TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Klooster Rapelenburg

Eindhoven, Noord-Brabant, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Klooster, kloosteronderdl
Function
Klooster
Category
onroerend gebouwd
Built
1950 - 1953
Address
St Claralaan 1, 5654 AS Eindhoven
Place
Eindhoven
Province
Noord-Brabant
Country
Netherlands
Coordinates
51.42437, 5.47102
Part of complex
531179
Monument number
530876

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

Leiden University Libraries

2 historical maps cover this location, the earliest the 1945 map "West-Duitschland" (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

Inleiding

Het in 1950-1953 door C.H. de Bever gebouwde kloostergebouw van het complex CLARISSENKLOOSTER 'Rapelenburg' is gelegen op een omgracht en ommuurd kloosterrein dat is ingebed in het park van het voormalige landgoed Rapelenburg. Het kloostergebouw is vanaf de St. Claralaan te bereiken via een brug over de gracht en de eenvoudige poort in de ommuring. Na de Tweede Wereldoorlog komt in het kloosterleven de nadruk te liggen op de eenvoudige naleving van de orderegel. Als gevolg hiervan werden het exterieur en interieur van veel kloosters in overeenstemming gebracht met het sobere karakter van het monastieke leven. Er komt veel nadruk op harmonische verhoudingen in de architectuur, die opgevat worden als uitdrukkingen van geestelijke waarden van studie, meditatie en gebed. Zo ook bij het Clarissenklooster Rapelenburg. Het kloostergebouw heeft grandeur door zijn eenvoud en de afwisseling in volumes. Voor de bedelorde der Clarissen was het van groot belang dat de architectuur van het nieuw te realiseren bouwwerk aansloot bij de sobere en teruggetrokken leefwijze. Het gebouw diende eenvoudig in vormgeving en materiaal te zijn en een rustige situering te krijgen in een landelijke omgeving. Tevens dienden in het klooster drie groepen te worden ondergebracht: de buitenzusters, de novicen en de slotzusters. De slotzusters mochten alleen bij hoge uitzondering het kloosterterrein verlaten. De buitenzusters zorgden voor de noodzakelijke levensvoorzieningen van buiten het klooster. Het besloten karakter van het kloostergebouw wordt versterkt door de ommuring, de gracht en het groen rondom. Architect De Bever ontving voor zijn ontwerp voor het klooster in 1955 de Cultuurprijs van Eindhoven. Het gebouw is thans nog als klooster in gebruik en wordt door zusters bewoond. In het verleden zijn enkele wijzigingen aangebracht. Zo zijn incidenteel enkele ramen vervangen door aluminium exemplaren. Ook zijn er meerdere ruiten vervangen. Op het buitendakvlak van de linker vleugel zijn vier dakkapellen geplaatst. De deuren in de toegangspoort en de hoofdentree waren van oorsprong gesloten van karakter. Deze zijn thans vervangen door opengewerkte deuren. Over de oorspronkelijke houten vloeren is tapijt, zeil of zijn vloertegels gelegd. In de westgevel van het binnenhof is een vluchttrap gerealiseerd.

Omschrijving

Het CLARISSENKLOOSTER is traditioneel van opzet: een vierkant hof (carré) met binnentuin en een gesloten kloostergang. De voorgevel biedt toegang tot het meer publieke gedeelte van het klooster met spreekkamers, het kloostergedeelte voor de buitenzusters en de kapel in de rechtervleugel (westhoek van het klooster) met priesterkoor, zijkoor en sacristie. Een gang die parallel loopt aan de gesloten kloostergang aan de binnenhof, verbindt de ruimten. Van hieruit is de gesloten kloostergang niet toegankelijk of ook maar in te zien. In de linker vleugel ligt, aan het einde van genoemde gang, de toegang tot het gesloten kloosterdeel. Hier bevindt zich ook de kamer van de abdis. Op de verdieping in deze vleugel is het noviciaat gesitueerd. In de achterste vleugel en het zuidelijke deel van de rechtervleugel bevinden zich de cellen en leefruimten van de slotzusters. De kloostergang biedt op twee plaatsen toegang tot de binnenhof. Het bakstenen gebouw kenmerkt zich door het gebruik van traditionele materialen, de toepassing van heldere bouwvolumes, sobere vlakke gevels in wild verband gemetseld en met een verscheidenheid aan vensterinvullingen. De ijzeren kruisvensters en rondboogvensters zijn gebroken wit geschilderd. In de zijgevel van de kapel bevindt zich een mozaïektableau. Het schilddak is voorzien van verbeterde Hollandse pannen. De rondgang heeft een lessenaarsdak. Het klooster kan worden beschouwd als een goed voorbeeld van de Delftse School. Het interieur is eveneens eenvoudig van opzet. Op de begane grond bevinden zich onder andere de gezamenlijke ruimtes, de kapel en de sacristie. In de hal is een hardstenen tegel aangebracht met een inscriptie in Latijn ter herinnering aan de eerste steenlegging van het klooster op 22 juni 1952. De verdieping biedt onder meer ruimte aan de cellen die aan weerszijden van de smalle gangen zijn geplaatst, ziekenkamers en handwerkruimten. In deze kamers is een rondboogvenster aangebracht, dat uitzicht geeft in de kapel. De zolder met houten vloer heeft een gordingenkap en wordt gebruikt als opslagruimte. De verdiepingen zijn ontsloten door middel van houten trappen. Alle oorspronkelijke vloeren zijn, behoudens die van de keuken en de toiletten, van ongeverfd hout, omdat de slotzusters ongeschoeid waren. De binnenwanden zijn van wit schuurwerk. In enkele binnenruimtes is sprake van schoonmetselwerk. In de kapel, die tevens voor externen toegankelijk is en al snel in trek werd voor huwelijken, bevinden zich meerdere zandstenen heiligenbeelden op tufstenen sokkels die aan de bakstenen binnenwanden zijn bevestigd. Ook is links in de kapel in het muurwerk een hardstenen tegel, met inscriptie in Latijn ter herinnering aan de eerste steenlegging van de kapel door de Rector eveneens op 22 juni 1952, bevestigd. In het priesterkoor hangt een Crucifix. De plafonds zijn van hout; het plafond ter plaatse van het koor heeft cassetten. De vloer is voorzien van zwarte hardstenen tegels. In de kloostergang bevinden zich beelden van kalksteen van twee heiligen, die oorspronkelijk elders in het klooster waren ondergebracht. In het hele klooster is oorspronkelijk houten meubilair te vinden, zoals in de privékapel van de zusters in de rechter vleugel, de naaikamer en in de keuken (inbouwkasten). Daarnaast zijn er nog een mechaniek voor het luiden van de bel en een bakelieten telefoon aanwezig. Vrijwel alle houten deuren zijn nog oorspronkelijk en zijn voorzien van houten sluitmechanismen.

Waardering

Het CLARISSENKLOOSTER is van algemeen belang als toonbeeld van de vroege Wederopbouw:

- Als gaaf voorbeeld van een naoorlogs klooster in traditionele stijl (Delftse School);

- Als uitdrukking van de geestelijke ontwikkeling na de Tweede Wereldoorlog en van het Noord Brabantse katholicisme in het bijzonder;

- Vanwege de cultuurhistorische en architectuurhistorische waarde als uitdrukking van de wijze waarop de architectuur de leefwijze van de Clarissen weerspiegelt;

- Vanwege de ligging in het park van het voormalige kasteel Rapelenburg. Voor de bouw van een nieuw klooster stelden de Clarissen als eis dat deze op een rustige plek in een zo mogelijk vrije natuur gebouwd zou worden. Door het groen rondom het kloostercomplex wordt de besloten leefwijze van de Clarissen extra benadrukt;

- Vanwege de ensemblewaarde met betrekking tot de functionele en visuele relatie tussen het klooster, de ommuring, de brug, slotgracht en de tuin;

- Vanwege de grote mate van gaafheid van het exterieur en interieur;

- Vanwege de samenhang tussen het exterieur en het interieur;

- Vanwege de grote mate van herkenbaarheid;

- In het oeuvre van C.H. de Bever. De Bever heeft groot, divers, oeuvre opgebouwd. Zijn bouwwerken kenmerken zich door een traditionele en monumentale bouwstijl. Het klooster is hier een goed voorbeeld van.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

Introduction

The monastery building of the CLARISSA CONVENT 'Rapelenburg', built by C.H. de Bever in 1950-1953, is located on a moated and walled convent grounds embedded in the park of the former estate Rapelenburg. The monastery building is accessible from the St. Claralaan via a bridge over the moat and a simple gate in the perimeter wall. After the Second World War, the emphasis in monastic life came to rest on the simple observance of the monastic rule. As a result, the exterior and interior of many convents were brought into harmony with the austere character of monastic life. There is much emphasis on harmonious proportions in the architecture, which are understood as expressions of the spiritual values of study, meditation and prayer. This is also the case with the Clarissa Convent Rapelenburg. The monastery building has grandeur through its simplicity and the variation in volumes. For the mendicant order of the Clarissas, it was of great importance that the architecture of the new building to be realized aligned with their austere and withdrawn way of life. The building was to be simple in design and materials and to have a quiet setting in a rural environment. Furthermore, three groups had to be accommodated in the convent: the lay sisters, the novices and the enclosed sisters. The enclosed sisters were only allowed to leave the convent grounds in exceptional circumstances. The lay sisters provided the necessary provisions from outside the convent. The enclosed character of the monastery building is reinforced by the perimeter wall, the moat and the greenery around it. Architect De Bever received the Culture Prize of Eindhoven in 1955 for his design of the convent. The building is still currently in use as a convent and is occupied by sisters. In the past some alterations have been made. Several windows have been replaced by aluminium versions. A number of panes have also been replaced. Four roof dormers have been placed on the outer roof surface of the left wing. The doors in the access gate and the main entrance were originally of a closed character. These have now been replaced by open doors. Carpet, linoleum or floor tiles have been laid over the original wooden floors. A fire escape has been realized in the west facade of the courtyard.

Description

The CLARISSA CONVENT is traditionally laid out: a square courtyard (carré) with an inner garden and a closed cloister walk. The front facade provides access to the more public part of the convent with visiting rooms, the convent section for the lay sisters and the chapel in the right wing (west corner of the convent) with a priest's choir, side choir and sacristy. A corridor running parallel to the closed cloister walk at the inner courtyard connects the spaces. From here, the closed cloister walk is neither accessible nor visible. In the left wing, at the end of the aforementioned corridor, is the entrance to the enclosed convent section. The abbess's room is also located here. On the upper floor in this wing is situated the novitiate. In the rear wing and the southern part of the right wing are the cells and living spaces of the enclosed sisters. The cloister walk provides access to the inner courtyard at two points. The brick building is characterized by the use of traditional materials, the application of clear building volumes, austere flat facades laid in stretcher bond and with a variety of window infills. The iron cross windows and round-arch windows are painted off-white. In the side facade of the chapel is a mosaic panel. The hipped roof is provided with improved Dutch tiles. The cloister walk has a catslide roof. The convent can be considered a good example of the Delft School. The interior is likewise austere in layout. On the ground floor are various communal spaces, the chapel and the sacristy. In the hall is a hardstone tile with an inscription in Latin commemorating the laying of the first stone of the convent on 22 June 1952. The upper floor provides space for, among other things, the cells which are placed on either side of the narrow corridors, sick rooms and craft rooms. In these rooms a round-arch window has been placed, which provides a view into the chapel. The attic with wooden floor has a collar-tie roof truss structure and is used as storage space. The floors are accessed by means of wooden stairs. All original floors, except those of the kitchen and toilets, are of unfinished wood, because the enclosed sisters went unshod. The interior walls are of white scrubbed brick. In some interior spaces there is ashlar masonry. In the chapel, which is also accessible to the public and quickly became popular for weddings, there are several sandstone religious statues on tufa stone plinths which are attached to the brick interior walls. Also on the left side of the chapel a hardstone tile with an inscription in Latin commemorating the laying of the first stone of the chapel by the Rector also on 22 June 1952 is attached to the masonry. A crucifix hangs in the priest's choir. The ceilings are wooden; the ceiling at the choir has coffering. The floor is provided with black hardstone tiles. In the cloister walk are limestone statues of two saints, which were originally housed elsewhere in the convent. Throughout the entire convent original wooden furniture can be found, such as in the private chapel of the sisters in the right wing, the sewing room and in the kitchen (built-in cupboards). In addition there is still a bell-ringing mechanism and a bakelite telephone present. Almost all wooden doors are still original and are provided with wooden closing mechanisms.

Valuation

The CLARISSA CONVENT is of general importance as an exemplar of the early Reconstruction:

- As an exemplary example of a post-war convent in traditional style (Delft School);

- As an expression of the spiritual development after the Second World War and of North Brabantine Catholicism in particular;

- Because of the cultural-historical and architectural-historical value as an expression of the way in which the architecture reflects the way of life of the Clarissas;

- Because of its location in the park of the former castle Rapelenburg. For the construction of a new convent the Clarissas stipulated that it should be built in a quiet place in, if possible, open nature. Through the greenery around the convent complex, the enclosed way of life of the Clarissas is further emphasized;

- Because of the ensemble value with regard to the functional and visual relationship between the convent, the perimeter wall, the bridge, the moat and the garden;

- Because of the high degree of integrity of the exterior and interior;

- Because of the coherence between the exterior and the interior;

- Because of the high degree of recognizability;

- In the oeuvre of C.H. de Bever. De Bever built a large and diverse body of work. His buildings are characterized by a traditional and monumental building style. The convent is a good example of this.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map