TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Coudewater

Rosmalen, Noord-Brabant, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Kapel
Function
Kapel(F1)
Category
onroerend gebouwd
Built (approximately)
1938 - 1940
Address
Peter de Gorterstraat 1 F, 5248 NS Rosmalen ('s-Hertogenbosch 30) (and others)
Place
Rosmalen
Municipality
's-Hertogenbosch
Province
Noord-Brabant
Country
Netherlands
Coordinates
51.70084, 5.36788
Part of complex
522391
Monument number
524984

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

TU Delft Library

2 historical maps cover this location, the earliest the 1930 map "Handelskaart van Nederland / naar de nieuwste officiëele gegevens bewerkt" (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

Inleiding.

Ten noorden van het hoofdgebouw gelegen kloostercomplex, bestaande uit het voormalige KLOOSTER en de bijbehorende KLOOSTERKAPEL. In opdracht van het bestuur van Coudewater bouwde de uit Haarlem afkomstige architect Jos Bekkers tussen 1938 en 1940 het kloostercomplex in een Traditionalistische stijl met elementen van het Zakelijk Expressionisme en de Neogotiek. Het werk werd voor f 152.000,-- uitgevoerd door aannemer Jac. van Dun uit Den Bosch.

Gedenksteen bij de ingang: 'Jules A. Kortenhorst 1938' (een achterkleinzoon van de stichter van Coudewater). Het klooster werd om diverse redenen gebouwd. In de jaren dertig groeide het aantal patiënten en was er een tekort aan verplegend personeel. Omdat het ledental van de Congregatie van de Zusters van de Barmhartigheid (Ronse) toenam konden meer zusters naar Coudewater worden gestuurd. Zij zouden worden gehuisvest in een nieuw klooster. Bovendien hoefden de reeds op Coudewater verblijvende zusters dan niet meer in de paviljoens van de patiënten te wonen. Dit is een kenmerkende ontwikkeling in de Nederlandse psychiatrische centra. Ook elders trok het verplegend personeel weg uit de onderkomens van patiënten. Daarnaast deed de onder invloed van de oorlogsdreiging ontstane angst voor geldontwaarding het bestuur besluiten dat het zinvol was om het aanwezige kapitaal in gebouwen te steken. De oorspronkelijk in steen geplande overkapping is wegens bezuinigingen in hout uitgevoerd.

Het kloosterdeel werd tot in 1985 bewoond door de Zusters van Barmhartigheid. Daarna is het bij een verbouwing tot patiëntenpaviljoen in- en uitwendig aangepast en deels gemoderniseerd. De kloosterkapel is grotendeels bewaard gebleven. Het vloerniveau aan de buitenzijde is opgehoogd om kapel en klooster voor rolstoelers beter toegankelijk te maken.

Omschrijving.

Het gedeeltelijk onderkelderde vrijstaande bakstenen complex beslaat een nagenoeg carrévormig grondplan en telt twee bouwlagen en een kapverdieping onder een met geglazuurde verbeterde Hollandse pannen gedekt omlopend samengesteld dak met verspringende noklijn. De voor-, linker- en achtervleugel, gesitueerd om een binnentuin, vormen het kloosterdeel; in de rechtervleugel bevindt zich de kapel. Het met terugliggende voeg in Noords kettingverband gemetselde muurwerk is sober uitgevoerd. In het kloosterdeel merendeels houten kozijnen met openslaande ramen waarboven uitzetramen, op de verdieping iets kleiner dan op de begane grond, onder rollagen met afzaten van keramische tegels. In het kapeldeel en de tot de kapel behorende (dienst-) ruimten stalen kozijnen met kleine roedenverdeling en voorzien van, deels gebrandschilderd, glas-in-lood in een veelvoud aan vormen: de veelvuldig (ook in het kloosterinterieur) voorkomende, voor de bouwtijd karakteristieke spitsboogachtige vensters met een reeds aan de voet ingezette krommende lijn (als een kruising tussen spitsboog en parabool), hoge smalle spleetvensters, rechthoekig, lancetvormig of ovaalvormig met spitse einden.

Voorgevel met verspringende nok- en rooilijn. Voormalig klooster in het linker gedeelte van zestien vensterassen, met een rijk gedecoreerde entree met Art Deco lantaarns in een risalerende middenpartij met tuitgevel en aankappend zadeldak met lagere noklijn. In het rechter gedeelte de kapel met nevenruimten. Vooruitstekende tuitgevel met driedelig open ingangsportiek van gekoppelde spitsbogen zoals voornoemd, geflankeerd door glas-in-loodvensters en muurtjes met Art Deco lantaarnpalen. In de geveltop drie klimmende lancetvensters bekroond met een kruis. Terugliggende ingang met dubbele houten deur waarboven tympaan met gepolychromeerde keramische voorstelling. Aan weerszijden gebrandschilderde glas-in-loodramen. Linker zijgevel van achttien vensterassen behoort bij het voormalige kloostergedeelte. Vensterpartijen zoals voornoemd. Rechts een oorspronkelijke en een later (in stijl) toegevoegde driezijdige erker. Achtergevel met aan de noordelijke hoek een overstekende uitbouw met dakkapel onder plat. In de oksel eenlaags aanbouw onder plat. Gevelopeningen licht versoberd. Aan de zuidelijke hoek diverse eenlaags uitbouwen achter de kapel (sacristie en nevenruimten).

In de rechter zijgevel de kloosterkapel. De plattegrond herinnert aan een kruiskerk met rechtgesloten armen onder zadeldaken met aan weerszijden van het schip zes van voornoemde karakteristieke vensters voorziene tuitgevels met aankappende zadeldaken. Op de viering een zware octogonale toren met koperen spits. In de rechter transeptarm bevond zich oorspronkelijk de 'dokterskapel' (nu devotiekapel). De linker transeptarm , de voormalige 'zusterskapel', is grootschalig ontworpen omdat deze ruimte oorspronkelijk plaats moest bieden aan zeventig zusters (in 1986 bij de verbouwing tot pastoraal centrum door een grote wand van de kapel afgescheiden). De absis is rechtgesloten; in het uitwendige muurwerk een groot kruis, gevormd door teruggelegen metselwerk. In de oksel van schip en rechter transept een portaal met gepolychromeerd keramiekwerk in het tympaan. De eenbeukige ruimte wordt inwendig overwelfd door een steil spitsboogvormig tongewelf met houten cassettenplafond. Grote, tot de nok oprijzende spitse gordelbogen geleden de ruimte. De galerijen aan weerszijden van het schip (ontstaan door doorgangen te creëren in de haakse muren van de aankappende topgevels) geven het idee van een driebeukige opzet. Lichte gele baksteen wordt afgewisseld met donkergeel geglazuurde baksteen in de onderste zones. Van het interieur van de kapel zijn onder meer van belang: vloer met tegels uit Solnhofense steen uit Beieren; deels gebrandschilderde glas-in-loodramen, onder meer in het priesterkoor, in de voormalige dokterskapel (Henri Schoonbrood 1941), bij het ingangsportaal (Ten Bosch 1947) en aan weerszijden van de hoofdtoegang; gepolychromeerd keramisch timpaan boven hoofdingang aan de binnenzijde; muurschilderingen op de zijmuren van het voormalige linker transept (Jan Dijker, Moergestel, vanaf 1944) en een voor de tijd vrij moderne luchtverwarmingsinstallatie in de kelder met ondergronds kanalenstelsel, afkomstig uit de Electro Motoren Fabriek te Dordrecht. Van de inventaris o.a. zijn vermeldenswaard: originele marmeren altaar met accessoires (1940) en kerkmeubilair; rijk gedecoreerde -deels versoberde- koperen plaquettes en altaarkruis (Jan Kriege, Woerden 1940); H. Hartbeeld en Mariabeeld (C. Smout, Amsterdam 1940) en een hongerdoek (Jacques Chéry, 1928). Om de binnentuin van het klooster loopt een eenlaags kloostergang met aanliggende kamers aan de buitenzijde en spitsbogen aan de tuinzijde. De linkervleugel is versoberd door een over de gehele lengte aangebouwde serre. Van het interieur van het klooster zijn o.a. vermeldenswaard: vloertegels als voornoemd; het gebruik van groene baksteen naast lichtgele en donkergeel geglazuurde baksteen; karakteristieke stalen ramen (deels voorzien van gebrandschilderd glas-in-lood) met kleine roedenverdeling als voornoemd maar hier met groene keramische vensterbanktegels; muurschilderingen van J. Schoonbrood (onder andere 1947); originele kapverdieping met houten spantconstructies.

Waardering.

Het klooster met bijbehorende kloosterkapel is van algemeen belang. Het object heeft cultuurhistorische waarden als bijzondere uitdrukking van de ontwikkeling van de Congregatie van de Zusters van Barmhartigheid; als bijzondere uitdrukking van de ontwikkelingen binnen de geestelijke gezondheidszorg in de jaren dertig van de twintigste eeuw ; als bijzondere uitdrukking van de crises en oorlogsdreiging in de jaren dertig. Verder bezit de kloosterkapel cultuurhistorische waarde vanwege het belang van het type voor de typologische ontwikkeling van kloosterkapellen. Het object heeft architectuur- en kunsthistorische waarde vanwege de esthetische kwaliteiten van het architectonisch ontwerp in combinatie met de verzorgde detaillering en de bijzondere ornamentiek in de interieurs en de inventaris van de kapel. Het object bezit ensemblewaarden als essentieel onderdeel van een historisch gegroeid ensemble in de geestelijke gezondheidszorg en als markant onderdeel van de historische bebouwing op het terrein van Coudewater. Het object is van belang wegens de gaafheid van de hoofdvorm en grote delen van de interieurs evenals de herkenbaar bewaard gebleven oorspronkelijke opzet in een landschappelijke omgeving.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

Introduction.

A monastic complex located to the north of the main building, consisting of the former MONASTERY and the associated MONASTERY CHAPEL. On commission of the board of Coudewater, architect Jos Bekkers from Haarlem built the monastic complex between 1938 and 1940 in a Traditionalist style with elements of Functionalist Expressionism and Neo-Gothic. The work was executed for f 152,000,-- by contractor Jac. van Dun from Den Bosch.

Memorial stone at the entrance: 'Jules A. Kortenhorst 1938' (a great-great-grandson of the founder of Coudewater). The monastery was built for various reasons. In the nineteen-thirties the number of patients grew and there was a shortage of nursing staff. Because the membership of the Congregation of the Sisters of Charity (Ronse) increased, more sisters could be sent to Coudewater. They would be housed in a new monastery. Moreover, the sisters already staying at Coudewater no longer had to live in the patient pavilions. This is a characteristic development in Dutch psychiatric centres. Elsewhere too, nursing staff moved away from patient accommodation. Furthermore, fear of currency devaluation arising under the influence of the threat of war led the board to decide that it was worthwhile to invest the available capital in buildings. The covering originally planned in stone was executed in wood due to cost-saving measures.

The monastic part was inhabited by the Sisters of Charity until 1985. After that, during a renovation it was adapted internally and externally to a patient pavilion and partly modernized. The monastery chapel has been largely preserved. The floor level on the exterior was raised to make the chapel and monastery more accessible to wheelchair users.

Description.

The partially cellarage-equipped freestanding brick complex covers an approximately square-shaped ground plan and comprises two storeys and an attic storey under a hipped roof with glazed improved Dutch tiles and a stepped ridge line. The front wing, left wing and rear wing, positioned around an interior courtyard, form the monastic part; the chapel is situated in the right wing. The brickwork, laid in Flemish bond with recessed joints, is executed plainly. In the monastic part mostly wooden frames with casement windows with transoms above, slightly smaller on the upper storey than on the ground floor, under roll mouldings with ceramic tile sills. In the chapel part and the spaces belonging to the chapel (service rooms) steel frames with fine glazing bars and provided with, partly stained and leaded, glass in multiple forms: the frequently occurring (also in the monastery interior) characteristic pointed arch windows with a curved line already set at the base (as a cross between a pointed arch and a parabola), high narrow slit windows, rectangular, lancet-shaped or oval-shaped with pointed ends.

Front facade with stepped ridge and outer line. Former monastery in the left section of sixteen window bays, with a richly decorated entrance featuring Art Deco lanterns in a projecting central section with a spout gable and abutting saddle roof with a lower ridge line. In the right section the chapel with adjoining rooms. Projecting spout gable with three-part open entrance portico of coupled pointed arches as mentioned, flanked by stained and leaded glass windows and walls with Art Deco lantern posts. In the gable top three ascending lancet windows crowned with a cross. Recessed entrance with double wooden door with tympanum above bearing a polychromatic ceramic representation. On either side stained and leaded glass windows. Left side facade of eighteen window bays belongs to the former monastic section. Window arrangements as mentioned. On the right an original and a later (in style) added three-sided bay window. Rear facade with at the northern corner a projecting extension with dormer under flat roof. In the corner an one-storey extension under flat roof. Facade openings slightly simplified. At the southern corner various one-storey extensions behind the chapel (sacristy and adjoining rooms).

In the right side facade the monastery chapel. The ground plan recalls a cross church with squared-off transepts under saddle roofs with six of the aforementioned characteristic windows provided spout gables on either side of the nave with abutting saddle roofs. On the crossing a heavy octagonal tower with copper spire. In the right transept arm there was originally the 'doctors' chapel' (now devotional chapel). The left transept arm, the former 'sisters' chapel', is designed on a large scale because this space originally had to accommodate seventy sisters (in 1986 during the conversion to a pastoral centre separated from the chapel by a large wall). The apse is squared-off; in the exterior brickwork a large cross, formed by recessed masonry. In the corner of nave and right transept a portal with polychromatic ceramic work in the tympanum. The single-aisle space is internally vaulted by a steep pointed arch-shaped barrel vault with wooden coffered ceiling. Large pointed transverse arches rising to the ridge divide the space. The galleries on either side of the nave (created by opening passages in the right-angled walls of the abutting spout gables) give the impression of a three-aisle arrangement. Light yellow brick is alternated with dark yellow glazed brick in the lower zones. Of the interior of the chapel, the following are among the notable features: floor with tiles of Solnhofener stone from Bavaria; partly stained and leaded glass windows, among others in the chancel, in the former doctors' chapel (Henri Schoonbrood 1941), at the entrance portal (Ten Bosch 1947) and on either side of the main entrance; polychromatic ceramic tympanum above main entrance on the interior; wall paintings on the side walls of the former left transept (Jan Dijker, Moergestel, from 1944) and a relatively modern heating system for the time in the cellar with underground duct system, originating from the Electro Motoren Fabriek in Dordrecht. Of the furnishings among others noteworthy: original marble altar with accessories (1940) and church furniture; richly decorated - partly simplified - copper plaques and altar cross (Jan Kriege, Woerden 1940); Sacred Heart statue and Mary statue (C. Smout, Amsterdam 1940) and a hunger cloth (Jacques Chéry, 1928). Around the interior courtyard of the monastery runs a one-storey monastic cloister with adjoining rooms on the outside and pointed arches on the courtyard side. The left wing is simplified by a conservatory constructed along its entire length. Of the interior of the monastery, among others noteworthy: floor tiles as mentioned; the use of green brick alongside light yellow and dark yellow glazed brick; characteristic steel windows (partly provided with stained and leaded glass) with fine glazing bars as mentioned but here with green ceramic window sill tiles; wall paintings by J. Schoonbrood (among others 1947); original attic storey with wooden roof truss structures.

Valuation.

The monastery with its associated monastery chapel is of general interest. The object has cultural-historical values as a particular expression of the development of the Congregation of the Sisters of Charity; as a particular expression of developments within psychiatric healthcare in the nineteen-thirties of the twentieth century; as a particular expression of the crises and threat of war in the nineteen-thirties. Furthermore, the monastery chapel possesses cultural-historical value because of the significance of the type for the typological development of monastery chapels. The object has architectural and art-historical value because of the aesthetic qualities of the architectural design in combination with the careful detailing and the particular ornamentation in the interiors and the chapel furnishings. The object possesses ensemble values as an essential part of a historically grown ensemble in psychiatric healthcare and as a striking component of the historical buildings on the Coudewater site. The object is significant because of the integrity of the main form and large parts of the interiors as well as the recognizable preservation of the original design in a landscape setting.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map