Rijksmonumentenregister · Netherlands
Kasteel, buitenplaats, Duinlustweg 16
Overveen, Noord-Holland, Netherlands
The record
- Designation
- National monument (rijksmonument)
- Class
- Kasteel, buitenplaats
- Category
- onroerend gebouwd
- Built (approximately)
- 1882
- Address
- Duinlustweg 16, 2051 AA Overveen (Bloemendaal 27)
- Place
- Overveen
- Municipality
- Bloemendaal
- Province
- Noord-Holland
- Country
- Netherlands
- Coordinates
- 52.38581, 4.59453
- Part of complex
- 514779
- Monument number
- 514778
Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.
David Rumsey Map Collection, Stanford LibrariesUniversity Library, Vrije Universiteit AmsterdamDavid Rumsey Map Collection, Stanford LibrariesUniversity Library, Vrije Universiteit Amsterdam
4 historical maps cover this location, the earliest the 1867 map "No. VI. Deutschland, Niederlande, Belgien, Schweiz. (Germany, Netherlands, Belgium, Switzerland)." (David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries).
This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗
The register's description
Omschrijving
Omschrijving
Op nagenoeg vierkant grondplan door C. Muysken ontworpen HOOFDGEBOUW (1882), onderdeel van de historische buitenplaats Duinlust. Het hoofdgebouw bestaat uit een kelder parterre, verdieping en kapverdieping. De zich deels als souterrain manifesterende kelder vormt de sokkel van het gebouw waardoor het zich boven de omgeving verheft. Deze sokkel is aan de zuidoost- en zuid-westzijde van het gebouw in de vorm van een verhoogd terras tot buiten de omtrek van de hoofdvorm doorgetrokken. Daarnaast wordt deze hogere ligging nog geaccentueerd door een tweede, iets lager gelegen terras aan de zuid-oost en zuid-westzijde, waarvan het niveauverschil met het weer lager gelegen gazon wordt opgevangen door een lage muur. De maaiveldhoogte van het oplopende voorplein compenseert de hoogte van de beide terrassen waardoor de hoofdingang die zich aan deze zijde bevindt gelijkvloers kan worden betreden.
De in hoofdvorm blokvormige bouwmassa heeft door de toepassing van diverse in- en uitspringende volumes een gevarieerd karakter. Het muurwerk is opgetrokken in rode baksteen, waarin ter decoratie op de hoeken en rond de vensters blokken zandsteen zijn verwerkt. Zandsteen is voorts onder meer verwerkt in cordonlijsten, balustrades, basementen, speklagen, consoles, zuilen en in decoraties van geveltoppen. Het muurwerk van de terrassen is bekleed met gebosseerde hardsteen. Hardsteen is ook verwerkt in de souterrainmuren van de gevel aan de noord-westzijde. De kap is een omgaand schilddak bedekt met grijze lei in Maasdekking. Dit laatste geldt ook voor de bedekking van de twee torenspitsen. De vensters zijn zowel individueel als driedelig. De driedelige vensters bestaan uit verticale, door metselwerk gescheiden openingen, waarvan de middelste opening breder is en door een licht getoogde ontlastingsboog wordt afgesloten. De ramen en deuren zijn alle van hout en vaak T-vormig. Er is sprake van schuiframen en stolpramen, alsmede van enkelvoudige paneeldeuren en stolpdeuren.
De noord-oostzijde (NO) maakt front naar het voorplein en is overwegend symmetrisch van opzet; alleen een overhoeks geplaatste toren op de oosthoek doorbreekt de symmetrie. Afgezien van de hoektoren heeft de NO-zijde een breedte van zeven vensterassen. De middelste drie assen bevinden zich in een brede middenrisaliet met topgevel. Centraal in deze middenrisaliet bevindt zich de gelijkvloerse hoofdingang onder een balkon. De buitenste hoeken van dit balkon rusten elk op een vierkante pijler waarnaast een zuil is geplaatst. De aansluiting van het balkon op de gevel rust op een pilaster. Op de kapitelen rust een hoofdgestel dat wordt afgesloten door de in zandsteen uitgevoerde balustrade van het balkon. Deze balustrade heeft op de hoeken twee muurdammen (evenwijdig aan de NO-zijde) met daartussen balusters. De vensterassen in de middenrisaliet hebben relatief smalle paarsgewijs gekoppelde vensteropeningen. De flankerende assen hebben bredere individuele vensters. De middenrisaliet wordt direct boven de gootlijst afgesloten met een door balustrades geflankerde geveltop. De rijk gedecoreerde geveltop heeft de vorm van een halsgevel met onder meer pilasters, klauwstukken en een gebogen fronton. De flankerende assen hebben direct boven de gootlijst dakkapellen die eveneens door een gebogen fronton worden bekroond. De overhoeks geplaatste hoektoren staat op een rechthoekig grondplan en bestaat uit drie bouwlagen onder een spits toelopend schilddak.
De zuid-oostzijde (ZO) is de zijde die zichtbaar is vanaf de openbare weg (Duinlustweg). Deze zijde wordt op de oosthoek gedomineerd door de eerder genoemde toren. Buiten de toren heeft deze zijde vijf vensterassen. De tweede as vanaf de oosthoek bevindt zich in een brede risaliet onder een topgevel. Deze risaliet heeft op de bel-etage een brede vijfhoekige erker met daarboven een dakterras met balustrade, bestaande uit op de hoeken geplaatste muurdammen met daartussen balusters. Het dakterras wordt bereikt via stolpdeuren die deel uitmaken van een zesdelig venster. Afgezien van de grotere breedte en het ontbreken van een balustrade is de topgevel in grote lijnen vergelijkbaar met de topgevel aan de NO-zijde. De overige vensterassen hebben net als de NO-zijde brede individuele vensters. De drie vensterassen in het brede muurvlak aan de zuidzijde van de risaliet komen uit op een veranda met balkon dat op de zuidhoek wordt ondersteund door een vierkante pijler. De aansluitingen op het muurvlak rusten op pilasters. De lange zijde van de veranda heeft tussen de hoekpijler en de pilasters zuilen. Op de kapitelen van zuilen en pijlers rust een hoofdgestel. Daarboven bevindt zich de balustrade van het balkon, bestaande uit muurdammen met daartussen geplaatste balusters. Boven de tweede as vanaf de zuidhoek bevindt zich direct boven de gootlijst een dakkapel met gebogen fronton, vergelijkbaar met de dakkapellen aan de NO-zijde. Het brede terras dat zich aan deze zijde boven het souterrain bevindt volgt in de buitenlijn de vijfhoekige vorm van de erker. De balustrade bestaat net als bij de dakterrassen uit muurdammen met tussengeplaatste balusters.
De zuid-westzijde heeft twee hoekrisalieten van gelijke breedte, doch van ongelijke diepte. De beide risalieten hebben op bel-etage en verdieping één vensteras met driedelige vensteropening en direct boven de gootlijst een dakkapel met gebogen fronton als aan de NO- en ZO-zijde. Het terugliggende gevelvlak heeft drie vensterassen met individuele vensters als aan de NO- en ZO-zijde. Boven de eerste en tweede vensteras vanaf de zuidhoek bevindt zich direct boven de gootlijst een kleine dakkapel met gebogen fronton.
In de binnenhoek tussen de westelijke hoekrisaliet en het terugliggende muurvlak bevindt zich een ronde toren onder spits. Op de top van de spits staat een ronde houten lantaarn.
De noordwest-zijde heeft twee risalerende en twee terugliggende partijen: een hoekrisaliet (N), een terugliggend gevelvlak, een risaliet en een terugliggend gevelvlak op de zuidhoek. De hoekrisaliet is minder breed dan de tweede risaliet doch in elk van de risalieten bevindt zich in het souterrain, op de bel-etage en de verdieping een driedelige vensteropening. Het terugliggende gevelvlak tussen de beide risalieten heeft ter hoogte van souterrain en verdieping reeksen van vier kleine vierkante vensters, maar wordt voornamelijk bepaald door een hoge zesdelige vensterpartij ter verlichting van het trappenhuis. De verticale raamstroken in deze partij worden door smalle muurdammen in zandsteen van elkaar gescheiden. Het terugliggende gevelvlak op de zuidhoek heeft ter hoogte van het souterrain twee kleine vierkante vensters en ter hoogte van de bel-etage en verdieping brede enkelvoudige vensters.
Het interieur bevat nog een aantal originele ruimten zoals de hal met vier marmeren zuilen en het daarop uitkomende trappenhuis waarin een eikenhouten trap in de stijl van de renaissance is geplaatst. De trap - mogelijk van vroeg 17de-eeuwse Franse makelij - heeft de vorm van een "keizertrap", dat wil zeggen: een uit drie delen bestaande trap waarbij een centrale opgang naar een plateau tussen begane grond en verdieping zich na een draai van 180 graden voortzet in twee flankerende, op de verdieping uitkomende trappen. Opmerkelijk is voorts de merendeels gaaf bewaard gebleven salon op de parterre aan de zuidoostzijde. De in de stijl van de neo-renaissance uitgevoerde ruimte beschikt over rijke betimmeringen in eikehout en schuifluiken tussen buiten en binnenmuren. Een dergelijk schuifluik bevindt zich ook nog in de noordwestelijke hoekkamer op de parterre, deel van de oorspronkelijke biljartkamer. Dit schuifluik is over het gehele formaat bekleed met spiegelglas, iets wat mogelijk ook geldt voor de schuifluiken in de eerder genoemde salon.
Waardering
Het hoofdgebouw is van algemeen belang als historisch-functioneel hoofdonderdeel van de historische buitenplaats Duinlust en uit cultuurhistorisch en architectuurhistorisch oogpunt als representatief voorbeeld van een uit het vierde kwart van de 19de eeuw daterende villa in neo-renaissancistische bouwtrant en als onderdeel uit het oeuvre van C. Muysken.
English translation
The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com
Description
Description
MAIN BUILDING (1882) designed by C. Muysken on a nearly square ground plan, part of the historic country estate Duinlust. The main building consists of a basement, ground floor, first floor and attic storey. The basement, which partly manifests itself as a semi-basement, forms the plinth of the building, causing it to rise above the surrounding area. This plinth is extended beyond the perimeter of the main mass on the south-east and south-west sides of the building in the form of a raised terrace. Additionally, this higher level is emphasised by a second, slightly lower terrace on the south-east and south-west sides, with the level difference between it and the lower-lying lawn being absorbed by a low wall. The ground level of the sloping front courtyard compensates for the height of both terraces, allowing the main entrance on this side to be accessed at ground level.
The block-shaped building mass in its main form has been given a varied character through the application of various projecting and recessed volumes. The masonry is constructed in red brick, with sandstone blocks being incorporated as decoration at the corners and around windows. Sandstone has also been used in cornice lines, balustrades, basements, bed joints, consoles, columns and in the decoration of gable tops. The masonry of the terraces is clad in rusticated hard stone. Hard stone is also used in the semi-basement walls of the façade on the north-west side. The roof is a hipped roof covered with grey slate in Maas covering. This also applies to the covering of the two spires. The windows are both individual and threefold. The threefold windows consist of vertical openings separated by masonry, with the middle opening being wider and closed off by a slightly arched relieving arch. All frames and doors are wooden and often T-shaped. There are sash windows and casement windows, as well as simple panelled doors and casement doors.
The north-east side (NE) faces the front courtyard and is predominantly symmetrical in layout; only a diagonally placed tower at the east corner breaks the symmetry. Apart from the corner tower, the NE side has a width of seven window bays. The middle three bays are located in a broad central projection with a gable top. Centrally in this central projection is the ground-floor main entrance beneath a balcony. The outer corners of this balcony each rest on a square pillar alongside which a column is placed. The connection of the balcony to the façade rests on a pilaster. On the capitals rests a main entablature which is closed off by the balustrade of the balcony executed in sandstone. This balustrade has at the corners two wall piers (parallel to the NE side) with balusters between them. The window bays in the central projection have relatively narrow paired window openings. The flanking bays have wider individual windows. The central projection is closed off directly above the gutter line with a gable top flanked by balustrades. The richly decorated gable top has the form of a neck gable with amongst other things pilasters, corbels and a curved pediment. The flanking bays have dormer windows directly above the gutter line, likewise crowned by a curved pediment. The diagonally placed corner tower stands on a rectangular ground plan and consists of three storeys beneath a spire-like tapering hipped roof.
The south-east side (SE) is the side visible from the public road (Duinlustweg). This side is dominated at the east corner by the aforementioned tower. Apart from the tower, this side has five window bays. The second bay from the east corner is located in a broad projection under a gable top. This projection has on the piano nobile a broad pentagonal bay window with above it a roof terrace with balustrade, consisting of wall piers placed at the corners with balusters between them. The roof terrace is accessed via casement doors which form part of a six-part window. Apart from the greater width and the absence of a balustrade, the gable top is broadly comparable to the gable top on the NE side. The remaining window bays have, like the NE side, broad individual windows. The three window bays in the broad wall section on the south side of the projection open onto a veranda with balcony which is supported at the south corner by a square pillar. The connections to the wall section rest on pilasters. The long side of the veranda has between the corner pillar and the pilasters columns. On the capitals of columns and pillars rests a main entablature. Above this is the balustrade of the balcony, consisting of wall piers with balusters placed between them. Above the second bay from the south corner is a dormer window directly above the gutter line with a curved pediment, comparable to the dormers on the NE side. The broad terrace which is located on this side above the semi-basement follows in its outline the pentagonal form of the bay window. The balustrade consists, as with the roof terraces, of wall piers with balusters placed between them.
The south-west side has two corner projections of equal width, but of unequal depth. Both projections have on the piano nobile and first floor one window bay with threefold window opening and directly above the gutter line a dormer window with curved pediment as on the NE and SE sides. The recessed wall section has three window bays with individual windows as on the NE and SE sides. Above the first and second window bays from the south corner is directly above the gutter line a small dormer window with curved pediment.
In the inner corner between the western corner projection and the recessed wall section is a round tower with a spire. On the top of the spire stands a round wooden lantern.
The north-west side has two projecting and two recessed sections: a corner projection (N), a recessed wall section, a projection and a recessed wall section at the south corner. The corner projection is less broad than the second projection, yet in each of the projections is located in the semi-basement, on the piano nobile and the first floor a threefold window opening. The recessed wall section between the two projections has at the level of semi-basement and first floor rows of four small square windows, but is mainly determined by a tall six-part window section for lighting the staircase. The vertical glazing bars in this section are separated from each other by narrow wall piers in sandstone. The recessed wall section at the south corner has at the level of the semi-basement two small square windows and at the level of the piano nobile and first floor broad individual windows.
The interior still contains a number of original rooms such as the hall with four marble columns and the adjoining staircase in which an oak staircase in the style of the Renaissance has been placed. The staircase - possibly of early 17th-century French manufacture - has the form of an "emperor staircase", that is: a staircase consisting of three parts whereby a central flight to a landing between ground floor and first floor continues after a 180-degree turn in two flanking flights leading to the first floor. Also noteworthy is the largely well-preserved salon on the ground floor on the south-east side. The room executed in the style of the neo-Renaissance has rich panelling in oak wood and sliding shutters between exterior and interior walls. Such a sliding shutter is also still found in the north-west corner room on the ground floor, part of the original billiard room. This sliding shutter is covered over its entire surface with mirror glass, something which may also apply to the sliding shutters in the aforementioned salon.
Valuation
The main building is of general importance as the historical-functional main component of the historic country estate Duinlust and from a cultural-historical and architectural-historical perspective as a representative example of a villa in neo-Renaissance building style dating from the fourth quarter of the 19th century and as a component from the oeuvre of C. Muysken.
Nearby in the register
- Toegangshek, Duinlustweg bij 16Erfscheidingunder 1 mi
- Orangerie, Duinlustweg 16Tuin, park en plantsoenunder 1 mi
- Folly, Duinlustweg bij 16Tuin, park en plantsoenunder 1 mi
- Tuinmuur, Duinlustweg 16Tuin, park en plantsoenunder 1 mi
Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.