Rijksmonumentenregister · Netherlands
Watermolen
Tijnje, Fryslân, Netherlands
The record
- Designation
- National monument (rijksmonument)
- Class
- Industrie- en poldermolen
- Category
- onroerend gebouwd
- Built (approximately)
- 1856 - 1857
- Address
- Ulesprong, Tijnje, Tijnje te Tijnje (Opsterland 21)
- Place
- Tijnje
- Municipality
- Opsterland
- Province
- Fryslân
- Country
- Netherlands
- Coordinates
- 53.05657, 5.96948
- Monument number
- 510646
Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.
University Library, Vrije Universiteit AmsterdamDavid Rumsey Map Collection, Stanford LibrariesUtrecht University LibraryDavid Rumsey Map Collection, Stanford LibrariesUniversity Library, Vrije Universiteit Amsterdam
5 historical maps cover this location, the earliest the 1851 map "Holland." (David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries).
This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗
The register's description
Omschrijving
Inleiding
Korte geschiedenis van de vervening in Friesland. Reeds in de 13e eeuw werd in Friesland aan turfwinning gedaan. In die tijd bekommerde men zich niet om de gevolgen, waardoor er hele stukken land in water of woestenij veranderden. In 1488 ging de overheid zich voor het eerst met deze vervening bemoeien, eigenaren werden toen verplicht om toestemming te vragen en er moest een bepaalde afstand tot wegen en dijken in acht worden genomen. In 1751 introduceerden veenlieden uit Giethoorn een nieuwe methode van veenwinning, waarbij het veen met een baggerbeugel werd gebaggerd, waarna men het elders liet drogen. Het gevolg was dat de zetvelden, of ribben zoals bij de traditionele veenwinning, ontbraken, waardoor door afslag steeds grotere waterplassen ontstonden.
Ontstaan van de Veenpolders In 1823 werd onderzoek gedaan naar de door veenwinning uitgestrekte waterplassen in de grietenijen Haskerland, Schoterland en Aengwirden. De veenwinning had hier reeds zo'n grote schade aangebracht, dat alleen grootschalige bepoldering uitkomst kon bieden. Genoemde grietenijen werden hiertoe verdeeld in een 7-tal veendistricten. De veendistricten werden in een viertal Veenpolders ondergebracht die het karakter van een waterschap kregen, met als doel het bepolderen van uitgeveende of nog uit te venen landen. De Gedeputeerde Staten speelden in de Veenpolders een grotere rol dan het geval was bij gewone waterschappen. Bij de Veenpolders ging het meestal om zeer grote oppervlakten waarvoor soms tientallen molens nodig waren. Het ging hierbij ook om, voor Friese begrippen, grote molens, meestal met een vlucht van tussen de 22 en 25 meter. Dit maakte het ook mogelijk om de molenaar in de molen te laten wonen wat in Friesland zeer ongebruikelijk was.
Veenpolder van het 6e en 7e Veendistrict (3096 hectare) Het reglement betreffende inrichting en gezag van bestuur over bepoldering, vervening en droogmaking van het 6e en 7e veendistrict werd vastgesteld bij besluit van de Staten van 23-2-1853. In het ontwerpreglement werd vastgesteld dat op nader vast te stellen plaatsen vijf watermolens dienden te worden gesteld om het polderwater op een behoorlijk peil te houden. In verschillende fasen werden tussen 1856 en 1875 negen molens gebouwd. Drie molens maalden het water uit de droogmakerijen op de polderboezem (molens 7, 8 en 9), twee maalden het water rechtstreeks uit op de Friese boezem (molens 1 en 2) en vier molens bemaalden de polderboezem uit op de Friese boezem (molens 3, 4 ,5 en 6) In 1875 werd een hulpstoomgemaal gebouwd dat tezamen met de negen molens de veenpolder bemaalde. In 1905 werd het hulpstoomgemaal verbouwd, zodanig dat de gehele polder ermee bemalen kon worden. Nadat gebleken was dat dat inderdaad het geval was verleenden, Gedeputeerde Staten in 1911 toestemming de molens te verkopen of af te breken. Molen nr 1 bij Ulesprong werd hierbij niet gesloopt, maar slechts ontdaan van de kap en het gevlucht en verkocht als woning. De woning werd gebruikt door de bediener van het bij de molen gelegen veerpontje.
Poldermolen nr 1 bij de Ulesprong Incomplete poldermolen. Mooi langs de Nieuwe Vaart en markant in het open polderlandschap gelegen voormalig poldermolen Nr 1 van de Veenpolder van het 6e en 7e Veendistrict. De molen werd gebouwd in 1856 naar een in maart van dat jaar door de Veenpolder opgesteld bestek en bijbehorende begroting. Genoemde begroting bedroeg 11.073,06. De molen was de eerste in een rij van 6 molens, welke in de volksmond heetten: "Hannemoune", "Kaspermoune", "Oebelemoune", "Lammertsmoune", "Bonnemoune" en "Jeenmoune'. In de polder zelf stonden nog drie molens. Vanaf 1875 bemaalde molen Nr 1 tezamen met de acht andere molens en een hulpstoomgemaal de Veenpolder van het 6e en 7e Veendistrict. In 1911 werden de molens gesloopt. Van molen nr 1 werden alleen kap en gevlucht verwijderd.
Bij de restauratie van het achtkant zijn onderdelen verwerkt van de in 1662 gebouwde en op 16 januari 1964 verbrande houtzaagmolen "De Visser" te Leeuwarden. In het achtkant bevindt zich van oudsher een woning. Oorspronkelijk twee toegangsdeuren (waarvan thans een deuropening is dichtgezet).
Omschrijving
Achtkantige houten poldermolen, bestaande uit een gemetselde voet en een met riet gedekt achtkant. De veldmuren zijn voorzien van drie houten kozijnen met kalf en deels een tussenkalf, waarboven een vast bovenlicht met twee te openen ramen; afsluitbare luiken. In het rietdek een viertal dakkisten voorzien van een uitneembaar raampje. INTERIEUR. In de molen gedeelten van het gaande werk waaronder donsbalk en wervel, alsmede de gemetselde waterlopen.
Waardering
De achtkantige poldermolen uit 1856 is van cultuurhistorisch, waterstaatkundig en landschappelijk belang:
- voor de geschiedenis van de vervening in Friesland;
- voor de geschiedenis van de Veendistricten en Veenpolders in Friesland;
- vanwege zijn rol in het ontstaan van de bemalingsgeschiedenis van de Veenpolder van het 6e en 7e Veendistrict;
- vanwege de zeldzaamheid van (oorspronkelijk) bewoonde poldermolens in het noorden van ons land;
- vanwege zijn landschappelijke betekenis als markant herkenningspunt aan de rand van de door vervening en bepoldering ontstane Veenpolder van het 6e en 7e Veendistrict.
English translation
The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com
Description
Introduction
Brief history of peat extraction in Friesland. Peat extraction was already taking place in Friesland in the 13th century. At that time, no consideration was given to the consequences, which caused entire tracts of land to turn into water or wasteland. In 1488 the authorities began to involve themselves in peat extraction for the first time; landowners were then obliged to request permission and a certain distance from roads and dykes had to be observed. In 1751 peat workers from Giethoorn introduced a new method of peat extraction, in which the peat was dredged with a dredging beam, after which it was left to dry elsewhere. The consequence was that the settling fields, or ridges as in traditional peat extraction, were absent, which meant that increasingly large water pools were formed through erosion.
Origin of the Peat Polders In 1823 an investigation was conducted into the water pools expanded by peat extraction in the grietenijen Haskerland, Schoterland and Aengwirden. The peat extraction had already caused such great damage here that only large-scale polder reclamation could provide a solution. The aforementioned grietenijen were divided into seven peat districts for this purpose. The peat districts were placed under four Peat Polders which took on the character of a water board, with the aim of reclaiming worked-out or still-to-be-worked peat lands. The Provincial Delegates played a greater role in the Peat Polders than was the case with ordinary water boards. With the Peat Polders it was usually a matter of very large areas for which sometimes dozens of mills were needed. These were also, by Frisian standards, large mills, usually with a wingspan of between 22 and 25 metres. This also made it possible for the miller to live in the mill, which was very unusual in Friesland.
Peat Polder of the 6th and 7th Peat District (3096 hectares) The regulation concerning the arrangement and governance of the reclamation, peat extraction and drainage of the 6th and 7th peat district was established by decision of the States of 23-2-1853. In the draft regulation it was established that five water mills should be placed at locations to be determined later to maintain the polder water at a proper level. In various phases nine mills were built between 1856 and 1875. Three mills pumped the water from the drainages into the polder reservoir (mills 7, 8 and 9), two pumped the water directly onto the Friesian reservoir (mills 1 and 2) and four mills pumped the polder reservoir onto the Friesian reservoir (mills 3, 4, 5 and 6). In 1875 an auxiliary steam pumping station was built which, together with the nine mills, pumped the peat polder. In 1905 the auxiliary steam pumping station was rebuilt so that the entire polder could be pumped with it. After it became clear that this was indeed the case, the Provincial Delegates granted permission in 1911 to sell or demolish the mills. Mill no. 1 at Ulesprong was not demolished in this process, but merely stripped of its cap and sails and sold as a dwelling. The dwelling was used by the operator of the ferry boat located at the mill.
Polder Mill no. 1 at the Ulesprong Incomplete polder mill. A fine former polder mill No. 1 of the Peat Polder of the 6th and 7th Peat District, situated beautifully along the Nieuwe Vaart and striking in the open polder landscape. The mill was built in 1856 according to a specification and accompanying budget drawn up by the Peat Polder in March of that year. The budget mentioned amounted to 11,073.06. The mill was the first in a row of 6 mills, which in common speech were called: "Hannemoune", "Kaspermoune", "Oebelemoune", "Lammertsmoune", "Bonnemoune" and "Jeenmoune". Three more mills stood in the polder itself. From 1875 mill No. 1 pumped together with the eight other mills and an auxiliary steam pumping station the Peat Polder of the 6th and 7th Peat District. In 1911 the mills were demolished. Of mill no. 1 only the cap and sails were removed.
During the restoration of the octagonal section, components were incorporated from the wood-sawing mill "De Visser" built in 1662 and burned on 16 January 1964 in Leeuwarden. The octagonal section has housed a dwelling from time immemorial. Originally two access doors (of which one is now bricked up).
Description
Octagonal wooden polder mill, consisting of a masonry base and an octagonal section with a reed roof. The side walls are furnished with three wooden windows with a calf and partly an intermediate calf, above which a fixed fanlight with two opening windows; closable shutters. In the reed roof four roof boxes with a removable small window. INTERIOR. In the mill parts of the running gear including beater and spindle, as well as the masonry water channels.
Valuation
The octagonal polder mill from 1856 is of cultural-historical, hydraulic-engineering and landscape importance:
- for the history of peat extraction in Friesland;
- for the history of the Peat Districts and Peat Polders in Friesland;
- because of its role in the emergence of the pumping history of the Peat Polder of the 6th and 7th Peat District;
- because of the rarity of (originally) inhabited polder mills in the north of our country;
- because of its landscape significance as a striking landmark on the edge of the Peat Polder of the 6th and 7th Peat District created by peat extraction and polder reclamation.
Nearby in the register
- ZuidergemaalGemaalunder 1 mi
- Woonhuis, Domela Nieuwenhuisweg bij 49 Nij Beets (Opsterland 21)Woonhuis1 mi
- Machinistenwoning, Hooivaartsweg 16Dienstwoning2 mi
- Kerk, Rolbrêgedyk 6Kerk en kerkonderdeel2 mi
Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.