Rijksmonumentenregister · Netherlands
kantongerechtsgebouw
Leeuwarden, Fryslân, Netherlands
The record
- Designation
- National monument (rijksmonument)
- Class
- Gerechtsgebouw
- Function
- Kantongerecht
- Category
- onroerend gebouwd
- Built
- 1879
- Address
- Oosterkade 72, 8911 KJ Leeuwarden
- Place
- Leeuwarden
- Province
- Fryslân
- Country
- Netherlands
- Coordinates
- 53.20173, 5.80257
- Monument number
- 516470
Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.
University Library, Vrije Universiteit AmsterdamTU Delft LibraryUniversity Library, Vrije Universiteit AmsterdamDavid Rumsey Map Collection, Stanford Libraries
4 historical maps cover this location, the earliest the 1868 map "Topografische atlas van het Koninkrijk der Nederlanden" (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).
This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗
The register's description
Omschrijving
Inleiding
Groot rechthoekig gebouw van twee hoge bouwlagen en een hoge, afgeknotte schildkap, in 1879 gebouwd als rijkskantoor met op de begane grond het IJkkantoor en op de verdieping het Kantongerecht naar ontwerp van rijksbouwkundige C.H. Peters in Neo-Hollandse-Renaissance-stijl met Neo-Gotische karaktertrekken.
Gedurende bijna de gehele negentiende eeuw is het stadsbestuur op zoek geweest naar een geschikte locatie voor een nieuw te bouwen graanbeurs. Een flinke plek gronds vrijgekomen na sloop van een zevental woningen tussen Oosterkade en de Gedempte Keizersgracht en op de hoek van Droevendal werd in 1858 voor dat doel gereserveerd. In 1878, toen de bouwplannen voor de beurs in de richting van de Wirdumerpoortsdwinger waren verlegd, kwam het Rijk met de wens om aan de Oosterkade een IJkkantoor te bouwen. Na de invoering van de wet op de maten, gewichten en weegwerktuigen werd het IJkkantoor naar een achterbouw in de Grote Hoogstraat overgebracht. Het voldeed echter niet en in 1878 besloot de regering een nieuw kantoor op te richten. Dat kantoor, dat vooral dienst moest doen voor het ijken van gasmeters wat gelijkvloers moest gebeuren, hoefde op de ruime bouwplaats slechts een enkele bouwlaag te tellen, maar dat achtte de gemeente uit welstandsoverwegingen niet gewenst. De gemeente kwam zelf met het idee voor een functie voor een verdieping.
Nadat de rechterlijke macht in de Franse tijd ingrijpend gereorganiseerd was, bleef de vrederechter in het begin van de negentiende eeuw in het stadhuis resideren. In 1845 kon de kantonrechter met zijn organisatie verhuizen naar de verdieping van de nieuwgebouwde Hoofdwacht achter het stadhuis. Vanwege een dreigend ruimtegebrek gaf het gemeentebestuur aan dat boven het IJkkantoor mogelijk het Kantongerecht gerealiseerd kon worden. Het idee werd in de verdere planvorming meegenomen. Het ontwerp van rijksbouwmeester van financiën C.H. Peters was spoedig gereed en de aanbesteding vond op 30 september 1878 plaats. Het werk werd voor f 33.565,- gegund aan aannemer Van der Veer en kwam aan het eind van 1879 gereed. In de zomer van 1880 konden beide kantoren in gebruik worden genomen.
Het kantoor is niet alleen een gebouw van bijzondere waarde, maar tevens een mijlpaal in de (Friese) architectuurgeschiedenis. Voor zover bekend is dit het eerste project van Peters in Friesland in zijn functie van rijksbouwmeester. Hij kwam door deze opdracht in Friesland terug, de provincie waar hij zijn architectuuropleiding was begonnen en ook zijn carrière was gestart. Cornelis Hendrik Peters, in 1847 in Groningen geboren, verliet na het vierde leerjaar het gymnasium in zijn geboorteplaats en werd in de leer gedaan bij de Sneker architect en directeur van de gasfabriek A. Breunissen Troost. Hij leerde er allerlei facetten van het vak en trad op als toezichthouder op de uitvoering van de werken van de eigenzinnige architect Troost. Na drie jaar bemiddelde Troost om Peters vanaf 1866 op het bureau van P.J.H. Cuypers geplaatst te krijgen. Cuypers had zoveel vertrouwen in de 22-jarige jongeman dat hij hem in 1869 het toezicht toevertrouwde van onder andere de bouw van de Sint-Vituskerk in Blauwhuis, de eerste kerk die Cuypers voor Friesland ontwierp. Later volgde het toezicht bij de kerken in Sneek en Wijtgaard. Peters vestigde zich in Bolsward en kon daar, weer dankzij bemiddeling van Troost, directeur van de gasfabriek worden. Hij ging er lessen tekenen geven en voerde er zijn eerste ontwerpopdrachten uit. In 1876 kwam Peters op voorspraak van Cuypers en Victor de Stuers als bouwkundige in overheidsdienst bij het Ministerie van Financiën, waar hij onmiddellijk aan het werk kon met het ontwerp voor het Ministerie van Justitie aan het Plein in 's-Gravenhage. Spoedig hierna kreeg hij de opdracht voor het dubbele kantoor in Leeuwarden, waar hij niet alleen met zijn eigen ministerie, maar opnieuw met justitie te maken kreeg.
De toezichthouder bij de bouw, die in de plaatselijke architectuurgeschiedenis een prominente rol vervulde, is eveneens bekend: J.H. Brevet. Brevet was een Zeeuw die tien productieve jaren in Leeuwarden heeft doorgebracht. Hij haalde al op 21-jarige leeftijd in Delft het diploma van civiel-ingenieur en kon meteen bij het Ministerie van Waterstaat komen werken, het ministerie dat ook rijksgebouwen onder haar hoede had. Hij ging behoren tot de nieuwe bureaucratische elite. Op 40-jarige leeftijd kwam Brevet met de hoge ambtelijke functie van hoofdingenieur eerste klasse vanuit Maastricht naar Leeuwarden omdat er een aantal rijksprojecten in ontwikkeling was, waarbij hij de bouw moest begeleiden. Eerst het vroegste postkantoor dat in 1870/'71 naar ontwerp van de Leeuwarder architect Herman Rudolf Stoett gebouwd werd op de hoek Wortelhaven/Eewal en vervolgens in 1870/'76 de omvangrijke strafgevangenis, een ontwerp van rijksbouwmeester J.F. Metzelaar. Tenslotte was Brevet in 1878/ '80 ook betrokken bij de bouw van IJkkantoor en Kantongerecht, dat mogelijk eveneens ontworpen is door Metzelaar. In het Leeuwarder verenigingsleven was Brevet actief en daarbij menigmaal bouwkundig adviseur. Zo heeft hij een belangrijke rol gespeeld in de langdurige discussies over de plannen voor een te bouwen Harmonie.
Het gebouw heeft intern in 1951, 1958 en 1985 verbouwingen ondergaan. Die waren het gevolg van functiewijzigingen: het kantongerecht had geleidelijk meer ruimte nodig, het ijkkantoor minder en verdween zelfs, waarna het grootste deel van de begane grond eerst kantoor voor de goudwaarborg en vervolgens de schippersbeurs werd.
Omschrijving
EXTERIEUR: Het rechthoekige bouwwerk is opgetrokken op een breed maar niet al te diep kavel dat aan de zuidzijde aansluit op de bebouwing, maar aan de andere drie zijden door straten omgeven is: Oosterkade, Droevendal en Gedempte Keizersgracht. Het gebouw telt twee hoge bouwlagen en een hoge gebroken schildkap. Om de toegangen van de twee functies iets te accentueren risaleren die partijen een weinig, voor het IJkkantoor aan de kade met een partij van twee raamvakken breed, op het kapschild bekroond door een gemetselde kajuit en voor het Kantongerecht aan Droevendal met een partij van één raamvak, voor de kap bekroond door een geveltop. Overigens heeft het ruimtelijk niet verder gelede gebouw in de steeg aan de zuidzijde nog enige bescheiden uitbouwen. Het vrij strenge bouwvolume is met plastiek rond de vensters en deuren en bij de gevelbekroning in sterke mate verlevendigd. De gevels zijn gemetseld van een grauwbruine baksteen, ter hoogte van boven- en tussendorpel van de vensters verlevenigd met sierbanden. De plint is uitgemetseld en afgedekt doorprofielsteen die een afzaat vormen en tussen de verdiepingen is een cordonlijst met enig siermetselwerk aangebracht. De dagkanten van de rondbogige vensternissen hebben een meervoudig profiel van holle en bolle lijsten, gemetseld van vormsteen met een afwisseling van rode, lichtgele en zwart beroete of geverfde kleuren. De halfronde boogtrommels zijn gevuld met metselmozaïek in gevarieerde patronen. De kruisvensters hebben zware tussendorpels en middenstijlen in de vorm van zuiltjes. Beide toegangen staan in een brede nis die de dubbele diepte van de vensternissen hebben en dus ook een uitbundiger profilering van de dagkanten. Boven de partijen met dubbele gebeeldhouwde deuren, die van IJkkantoor segmentvormig, de andere rechtgesloten, vormen in de rondboog registers van hoge rondboogvenstertjes bovenlichten in het kleurig gestreept metselwerk. In het dubbelbrede toegangstravee van het IJkkantoor staan te weerszijden van de deurnis twee kleine rondboognissen met vensters waarboven zandstenen rolwerkcartouches staan met `ANNO' en `1889'. Daarboven staat midden tussen de vensters een grote gestrekt opzittende leeuw van zandsteen die het rijkswapen ophoudt. Het toegangstravee van het Kantongerecht is iets smaller, maar van eenzelfde uitdossing. op de verdieping van deze partij is de gevel geopend met een breed drielichtvenster met een boogtrommel van metselmozaïek waar een driepas in verwerkt is. Aan alle gevels is met eenzelfde zorg vormgegeven, alle zijn verrijkt met van ijzer gesmede sierankers en decoratieve klemmen voor de hemelwaterafvoeren. De gevels worden bekroond met een rondboogfries dat gevormd is van consoles van terracotta waarbinnen tableaux van telkens vier tegels geplaatst zijn met in blauw en wit afwisselend de voorstellingen van het gerechtigheidszwaard, de balans (van de gerechtigheid en wellicht ook van het ijken) en de litermaat en gewichten van het ijkwezen. Een symbool voor het ijken van gasmeters was kennelijk niet voor handen. Op het dakschild aan de kadezijde is een kajuit met tuitgevel met schouders en tweelichtluik gemetseld en staan twee met decoratieve driepassen gevormde houten kapellen. Aan de Droevendal-zijde staat de geveltop voor het dakschild, een tuitgevel met schouders, gesmeed hijsbalkje boven het drielichtvenster en een smeedijzeren bekroning. Ook aan deze zijde en die van de Gedempte Keizersgrachtzijde dragen houten kapellen. De in het zicht liggende hoge dakschilden zijn belegd met leien in maasdekking en de flauw hellende gedeelten na de breking zijn bekleed met zink.
INTERIEUR: "Gelijkvloers vindt men het ijkkantoor voor den ijk en herijk der maten en gewichten. Hierin treft men ook afdelingen voor het ijken van weegwerktuigen en gasmeters aan. Sedert eenige jaren worden deze toestellen hier niet meer geijkt en heeft men een gedeelte van het locaal voor het ijken der weegwerktuigen tot wederopzeggens toe daarvan afgenomen, om tot een bureau voor den ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij het kantongerecht te worden ingericht. Het kantongerecht dat geheel van het ijkkantoor is afgescheiden en zijn ingang in den noordelijken muur heeft, terwijl de deur van het ijkkantoor in het front staat, is op de eerste verdieping van het gebouw gelegen. Het bevat buiten de kantonrechterskamer, de vertrekken voor de griffie en het bureau van den ambtenaar van het Openbaar Ministerie, eene ruime zittingszaal, eene wachtkamer en de woning van den conciërge". (R. Visscher 1908, blz. 114.). De originele indeling is nog goeddeels terug te vinden, doch er hebben in 1951, 1958 en 1985 verbouwingen plaatsgevonden die interne wijzigingen tot gevolg hadden. Die waren het gevolg van functiewijzigingen. Doorbraken van vertrekken aan de zuidoostzijde, zowel op de begane grond als op de verdieping zijn het gevolg.
Het voormalige ijkkantoor bezit achter de toegangspartij een vestibule met grote deuren met glaspanelen. Dit portaal laat meteen de zorgvuldige interieure aanpak zien die kenmerkend is voor het gehele gebouw en die middels Peters' leermeester Cuypers gestoeld is op de rationalistische lessen van Viollet-le-Duc. De wanden zijn in schoon werk met metselmozaïek afgewerkt: een lambrisering van bruine steen met zwarte banden en kruisen en daarboven gele steen versierd met bruine kruisen. de kleine hoge ruimte heeft een tooggewelf op ijzeren balkjes, gemetseld van gele steen met rode randen en kruisen. De op de vestibule volgende hal bezit dezelfde uitmonstering. Aan de noordzijde een via de gang te bereiken verdiepte ruimte, oorspronkelijk berging, thans plaats voor de centrale verwarming. Aan de zuidzijde is thans een brede, zwaar omlijste opening naar een smalle publieksruimte die verenigd is met de ijkkamer. De oorspronkelijke scheiding van de twee ruimten is nog aan resten van wanden, maar vooral aan de verschillende overwelvingen te zien: het eerste gedeelte heeft een ribloos kruisgewelf; het andere een gewelf in toogjes. Wanden en gewelven in deze ruimte(n) zijn gestuct afgewerkt. Na een houten paneelpui met deur volgt de gang die over de volle breedte van het gebouw loopt. Wanden en gewelven bezitten weer eenzelfde decoratieve afwerking in schoon werk, maar de gang wordt ook nog geleed door drie op uit de muren springende penanten rustende poortsegmenten. Alle vertrekken bezitten oorspronkelijke, gelakte paneeldeuren. Het zuidwestelijke vertrek, oorspronkelijk werkplaats, heeft geen oorspronkelijke inrichting meer; de oorspronkelijke brandstofruimte is in de jaren vijftig verbouwd tot keuken en toilet. Hierop volgt de bediendenkamer met oorspronkelijke portes brisées en de meetkamer met een lage, getoogde glaspanelen deur. Dit laatste vertrek grenst aan een lage tussenhal - onder het overloop van de trap naar het kantongerecht - waarvan het vlakke plafond bekleed is met blauwwitte tegels met acanthusornament. In de noordwand twee glaspanelen deuren, de ene van een kast, de ander als doorgang naar de trappenhal van het kantongerecht. Aan de oostzijde van deze hal het vertrek van de ijkmeester, waarvan de wanden en het plafond gestuct zijn, wederom met een getoogd overwelfd.
Het hoekvertrek aan de noordwestzijde op de begane grond hoorde als administratieruimte bij het kantongerecht; ook dit is gepleisterd en getoogd overwelfd. De ruime trappenhal van het kantongerecht heeft een vloer van hardstenen plavuizen, een brede, gerende trap van hardstenen treden; onder de traptreden uitgemetselde consolevormige steunen. Het traphek is van siersmeedwerk in krullen afgedekt met brede, geprofileerde houten leuningen. Het hek loopt boven langs het trapgat door. Zowel beneden, trapsgewijs naar boven en boven in de hal hebben de wanden lambriseringen van schoon werk, voorzien van kleurige versieringen en afgedekt met een rondstaaf. Bij de overloop venstertjes naar tussenhal beneden, voorzien van een smeedijzeren hekje. Het plafond onder overloop en omgang bestaat uit hardsteenplaten met rondpassen die rusten op een omgaande, meervoudig geprofileerde uitmetseling. De omgang langs het trapgat en de daaropvolgende gang heeft een hardstenen vloer. De hal heeft een cassettenplafond dat rust op een fries met betegelde meanderrand. De vertrekken aan de westzijde, nog in oorspronkelijke toestand, zijn onderling met enkele suitedeuren verbonden en bezitten alle oorspronkelijke paneeldeuren en cassettenplafonds met parelschroten en deels nog oorspronkelijke loketkasten. Van noord naar zuid: de schrijfkamer, de administratie (met oorspronkelijke lambrisering van parelschroten), het vertrek voor de bureelchef (met marmeren hoekschouw en dubbele, geluidswerende deur) en dat voor de griffier (met gemarmerde schouw). De over de volle breedte lopende middengang heeft marmervloer en net als beneden togen op penanten. Aan de zuidelijke zijde een dubbele glaspanelen deur, de ene voerend naar de toiletten, de ander naar de zoldertrap. Aan de kadezijde, oost, lagen de zittingszaal, een wachtkamer en naast de trappenhal het iets smallere vertrek van de kantonrechter. Deze ruimten zijn doorgebroken, waarbij stukken wand zijn blijven staan en de oude structuur afleesbaar is. De ruimte van de oorspronkelijke zittingszaal heeft een gelakt casettenplafond en een lambrisering, de overige soortgelijke plafond en lambriseringen, maar dan geverfd. Grote delen van lambriseringen die bij de doorbraak verdwenen zijn, staan op zolder. Het zittingshek is nog aanwezig. Tegen de zuidwand is de geaderd marmeren schouw verwerkt in een betimmering van kastdeuren.
De zolders, met houten tussenwanden opgedeeld tot archiefruimten, zijn in oorspronkelijke staat.
WAARDERING
Kantoorgebouw van algemeen historisch, cultuurhistorisch, architectuurhistorisch en stedenbouwkundig belang
- vanwege de geschiedenis van dit rijksgebouw met dubbele functie;
- vanwege de uit- en inwendige gave stijlzuiverheid in de voor die tijd voor rijkskantoren kenmerkende decoratief rijke Neo-Renaissance met Neo-Gotische invloeden;
- vanwege de markante plaats van het gebouw, als eerste, omvangrijke zelfstandige opdracht in zijn functie als rijksbouwmeester, in het oeuvre van de voor die tijd karakteristieke architect;
- vanwege de stedenbouwkundige ligging als het belangrijkste bouwwerk in de kadebebouwing.
English translation
The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com
Description
Introduction
Large rectangular building of two high storeys and a high, truncated hipped roof, built in 1879 as a national office with on the ground floor the Weights and Measures Office and on the upper floor the District Court according to the design of government architect C.H. Peters in Neo-Dutch-Renaissance style with Neo-Gothic characteristics.
During almost the entire nineteenth century the city administration had been searching for a suitable location for a new grain exchange to be built. A considerable plot of land became available after the demolition of seven dwellings between Oosterkade and the Gedempte Keizersgracht and on the corner of Droevendal was reserved for that purpose in 1858. In 1878, when the construction plans for the exchange had been moved in the direction of the Wirdumerpoortsdwinger, the State came forward with the wish to build a Weights and Measures Office on the Oosterkade. After the introduction of the law on measures, weights and weighing instruments, the Weights and Measures Office was moved to a rear building in the Grote Hoogstraat. However, it did not suffice and in 1878 the government decided to establish a new office. That office, which was primarily to serve for the calibration of gas meters, which had to be done at ground level, need only have a single storey on the spacious building plot, but the municipality did not consider this desirable for aesthetic reasons. The municipality itself came up with the idea for a function for an upper floor.
After the judiciary had undergone radical reorganisation during the French period, the justice of the peace remained resident in the town hall at the beginning of the nineteenth century. In 1845 the district judge with his organisation was able to move to the upper floor of the newly built Hoofdwacht behind the town hall. Because of impending space shortage, the municipal government indicated that above the Weights and Measures Office the District Court could possibly be realised. The idea was incorporated into further planning. The design of government master builder for finance C.H. Peters was soon ready and the tender took place on 30 September 1878. The work was awarded to contractor Van der Veer for f 33,565.- and was completed at the end of 1879. In the summer of 1880 both offices could be taken into use.
The office is not only a building of exceptional value, but also a milestone in the (Frisian) architectural history. As far as is known, this is Peters' first project in Friesland in his capacity as government architect. He returned to Friesland through this commission, the province where he had begun his architectural training and also started his career. Cornelis Hendrik Peters, born in Groningen in 1847, left the gymnasium in his birthplace after the fourth year and was apprenticed to the Sneek architect and director of the gas works A. Breunissen Troost. There he learned various aspects of the profession and acted as supervisor of the execution of the works of the headstrong architect Troost. After three years Troost mediated to have Peters placed from 1866 at the office of P.J.H. Cuypers. Cuypers had such confidence in the 22-year-old young man that he entrusted him in 1869 with the supervision of, among others, the construction of the Sint-Vituskerk in Blauwhuis, the first church Cuypers designed for Friesland. Later came supervision of the churches in Sneek and Wijtgaard. Peters settled in Bolsward and was able there, again thanks to Troost's mediation, to become director of the gas works. He went there to give drawing lessons and carried out his first design commissions. In 1876 Peters came at the recommendation of Cuypers and Victor de Stuers as an architect in government service at the Ministry of Finance, where he could immediately work on the design for the Ministry of Justice at the Plein in 's-Gravenhage. Soon after he received the commission for the double office in Leeuwarden, where he had to deal not only with his own ministry, but again with justice.
The supervisor on the construction, who played a prominent role in the local architectural history, is also well known: J.H. Brevet. Brevet was a Zealander who spent ten productive years in Leeuwarden. At the age of 21 he already obtained the diploma of civil engineer in Delft and could immediately come to work for the Ministry of Public Works, the ministry that also had national buildings under its care. He became part of the new bureaucratic elite. At the age of 40, Brevet came with the high administrative position of chief engineer first class from Maastricht to Leeuwarden because a number of national projects were in development, which he was to supervise during construction. First the earliest post office which was built in 1870/'71 according to the design of the Leeuwarden architect Herman Rudolf Stoett on the corner Wortelhaven/Eewal and subsequently in 1870/'76 the extensive penal institution, a design by government master builder J.F. Metzelaar. Finally Brevet was also involved in 1878/'80 in the construction of the Weights and Measures Office and District Court, which may also have been designed by Metzelaar. In the Leeuwarden associational life Brevet was active and often acted as a building advisor. He thus played an important role in the prolonged discussions about the plans for a Harmonie to be built.
The building underwent internal renovations in 1951, 1958 and 1985. These were the result of changes of function: the district court gradually needed more space, the weights and measures office less and even disappeared, after which the greater part of the ground floor first became an office for gold hallmarking and subsequently the brokers' exchange.
Description
EXTERIOR: The rectangular structure is erected on a wide but not too deep plot of land that adjoins the buildings on the south side, but is surrounded by streets on the other three sides: Oosterkade, Droevendal and Gedempte Keizersgracht. The building has two high storeys and a high broken hipped roof. To accentuate somewhat the entrances of the two functions those sections project slightly, for the Weights and Measures Office at the quay with a section two window bays wide, crowned on the roof shield by a brick cabin, and for the District Court on Droevendal with a section one window bay wide, crowned before the roof by a gable top. Otherwise the spatially modest structure has some modest extensions on the alley on the south side. The relatively austere building volume is enlivened to a great extent with plastic around the windows and doors and at the gable crown. The facades are built of a greyish-brown brick, at the level of the upper and intermediate lintels of the windows enlivened with decorative bands. The plinth is built up in detail and covered with profiled stone that forms a ledge and between the storeys a cornice with some decorative brickwork is applied. The reveals of the round-headed window openings have a multiple profile of concave and convex mouldings, built of shaped stone with an alternation of red, light yellow and black sooted or painted colours. The semicircular arch drums are filled with brick mosaic in varied patterns. The cross windows have heavy intermediate lintels and central mullions in the form of small columns. Both entrances stand in a broad niche which have the double depth of the windows and thus also a more exuberant profiling of the reveals. Above the sections with double sculptured doors, that of the Weights and Measures Office segmental, the other square-headed, form in the round arch registers of tall round-headed window lights fanlights in the colourfully striped brickwork. In the double-wide entrance bay of the Weights and Measures Office stand to either side of the door niche two small round-headed niches with windows above which stand sandstone scrollwork cartouches with 'ANNO' and '1889'. Above this stands in the middle between the windows a large recumbent lion of sandstone holding the coat of arms of the State. The entrance bay of the District Court is slightly narrower, but of the same embellishment. On the upper floor of this section the facade is opened with a broad three-light window with an arch drum of brick mosaic where a trefoil is worked in. All facades are formed with the same care, all are enriched with iron-wrought ornamental wall anchors and decorative clamps for the rainwater pipes. The facades are crowned with a round-headed frieze that is formed of terracotta consoles within which tableaux of four tiles each are placed with in blue and white alternating representations of the sword of justice, the balance (of justice and perhaps also of the calibration) and the litre measure and weights of the calibration system. A symbol for the calibration of gas meters was apparently not available. On the roof shield at the quay side a cabin with a spout gable with shoulders and double-light opening is built in brick and stand two wooden roof cupolas formed with decorative trefoli. On the Droevendal side stands the gable top before the roof shield, a spout gavel with shoulders, wrought-iron hoisting beam above the three-light window and a wrought-iron crown. Also on this side and that of the Gedempte Keizersgracht side do wooden cupolas rest. The visible high roof shields are laid with slates in Meuse bond and the slightly sloping sections after the break are covered with zinc.
INTERIOR: "On the ground floor one finds the weights and measures office for the calibration and recalibration of measures and weights. In this one also finds departments for the calibration of weighing instruments and gas meters. For some years these instruments have no longer been calibrated here and a part of the space for the calibration of weighing instruments has for the time being been taken from it to be fitted out as an office for the official of the Public Ministry at the district court. The district court, which is completely separate from the weights and measures office and which has its entrance in the northern wall, whereas the door of the weights and measures office is in the front, is located on the first floor of the building. It contains, apart from the district judge's office, the rooms for the registry and the office of the official of the Public Ministry, a spacious courtroom, a waiting room and the dwelling of the caretaker". (R. Visscher 1908, p. 114.). The original layout can still largely be found, but renovations took place in 1951, 1958 and 1985 which resulted in internal changes. These were the result of changes of function. Openings of rooms on the south-east side, both on the ground floor and on the upper floor are the result.
The former weights and measures office has behind the entrance section a vestibule with large doors with glass panes. This porch immediately shows the careful interior approach that is characteristic of the entire building and which through Peters' teacher Cuypers is based on the rationalist teachings of Viollet-le-Duc. The walls are finished in fair-faced brick mosaic: a dado of brown stone with black bands and crosses and above it yellow stone decorated with brown crosses. The small high space has a barrel vault on iron beams, built of yellow stone with red edges and crosses. The hall following the vestibule has the same finish. On the north side a sunken space reached via the corridor, originally storage, now space for central heating. On the south side is now a broad, heavily framed opening to a narrow public space which is united with the calibration chamber. The original separation of the two spaces can still be seen in remains of walls, but especially in the different vaults: the first section has a seamless cross vault; the other a vault in small barrels. Walls and vaults in this room(s) are finished in stucco. After a wooden panelled window wall with door comes the corridor which runs over the full width of the building. Walls and vaults again possess the same decorative finish in fair-faced work, but the corridor is also articulated by three arch segments resting on pilasters springing from the walls. All rooms have original painted panelled doors. The south-west room, originally a workshop, no longer has its original fitout; the original fuel room was renovated in the fifties to a kitchen and toilet. This is followed by the servants' room with original folding doors and the measuring room with a low barrel vault glazed panelled door. This latter room adjoins a low intermediate hall – under the landing of the stairs to the district court – whose flat ceiling is covered with blue-white tiles with acanthus ornament. In the north wall two glazed panelled doors, one of a cupboard, the other as a passage to the stair hall of the district court. On the east side of this hall the office of the master calibrator, whose walls and ceiling are stuccoed, again with a barrel vault. The corner room on the north-west side on the ground floor belonged as an administration room to the district court; this is also plastered and barrel-vaulted. The spacious stair hall of the district court has a floor of hard stone flags, a broad, spiralling staircase of hard stone steps; under the stair treads built-out console-shaped supports. The stair railing is of ornamental wrought-work curls topped with broad, profiled wooden handrails. The railing runs above along the stairwell. Both below, stair-stepped upwards and above in the hall the walls have dadoes of fair-faced work, provided with colourful decorations and finished with a bead moulding. At the landing small windows to the intermediate hall below, fitted with a wrought-iron screen. The ceiling under landing and passage consists of hard stone plates with bead mouldings that rest on a surrounding, multiple profiled built-up course. The passage along the stairwell and the subsequent corridor has a hard stone floor. The hall has a coffered ceiling that rests on a frieze with tiled meander edge. The rooms on the west side, still in their original condition, are connected to each other with a few suite doors and all have original panelled doors and coffered ceilings with pearl rebates and partly still original counter cupboards. From north to south: the writing room, the administration (with original dado of pearl rebates), the room for the bureau chief (with marble corner fireplace and double sound-proof door) and that for the registrar (with marbled fireplace). The corridor running over the full width has a marble floor and, like below, barrels on pilasters. On the southern side a double glazed panelled door, one leading to the toilets, the other to the attic staircase. At the quay side, east, were located the courtroom, a waiting room and next to the stair hall the slightly narrower office of the district judge. These spaces are opened up, with pieces of wall remaining and the old structure readable. The space of the original courtroom has a painted coffered ceiling and a dado, the others similar ceiling and dadoes, but then painted. Large parts of dadoes that disappeared in the opening are on the attic. The court railing is still present. Against the south wall the veined marble fireplace is incorporated in a timber lining of cupboard doors.
The attics, subdivided with wooden partitions into archive rooms, are in their original state.
VALUATION
Office building of general historical, cultural-historical, architectural-historical and urban planning significance
- because of the history of this national building with dual function;
- because of the external and internal fine stylistic purity in the decoratively rich Neo-Renaissance with Neo-Gothic influences characteristic of national offices for that time;
- because of the marked place of the building, as the first, extensive independent commission in his capacity as government architect, in the oeuvre of the characteristic architect for that time;
- because of the urban planning location as the most important structure in the quay frontage.
Nearby in the register
- Woonhuis, Oostergrachtswal 47Woonhuisunder 1 mi
- Woonhuis, Oostergrachtswal 41Woonhuisunder 1 mi
- Woonhuis, Oostergrachtswal 47Woonhuisunder 1 mi
- Woonhuis, Droevendal 1Woonhuisunder 1 mi
Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.