Rijksmonumentenregister · Netherlands
Villa Maria/Villa Agnes (vm Villa)
Venlo, Limburg, Netherlands
The record
- Designation
- National monument (rijksmonument)
- Class
- Woonhuis
- Category
- onroerend gebouwd
- Built
- 1902
- Address
- Wilhelminapark 3, 5911 EC Venlo (and others)
- Place
- Venlo
- Province
- Limburg
- Country
- Netherlands
- Coordinates
- 51.37408, 6.17226
- Monument number
- 524747
Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.
David Rumsey Map Collection, Stanford LibrariesTU Delft LibraryUniversity Library, Vrije Universiteit Amsterdam
3 historical maps cover this location, the earliest the 1898 map "Composite: 377. Kaldenkirchen." (David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries).
This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗
The register's description
Omschrijving
Inleiding
Wilhelminapark nr 3 en nr 5 vormen tezamen een vrijstaande, dubbele villa op een rechthoekig grondvlak, gelegen achter de rooilijn aan het Wilhelminapark te Venlo, een villapark dat laatste kwart van de 19de eeuw tot ontwikkeling is gekomen. Het gehele Wilhelminapark is van monumentale waarde en biedt een staalkaart aan stijlen en verschijningsvormen. Deze villa bestaat uit twee woningen en is ook als zodanig door architect Pierre Rassaerts ontworpen en -in 1902- gebouwd. Het hele volume kreeg de naam Villa Johanna en kwam voor rekening van Hub. (feitelijk: Bern.) van Kan. De stijlelementen die in de asymmetrische gevel zijn gebruikt zijn voornamelijk ontleend aan de Art Nouveau; de overstek van de houten kroonlijst is een reminiscentie aan de Chaletstijl. Het gebouw heeft relatief weinig aanpassingen gekend: omstreeks 1920 is er (bij nr 5) een serre met bovenliggend balkon gerealiseerd, in 1924 is er een autogarage gebouwd, in 1932 is er een veranda aangebouwd en ook het balkon aan de achterzijde is gewijzigd. Voorts zijn enkele ramen, waaronder de glas-in-loodvensters van de serre, voorzien van voorzetramen.
Omschrijving
Wilhelminapark nr 3 Het dubbelpand bestaat uit twee bouwlagen met eensouterrain en kapverdieping op een min of meer vierkante plattegrond, met een opstand van rode baksteen. Het DAK is meervoudig samengesteld en bestaat hoofdzakelijk uit schilddaken en zadeldaken gedekt met muldenpannen. Het traptorentje aan de linker zijgevel heeft een pseudo-tentdak. De hoefijzervormige GEVELTOP is voorzien van een vooruitstekende kroonlijst. De geveltop is via een steekkap verbonden met het zadeldak. Ter weerszijden van de kroonlijst bevinden zich twee afgeronde, stucwerk pilasters. De houten kroonlijst is van snijwerk voorzien en rust aan beide zijden op twee houten consoles. Binnen de kroonlijst zijn, op regelmatige afstand van elkaar gepositioneerd, zeven houten schijven versierd met een klaverbladmotief. Tussen de consoles van de kroonlijst is een rechthoekig raam met twee vleugels met daarboven een ijzeren latei met rozetten; de latei wordt bekroond door een hoefijzervormig stucwerk medaillon waarin drie bloemen zijn afgebeeld. In het vlak van de eerste verdieping bevindt zich een kruisraam met twee zijpanelen, waarbij het kruisraam een rechthoekig horizontaal bovenlicht heeft en de zijpanelen een rechthoekig verticaal bovenlicht. Ter hoogte van deze bovenlichten en aansluitend hieraan bevindt zich een stucwerkfries met bloemmotief. Boven dit raam is een ijzeren latei met rozetten; deze latei steekt aan weerszijden van het venster iets uit en rust daar op twee diamantkoppen, welke op hun beurt weer op de eerder genoemde stucwerkfries rusten. Boven de latei bevindt zich een bakstenen rondboog welke aan weerszijden rust op de eerder vermelde stucwerkfries en welke een kleine diamantkop als sluitsteen heeft. Binnen de boog is een veld met stucwerk waarin een wapenschild is afgebeeld, omringd door lauwertakken. Aansluitend aan de raamdorpel is een fries van donkere baksteen aangebracht. Tussen het bovenomschreven raam en het raam gelijkvloers bevindt zich een stucwerkmedaillon met florale motieven, geflankeerd door twee baksteenpilasters welke rusten op een rechthoekig stucwerk ornament. Het kruisraam gelijkvloers is iets langer dan het raam op de eerste verdieping. Het kalf van dit raam is licht gebogen en de zijpanelen van glas-in-lood bovenlichten lopen rond, diagonaal naar buiten. Het raam zelf heeft twee vleugels en twee zijpanelen. Tussen gelijkvloers en souterrain zijn twee baksteenfriezen aangebracht. Onder deze friezen bevindt zich een boogvormige deur naar het souterrain. Deze deur is omgeven door een baksteenboog met een sluitsteen met bloemmotief. De eikenhouten VOORDEUR met rechthoekig glas-in-lood bovenlicht bevindt zich in een toren op rechthoekig grondvlak maar is geplaatst onder een luifel bedekt met kruispannen. De luifel rust aan weerszijden op van snijwerk voorziene houten consoles. In het vlak van de eerste verdieping van deze toren, boven de luifel, bevindt zich een rechthoekig raam met glas-in-loodvensters. Dit raam wordt bekroond met een door een baksteenboog omgrensd blind segmentboogje. Aan de bovenzijde van dit raam is een baksteen tandfries, evenals net onder de dakrand, een meter hoger. Zowel de voorgevel als de LINKERZIJGEVEL zijn verticaal gearceerd door sierlijsten van donkere baksteen. De laatste bestaat min of meer uit drie torens; van rechts naar links een vijfhoekige toren, een kwartcirkelvormige toren en -uiterst links- een rechthoekige toren. De VIJFHOEKIGE TOREN heeft een (pseudo)tentdak welke bekroond wordt met een nokpion. Het is door middel van een steekkap verbonden met het schildeinde, van het (hoofd)zadeldak. Langs de voet van deze toren is een stucwerkplint. In deze plint, in het achterste vlak, bevindt zich een rechthoekig souterrain-raam, bekroond door een baksteenboogje. Trapsgewijs boven elkaar in drie vlakken van deze toren bevindt zich een rechthoekig raam met glas-in-loodvenster. Boven de eerste verdieping is een baksteenfries op geprofileerde, afgeplatte consoles. Hierboven zijn vier ronde raampjes met glas-in-loodvenster, in elk vlak van de toren één. Vlak onder de geprofileerde dakrand bevindt zich een bakstenen tandfries. Aansluitend tegen de gevel van het pand en de toren op het rechthoekige grondvlak is een TOREN op KWARTCIRKELVORMIG GRONDVLAK aangebouwd, met een gecementeerd puntdak. Langs de voet van de toren is een stucwerk plint waarin zich een rechthoekig souterrainraampje bevindt, bekroond door een baksteenboogje. Ter hoogte van gelijkvloers bevindt zich een baksteenfries. Hierboven is een rechthoekig, verticaal boogvormig afgerond raampje, voorzien van een geprononceerde baksteenomlijsting. Onder het raampje is een langwerpig verdiept muurvlak. De vensterbank is afgewerkt met afgeronde tegels. In het vlak van de eerste verdieping bevindt zich eenzelfde raampje en onder de geprofileerde dakrand is een baksteen-tandfries. De RECHTHOEKIGE TOREN heeft evenals de toren op vijfhoekige grondslag een met pannen gedekt pseudo tentdak welke door middel van een steekkap verbonden is het met het schildeinde van het (hoofd)zadeldak. Tussen deze toren en de vijfhoekige toren wordt de dakrand onderbroken door de gevelwand. Een attiek van baksteenpillertjes bekroont hier de gevel en verbindt beide torens. Vanaf gelijkvloers tot aan de dakrand is hier een vooruitspringende muurdam. Deze dam rust op een boogvormig uitgesneden, afgeplatte dubbele console, waarachter zich het rookkanaal van de schoorsteen bevindt, welke uitkomt op het dak. Aan de voet van de toren is een stucwerkplint en gelijkvloers wordt aangegeven door een baksteenfries. Onder de dakrand is een houten kroonlijst, een houten kartelrand onderbroken door ronde houten ornamenten met een klaverbladmotief. De ACHTERGEVEL van nr 3 en nr 5 is nagenoeg identiek: rechts in de achtergevel is een deur naar de keuken. Voor deze deur bevindt zich een baksteen trapje welke afdaalt naar de tuin. Het rechthoekige bovenlicht is voorzien van een glas-in-loodvenster. Boven de deur is een kruisraam met gebogen bovenlicht, eveneens voorzien van glas-in-loodbovenlicht en omlijst met een baksteenboog. Links tegen de achtergevel bevindt zich de in 1932 aangebouwde veranda met glas-in-loodvensters. Een dubbele deur komt uit op een bordes, welke in verbinding staat met het plat voor de keukendeur en het aldaar aanwezige bovengenoemde bakstenen trapje. De bovenlichten van de veranda zijn ook voorzien van glas-in-loodvensters. De bovenkant van deze veranda is met planken bekleed en het dak wordt gebruikt als balkon voor de eerste verdieping. Het huidige balkon bestaat uit een hekwerk van planken en is in 1998 geplaatst naar ontwerp van de Venlose architect G.H.M. Seelen, ter vervanging van een balkon met zeer eenvoudig ijzerwerk. Op dit balkon komt een deur uit met twee vleugels, waarvan het boogvormige bovenlicht is voorzien van glas-in-lood en omgrensd is door een baksteenboog. Boven de eerste verdieping is een tandfries van donkere baksteen. Onder de dakrand is een kroonlijst: een houten kartelrand onderbroken door ronde, houten ornamenten met een klaverbladmotief. Het dak kent aan de zijde van nr 3 drie eenvoudige dakramen.
De structuur van het INTERIEUR van nr 3 is in tact gebleven. Rechts op de begane grond bevinden zich kamers-en-suite met tuinkamer of serre. Links van centrale gang annex hal bevinden zich het trappenhuis (in de vijfhoekige toren), de wc (in de toren op kwartcirkelvormig grondvlak en de keuken (in de rechthoekige toren). De vloer van de gang bestaat uit marmeren vloerplaten met gestucte wanden; de houten trap is authentiek en voorzien een geornamenteerde hoofdbaluster. Voorts is het plafond, alsmede twee consoles, voorzien van het nodige stucwerk in florale Art Nouveau-stijl. Hetzelfde geldt voor het plafond van de voorkamer: een ovaal stucornament met een dubbele sierrand. Ook is hier nog de marmeren schouw aanwezig welke in de achterkamer verwijderd is. In de achterkamer is het plafond verluchtigd met een rozet en een enkelvoudige sierrand, wederom in florale Art Nouvau-stijl. De suitedeuren tussen voor en achterkamer zijn nog aanwezig en voorzien van glas-in-loodramen. Zowel voor- als achterkamer beschikken nog over de originele parketvloer. De serre heeft een eenvoudig floraal rozet. Op de 1e verdieping zijn een badkamer, wc en slaapkamers-en-suite, welke beide voorzien zijn van een groot stucornament en een enkelvoudige sierlijst. De badkamer heeft gedeeltelijk nog het authentieke vroeg 20ste eeuwse sanitair. Op zolder (3e verdieping) zijn nog oude dakspanten aanwezig.
Omschrijving Wilhelminapark nr 5
Twee-laags pand op rechthoekig grondvlak in lengterichting, met souterrain en met kapverdieping onder zadeldak, bedekt met muldenpannen, met een opstand van rode baksteen. Op het dak bevinden zich diverse afvoerkanalen. Het pand heeft een hardstenen plint en heeft een opstand van rode baksteen met metselwerk in kruisverband. De voorgevel en rechterzijgevel hebben twee aankappende topgevels. Rechthoekige en segmentboogvormige gevelopeningen onder gestucte aanzetstukken en siermetselwerk, hardstenen vensterbanken en houten vensterkozijnen. De voorgevel is asymmetrisch van opzet en bestaat voor het leeuwendeel uit een TOPGEVEL, welke via een steekkap met het zadeldak verbonden is. Onder de overstekende dakrand bevindt zich een met houten snijwerk versierde kroonlijst. Deze kroonlijst rust op vijf gebeeldhouwde houten consoles. In de topgevel bevindt zich een gebogen raam welke in het midden verdeeld wordt door een bakstenen, met stucwerk bekroonde, pilaster en met links en rechts van deze pilaster een rechthoekig RAAM. Om het gehele raam is een bakstenen segmentboog, welke ter hoogte van de lateien en in de spits wordt onderbroken door bovengenoemde gestucte aanzetstukken. Boven elk raam is een stucwerkmedaillon in de vorm van een kwartcirkel, voorzien van bloemen en ranken. Ter hoogte van de eerste verdieping bevindt zich een houten balkon welke rust op drie, door sierlijk houtsnijwerk onderling verbonden, houten consoles. Op dit balkon komt een breed raam met gebogen bovendorpel uit, bestaande uit een deur met twee vleugels en twee zijpanelen, waarboven zich drie afgeronde, van glas-in-loodvensters voorziene bovenlichten bevinden. Deze gehele gevelopening wordt omgeven dor een bakstenen segmentboog, welke ter hoogte van de middendorpel wordt onderbroken door stucwerkaanzetstukken. De onderdorpels van de zijpanelen van de deur zijn van natuursteen en sluiten aan op een baksteenfries van donkere baksteen over de gehele gevel. Op de begane grond is eveneens een boogvormig raam met twee zijpanelen. Het raam heeft een gebogen bovenlicht met glas-in-loodvenster, omgeven door een bakstenen boog, welke ter hoogte van de middendorpel wordt onderbroken door stucwerkornamenten. Ter rechterzijde van dit raam, bevindt zich de eiken voordeur met gebogen bovenlicht. Zowel dit bovenlicht als de vensters in de deur bevatten glas-in-loodraampjes. Ter hoogte van het bovenlicht zijn ter weerszijden grote aanzetstukken van stucwerk; tussen deze aanzetstukken bevindt zich een gedrukte bakstenen boog. Voor de deur bevindt zich een natuurstenen trap, geflankeerd door gecementeerde muurtjes met leuning van siersmeedwerk in Art Nouveaustijl. Ter hoogte van het souterrain bevindt zich een boogvormig raam met vier panelen, omgeven door een bakstenen boog welke rust op verspringende stucwerkpilasters. De afgrenzing tussen het souterrain en de parterre wordt gevormd door een baksteenfries. Een derde gedeelte van de voorgevel, rechts naast de voordeur, is blind. In dit gedeelte worden de verdiepingen aangegeven door friezen van rode baksteen. In het vlak van de eerste verdieping bevindt zich een waaiervormig stucwerkmedaillon. Hierin staat de naam "Agnes", omgeven door een bloemmotief. De RECHTERZIJGEVEL heeft eveneens een topgevel met een overstekende houten dakrand. Deze rust op zeven houten consoles. Tegen de voorzijde van de gevel bevindt zich een erker met een plat dak, op een trapeziumvormig grondvlak. Aan de voet van de gehele gevel loopt een stucwerkplint De SERRE, aangebouwd in 1920, eindigt boven de eerste verdieping. In het voorste vlak bevindt zich een boogvormig afgerond souterrainraampje met smeedijzeren tralies in de plint, met hierboven een baksteenfries. Gelijkvloers is een T-venster met stucwerk onderdorpel en afgerond bovenlicht; dit bovenlicht heeft een glas-in-loodvenster. Ter hoogte van de middendorpel van het raam zijn aan weerszijden vier stucornamenten, waartussen zich een bakstenen segmentboog bevindt. Op de eerste verdieping bevindt zich een soortgelijk T-venster; in plaats van vier zijn hier drie stucwerkornamenten ter hoogte van de middendorpel. Aansluitend op de onderdorpel is een baksteenfries. In de middenwand van de erker zijn geen ramen. De baksteenfries ter hoogte van de eerste verdieping wordt onderbroken door een vierkant medaillon welke het jaartal "1902" in zich draagt. Boven dit jaartal bevindt zich een gebeeldhouwde kop en in elk van de vier hoeken een rozet. Links en rechts wordt het medaillon geflankeerd door twee gecanneleerde pilasters, beide bekroond door een pijnappelvormig ornament. De pilasters rusten op consoles, versierd met acanthusbladeren. Midden onder het medaillon komen twee pendentiefs samen op een console; deze zijn versierd met acanthusbladeren en palmetten. In het achtervlak van de erker bevindt zich in de plint een klein boogvormig souterrainraampje. Links en rechts bij de aanzet van de boog bevindt zich een stucwerkornament. Gelijkvloers is een T-venster, identiek aan het raam in het voorvlak. Op de eerste verdieping bevindt zich een kleiner boograam. Het raam heeft een stucwerkonderdorpel en baksteen sierlijst met drie stucwerkornamenten ter weerszijden van de middendorpel. Hierboven bevindt zich een tandfries van rode baksteen, welke doorloopt over de achterzijde van de gevel. Boven de tandfries bevindt zich de geprofileerde houten dakrand. In de achterzijde van de rechter zijgevel bevinden zich gelijkvloers en op de eerste verdieping twee T-vensters, identiek aan die in het voorste vlak van de erker. Boven het raam op de eerste verdieping verspringt de baksteen tandfries iets naar boven. De voorgevel en zijgevel worden verticaal gearceerd door sierlijsten van rode baksteen. De ACHTERGEVEL is van nr 5 is beduidend korter dan die van nr 3. In het midden van de achtergevel van nr 5 bevindt zich een erker. Deze erker heeft een deur met twee zijpanelen. Onder de zijpanelen is een stucwerkfries welke doorloopt tot over de zijwanden van de erker. Boven de deur en zijpanelen zijn drie horizontale, rechthoekige bovenlichten, voorzien van glas-in-loodvensters. Hierboven is een ijzeren latei, versierd met rozetten. Het dak van de erker dient als balkon voor de eerste verdieping. De gevels van de erker lopen door naar boven en vormen zodoende de ommuring van dit balkon. Een segmentboogvormige deur met twee vleugels en twee van glas-in-lood voorziene, afgeronde bovenlichten komt uit op dit balkon. Een baksteen tandfries aaccentueert de bovenzijde van de eerste verdieping. De dakrand met daaronder de kroonlijst zijn één geheel langs de achtergevel van beide woningen. De kroonlijst is een houten kartelrand, onderbroken door ronde, houten ornamenten met klaverbladmotief. In het dak is een eenvoudige rechthoekige dakkapel. De erker komt uit in de tuin. Rechts van de erker is een deur naar het souterrain, links bevindt zich een gebogen souterrain-raam. De asymmetrie van de voorgevel van de gehele villa is eveneens zichtbaar in de PLATTEGROND, waarbij nr 3 een haast klassieke opbouw vertoont met middengang, kamers-en-suite en serre, en waarbij de plattegrond van nr 5 geheel afwijkt van dit patroon: deze woning is opgebouwd uit allemaal kleine(re) kamers: een van elkaar gescheiden voorkamer en achterkamer met erker, en een (woon)keuken. Deze enigszins 'hokkerige' indeling herhaalt zich op de verdieping. Van het INTERIEUR moeten o.m. genoemd worden de marmeren vloerplaten en de met florale motieven gedecoreerde consoles in de hal, de authentieke trap (echter zònder bijbehorende geornamenteerde hoofdbaluster), en de stucwerkornamenten in florale Art Nouveau-stijl in de voor- en achterkamer. Voor- en achterkamer zijn beide nog in het bezit van authentieke schouwen, welke echter zeer sober zijn uitgevoerd. Ook de keuken heeft nog een art nouveau stucwerkornament, maar dit was aanvankelijk dan ook geen keuken maar een salon. Deze was aanvankelijk gevestigd in het souterrain alwaar oude tegelvloeren nog resteren. Voorts zijn in het pand nagenoeg alle paneeldeuren nog aanwezig.
Waardering
De dubbele villa is van algemeen belang. Het object heeft cultuurhistorische waarde als bijzondere uitdrukking van een sociaal-economische ontwikkeling, namelijk de stedelijke expansie aan het eind van de 19de eeuw in het algemeen en het ontstaan van villaparken in het bijzonder. Het is van belang als bijzondere uitdrukking van een technische, typologische en geografische ontwikkeling. Het object heeft architectuurhistorische waarden vanwege de esthetische kwaliteiten van het architectonisch ontwerp in combinatie met enkele opmerkelijke details: de houten hoefijzervormige kroonlijst, de rijke Art Nouveau detailleringen in de voorgevel en de diverse bewaard gebleven elementen in het interieur. Het object heeft ensemblewaarde als karakteristiek onderdeel van het villapark, te midden van andere historische villa's met bijhorende parkaanleg. Tenslotte is het object van belang vanwege de gaafheid van het exterieur en interieur en de relatieve architectuurhistorische zeldzaamheid.
English translation
The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com
Description
Introduction
Wilhelminapark no. 3 and no. 5 together form a detached, double villa on a rectangular ground plan, located behind the building line at Wilhelminapark in Venlo, a villa park that developed in the last quarter of the 19th century. The entire Wilhelminapark is of monumental value and offers a range of styles and appearances. This villa consists of two dwellings and was designed and built as such by architect Pierre Rassaerts in 1902. The entire volume was named Villa Johanna and was commissioned by Hub. (actually: Bern.) van Kan. The stylistic elements used in the asymmetrical facade are mainly derived from Art Nouveau; the overhang of the wooden cornice is a reminiscence of the Chalet style. The building has undergone relatively few modifications: around 1920 a conservatory with overlying balcony was realized (at no. 5), in 1924 an automobile garage was built, in 1932 a veranda was added and the balcony on the rear side was also modified. Furthermore, several windows, including the leaded-glass windows of the conservatory, have been fitted with storm windows.
Description
Wilhelminapark no. 3 The double property consists of two storeys with a basement and a roof storey on a more or less square ground plan, with a facade of red brick. The ROOF is multifaceted and consists mainly of hipped roofs and gabled roofs covered with curved tiles. The small tower staircase on the left side facade has a pseudo-tent roof. The horseshoe-shaped GABLE TOP is provided with a projecting cornice. The gable top is connected via a raking beam to the gabled roof. On either side of the cornice are two rounded, stucco pilasters. The wooden cornice is provided with carved work and rests on two wooden consoles on both sides. Within the cornice, at regular intervals, are seven wooden discs decorated with a cloverleaf motif. Between the consoles of the cornice is a rectangular window with two sashes with above it an iron lintel with rosettes; the lintel is crowned by a horseshoe-shaped stucco medallion in which three flowers are depicted. In the plane of the first floor is a cross window with two side panels, whereby the cross window has a rectangular horizontal fanlight and the side panels a rectangular vertical fanlight. At the level of these fanlights and adjacent to them is a stucco frieze with floral motif. Above this window is an iron lintel with rosettes; this lintel projects slightly on either side of the window and rests there on two diamond-shaped ornaments, which in turn rest on the aforementioned stucco frieze. Above the lintel is a brick round arch which rests on either side on the aforementioned stucco frieze and which has a small diamond-shaped ornament as a keystone. Within the arch is a field of stucco in which a coat of arms is depicted, surrounded by laurel branches. Adjacent to the window sill is a frieze of dark brick. Between the above-described window and the window at floor level is a stucco medallion with floral motifs, flanked by two brick pilasters which rest on a rectangular stucco ornament. The cross window at floor level is slightly longer than the window on the first floor. The light of this window is slightly curved and the side panels of leaded-glass fanlights curve around, diagonally outwards. The window itself has two sashes and two side panels. Between floor level and basement are two brick friezes. Below these friezes is an arched door to the basement. This door is surrounded by a brick arch with a keystone with floral motif. The oak FRONT DOOR with rectangular leaded-glass fanlight is located in a tower on a rectangular ground plan but is placed under a canopy covered with interlocking tiles. The canopy rests on carved wooden consoles on either side. In the plane of the first floor of this tower, above the canopy, is a rectangular window with leaded-glass windows. This window is crowned with a blind segmental arch bordered by a brick arch. At the top of this window is a brick tooth frieze, as well as just under the roof edge, a metre higher. Both the front facade and the LEFT SIDE FACADE are vertically articulated by decorative bands of dark brick. The latter consists roughly of three towers; from right to left a pentagonal tower, a quarter-circular tower and—at the far left—a rectangular tower. The PENTAGONAL TOWER has a (pseudo)tent roof which is crowned with a roof ridge ornament. It is connected by means of a raking beam to the hip end of the (main) gabled roof. Along the foot of this tower is a stucco plinth. In this plinth, in the rear plane, is a rectangular basement window, crowned by a brick arch. Staircase-fashion above each other in three planes of this tower is a rectangular window with a leaded-glass window. Above the first floor is a brick frieze on profiled, flattened consoles. Above this are four round windows with leaded-glass windows, one in each plane of the tower. Just under the profiled roof edge is a brick tooth frieze. Adjoining the facade of the property and the tower on the rectangular ground plan is a TOWER on a QUARTER-CIRCULAR GROUND PLAN which has been added, with a cemented pointed roof. Along the foot of the tower is a stucco plinth in which is a rectangular basement window, crowned by a brick arch. At the level of floor level is a brick frieze. Above this is a rectangular, vertically rounded arched window, provided with a pronounced brick surround. Below the window is an elongated recessed wall plane. The window sill is finished with rounded tiles. In the plane of the first floor is an identical window and under the profiled roof edge is a brick tooth frieze. The RECTANGULAR TOWER has, like the tower on pentagonal ground plan, a pseudo tent roof covered with tiles which is connected by means of a raking beam to the hip end of the (main) gabled roof. Between this tower and the pentagonal tower the roof edge is interrupted by the facade wall. An attic of brick pillars crowns the facade here and connects both towers. From floor level to the roof edge here is a projecting wall pier. This pier rests on an arched cut-out, flattened double console, behind which is the flue of the chimney, which emerges on the roof. At the foot of the tower is a stucco plinth and floor level is marked by a brick frieze. Under the roof edge is a wooden cornice, a wooden indented edge interrupted by round wooden ornaments with a cloverleaf motif. The REAR FACADE of no. 3 and no. 5 is virtually identical: on the right in the rear facade is a door to the kitchen. In front of this door is a brick step which descends to the garden. The rectangular fanlight is provided with a leaded-glass window. Above the door is a cross window with curved fanlight, also provided with leaded-glass fanlight and framed with a brick arch. On the left against the rear facade is the veranda added in 1932 with leaded-glass windows. A double door opens onto a platform, which is in connection with the flat in front of the kitchen door and the aforementioned brick step located there. The fanlights of the veranda are also provided with leaded-glass windows. The top of this veranda is clad with boards and the roof is used as a balcony for the first floor. The current balcony consists of a framework of boards and was installed in 1998 according to the design of Venlo architect G.H.M. Seelen, as a replacement for a balcony with very simple ironwork. A door opens onto this balcony with two sashes, the arched fanlight of which is provided with leaded-glass and bordered by a brick arch. Above the first floor is a tooth frieze of dark brick. Under the roof edge is a cornice: a wooden indented edge interrupted by round, wooden ornaments with a cloverleaf motif. The roof has three simple roof windows on the side of no. 3.
The structure of the INTERIOR of no. 3 remains intact. On the right on the ground floor are rooms-en-suite with garden room or conservatory. To the left of the central corridor annex hall are the staircase (in the pentagonal tower), the WC (in the tower on quarter-circular ground plan) and the kitchen (in the rectangular tower). The floor of the corridor consists of marble floor tiles with plastered walls; the wooden staircase is authentic and provided with an ornamented main baluster. Furthermore, the ceiling, as well as two consoles, are provided with the necessary stucco work in floral Art Nouveau style. The same applies to the ceiling of the front room: an oval stucco ornament with a double decorative border. Also still present here is the marble fireplace which was removed in the rear room. In the rear room the ceiling is ventilated with a rosette and a single decorative border, again in floral Art Nouveau style. The suite doors between front and rear room are still present and provided with leaded-glass windows. Both front and rear room still have the original parquet floor. The conservatory has a simple floral rosette. On the 1st floor are a bathroom, WC and bedrooms-en-suite, both provided with a large stucco ornament and a single decorative band. The bathroom still partially has authentic early 20th century sanitary ware. On the attic (3rd floor) old roof trusses are still present.
Description Wilhelminapark no. 5
Two-storey property on a rectangular ground plan in the lengthwise direction, with basement and roof storey under a gabled roof, covered with curved tiles, with a facade of red brick. On the roof are various discharge pipes. The property has a hardstone plinth and a facade of red brick with masonry in a crossbond pattern. The front facade and right side facade have two abutting gable tops. Rectangular and segmental arch-shaped window openings under plastered setting-stones and decorative masonry, hardstone window sills and wooden window frames. The front facade is asymmetrical in layout and consists for the most part of a GABLE TOP, which is connected via a raking beam to the gabled roof. Below the overhanging roof edge is a cornice decorated with wooden carved work. This cornice rests on five carved wooden consoles. In the gable top is a curved window which is divided in the middle by a brick, stucco-crowned, pilaster and with to the left and right of this pilaster a rectangular WINDOW. Around the entire window is a brick segmental arch, which is interrupted at the level of the lintels and at the apex by the aforementioned plastered setting-stones. Above each window is a stucco medallion in the form of a quarter-circle, provided with flowers and tendrils. At the level of the first floor is a wooden balcony which rests on three wooden consoles which are interconnected by elegant wooden carved work. From this balcony opens a wide window with curved head lintel, consisting of a door with two sashes and two side panels, above which are three rounded, leaded-glass-provided fanlights. This entire window opening is surrounded by a brick segmental arch, which is interrupted at the level of the middle lintel by stucco setting-stones. The sills of the side panels of the door are of natural stone and adjoin a brick frieze of dark brick across the entire facade. On the ground floor is also an arched window with two side panels. The window has a curved fanlight with leaded-glass window, surrounded by a brick arch, which is interrupted at the level of the middle lintel by stucco ornaments. To the right of this window is the oak front door with curved fanlight. Both this fanlight and the windows in the door contain leaded-glass panes. At the level of the fanlight are large setting-stones of stucco on either side; between these setting-stones is a compressed brick arch. In front of the door is a natural stone step, flanked by cemented wall sections with a railing of decorative ironwork in Art Nouveau style. At the level of the basement is an arched window with four panes, surrounded by a brick arch which rests on recessed stucco pilasters. The demarcation between the basement and the ground floor is formed by a brick frieze. A third part of the front facade, to the right of the front door, is blind. In this section the floors are marked by friezes of red brick. In the plane of the first floor is a fan-shaped stucco medallion. In it is the name "Agnes", surrounded by a floral motif. The RIGHT SIDE FACADE also has a gable top with an overhanging wooden roof edge. This rests on seven wooden consoles. Against the front of the facade is an oriel window with a flat roof, on a trapezoidal ground plan. At the foot of the entire facade runs a stucco plinth. The CONSERVATORY, added in 1920, ends above the first floor. In the front plane is an arched, rounded basement window with wrought-iron bars in the plinth, with above it a brick frieze. At floor level is a T-window with stucco sill and rounded fanlight; this fanlight has a leaded-glass window. At the level of the middle lintel of the window are four stucco ornaments on either side, between which is a brick segmental arch. On the first floor is a similar T-window; instead of four, here are three stucco ornaments at the level of the middle lintel. Adjoining the sill is a brick frieze. In the middle wall of the oriel are no windows. The brick frieze at the level of the first floor is interrupted by a square medallion which contains the year "1902". Above this year is a sculpted head and in each of the four corners a rosette. To the left and right the medallion is flanked by two fluted pilasters, both crowned with a pine-cone-shaped ornament. The pilasters rest on consoles, decorated with acanthus leaves. In the middle below the medallion two pendentives come together on a console; these are decorated with acanthus leaves and palmettes. In the rear plane of the oriel is in the plinth a small arched basement window. To the left and right at the base of the arch is a stucco ornament. At floor level is a T-window, identical to the window in the front plane. On the first floor is a smaller arched window. The window has a stucco sill and brick decorative band with three stucco ornaments on either side of the middle lintel. Above this is a tooth frieze of red brick, which continues across the rear of the facade. Above the tooth frieze is the profiled wooden roof edge. On the rear side of the right side facade are at floor level and on the first floor two T-windows, identical to those in the front plane of the oriel. Above the window on the first floor the brick tooth frieze steps up slightly. The front facade and side facade are vertically articulated by decorative bands of red brick. The REAR FACADE of no. 5 is considerably shorter than that of no. 3. In the centre of the rear facade of no. 5 is an oriel window. This oriel has a door with two side panels. Below the side panels is a stucco frieze which continues across the side walls of the oriel. Above the door and side panels are three horizontal, rectangular fanlights, provided with leaded-glass windows. Above this is an iron lintel, decorated with rosettes. The roof of the oriel serves as a balcony for the first floor. The facades of the oriel continue upwards and thus form the enclosure of this balcony. A segmental arch-shaped door with two sashes and two rounded, leaded-glass-provided fanlights opens onto this balcony. A brick tooth frieze emphasizes the top of the first floor. The roof edge with the cornice beneath it are one unit along the rear facade of both dwellings. The cornice is a wooden indented edge, interrupted by round, wooden ornaments with cloverleaf motif. In the roof is a simple rectangular roof dormer. The oriel opens onto the garden. To the right of the oriel is a door to the basement, on the left is a curved basement window. The asymmetry of the front facade of the entire villa is also visible in the GROUND PLAN, whereby no. 3 has an almost classical layout with central corridor, rooms-en-suite and conservatory, and whereby the ground plan of no. 5 deviates entirely from this pattern: this dwelling is constructed from all small(er) rooms: a separate front room and rear room with oriel, and a (living) kitchen. This somewhat 'compartmentalized' layout is repeated on the upper floor. Of the INTERIOR should be mentioned among other things the marble floor tiles and the consoles decorated with floral motifs in the hall, the authentic staircase (however without the accompanying ornamented main baluster), and the stucco ornaments in floral Art Nouveau style in the front and rear room. Front and rear room both still possess authentic fireplaces, which are however executed very soberly. The kitchen also has an art nouveau stucco ornament, but this was originally not a kitchen but a salon. This was originally located in the basement where old tile floors still remain. Furthermore, almost all panel doors are still present in the property.
Valuation
The double villa is of general interest. The object has cultural-historical value as a particular expression of a socio-economic development, namely urban expansion at the end of the 19th century in general and the emergence of villa parks in particular. It is of importance as a particular expression of a technical, typological and geographical development. The object has architectural-historical values due to the aesthetic qualities of the architectural design in combination with several remarkable details: the wooden horseshoe-shaped cornice, the rich Art Nouveau detailing in the front facade and the various preserved elements in the interior. The object has ensemble value as a characteristic component of the villa park, among other historic villas with associated garden layout. Finally, the object is of importance due to the integrity of the exterior and interior and the relative architectural-historical rarity.
Nearby in the register
- Villa FloraWoonhuisunder 1 mi
- Villa MosaWoonhuisunder 1 mi
- Woonhuis, Wilhelminapark 18Woonhuisunder 1 mi
- Fontein WilhelminaparkTuin, park en plantsoenunder 1 mi
Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.