Rijksmonumentenregister · Netherlands
Laboratorium, Nieuwelaan 1
Delft, Zuid-Holland, Netherlands
The record
- Designation
- National monument (rijksmonument)
- Class
- Onderwijs en wetenschap
- Function
- Laboratorium
- Category
- onroerend gebouwd
- Built
- 1895
- Address
- Nieuwelaan 1, 2611 RR Delft (and others)
- Place
- Delft
- Province
- Zuid-Holland
- Country
- Netherlands
- Coordinates
- 52.00819, 4.36586
- Monument number
- 525328
Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.
University Library, Vrije Universiteit AmsterdamUniversity Library, Vrije Universiteit AmsterdamUniversity Library, Vrije Universiteit AmsterdamUniversity Library, Vrije Universiteit Amsterdam
4 historical maps cover this location, the earliest the 1879 map "Chromo lithographische kaart 's Gravenhage en omstreken : Leiden, Delft, de Katwijken, Hazerswoude, Bergschenhoek, 's Gravezande enz." (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).
This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗
The register's description
Omschrijving
Inleiding
Het voormalig LABORATORIUM voor Microbiologie van de Technische Hogeschool Delft is gebouwd in 1895 in de voor de bouwtijd gangbare stijl van de Neo-Hollandse Renaissance, naar een ontwerp van J. van Lokhorst, rijksbouwmeester voor de gebouwen van Onderwijs en Wetenschap. Aanvankelijk werd aan de architecten Gugel en Morre opdracht verleend tot het ontwerpen van het gebouw. Toen Victor de Stuers, die kort daarvoor een ernstig conflict met Gugel had gehad, dit vernam, liet hij Van Lokhorst een contraexpertise-onderzoek naar de kwaliteit van dit plan uitvoeren. De Hogeschool erkende de knelpunten in het plan, die door Van Lokhorst werden beschreven. Vervolgens werd Van Lokhorst als projectarchitect aangetrokken.
Het gebouw werd in 1911 en in 1929 uitgebreid. De vleugel van 1911 werd later weer afgebroken. Het gebouw fungeerde van 1897 tot 1957 als laboratorium voor microbiologie. In het begin van de jaren tachtig is het pand omgebouwd tot elf appartementen van een woongemeenschap. Een plaquette bij de entree (Nieuwelaan 1) herinnert aan de oorspronkelijke functie.
Het gebouw bevindt zich ten noorden van het Rijn-Schiekanaal en ten zuiden van de Nieuwelaan, op korte afstand van een aantal andere gebouwen van de Technische Hogeschool. Tussen het gebouw en de Nieuwelaan bevond zich een inmiddels gedempte sloot. Het laboratorium was destijds dan ook alleen via een brug over deze sloot te bereiken.
Omschrijving
Het voormalige laboratorium bestaat uit een samengesteld bouwvolume, dat is opgetrokken vanuit een rechthoekige plattegrond met aan de zuidzijde een rechthoekige uitbouw (zuidvleugel). Het hoofdvolume van het twee bouwlagen hoge gebouw heeft een samengestelde kap, die bestaat uit een dwarsgeplaatst zadeldak dat aan de oostzijde ingrijpt in een zadeldak in langsrichting en halverwege de andere zijde doorsneden wordt door eenzelfde dak. Dit dak heeft aan de achterzijde een verlengd dakvlak aan de westzijde. De daken zijn gedekt met blauwe leien in Rijndekking. De dakvlakken worden aan de voorzijde doorsneden door dakkappellen met zadeldakjes en aan de achterzijde door dakkappellen onder lessenaarsdak, alle met houten stolpramen. Op de nokken van de diverse daken staan schoorstenen met hardstenen lijsten en speklagen van gele verblendsteen. Een aantal andere schoorsten steken omhoog vanuit de dakvoet. De meeste schoorstenen zijn bijzonder van vormgeving en detaillering en waren oorspronkelijk voorzien van koperen pijpen.
Aan de oostzijde bevindt zich een bouwvolume van twee bouwlagen met plat dak en bakstenen balustrades met geprofileerde balusters.
Het gebouw is opgetrokken in baksteen (kruisverband met knipvoeg, trasraam) met onder meer als speklagen toegepaste banden van gele verblendsteen, boogtrommels met siermetselwerk, kozijnen tussen dagkanten met bakstenen kraalprofielen, zandstenen aanzetstenen bij de entree, onderdorpels, lekdorpels, neuten, en plint- en waterlijsten van hardsteen, decoratieve smeedijzeren muurankers, houten schuif- en stolpramen en houten topgeveldecoraties en gootlijsten. De vensters in de eerste bouwlaag zijn rechtgesloten, onder een segmentboogvormige ontlastingsboog met kraalranden en siermetselwerk in een geel-rood blokmotief en voorzien van T-schuiframen. De vensters op de verdieping zijn eveneens rechtgesloten en staan onder een zandstenen latei en bevatten stolpramen met bovenlichten. De horizontale gevelbeëindigingen zijn voorzien van een hardstenen lijst. De twee topgevels zijn puntgevels met makelaar en windveren in de rondboog-sierspanten aan uitkragende dakranden. Aan de achterzijde zijn de topgevels uitgerust met een eenvoudige windveer en een eenvoudige makelaar en trekbalk. Op de makelaar bevindt zich bij al de vier topgevels een piron.
De asymmetrische voorgevel (noordgevel) aan de Nieuwelaan is v.l.n.r. samengesteld uit een vijf-assig geveldeel met in iedere bouwlaag een reeks van vijf vensters en een horizontale beëindiging met gemetselde balustrade; een drie-assige, licht risalerende en hoger opgaande gevelpartij met in de eerste bouwlaag in het midden de hoofdentree (met het centrale trappenhuis) met aan weerszijden een venster, op beide verdiepingen drie rechtgesloten vensters onder rondboogvormige ontlastingsbogen en in de voor een dwarskap staande geveltop een klein rechtgesloten venster met rondboogmotief en dubbele draairamen; een vierassig geveldeel met twee dakkapellen in het dakschild erboven; een twee-assige, hoger opgaande risaliet met twee keer twee rechtgesloten vensters onder rondboogvormige ontlastingsbogen en in de top een smal venster, eveneens onder rondboog; geheel rechts een twee-assig geveldeel met in de onderste laag een entree en een vensters en op de verdieping twee vensters. De rondboog-vleugeldeur is een paneeldeur met deurlichten, die wordt omlijst door trapsgewijs verspringende kraalranden, waarvan er één de boog volgt en een andere rand, die een rechthoekige omlijsting van de entree vormt. Deze laatste bestaat bovenaan uit een samengestelde lijst van zandsteen met in de hoeken in een rechthoekig vlak reliëfs, die tegelijk als lekdorpel van het zandstenen, tweedelige en rechtgesloten bovenlicht fungeert. Boven dit bovenlicht bevindt zich een rondboogvormige ontlastingsboog met in de boogtrommel een natuurstenen reliëf met rolwerk en de vermelding "Ao 1895". Boogtrommel en bovenlicht staan binnen een gemeenschappelijke omlijsting met kraalranden.
De vensters in de twee vensterassen brede westelijke kopgevel van het gebouw zijn vergelijkbaar met de al eerder genoemde vensters. De gevel is een puntgevel met een spitsboogspant (schenkelspant) met makelaar aan de uitkragende kap. De gevel maakt deel uit van een bouwdeel dat loodrecht staat op de rechter risaliet aan de voorzijde. De gevel rechts van de risaliet is minder hoog opgaand en staat onder een lang dakschild. De twee rechtgesloten met glas-in-lood ingevulde vensters zijn de traplichten van een trappenhuis, dat is te bereiken via de deur links om de hoek.
De achterzijde (zuidgevels) bevat v.l.n.r. in het dakschild een dakkapel met lessenaarsdak. Het hier loodrecht opstaande bouwdeel met dwarskap heeft een kopgevel waarvan het twee-assige rechter deel licht risaleert. De links in deze puntgevel staande deur is de entree naar het hiervoor genoemde trappenhuis van de professorenwoning. In het risalerende geveldeel staan twee keer twee vensters onder rondboogvormige ontlastingsboog en de top bevat een klein venster, eveneens onder rondboog en een trekbalk met hangstijl. Een vier- en drieassig geveldeel met in het midden rechtgesloten, dubbele openslaande tuindeuren met tweedelig bovenlicht en rondboogmotief en aan weerszijden een venster, op de verdieping drie vensters en in het dakvlak twee dakkappellen; in de kopgevel van de zuidvleugel in de onderste laag een dubbele naar buiten openslaande tuindeur met tweedelig bovenlicht onder rondboog, op de twee verdiepingen telkens één rechtgesloten venster onder rondboog en in de top een klein, rechtgesloten venster onder korfoogvormige ontlastingsboog en een trekbalk met hangstijl; geheel rechts een asymmetrisch geveldeel met drie vensterassen, een houten erker over twee bouwlagen en uiterst rechts een smal parterrevenster met bovenlicht onder rondboogvormige ontlastingsboog. De westgevel van de zuidvleugel bevat twee vensters op de tweede bouwlaag met T-schuiframen en tweedelig bovenlicht.
De vierassige oostgevel van deze vleugel bevat op de eerste en derde bouwlaag vier vensters en op de tweede laag twee centraal geplaatste vensters. Ter hoogte van het terras op de platte oostelijke uitbouw komen openslaande balkondeuren uit. De gevel en het dakschild hierboven zijn tevens voorzien van een drietal hoge en slanke schoorstenen, die deels uit de gevel uitgemetseld zijn. De twee kleinere zijn identiek, de grotere verjongd zich naar boven toe trapsgewijs en eindigt in twee ronde pijpen. Het dak is in het midden voorzien van een lichtkap. De sobere oostgevel van de oostelijke uitbouw bevat enkele rechtgesloten gevelopeningen. In het informeel en asymmetrisch georganiseerde gebouw bevindt zich het trappenhuis met ijzeren steektrappen en bordessen in de centrale risaliet en de travee met de dubbele voordeur. Op de begane grond bevonden zich oorspronkelijk het museum, een assistentenkamer, een bibliotheek, een zaal voor microscopie, chemisch laboratorium en werk- en tekenkamers. Op de verdieping bevonden zich onder meer vier kabinetten. Daarnaast bevatte het gebouw een woning voor de conciërge en één voor de amanuensis, alsmede een professorenwoning. De voormalige, deels onderkelderde professorenwoning bevindt zich in het westelijke deel van het gebouw.
In het interieur zijn onder meer van belang de deuromlijstingen, paneeldeuren, kamers-en-suite met paneeldeuren en hang- en sluitwerk, balkenplafond met in de consoles leeuwen- en engelenkopjes, vensterbanken, binnenluiken, zwart marmeren schouwmantel, granitovloeren, hardstenen dorpels en neuten, plavuizen, rondlicht in tochtportaal met glas-in-lood, trappenhuis met houten steektrappen, tussenbordessen en houten balustrades tussen trappalen en traplichten met gekleurd glas-in-lood.
In het hoofdtrappenhuis van het voormalige laboratorium zijn onder meer van belang de tegelvloer, de dubbele paneeldeur voor de collegezaal, de overige geprofileerde binnenkozijnen en onder een toog staande paneeldeuren, de vier geklinknagelde ijzeren steektrappen met hardstenen aantrede, drie tussenbordessen, de siersmeedijzeren balustrades met buizen als handlijsten, de eveneens van ijzer vervaardigde overlopen op stalen profielbalken, de florale motieven in gietijzer en de uit profielen samengestelde geklinknagelde kolommen met kapiteelachtige verbredingen waarop de stalen balken rusten. Andere balken zijn gelegd op consoles met een samenstel van voluutkrullen; het plafond op de begane grond heeft een balkenlaag van geprofileerde en geklonken stalen balken. Het trappenhuis staat onder een lichtkap met roedenverdeling, die wordt afgedekt door een uit de kap opgelichte glazen verhoging in het midden van het dak.
Waardering
Laboratorium voor Microbiologie van de Technische Hogeschool, van algemeen belang vanwege de cultuurhistorische, de stedenbouwkundige en de architectuurhistorische waarde.
Het gebouw heeft cultuurhistorische waarde vanwege de oorspronkelijke functie en is derhalve tevens een bijzondere uitdrukking van een typologische ontwikkeling. Omdat het het eerste gebouw van Technische Hogeschool in de TU-wijk betreft, neemt het laboratorium bovendien een bijzondere plaats in de geschiedenis van de Technische Universiteit Delft.
Het gebouw is van architectuurhistorisch belang als een belangrijk werk uit het oeuvre van een vooraanstaand architect, als een representatief voorbeeld van de Neo-Hollandse Renaissance, vanwege de kwaliteit van het ontwerp, en vanwege het materiaalgebruik en de detaillering.
Het gebouw heeft stedenbouwkundige waarde vanwege de beeldbepalende ligging aan het Rijn-Schiekanaal en vanwege de ruimtelijk-functionele en visuele relatie met de nabijgelegen gebouwen van de TU.
Het gebouw is tevens van belang vanwege de herkenbaarheid en de grote mate van gaafheid van het exterieur en delen van het interieur.
English translation
The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com
Description
Introduction
The former LABORATORY for Microbiology of the Delft University of Technology was built in 1895 in the Neo-Dutch Renaissance style common to the building period, according to a design by J. van Lokhorst, State Architect for Education and Science buildings. Initially, the architects Gugel and Morre were commissioned to design the building. When Victor de Stuers, who had recently had a serious conflict with Gugel, learned of this, he had Van Lokhorst conduct a counter-expert investigation into the quality of this plan. The University acknowledged the problems in the plan, which were described by Van Lokhorst. Subsequently, Van Lokhorst was engaged as project architect.
The building was extended in 1911 and in 1929. The wing of 1911 was later demolished. The building functioned from 1897 to 1957 as a laboratory for microbiology. In the early eighties, the building was converted into eleven apartments of a residential community. A plaque at the entrance (Nieuwelaan 1) recalls the original function.
The building is located north of the Rijn-Schiekanaal and south of the Nieuwelaan, at a short distance from a number of other buildings of the Delft University of Technology. Between the building and the Nieuwelaan there was a ditch that has since been filled in. The laboratory was at that time only accessible via a bridge over this ditch.
Description
The former laboratory consists of a composite building volume, constructed from a rectangular floor plan with a rectangular extension on the south side (south wing). The main volume of the two-storey building has a composite roof structure consisting of a transversely placed gabled roof that engages on the east side with a gabled roof running longitudinally and is cut halfway along the other side by an identical roof. This roof has an extended roof plane on the west side at the rear. The roofs are covered with blue slate in Rhine covering. The roof planes are cut on the front by roof dormers with gabled roofs and on the rear by roof dormers with shed roofs, all with wooden sash windows. On the ridges of the various roofs stand chimneys with hard stone bands and courses of yellow facing brick. A number of other chimneys rise up from the roof edge. Most chimneys are particularly distinctive in their formation and detailing and were originally provided with copper pipes.
On the east side is a building volume of two storeys with flat roof and brick balustrades with profiled balusters.
The building is constructed in brick (cross bond with cut joint, light mortar joint) with, among other things, bands of yellow facing brick applied as courses, arch drums with ornamental brickwork, frames between rough edges with brick bead profiles, sandstone quoins at the entrance, sills, drip sills, water mouldings, and plinth and drip mouldings of hard stone, decorative wrought iron wall anchors, wooden sash and sash windows and wooden gable top decoration and gutters. The windows in the first storey are rectangular-closing, under a segmental arch relieving arch with bead edges and ornamental brickwork in a yellow-red block motif and provided with T-sash windows. The windows on the floor are also rectangular-closing and stand under a sandstone lintel and contain sash windows with fanlights. The horizontal gable closures are provided with a hard stone band. The two gable ends are pointed gables with carpenter's marks and wind braces in the round arch ornamental rafters at projecting roof edges. On the rear, the gable ends are equipped with a simple wind brace and a simple carpenter's mark and tie beam. On the carpenter's mark is a peg on all four gable ends.
The asymmetrical front facade (north facade) on the Nieuwelaan is composed from left to right of a five-bay gable section with in each storey a series of five windows and a horizontal closure with brick balustrade; a three-bay, slightly projecting and taller rising gable section with on the first storey in the middle the main entrance (with the central staircase) with a window on either side, on both floors three rectangular-closing windows under segmental relieving arches and in the gable top of a transverse truss a small rectangular-closing window with round arch motif and double casement windows; a four-bay gable section with two roof dormers in the roof plane above; a two-bay, taller rising projection with two times two rectangular-closing windows under segmental relieving arches and in the top a narrow window, also under round arch; far right a two-bay gable section with in the lower storey an entrance and a window and on the floor two windows. The round arch casement door is a panelled door with door lights, which is framed by stepped-back bead edges, one of which follows the arch and another edge, which forms a rectangular frame of the entrance. The latter consists at the top of a composite band of sandstone with reliefs in a rectangular plane at the corners, which also functions as the drip sill of the sandstone, two-part and rectangular-closing fanlight. Above this fanlight is a segmental relieving arch with a natural stone relief with scrollwork and the inscription "Ao 1895" in the arch drum. Arch drum and fanlight stand within a common frame with bead edges.
The windows in the two window bay wide western gable end of the building are comparable to the previously mentioned windows. The facade is a pointed gable with a pointed arch rafter (rafter) with carpenter's marks on the projecting roof. The gable is part of a building section that stands perpendicular to the right projection on the front. The gable to the right of the projection is less tall and stands under a long roof plane. The two rectangular-closing windows filled with leaded glass are the stairlight windows of a staircase, which can be reached via the door to the left around the corner.
The rear (south facades) contains from left to right in the roof plane a roof dormer with shed roof. The perpendicular building section here with transverse truss has a gable end, the two-bay right part of which slightly projects. The door standing left in this pointed gable is the entrance to the previously mentioned staircase of the professor's residence. In the projecting gable section stand two times two windows under segmental relieving arch and the top contains a small window, also under round arch and a tie beam with hanging post. A four- and three-bay gable section with in the middle rectangular-closing, double opening garden doors with two-part fanlight and round arch motif and a window on either side, on the floor three windows and in the roof plane two roof dormers; in the gable end of the south wing in the lower storey a double outward opening garden door with two-part fanlight under round arch, on the two floors each one rectangular-closing window under round arch and in the top a small, rectangular-closing window under basket arch relieving arch and a tie beam with hanging post; far right an asymmetrical gable section with three window bays, a wooden bay window over two storeys and at the extreme right a narrow ground floor window with fanlight under segmental relieving arch. The west facade of the south wing contains two windows on the second storey with T-sash windows and two-part fanlight.
The four-bay east facade of this wing contains four windows on the first and third storeys and on the second storey two centrally placed windows. At the level of the terrace on the flat eastern extension are opening balcony doors. The facade and the roof plane above are also provided with three tall and slender chimneys, some of which are built out from the facade. The two smaller ones are identical, the larger one tapers upwards in steps and ends in two round pipes. The roof is provided in the middle with a skylight. The sober east facade of the eastern extension contains some rectangular-closing gable openings. In the informally and asymmetrically organised building is the staircase with iron step stairs and landings in the central projection and the bay with the double front door. On the ground floor were originally the museum, an assistant's room, a library, a microscopy hall, chemical laboratory and work and drawing rooms. On the floor were among other things four cabinets. In addition, the building contained a dwelling for the janitor and one for the assistant, as well as a professor's residence. The former, partly cellared professor's residence is located in the western part of the building.
In the interior are among other things important the door frames, panelled doors, rooms-en-suite with panelled doors and hinges and latches, beam ceiling with lion and angel heads in the consoles, window sills, internal shutters, black marble fireplace surround, granite floors, hard stone sills and water mouldings, tiles, round light in draught vestibule with leaded glass, staircase with wooden step stairs, intermediate landings and wooden balustrades between stair posts and stairlight windows with coloured leaded glass.
In the main staircase of the former laboratory are among other things important the tile floor, the double panelled door for the lecture hall, the other profiled inner frames and under a bar panelled doors, the four riveted iron step stairs with hard stone treads, three intermediate landings, the ornamental wrought iron balustrades with tubes as handrails, the also iron-made runs on steel profile beams, the floral motifs in cast iron and the riveted columns composed of profiles with capital-like widenings upon which the steel beams rest. Other beams are placed on consoles with a set of scroll curls; the ceiling on the ground floor has a beam layer of profiled and riveted steel beams. The staircase is covered by a skylight with glazing bars, which is covered by a glass extension lifted from the roof in the middle of the roof.
Valuation
Laboratory for Microbiology of the Delft University of Technology, of general importance because of its cultural-historical, urban planning and architectural-historical value.
The building has cultural-historical value because of its original function and is therefore also a particular expression of a typological development. Because it is the first building of the Delft University of Technology in the TU district, the laboratory also occupies a special place in the history of Delft University of Technology.
The building is of architectural-historical importance as an important work from the oeuvre of a prominent architect, as a representative example of the Neo-Dutch Renaissance, because of the quality of the design, and because of the use of materials and detailing.
The building has urban planning value because of its image-defining location on the Rijn-Schiekanaal and because of the spatial-functional and visual relationship with the nearby buildings of the TU.
The building is also important because of the recognisability and the high degree of integrity of the exterior and parts of the interior.
Nearby in the register
- Ketelhuis, Ezelsveldlaan bij 61Industrieunder 1 mi
- Dienstwoning(K4), Ezelsveldlaan 55Dienstwoningunder 1 mi
- Laboratorium, Ezelsveldlaan 61Onderwijs en wetenschapunder 1 mi
- MinrebroersbrugBrugunder 1 mi
Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.