Rijksmonumentenregister · Netherlands
Bijgebouw, Makkenweg 1
Holthees, Noord-Brabant, Netherlands
The record
- Designation
- National monument (rijksmonument)
- Class
- Bijgebouwen kastelen enz.
- Function
- Bijgebouw
- Category
- onroerend gebouwd
- Address
- Makkenweg 1, 5824 AK Holthees (Land van Cuijk 30)
- Place
- Holthees
- Municipality
- Land van Cuijk
- Province
- Noord-Brabant
- Country
- Netherlands
- Coordinates
- 51.58294, 6.00184
- Part of complex
- 514724
- Monument number
- 514725
Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.
David Rumsey Map Collection, Stanford LibrariesTU Delft LibraryDavid Rumsey Map Collection, Stanford LibrariesUniversity Library, Vrije Universiteit AmsterdamUniversity Library, Vrije Universiteit Amsterdam
5 historical maps cover this location, the earliest the 1636 map "Clivia ducatus / [Joannes Janssonius]" (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).
This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗
The register's description
Omschrijving
Inleiding
Het kasteelterrein wordt in twee ongeveer gelijke delen verdeeld door de oost-west getraceerde, resterende zuidelijke helft van de voormalige VOORBURCHT van kasteel Makken. De eenlaags voorburcht onder langgerekt zadeldak is gemetseld in baksteen en heeft gedeeltelijk karakteristieke speklagen in mergelsteen. Waarschijnlijk dateert het gebouw in de kern uit de late vijftiende eeuw en is het verbouwd en uitgebreid omstreeks het midden van de zeventiende eeuw. De tekeningen (1737-'39) van Jan de Beijer geven geen eenduidig beeld van dit deel van het kasteel. De oorspronkelijke functies van alle delen van de voorburcht zijn niet bekend. Mogelijk was hier een deel van de stallen ondergebracht, maar de aanwezigheid van zeventiende-eeuwse sleutelstukken, alsmede van de forse schouw duiden op een meer representatieve functie. De zolder is van oudsher, getuige ook het formidabele hijsrad, gebruikt voor de opslag van goederen. Sedert de tweede helft van de achttiende eeuw is de voorburcht uitsluitend voor agrarische doeleinden gebruikt. In de huidige situatie duiden de aanwezigheid van boxen, voederbakken en dergelijke nog op dit gebruik.
Beschrijving
De voorburcht heeft een langgerekte oost-west getraceerde plattegrond (ca. 40.5 x 8.3 meter), telt één bouwlaag plus kapverdieping en wordt gedekt door een zadeldak met oud-Hollandse pannen. Feitelijk bestaat het gebouw uit twee delen, variërend in ouderdom. Het oostelijke deel, aan het exterieur te herkennen aan de speklagen in het metselwerk, dateert waarschijnlijk uit de late vijftiende (mogelijk vroege zestiende-) eeuw en meet globaal 27.5 x 8.3 meter. Tegen de zuidwestelijke hoek staat een uitspringende (2.7 x 3.65 meter) toren, die ter hoogte van de dakschilden van het gebouw (na 1751) is afgeknot. Ook deze toren, voorzien van een gemetselde wenteltrap met troggewelven, is zoals de buitengevels voorzien van speklagen. De voormalige westelijke eindgevel heeft eveneens deze ornamentatie en wordt thans door de westelijke aanbouw (XVIIb-c) aan het oog onttrokken. De gevels zijn gemetseld in een fors formaat kloostermop (27 x 6 x 13 cm). De speklagen zijn gedeeltelijk in slechte, uitgespoelde staat. Het metselwerk van de, later door de uitbreiding afgedekte, westelijke eindgevel is in zeer goede staat. In de speklagen staan vele, goeddeels eeuwenoude inscripties met namen gekerfd. Vooral de 30.2 meter lange zuidelijke buitengevel, die overeenkomstig de andere gevels in kloostermop een dikte heeft van ca. 65 cm, biedt de oorspronkelijke, gesloten aanblik. Blijkens tekeningen (1737-'39) van Jan de Beijer heeft de oostelijke eindgevel een trapgevel gehad. De huidige topgevel is slordig gemetseld in afwijkende, hergebruikte steen en dateert waarschijnlijk uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Blijkens één van deze tekeningen heeft zich ter plaatse van de thans op de kapverdieping zichtbare negentiende-eeuwse tussenmuur een door het dakvlak stekende eindgevel bevonden, die eveneens was voorzien van een trapgevel. Tegen de westelijke zijde is het gebouw omstreeks het midden van de zeventiende eeuw uitgebreid (12.9 x 8.3 meter), waarbij oudere bakstenen zijn gebruikt, die wat formaat betreft overeenkomen met die in het oudere muurwerk van de voorburcht. Ook de hoogte van de gevel, alsmede de hoogte en helling van kap zijn aan de oude maatvoering aangepast. De noordelijke gevel van dit bouwdeel (aan de zijde van de voormalige binnenplaats) is voorzien van een drietal inrijpoorten. Mogelijk duidt de aanwezigheid van een hardstenen zuil tussen twee van de doorrij-openingen op de oorspronkelijke situatie van alle openingen. De slechte staat van de resterende zuil zal verklaren waarom de overige, eveneens overbelaste zuilen zijn vervangen door de huidige slordig gemetselde pijlers (XIX ?). In de zuidelijke achtergevel van dit deel van de voorburcht bevindt zich de thans dichtgezette getoogde doorrijpoort naar de voormalige brug over de aldaar gesitueerde gracht. In de buitengevel is ter plaatse ook de moet van het door Jan de Beijer getekende aanbouwtje te zien. De op deze tekening zichtbare gevel met in- en uitzwenkend rolwerk is, waarschijnlijk sedert de negentiende eeuw, vervangen door een eenvoudige topgevel in afwijkende steen. De kappen dateren uit de zeventiende eeuw. Boven het oudste deel van de voorburcht betreft het een viertal eiken spanten, bestaande uit een dekbalkjuk met krommers en korbelen, waarop een driehoekspant met spantbalk, waarvan de gekruisde spantbenen de nokgording dragen. De stapelspanten zijn van oost naar west met de guts (.-..-...-....) genummerd. Tussen dit deel en de toren (bij de verdwenen doorstekende trapgevel) staat een tweetal grenen spanten, mogelijk daterend uit de negentiende eeuw. Het is mogelijk dat ten gevolge van een brand torenspits en trapgevel, alsmede dit deel van de oudere zeventiende-eeuwse kap, verdwenen zijn. Het zeventiende-eeuwse westelijke bouwdeel heeft de oorspronkelijke kappen (waarschijnlijk XVIIb-c) behouden. De drie eiken spanten hebben gehakte telmerken (I-II-III) en bestaan elk uit een dekbalkjuk met korbelen, waarop een dekbalkstandjuk en geschoorde nokstijl. In het interieur van het oudste deel van de voorburcht is nog een aantal belangrijke elementen gehandhaafd. Allereerst heeft de oostelijke driekwart van dit bouwdeel een zeventiende-eeuwse balklaag met een achttal geprofileerde sleutelstukken (met gegutst andreaskruis en geriemde kralen) behouden. Daarnaast bevindt zich tegen de oostelijke eindgevel het restant van gemetselde schouwboezem. Op de kapverdieping bevindt zich tussen het tweede en derde gebint een hijswerk, voorzien van een houten windrad.
Waardering
Het object heeft architectuurhistorische waarden: het is van belang voor de geschiedenis van de architectuur en de bouwtechniek; het is van belang wegens het bijzondere materiaalgebruik; ensemblewaarden: het object heeft een bijzondere betekenis wegens de situering, verbonden met de ontwikkeling van de streek; het heeft belang wegens de hoogwaardige kwaliteit van de bebouwing en de historisch-ruimtelijke relatie met groenvoorzieningen, wegen, wateren en bodemgesteldheid; zeldzaamheid: het complex is deels van belang wegens de architectuurhistorische en typologische zeldzaamheid.
English translation
The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com
Description
Introduction
The castle grounds are divided into two approximately equal parts by the east-west oriented, remaining southern half of the former OUTER WARD of castle Makken. The single-storey outer ward under an elongated gabled roof is built in brick and has partially characteristic speckled courses in marl stone. The building probably dates in its core to the late fifteenth century and was rebuilt and extended around the middle of the seventeenth century. The drawings (1737-'39) by Jan de Beijer provide no clear picture of this part of the castle. The original functions of all parts of the outer ward are not known. It is possible that part of the stables was housed here, but the presence of seventeenth-century keystones, as well as the substantial chimney, point to a more representative function. The loft has been used for storage of goods from time immemorial, as evidenced by the formidable hoist wheel. Since the second half of the eighteenth century, the outer ward has been used exclusively for agricultural purposes. In the current situation, the presence of boxes, feed troughs and the like still point to this use.
Description
The outer ward has an elongated east-west oriented floor plan (approximately 40.5 x 8.3 metres), comprises one storey plus roof space and is covered by a gabled roof with old Dutch tiles. In fact, the building consists of two parts, varying in age. The eastern part, recognizable on the exterior by the speckled courses in the brickwork, probably dates from the late fifteenth (possibly early sixteenth) century and measures approximately 27.5 x 8.3 metres. Against the south-western corner stands a projecting tower (2.7 x 3.65 metres), which is cut off at the height of the roof tiles of the building (after 1751). This tower too, fitted with a brick spiral staircase with trough vaults, is provided with speckled courses like the outer facades. The former western end gable likewise has this ornamentation and is now hidden from view by the western extension (XVIIb-c). The facades are built in a substantial format cloister brick (27 x 6 x 13 cm). The speckled courses are partly in poor, eroded condition. The brickwork of the western end gable, later covered by the extension, is in very good condition. In the speckled courses are many inscriptions, mostly centuries old, with names carved. Particularly the 30.2 metre long southern outer facade, which like the other facades in cloister brick has a thickness of approximately 65 cm, presents the original, closed appearance. According to drawings (1737-'39) by Jan de Beijer, the eastern end gable had a stepped gable. The current top gable is crudely built in divergent, reused stone and probably dates from the second half of the nineteenth century. According to one of these drawings, at the location of the nineteenth-century partition wall now visible in the roof space there was an end gable projecting through the roof plane, which was also provided with a stepped gable. Against the western side, the building was extended around the middle of the seventeenth century (12.9 x 8.3 metres), using older bricks, which correspond in format to those in the older brickwork of the outer ward. The height of the facade, as well as the height and pitch of the roof, are adapted to the old measurements. The northern facade of this building section (on the side of the former courtyard) is provided with three carriage entrance doors. The presence of a hardstone column between two of the through-passage openings possibly points to the original situation of all openings. The poor condition of the remaining column will explain why the other, likewise overstressed columns were replaced by the current crudely built pillars (XIX?). In the southern rear facade of this part of the outer ward is the now-sealed arched carriage entrance to the former bridge over the moat situated there. The wall of the outer facade shows traces of the attachment mentioned in Jan de Beijer's drawing at this location. The facade visible in this drawing with inward and outward scrollwork has been, probably since the nineteenth century, replaced by a simple top gable in divergent stone. The roof structures date from the seventeenth century. Above the oldest part of the outer ward it consists of four oak rafters, composed of a collar tie with curved braces and corbels, on which rests a triangular rafter with rafter tie, whose crossed rafter legs support the ridge beam. The common rafters are numbered from east to west with the gouge (-.-..-...-....). Between this part and the tower (at the vanished through-projecting stepped gable) stand two pine rafters, possibly dating from the nineteenth century. It is possible that as a result of a fire, the tower spire and stepped gable, as well as this part of the older seventeenth-century roof structure, disappeared. The seventeenth-century western building section has retained its original roof structures (probably XVIIb-c). The three oak rafters have hacked carpenters' marks (I-II-III) and each consist of a collar tie with corbels, on which rests a collar tie post and braced ridge post. In the interior of the oldest part of the outer ward, a number of important elements are still maintained. First of all, the eastern three-quarters of this building section has retained a seventeenth-century beam floor with eight profiled keystones (with gouged St. Andrew's cross and grooved beads). Beside it, against the eastern end gable, is the remains of a built chimney breast. In the roof space, between the second and third rafter pair, there is a hoisting mechanism, fitted with a wooden hoist wheel.
Valuation
The object has architectural-historical values: it is important for the history of architecture and building technique; it is important because of the special use of materials; ensemble values: the object has special significance because of its location, connected with the development of the region; it is important because of the high quality of the built environment and the historic-spatial relationship with green spaces, roads, waters and soil conditions; rarity: the complex is partly important because of its architectural-historical and typological rarity.
Nearby in the register
- Park, Makkenweg 1Tuin, park en plantsoenunder 1 mi
- Tuin, park en plantsoen, Makkenweg 1Tuin, park en plantsoenunder 1 mi
- Kerk, Kapelstraat 1Kerk en kerkonderdeelunder 1 mi
- Nederlandse Hervormde KerkKerk en kerkonderdeelunder 1 mi
Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.