stalen exemplaren. Hiervoor werden de kozijnen gewijzigd en werd aan de buitenzijde een vlakke cementen lijst aangebracht. Op elk niveau is aan vier zijden een geschuurd hardstenen fonteintje met spatstuk gedeeltelijk in het muurwerk gemetseld. Op elke verdieping geven vier getoogde doorgangen met veelruits ijzeren deuren toegang tot de achtergelegen trappenhuizen met hardstenen trappen met ijzeren leuningen.

De galerijen zijn opgebouwd uit uitkragende U-profielen die aan de voorzijde zijn gekoppeld met gelijkvormige liggers. Op de U-profielen zijn hardstenen platen als loopvlak aangebracht. Bij de vier vrijstaande gietijzeren spiltrappen is de galerijvloer met een rechthoekig bordes op de spil aangesloten. De 1m hoge ijzeren balustrades zijn sinds kort vervangen door hogere exemplaren. Het cellengebouw bevat in totaal tweehonderdenvier cellen, gelijk verdeeld over de begane grond en de drie verdiepingen.

Sommige cellen werden al tijdens de bouw gekoppeld om te dienen tot ruimte bijvoorbeeld voor de directeur of de onderwijzer. Andere werden later gekoppeld of verbouwd om te dienen tot werk- of wachtruimte. De op drie verdiepingen rondgaande galerij geeft toegang tot de cellen. De cirkel die door de cellen wordt gevormd, wordt door de trappenhuizen in de vier in de buitenmuur geplaatste torens in vier gelijke parten van ieder dertien cellen verdeeld.

De cellen bezitten een trapeziumvormig grondplan en hebben bij de deur een breedte van ca. 2,50m en bij het venster 2,90m, terwijl de diepte 4m bedraagt.

De zolder loopt over de bovenste verdieping van de cellenring en is van hieruit bereikbaar via een ijzeren trap. De zolder wordt gevormd door de steunberen tegen de binnenmuur waarover een vlak dak is gelegd. In de steunberen bevinden zich ovale doorgangen en langs de binnenmuur lopen twee bandstalen trekstangen om de spatkrachten van de spanten ter plekke van de steunberen gelijkmatig te verdelen.

De kap heeft een diameter van 53m en een hoogte van ca. 21m. De kap wordt gevormd door achtentwintig halfspanten aan de voet rustend op het muurwerk van de binnengevel van de centrale hal en in de nok verbonden met een grote ijzeren ring. Op deze ring rusten veertien spantjes die met elkaar de veertienzijdige lichtkoepel ondersteunen. Een halfspant is opgebouwd uit hoek- en plaatijzer dat aaneen geklonken is tot een gekromd spant met I-vormige doorsnede. Het lijf van de ligger is als een rasterwerk uitgevoerd. De halfspanten zijn onderling verbonden door zeven identiek samengestelde ijzeren gordingen, waarop houten gordingen zijn bevestigd. Over de houten gordingen is een houten beschot aangebracht. De binnenbeschieting is diagonaalsgewijs verwerkt, waarbij elk vak in richting haaks op het naastliggende is uitgevoerd. Tussen de derde en de vierde alsmede de zesde en de zevende gording zijn in totaal achtentwintig dakvensters aangebracht met resp. 3- en 2-ruits houten ramen.

Waardering:

CELLENGEBOUW uit 1882-1886 van J.F. Metzelaar.

- Van architectuurhistorische waarde als een goed en vrij gaaf voorbeeld in ex- en interieur van een cellengebouw in neorenaissance-stijl met hoogwaardige esthetische kwaliteiten zoals de bijzondere vorm, het materiaalgebruik en de ornamentiek. Het cellengebouw bezit architectuurhistorische waarde als onderdeel van het oeuvre van J.F. Metzelaar, omdat het hierbinnen zijn eerste koepelgevangenis van het panopticumtype is, een type dat zijn persoonlijke voorkeur genoot en door hem onder de aandacht van de minister van Justitie werd gebracht.

- Van stedebouwkundige waarde als onderdeel van een gevangeniscomplex in neorenaissance-stijl. Het cellengebouw is van stedebouwkundig belang vanwege de afmetingen, de hoge ligging en de verschijningsvorm, waardoor het een zeer bepalend element is in de wijk Lombok en in het gezicht op Arnhem vanuit het zuiden.

- Van cultuurhistorische waarde vanwege de bestemming en de verschijningsvorm die een bijzondere uitdrukking zijn van een culturele ontwikkeling n.l. de opkomst van het cellulaire stelsel en de algehele tendens tot rationalisering en disciplinering van het maatschappelijk leven en dus ook van het gevangeniswezen, die in de 19de eeuw plaatsvindt. Het is van belang als bijzondere uitdrukking van technische en typologische ontwikkelingen, omdat het de eerste en samen met Breda en Haarlem ook de enige koepelgevangenis van het panopticumtype in Nederland is, waarbij gebruik werd gemaakt van de nieuwste ontwikkelingen op technisch gebied. Het cellengebouw is als zodanig ook van belang vanwege de innovatieve waarde en de zeldzaamheid.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

Description:

The CELL BUILDING (ROTUNDA) has a circular ground plan with a diameter of 63m and four storeys each with fifty cells and an attic storey. The cell building is closed off by a cupola roof, which rests on a ring-shaped lean-to roof above the cells. The height is 37.90m.

In the four cardinal directions rectangular stair towers are situated against the building, reaching to the springing of the cupola roof. Two of these towers are incorporated in the connecting corridors with the administrative building and the service building respectively.

Given the uniform execution of the building, a description of one of the towers and one bay with cell windows will suffice.

The external masonry consists of reddish-brown brick of Waal format, laid in cross bond on a plinth of clinkers. The stretchings, arches and weavings are laid in yellow brick. The whole is closed off with a projecting concrete gutter (originally freestone) on freestone consoles, alternating each time two smaller ones with a larger one. A wrought-iron railing is attached to the gutter.

The cupola roof is surrounded by a continuous zinc gutter roof above the ring-shaped attic storey. The cupola is covered with lozenges (zinc plates in diamond shape) between twenty-eight half-round gutters also clad with zinc. The upper part of the cupola from just below the topmost row of roof windows to the lantern is covered with flat zinc between standing gutters. Fourteen roof windows are incorporated in the continuous lean-to roof and twenty-eight flat roof windows in the cupola. On top of the cupola is a fourteen-sided lantern with a fourteen-sided tent roof, of which the vertical parts and the roof tiles are filled with glass. The upper part is covered with lead and is crowned by a copper weathervane.

On each storey there are fifty-two arched window openings with wrought-iron frames on an iron drip moulding, in which cast 10-light iron windows are hung. Above each window is, set back in the window opening, a brick segmental arch. The window opening itself is closed off with a segmental arch of yellow Ijssel brick in Waal format. During construction, larger 20-light windows were already placed on the third storey of the fifth, eleventh and twelfth bays. Later the sill of several windows was lowered and these were provided with 20-light windows, notably on the north and east sides. The small window openings and also some of the larger window openings are provided with bars. Under each window two openings are left, provided with a grille. The openings are provided at the ends with a brick that projects half out of the plane of the wall, thereby preventing wind howling.

The towers, of which the side gables are executed blind, are incorporated for one-third in the wall of the cell building. The corners of the towers are provided with a laid bead from approximately 1m above ground level, where a freestone block forms the transition, which runs to the level of the gutter of the cell building. Here the bead profile is again terminated by a freestone block and a freestone weathering incorporated in the masonry. The tower has three other freestone weatherings, in which partly the lintels of the large multi-part window are incorporated. At the top is a projection of masonry on a freestone band on freestone consoles. The towers are crowned on the front and sides by a freestone moulding, above which are laid crenellations with freestone saddle-backs. Behind the crenellations is a flat roof covered with zinc.

The northern and southern towers which are not incorporated in a connecting corridor have on the ground floor an arched door opening with a later applied multi-light steel door with multi-light fanlight. The segmental arch is laid with yellow Ijssel brick. Above the door, at the level of the first storey, was a window identical to the cell windows. Above this, at all four towers, was a multi-part window, which extended over two storeys and was executed as a freestone cross window with round-arched fanlight, closed off by a Florentine arch with springstone, arch and voussoir stones of yellow Ijssel brick. In 1962 the cell window was removed on the south and north sides and the sill of the cross window lowered to just above the door opening and provided with multiple parts, separated by freestone mullions and central posts. The window openings are provided with multi-light iron windows. Above the window are three blind gun slits, closed off by bands of yellow Ijssel brick. In the projecting section are on the front three and on both sides two blind round gun loops with four voussoir stones of yellow Ijssel brick.

The INTERIOR of the CELL BUILDING is still largely in original condition. The central space has a diameter of 53m and a height of 30.40m. The space is spanned by a double-sheathed roof truss structure of riveted iron trusses, on which the fourteen-sided light lantern is placed in the middle. The ground floor of the central space was originally accessible from the four cardinal directions. Now only from the administrative building in the east and the service building in the west. Four cast-iron spiral staircases are placed in the space, which provide access to the galleries on the first, second and third storeys. The floor of the hall consists of a 0.20m thick layer of concrete, finished with asphalt. In the middle of the floor stands a later erected wooden building, the guard room.

The walls of the central space are laid continuously in a circle in yellow brick, alternating with bands of red brick. The segmental arches above the passages are likewise executed in this stone. The yellow and red masonry is closed off by a plastered main cornice, in which are twenty-eight heavy freestone consoles bearing the truss members of the cupola. Above this main cornice is a broad strip painted in various shades of green with masonry, which is divided by flat plastered pilasters into rectangles with plastered casements surrounded by mouldings, again closed off with a plastered main cornice.

The continuous walls possess fifty-six door bays. In the third quarter of this century all original, pine camped doors were replaced by steel ones. For this the frames were modified and a flat cement cornice was applied to the outside. On each level on four sides is a sanded freestone small fountain with splash work partially laid in the masonry. On each storey four arched passages with multi-light iron doors provide access to the adjoining stairwells with freestone stairs with iron railings.

The galleries are constructed from projecting U-profiles which are coupled on the front with similarly shaped beams. On the U-profiles freestone plates are laid as walking surface. At the four free-standing cast-iron spiral stairs the gallery floor is connected with a rectangular platform on the spindle. The 1m high iron balustrades have recently been replaced by higher ones. The cell building contains a total of two hundred and four cells, equally distributed over the ground floor and three storeys.

Some cells were already coupled during construction to serve as space for example for the director or the teacher. Others were later coupled or altered to serve as work or waiting room. The gallery running on three storeys provides access to the cells. The circle formed by the cells is divided by the stairwells in the four towers placed in the outer wall into four equal parts of thirteen cells each.

The cells have a trapezoidal ground plan and have at the door a width of approximately 2.50m and at the window 2.90m, while the depth is 4m.

The attic runs over the top storey of the cell ring and is accessible from here via an iron staircase. The attic is formed by the buttresses against the inner wall over which a flat roof is laid. Oval passages are in the buttresses and along the inner wall run two flat steel tie rods to distribute the thrust forces of the trusses uniformly at the point of the buttresses.

The roof truss structure has a diameter of 53m and a height of approximately 21m. The roof truss structure is formed by twenty-eight half-trusses resting at the foot on the masonry of the inner wall of the central hall and connected at the ridge with a large iron ring. On this ring rest fourteen small trusses which together support the fourteen-sided light cupola. A half-truss is constructed from angle and plate iron which is riveted together to form a curved truss with I-shaped cross-section. The web of the beam is executed as a lattice work. The half-trusses are interconnected by seven identically constructed iron purlins, on which wooden purlins are attached. Wooden boarding is applied over the wooden purlins. The inner boarding is applied diagonally, with each panel executed in direction perpendicular to the adjacent one. Between the third and fourth and also the sixth and seventh purlin are in total twenty-eight roof windows incorporated with respectively 3- and 2-light wooden windows.

Valuation:

CELL BUILDING from 1882-1886 by J.F. Metzelaar.

- Of architectural historical value as a good and fairly intact example in exterior and interior of a cell building in neo-renaissance style with high-quality aesthetic qualities such as the distinctive form, the material use and the ornamentation. The cell building possesses architectural historical value as part of the oeuvre of J.F. Metzelaar, because within it this is his first cupola prison of the panopticon type, a type that enjoyed his personal preference and which he brought to the attention of the Minister of Justice.

- Of urban planning value as part of a prison complex in neo-renaissance style. The cell building is of urban planning importance because of its dimensions, its elevated location and its appearance, by which it is a very determining element in the Lombok district and in the view of Arnhem from the south.

- Of cultural historical value because of its purpose and appearance which are a distinctive expression of a cultural development namely the rise of the cellular system and the general tendency towards rationalization and discipline of social life and thus also of the prison system, which takes place in the 19th century. It is of importance as a distinctive expression of technical and typological developments, because it is the first and, together with Breda and Haarlem, also the only cupola prison of the panopticon type in the Netherlands, in which use was made of the latest developments in the technical field. The cell building is as such also of importance because of the innovative value and the rarity.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map