TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Pampus

Muiden, Noord-Holland, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Fort, vesting en -onderdelen
Function
Fort
Category
onroerend gebouwd
Built (approximately)
1880 - 1920
Address
IJ-meer, ca. 3 km ten noorden van Muiden Muiden (Gooise meren 27)
Place
Muiden
Municipality
Gooise meren
Province
Noord-Holland
Country
Netherlands
Coordinates
52.36489, 5.06891
Monument number
526452

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries

4 historical maps cover this location, the earliest the 1867 map "No. VI. Deutschland, Niederlande, Belgien, Schweiz. (Germany, Netherlands, Belgium, Switzerland)." (David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

INLEIDING

Het Fort aan het Pampus maakt onderdeel uit van de voormalige Stelling van Amsterdam, de kringstelling van permanente verdedigingsbouw rond de hoofdstad, die tevens gold als Nationaal Reduit en werd aangelegd tussen 1880 en 1920 door het Departement van Oorlog. Het fort ligt als eiland in de monding van het IJ en wordt geflankeerd door twee kustbatterijen bij Diemerdam en Durgerdam. De kapitaal (frontas van het fort) is vrijwel noordwaarts gericht. De aanleg van het fort en de bijbehorende bebouwing duurde van 1887-1895. Naar militaire bevelstructuur lag het fort binnen sector Ouderkerk, groep Diemerbrug. Het fort was niet in een vak ondergebracht, maar stond net als het kustfort bij IJmuiden op zichzelf. De bestemming van het fort luidde: "1ste - tot het tegengaan van eene beschieting der stad Amsterdam vanuit zee; 2de - tot het beletten van een doordringen des vijands te water over het Pampus tot die stad of tot de Oranjesluizen; 3de - tot het bijdragen ter bestrijding van vijandelijke ondernemingen tegen eenig stellinggedeelte, binnen het vuurbereik van het fort gelegen (Zuiderzeefront)." Het fort heeft zijn reden van bestaan in 1932 verloren met de afsluiting van de Zuiderzee door de Afsluitdijk; bij K.B. van 9 oktober 1952 werd het Fort aan het Pampus als vestingwerk opgeheven.

OMSCHRIJVING

Het eiland en de gebouwen zijn aangelegd op een schema van twee cirkels die elkaar over een derde van de straal overlappen, waarbij geschutskoepels als trekpunt fungeren. Ook de indeling van het inwendige is hieruit voortgekomen. Voor de aanleg van het eiland werd de bodem afgegraven tot op de zandplaat en vervolgens aangevuld en opgehoogd met zand dat afkomstig was van het Muiderzand. Rond het eiland werd onder de waterspiegel een rand van basaltstenen gelegd om landing op het fort te beletten; aan keelzijde is deze rand net buiten de as van het fort onderbroken voor een aanlegsteiger (niet meer in originele staat; vervangen), die de enige toegang tot het eiland verleent. De aardwerken van het eiland bestaan uit een glacis dat vanaf de met basalt afgezette oeverrand flauw omhoogloopt tot aan de droge gracht. De dunne laag grond op het gebouwencomplex binnen de gracht, is verwijderd. De bebouwing van het forteiland bestaat uit een omvangrijk bomvrij complex binnen de droge gracht in de ovaalvormige plattegrond van het eiland. In de buitenwand van de gracht (contrescarp) zijn rondom een gang enkele vertrekken aangebracht, aan keelzijde zelfs een reeks lokalen naast elkaar. Het hoofdgebouw, dat op houten palen van 11 meter lengte werd gefundeerd, is opgetrokken in metselwerk en beton. Het in kruisverband opgetrokken metselwerk werd toegepast voor de rechtstanden en de bekleding van de buitenmuur aan keelzijde, alsmede voor de geheel in baksteen opgetrokken koepeltorens. Als beton werd ongewapend cementbeton gebruikt met baksteenbrokken of porfierslag als toeslagmateriaal. Hiermee werden de vloeren, de segmentbooggewelven en bovendekkingen, de frontwand (met daarin een gang) aan de droge gracht en de wanden op de verdieping vervaardigd. Op het hoofdgebouw staat tussen de koepelschachten een betonnen ringvoet met ijzeren spil en gradenverdeling in het beton. Naar de keel, tussen de keelbatterijen is boven de ketellokalen de betonnen schoorsteenonderbouw te zien. Op het dak staan verder de bakstenen resten van twee gebouwtjes die waarschijnlijk uit de tweede wereldoorlog stammen, bestaande uit een bakstenen gebouw met hierin twee betonnen voeten voor een installatie, alsmede een bakstenen gebouwtje waarvoor gemetselde poeren staan. In de indeling van het hoofdgebouw kan grofweg een driedeling worden gemaakt. De lokalen zijn geschakeld aan twee hoofdgangen over de lengte van het gebouw (west-oost). De belangrijkste van de twee loopt over de middellijn van het fort en heeft aan beide uiteinden grote deuropeningen naar de droge gracht; de gang bezat een houten vloer en verbindt de twee koepelschachten. Het gedeelte tussen de koepelschachten bestond uit twee bouwlagen. Hierin waren twee verbindingsgangen gemaakt. Twee steektrappen verbonden beide niveaus. De doorgangen door het metselwerk van de koepelschachten zijn met tongewelven overspannen, zo ook de doorgang op niveau naar de pantserstanden op de keel. De andere lange verbindingsgang ligt zuidelijk evenwijdig aan de eerste, is smaller bemeten en heeft op de uiteinden vensteropeningen in plaats van deuren. Hier zijn in de zuidelijke wand dubbele privaten aangebracht waarvan de potten in de zittingen gespaard bleven. Een dwarsgang op de noord-zuid-as van het fort verbindt de beide gangen en maakt naar het zuiden de verbinding met de keelbeer. Tussen de twee lengte-gangen liggen drie stroken lokalen die ook functioneel verschillend zijn. De noordelijke reeks bevat diverse functies waaronder centraal waterreservoir (reservoir is niet meer aanwezig), bergruimten, levensmiddelenopslag, keuken en kantine; rond en tussen de geschutskoepels zijn de lokalen bestemd voor opslag van munitie. In hoofdzaak is dit fortgedeelte twee lokalen diep, voorzien van tussengangen naar de centrale verbindingsgang. De middenstrook is met uitzondering van de uiteinden die als keuken en verblijfslokalen fungeerde, bestemd voor het samenstellen van de granaten: buskruit, kardoezen, kardoezen vulplaats, projectielen vulplaats, lokaal voor gevulde projectielen zijn in opeenvolgende 'productielijn' naar de koepelschacht geschakeld. Aan de koepel ligt het hijslokaal waar twee verticale schachten in het metselwerk van de koepelcilinder zijn uitgespaard tot op de tussenverdieping. Net als de kruitkamers van het noordelijk deel waren alle ruimten hier van gesloten lampnissen voorzien. De lokalen zijn onderling geschakeld via doorgangen waarin houten draaideuren hebben gezeten. Er zijn slechts enkele deuren tussen de lokalen en de centrale gang. Deze deuren waren niet alle met de genoemde deuren gesloten maar ook voorzien van een tweede houten (schuif)deur van enkel blad die op een ijzeren rail was afgehangen. Aan de rails of aan de uitsparingen in de dikte van de wand zijn deze plekken te herkennen. Naar de tweede, zuidelijke gang openen vanuit dit middendeel alleen de dwarsgang in de as, twee doorgangen nabij de uiteinden en de lokalen daarnaast. Het zuidelijke deel herbergde de manschapsverblijven, een reeks ruime lokalen van ongeveer 12 meter lang en 4 of 5 meter breed. Ieder lokaal bezit behalve een verbinding tussen de vertrekken onderling aan de keel, een doorgang naar de gang en twee vensteropeningen naar de droge gracht. Bijzonder in dit deel is het dubbellokaal naast de dwarsgang (stoomketels, dynamokamer) die een grote uitgang naar de gracht hebben. Thans zijn hier slechts de opstelplaatsen van de installaties te zien. Op het oostelijke einde zijn de privaten ondergebracht, die gehavend de potten in de zittingen en de natuurstenen platen van de urinoirbakken laten zien en verder de onderstellen van een gootsteen en pomp, met fragmenten van een tegelwand. De stenen beren aan front- en keelzijde in de as van het fort liggen enkele treden lager dan het vloerniveau in het gebouw en keren aan de overzijde van de gracht bij de contrescarp weer op het oude niveau terug. De beren zijn identiek, met aan beide zijden vijf ronde schietopeningen op de gracht. De noordelijke beer is uiterst smal in ongewapend beton met hoefijzervormige doorsnede uitgevoerd en wordt geventileerd via kleine openingen naar de gracht. Rond het hoofdgebouw ligt de droge gracht die net als de vloeren in het fort even boven N.A.P. het grondvlak heeft. Ten opzichte van de bovenrand van de contrescarp heeft de gracht een diepte van ruim zes meter met een constante breedte van ruim acht meter. De rondgang door de gracht wordt op twee plekken onderbroken door de stenen beren in de as van het fort aan noord en zuid. Vanuit deze beren en vanuit vier schietgaten in de wachtlokalen van de contrescarp (noordwest en noordoost) kon de gehele gracht bestreken worden. De grachtbodem bestaat uit een betonbed dat los van de aangrenzende funderingen ligt. Langs de buitenrand loopt een goot. Hoewel er niets meer van de afwerking gaaf gespaard bleef, kan de plaats van vrijwel alle elementen door bouwsporen worden gelokaliseerd. De zeven zinkputten zijn als gaten in de bodem afleesbaar. De onderbouwen voor de regenbakken (voor ketelwater en drinkwater) ter weerszijde van de zuidelijke beer liggen als betonnen verhogingen in de gracht. Tevens is de plaats van de bergloods op het westen herkenbaar. Van de privaten en urinoirs tegen het uitwendige van de contrescarp bleven alleen fragmenten en aanzetten gespaard: in de zuidelijke wand zijn dat de twee gespiegelde rijen privaten die als met metselwerk afgescheiden nissen in de betonwand zijn gespaard en waarvan de zittingen en afvoerpotten gehavend aanwezig zijn; op het zuidoosten en zuidwesten geven natuurstenen platen tegen de wand de plekken van de urinoirs aan. In het zuidoostelijke wanddeel geeft naast de beëindiging van de contrescarplokalen (dilatatievoeg) een opgaand moet in het muurwerk de plek van de trap naar het glacis aan en daar vlakbij een moet van een zadeldak. Tevens zijn langs de bovenranden van zowel de contrescarpwand als van het hoofdgebouw enkele bevestigingspunten van relingstijlen zichtbaar. De contrescarp is geheel geconstrueerd in ongewapend steenslagbeton dat met een cementpleister is afgestreken. Via de stenen beren wordt er verbinding gemaakt met het hoofdgebouw en een toegang vanuit de gracht is er naast de zuidelijke beer bij lokaal 1. Dit zuidelijke deel bevat negen lokalen waaronder telkens een waterkelder is aangebracht die wordt overspannen door betonnen troggewelven op ijzeren liggers. Een luikopening (afsluitdeksels zijn verdwenen) maakt ze afzonderlijk toegankelijk. Met bakstenen tussenwanden zijn de lokalen van een doorgaande gang aan grachtzijde afgescheiden. De contrescarpgang werd als smalle hoefijzervormige smalle betonnen gang vormgegeven; de gang loopt geheel rond en sluit aan op lokalen 8 en 9 in het zuiden en de beer in het noorden. In de contrescarp werden twee wachthuizen voor de grachtverdediging ondergebracht, elk bestaande uit twee lokalen en gelegen aan de rondgaande gang, met een klimgat omhoog. In de wachtlokalen waren achter de schietgaten mitrailleurs opgesteld. Deze lokalen zijn op maaiveldhoogte van een extra betonnen berschermingskraag voorzien. Langs de bovenrand is rondom een geschutgalerij met munitienissen uitgespaard. In de breedte-as van het fort is hieraan op het oosten en westen een ronde schacht (liftschacht) toegevoegd die in verbinding staat met de gang beneden. Op het glacis zijn vooral twee voorzieningen van belang. Twee aparte buitengerieven zijn op het zuidoosten en het zuidwesten gezet. Dit zijn in het glacis verdiepte ruimten op rechthoekig grondvlak met aan de ene lange wand urinoirs (natuurstenen wandplaten gehavend aanwezig) en aan de tegenoverliggende privaatpotten (scheiding natuursteen tussen de potten verdwenen; potten in enkel geval aanwezig). Een latere toevoeging aan het verdedigend vermogen van het fort betreffen de drie achthoekige betonnen beddingen die in 1926 op noord, noordoost en noordwest tegen de constrescarp zijn aangelegd. Op het glacis is verder een fortwachterswoning aanwezig (gebouwd in de Tweede Wereldoorlog), alsmede een houten loods, die voor de bescherming van ondergeschikt belang zijn.

WAARDERING

Fort Pampus is van architectuurhistorische waarde als unieke vorm van een zeefort in de geschiedenis van de gerealiseerde vestingbouwkunde; als complex van forteiland met bebouwing en omringende stenen wand onder de waterspiegel; vanwege de plaats binnen de ontwikkeling van het baksteen en beton als gecombineerde bouwmaterialen en de toepassing ervan in de militaire bouwkunst. Het is van cultuurhistorische waarde als element uit de krijgsgeschiedenis, in casu de geschiedenis van permanente versterkingsbouw in Nederland in de periode 1874-1920, waarbij het object onderdeel uitmaakte van de kringstelling Stelling van Amsterdam.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

INTRODUCTION

Fort aan het Pampus forms part of the former Stelling van Amsterdam, the ring fortification of permanent defensive structures surrounding the capital, which also served as National Reduit and was constructed between 1880 and 1920 by the Department of War. The fort lies as an island in the mouth of the IJ and is flanked by two coastal batteries at Diemerdam and Durgerdam. The capital (frontal face of the fort) is oriented virtually northwards. The construction of the fort and associated buildings lasted from 1887-1895. According to military command structure the fort lay within the Ouderkerk sector, Diemerbrug group. The fort was not placed in a section, but stood independently, like the coastal fort at IJmuiden. The designation of the fort stated: "1st - to prevent bombardment of the city of Amsterdam from the sea; 2nd - to prevent the enemy from penetrating by water over the Pampus to that city or to the Oranjesluizen; 3rd - to contribute to the combating of hostile operations against any fortification section within the fort's field of fire (Zuiderzee front)." The fort lost its reason for existence in 1932 with the closure of the Zuiderzee by the Afsluitdijk; by Royal Decree of 9 October 1952 Fort aan het Pampus was decommissioned as a fortified work.

DESCRIPTION

The island and the buildings were constructed on a scheme of two circles overlapping by one third of the radius, with gun cupolas serving as focal points. The interior layout also derives from this. For the construction of the island the seabed was excavated down to the sand bank and subsequently filled and raised with sand from the Muiderzand. Around the island a band of basalt stones was laid below the water surface to prevent landing on the fort; on the gorge side this band is interrupted just beyond the fort's axis for a landing pier (no longer in original condition; replaced), which provides the only access to the island. The earthworks of the island consist of a glacis that rises gently from the basalt-edged bank to the dry ditch. The thin layer of earth on the building complex within the ditch was removed. The construction of the fort island consists of an extensive bomb-proof complex within the dry ditch in the oval ground plan of the island. In the outer wall of the ditch (counterscarp) a passage runs around with several rooms on either side, on the gorge side even a series of chambers adjacent to one another. The main building, which was founded on wooden piles 11 metres in length, was constructed in masonry and concrete. The masonry laid in stretcher bond was used for the walls and the facing of the outer wall on the gorge side, as well as for the cupola towers built entirely in brick. Unreinforced cement concrete with brick fragments or porphyry slag as aggregate material was used as concrete. This was used for the floors, the segmental arch vaults and roof coverings, the front wall (with a passage within it) facing the dry ditch and the walls on the storey. On the main building stands between the cupola shafts a concrete ring base with an iron pivot and degree divisions in the concrete. Towards the gorge, between the gorge batteries, above the boiler rooms the concrete chimney base is visible. On the roof stand the brick remains of two small buildings which probably date from the Second World War, consisting of a brick building with two concrete pads for an installation, as well as a small brick building for which mortared bases stand. In the layout of the main building a rough three-part division can be made. The chambers are connected along two main passages running the length of the building (west-east). The more important of the two runs along the fort's diameter and has large doorways to the dry ditch at both ends; the passage had a wooden floor and connects the two cupola shafts. The section between the cupola shafts consisted of two storeys. Within it were two connecting passages. Two flight stairs connected both levels. The passages through the masonry of the cupola shafts are spanned with barrel vaults, as is the passage on level towards the armoured positions on the gorge. The other long connecting passage lies to the south parallel to the first, is narrower and has window openings rather than doors at its ends. Here double privies are arranged in the southern wall with the bowls remaining in their sittings. A cross passage on the north-south axis of the fort connects the two passages and makes the connection to the gorge bear towards the south. Between the two longitudinal passages lie three strips of chambers which also differ functionally. The northern series contains various functions including central water reservoir (reservoir no longer present), storage spaces, foodstuff storage, kitchen and canteen; around and between the gun cupolas the chambers are intended for ammunition storage. Essentially this fort section is two chambers deep, provided with connecting passages to the central corridor. The middle strip, with the exception of the ends which served as kitchen and residential chambers, was intended for the assembly of grenades: gunpowder, cartridge cases, cartridge case filling place, projectile filling place, chamber for filled projectiles are arranged in successive 'production line' towards the cupola shaft. At the cupola lies the hoisting room where two vertical shafts are cut out in the masonry of the cupola cylinder down to the intermediate storey. Like the powder magazines of the northern part, all spaces here were provided with closed lamp niches. The chambers are connected to each other via passages in which wooden revolving doors were installed. There are only a few doors between the chambers and the central passage. These doors were not all closed with the aforementioned doors but also provided with a second wooden (sliding) door of single leaf hung on an iron rail. These locations can be identified by the rails or by the recesses in the wall thickness. From the second, southern passage, from this middle section only the cross passage on the axis opens, two passages near the ends and the chambers beside them. The southern part housed the men's quarters, a series of spacious chambers approximately 12 metres long and 4 or 5 metres wide. Each chamber has, besides a connection between the rooms themselves on the gorge side, a passage to the passage and two window openings to the dry ditch. Unusual in this section is the double chamber next to the cross passage (steam boilers, dynamo room) which has a large opening to the ditch. Now only the installation bases are visible here. At the eastern end are the privies, which damaged show the bowls in their sittings and the natural stone slabs of the urinal basins and furthermore the bases of a sink and pump, with fragments of a tile wall. The stone bears on the front and gorge sides on the fort's axis lie several steps lower than the floor level in the building and return on the far side of the ditch at the counterscarp to the old level. The bears are identical, with five round gun ports to the ditch on both sides. The northern bear is executed in unreinforced concrete of extremely narrow horseshoe-shaped cross-section and is ventilated via small openings to the ditch. Around the main building lies the dry ditch which, like the floors in the fort, has its ground level just above NAP. Relative to the top edge of the counterscarp the ditch has a depth of just over six metres with a constant width of just over eight metres. The passage around the ditch is interrupted in two places by the stone bears on the fort's north and south axis. From these bears and from four gun ports in the guard rooms of the counterscarp (northwest and northeast) the entire ditch could be swept. The ditch floor consists of a concrete bed which lies separate from the adjacent foundations. Along the outer edge runs a gutter. Although nothing of the finishing remained intact, the location of virtually all elements can be determined by construction traces. The seven zinc sumps are legible as holes in the floor. The bases for the rainwater tanks (for kettle water and drinking water) on either side of the southern bear lie as concrete raised areas in the ditch. The location of the storage shed on the west is also recognizable. Of the privies and urinals against the exterior of the counterscarp only fragments and vestiges remained: in the southern wall these are the two mirrored rows of privies preserved as niches separated by masonry in the concrete wall and whose sittings and discharge pots are damaged but present; on the southeast and southwest natural stone slabs against the wall indicate the locations of the urinals. In the southeastern wall section, beside the termination of the counterscarp chambers (expansion joint) a rising must in the masonry indicates the location of the stairs to the glacis and nearby a must of a gabled roof. Also along the top edges of both the counterscarp wall and the main building some fixing points of railing posts are visible. The counterscarp is entirely constructed in unreinforced stone slag concrete finished with cement plaster. Connection is made via the stone bears to the main building and access from the ditch is beside the southern bear at chamber 1. This southern section contains nine chambers each with a water cellar arranged which is spanned by concrete trough vaults on iron beams. A hatch opening (closing lids have disappeared) makes them individually accessible. With brick partition walls the chambers are separated from a continuous passage on the ditch side. The counterscarp passage was designed as a narrow horseshoe-shaped narrow concrete passage; the passage runs completely around and connects to chambers 8 and 9 in the south and the bear in the north. In the counterscarp two guard houses for ditch defence were accommodated, each consisting of two chambers and located on the continuous passage, with a climbing shaft upwards. In the guard rooms machine guns were positioned behind the gun ports. These chambers are provided with an extra concrete protective collar at ground level. Along the top edge a gun gallery with ammunition niches is cut out all around. On the fort's transverse axis a round shaft (lift shaft) is added to this on the east and west which connects to the passage below. On the glacis two facilities are particularly important. Two separate external privies are placed on the southeast and southwest. These are spaces sunk into the glacis on a rectangular ground plan with urinals on one long wall (natural stone wall slabs damaged but present) and opposite private bowls (natural stone partition between the bowls disappeared; bowls in some cases present). A later addition to the fort's defensive capability concerns the three octagonal concrete beds which were laid in 1926 on north, northeast and northwest against the counterscarp. On the glacis is further a fort keeper's dwelling present (built in the Second World War), as well as a wooden shed, which are of secondary importance for protection.

VALUATION

Fort Pampus is of architectural-historical value as a unique form of a sea fort in the history of realized fortification construction; as a complex of fort island with buildings and surrounding stone wall below the water surface; owing to its place in the development of brick and concrete as combined building materials and their application in military architecture. It is of cultural-historical value as an element from military history, specifically the history of permanent fortification construction in the Netherlands in the period 1874-1920, the object being part of the ring fortification Stelling van Amsterdam.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map