Rijksmonumentenregister · Netherlands
St. Andreas
Weurt, Gelderland, Netherlands
The record
- Designation
- National monument (rijksmonument)
- Class
- Kerk en kerkonderdeel
- Function
- Parochiekerk
- Category
- onroerend gebouwd
- Built
- 1895 - 1896
- Address
- Kerkstraat 54, 6551 ZZ Weurt (Beuningen 25)
- Place
- Weurt
- Municipality
- Beuningen
- Province
- Gelderland
- Country
- Netherlands
- Coordinates
- 51.85957, 5.81689
- Monument number
- 523158
Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.
TU Delft LibraryUniversity Library, Vrije Universiteit AmsterdamUniversity Library, Vrije Universiteit Amsterdam
3 historical maps cover this location, the earliest the 1893 map "Amsterdam-Rheinkanal : frei von Kanalabgaben / [getekend door] J.H. Schmüll" (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).
This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗
The register's description
Omschrijving
Inleiding
Rooms-katholieke neogotische dorpsKERK uit het einde van de 19e eeuw. De kerk werd in 1895-1896 in fasen gebouwd naar ontwerp van C.J.H. Franssen op de plaats van de vroegere Weurtse Andreaskapel. Pastoor J. van der Marck was, zoals vermeld op de stichtingssteen ook bij de bouw betrokken. De kerk werd op 12 september 1898 gewijd. In 1898 werd de eveneens door Franssen ontworpen toren toegevoegd. De kerk is karakteristiek gelegen op een kerkhof, dat de kerk omsluit. Aan de west- en noordzijde wordt het terrein afgesloten door een eenvoudig smeedijzeren HEKWERK.
De kerk bezit waardevol liturgisch vaatwerk en mobilia.
Omschrijving
De R.K. SINT-ANDREASKERK is opgetrokken in machinale baksteen in kruisverband met natuursteen voor de afzaten, lijsten en steunbeerafdekkingen. De daken en spits zijn gedekt met Fourgeau-leien in Maasdekking. De kerk bezit een driebeukig basilikaal schip van vijf traveeën, een 5/8 gesloten éénbeukig koor met nevenruimten en een slanke westtoren met vier geledingen en een ingesnoerde naaldspits. Tegen de noordwand van de toren staat een vijfzijdige traptoren, welke reikt tot en met de derde geleding en daar afsluit met een spitsje. De zijbeuken zijn aan de oost- en westzijde recht gesloten en zijn gedekt met een lessenaarsdak. Het middenschip is iets breder dan de toren en heeft een zadeldak, met tuitvormige topgevels bij de aansluiting op de toren en bij de overgang naar het koor. Het koor heeft een iets lager schilddak met op het nokeind een ijzeren kruis. Het schipdak en koordak zijn voorzien van dakkapellen met luikje en een tweezijdig gesloten schilddakje met een piron op het nokeind. De torenspits heeft vier dakkapellen met een luik en wimberg en overhoeks vierzijdig spitsje. De beide rechthoekige nevenruimten van het koor hebben een schilddak. Het kerkgebouw bezit aan de zijbeuken en het koor steunberen, die ter hoogte van de plint en de vensterbanken -bij het koor ook halverwege de vensters- versnijden. De afzaten zijn afgedekt met natuurstenen platen. De wanden van de zijbeuken en lichtbeuk bezitten ter afsluiting gemetselde schijnboogfriezen en dubbele uitkragende muizetandlijsten. De lichtbeuk van het schip heeft bovendien daarboven nog extra een gemetseld schijnboogfries. Onder de waterlijsten van de vensters in de zijbeuken en het koor bevindt zich verder een bakstenen bloktandlijst. De nevenruimten van het koor hebben lisenen en ter afsluiting een bloktandlijst en uitkragende dubbele muizetandlijsten. De gootlijsten zijn bekleed met leien.
De middenbeuk van het schip bezit geen steunberen, maar lisenen (in feite deel uitmakend van de kruisvormige pijlerkernen van het interieur). Omdat het middenschip een houten, spitsboogvormig tongewelf heeft, waren steunberen en/of luchtbogen niet nodig. De zijbeuken en het koor bezitten wel stenen kruisribgewelven en bezitten derhalve ook steunberen. Per travee bezit de lichtbeuk van het schip vier gekoppelde spitsboogvensters. De zijbeuken bezitten per travee twee spitsboogvensters. De sluitgevels van de zijbeuken ter weerszijden van de toren bezitten een spitsboogvenster, aan weerszijden geflankeerd door een steunbeer en in de topgevel drie klimmend uitgevoerde spitsboognissen met een gezamenlijke afzaat met bloktandlijst. De sluitgevel van het middenschip bezit aan weerszijden van de toren een smalle spitsboognis en in de aanzet van de topgevel twee getrapt uitgevoerde spitsboognissen met afzaat met bloktandlijst. Beide zijbeuken hebben in de vierde travee (gerekend vanaf de toren) in de onderbouw een uitgebouwde bakstenen biechtstoelruimte met blinde gevel afgesloten door een bloktandlijst en gootlijst met leienbekleding.
Het koor bezit per travee een hoog spitsboogvenster met tweedelig bakstenen traceerwerk van een hoog-gotisch type (voor het eerst voorkomend in Reims-kathedraal), met twee lancetten en een cirkel in de top. Dit type traceringen is nog zonder toten uitgevoerd. Van de twee rechthoekige nevenruimten ter weerszijden van het koor, in het verlengde van de zijbeuken is de noordelijke van jonger datum en soberder van uitvoering. Beide bijgebouwen hebben een schilddak gedekt met leien in Maasdekking, met in het oostelijke schild een dakkapel met luik en een zadeldak overgaand in een overhoeks geplaatst vierzijdig spitsje met nokpiron. In de oostgevel van beide ruimten bevindt zich een deur onder een segmentboog met gemetselde boogtrommel (siermetselwerk, bij de sacristie aan zuidzijde uitgevoerd in bruine en gele baksteen). De opgeklampte deur van de sacristie heeft sierbeslag. De sacristie heeft verder in de twee traveeën brede zuidgevel per travee twee gekoppelde spitsboogvensters met een natuurstenen afzaat en waterlijst. De middenliseen van deze gevel zet zich boven daklijst in optisch opzicht voort in een bakstenen schoorsteen welke zich verjongt met op de overgang hardstenen dekplaten. In de top heeft de schoorsteen een achtzijdige bekroning, ontspringend vanuit een hardstenen onderbouw. De bergruimte aan de noordzijde heeft in de noordgevel per travee slechts één spitsboogvenster met bakstenen lekdorpel. Het koor is iets smaller dan het middenschip. Opmerkelijk zijn de in een later stadium (tegelijkertijd met de noordelijke nevenruimte ?) aangebrachte rookkanalen, welke in de oksels tussen middenschip en koor oprijzen en afsluiten met een schoorsteen, terwijl aftakkingen langs het koordak tegen de topgevel van het schip lopen en boven samenkomen in een schoorsteen. Het metselwerk van de topgevel van het schip is deels in deze kanalen opgenomen. De aanzetten van de topgevel met natuurstenen ezelsrug steken nog net uit de rookkanalen. De toren heeft op de hoeken lisenen welke boven onder de daklijst onderling zijn verbonden door bakstenen friezen.
De toren heeft vier geledingen op een lage bakstenen plint, afgesloten met een hardstenen waterlijst. De gevelvlakken van de verschillende geledingen van de toren zijn versierd met drie spitsboognissen, waarvan de middelste breder is uitgevoerd met bakstenen, tweedelig traceerwerk (twee lancetten en een oculus). Deze middennissen hebben tevens smalle lichtspleten. De nissen hebben een gezamenlijke natuurstenen afzaat, welke tevens als afscheiding van de verschillende geledingen fungeert. Deze lijsten zijn niet over de hoeklisenen doorgetrokken. Deze lisenen lopen dan ook ononderbroken door tot aan de spits. De nissen in de vierde geleding zijn geopend en dienen als galmgaten met in de middennis bovenin een ronde wijzerplaat van het uurwerk. Hier bevindt zich een mechanisch TORENUURWERK van B. Eysbouts, Asten., later voorzien van een elektrische opwinding, in de originele, enigszins aangepaste kast. Het vensternisportaal in de westgevel strekt zich uit over twee geledingen en bezit een doorgang met dubbele opgeklampte deur met sierbeslag onder een natuurstenen latei met een spitsboogvormig bovenlicht met een driedelige bakstenen lancet-tracering. Vervolgens volgt een hardstenen waterlijst met een strook van vier gemetselde rechthoekige nissen, afgesloten door een hardstenen afzaat en tenslotte in de tweede geleding een spitsboogvenster met vierdelige bakstenen tracering (vier lancetten met in de top drie cirkels). Het geheel is gevat in een hoge spitsboognis met een fors hol profiel in de dagkant, per geleding aan weerszijden geflankeerd door een smalle spitsboognis. Tegen de noordgevel staat de vijfzijdige traptoren, met een plint en twee hoge en één lage geleding met spitsje. De traptoren heeft spleetvensters en reikt tot in de derde geleding van de toren.
Het INTERIEUR van het schip heeft bakstenen spitsboogvormige scheibogen op bakstenen kruispijlers. De pijlers gaan zonder een kapiteel over in de bogen. Het voorste deel van de pijlers is langs de schipwand doorgetrokken tot aan de aanzet van de schenkels (gordelbogen) van het tongewelf. Hier wordt de pijler wel door een bladkapiteel afgesloten. De schipwand heeft een driedelige opstand, bestaande uit de arcade, een vlakke strook tussen horizontale lijsten en de lichtbeuk met per travee vier bakstenen lancetvensters. De boogzwikken en het muurvlak boven de arcade (triforiumzone) zijn gepleisterd en voorzien van religieuze schilderingen. De andere delen zijn in schoon werk uitgevoerd met gebruikmaking van gekleurde baksteen, verwerkt in banden op de pijlers en blokjespatronen op de bogen. De lichtbeuk sluit af met een bakstenen spitsboogfries en reeksen uitkragende bakstenen, waarop de voorlijst van het gewelfbeschot rust. Tegen pijlers is een natuurstenen console met bladversiering geplaatst, waarop een gipsen beeld is geplaatst. De gordelbogen en ribben van de zijbeukgewelven worden opgevangen op natuurstenen kraagstenen, versierd met bladwerk. In de wanden van de zijbeuken bevinden zich ingebouwde biechtstoelen, waarvan de deuren nog deels aanwezig zijn. Het kruisribgewelf en straalgewelf van het koor is ook in steen uitgevoerd. De bakstenen ribben worden opgevangen op bakstenen colonnetten met bladkapitelen. De triomfboog met omliggend muurwerk is aan schipzijde geheel gepleisterd en beschilderd met als centraal element het Lam Gods (aanbidding van het Lam). De sacristie, die vanaf het priesterkoor toegankelijk is, heeft een ingebouwde paramentenkast. Onder het verhoogde priesterkoor bevindt zich nog de originele betegelde vloer.
De kerk heeft nog een zeer gaaf bewaard gebleven interieur, in hoofdzaak daterend uit rond 1900 met enkele oudere interieurelementen. - De PREEKSTOEL is barok, uit het eerste kwart van de 18e eeuw.
- Het ORGEL is éénklaviers, in 1777 gemaakt door A.F.G. Heyneman. In 1847 verbouwd door A.A. Kuerten, waarschijnlijk is toen ook de kas gemaakt door H. Weitjens. In 1981 is het orgel gerestaureerd door Verschueren Orgelbouw.
- Het rijk gedecoreerde BANKENPLAN in neogotische stijl stamt uit de bouwtijd. Een groot deel van het interieur is, soms naar ontwerp van C. Franssen uitgevoerd door de begaafde beeldhouwer H. van der Geld uit 's-Hertogenbosch.
- HOOGALTAAR (neogotiek, hout met stenen mensa, ontwerp C.J.H. Franssen, gesigneerd H. van der Geld, 1900, gepolychromeerd in 1919) ;
- MARIA-ALTAAR (neogotiek, ca. 1897 - 1898, Roermonds atelier ?) ;
- JOSEF-ALTAAR (neogotiek, ca. 1897 - 1898, Roermonds atelier ?) ;
- In het celebratiealtaar zijn delen van de vroegere COMMUNIEBANK verwerkt. (H. van der Geld, 1900, neogotiek) ;
- DOOPVONT (geel koper, omstreeks 1800) ;
- Twee BEELDEN (een Caecilia, oorspronkelijk waarschijnlijk een Maria en de apostel Andreas), uit 1850 - 1860, 150 cm hoog. Afgeloogd hout ;
- Twee BEELDEN, eikenhout, H. van der Geld, 1919, voorstellende Anna (51 cm) en Victor (52 cm).
- Negen gipsen BEELDEN tegen pijlers middenschip en in triomfboog, neogotiek, onbekend atelier (Petrus, Paulus, Anna, Jozef met Kind, Embrasse, Antonius van Padua, Gerardus Majella, H. Hart van Jezus en H. Hart van Maria) ;
- MISSIEKRUIS (kruisbeeld van 100 cm hoogte, gepolychromeerd hout uit 1856) ;
- Polychromie op tongewelf uit 1898 door Guillaume Deumens uit Venlo. Symbolische voorstellingen van eucharistie en goddelijke en kardinale deugden ;
- Schilderingen op wanden, uitgevoerd in 1902 door M.H. van Winsten uit Warmond en Van de Wiel, kerkschilders uit Stratum, met voorstellingen uit de jeugd en openbare leven van Christus en verder scènes uit het leven van Maria en haar verheerlijking. De boogzwikken zijn beschilderd met wierokende engelen en ranken met tekstbanderollen. Feestgeschenk voor de jubilerende pastoor. De schilderingen zijn met behulp van sjablonen aangebracht ;
- KRUISWEG, veertien staties op doek, door H. Sneltens uit Sittard geschilderd in 1901 (kopie van een Antwerpse kruisweg uit derde kwart 19de eeuw van Louis Hendriks) ;
- Gebrandschilderd glas (in totaal zeven stuks) uit 1912 en 1914 van atelier F. Nicolas en zonen uit Roermond in de koorvensters. De ramen bevatten twee voorstellingen ui het Oud-Testament als voorafbeelding van een tevens in elk raam weergegeven voorstelling uit het Nieuw-Testament. In de cirkel in de venstertoppen is een symbolische voorstelling opgenomen van een dierfiguur of monogram. - Drie vensters in koorsluiting uit 1912 en geplaatst in 1913 : - Geboorte, Mozes gevonden in de Nijl, brandend braambos, leeuw in de top ; - Kruisiging, offer van Isaac, koperen slang, pelikaan in de top ; - Verrijzenis, Samson draagt deuren van Gaza, Jonas uitgespuwd door de walvis, phoenix in de top.
Vier vensters uit 1914 in koortravee en aansluitende sluitingszijden : - Annunciatie, zondeval van Eva, lamsvel van Gideon, God de Vader met Alpha en Omega in de top ; - Visitatie, fioxenie van Abraham, Samuel, Eli en Hanna in de tempel, Maria Monogram in de top ; - Hemelvaart van Christus, Tobias geleid door Engel, Elia vaart ten Hemel, Jezus Monogram in de top ; - Pinksteren, Mozes ontvangt de wetstafelen, Elia verslaat op de berg Karmel de Baälpriesters (vuur uit hemel op altaar van Elia), Geestesduif in de top ;
- Wandarmaturen, zeven stuks tegen de pijlers van het schip, en twee driearmige tegen de voorwand van het priesterkoor, geel koper, omstreeks 1900 neogotiek ;
Aan de westzijde en deels aan de noordzijde wordt het terrein afgesloten door een eenvoudig smeedijzeren HEKWERK, met aan de Kerkstraat bakstenen pijlers. Tussen twee van deze pijlers bevindt zich een smeedijzeren poort.
Waardering
R.K. SINT-ANDREASKERK uit 1895 - 1896
- Van architectuurhistorische waarde als een goed en gaaf bewaard voorbeeld van een neogotische dorpskerk, met een fraaie karakteristieke toren gebouwd naar een ontwerp van C.J.H. Franssen, en van beland voor het oeuvre van de architect. Het fraaie en zeer gave interieur bevat daarnaast zeer waardevolle elementen, waaronder een 18de eeuwse preekstoel, een 18de eeuws orgel, altaren van de vermaarde beeldhouwer H. van der Geld naar een ontwerp van C.J.H. Franssen, glas-in-lood van het atelier Nicolas en zonen, schilderingen op het houten gewelf en wanden en inventaris.
- Van stedebouwkundige waarde door de karakteristieke situering van de kerk, zonder twijfel het meest bekende en opvallendste gebouw in het dorp Weurt, gelegen in het oude dorpshart van Weurt aan de zuidzijde van de dijk van de rivier de Waal. Het kerkgebouw bepaalt met haar markante silhouet met forse toren met naaldspits het beeld in deze nog in historisch opzicht gave en waardevolle omgeving. De kerk met kerkhof en naast gelegen pastorie maken deel uit van de oude historische structuur van de dorpskern, die ter plaatse nog vrij gaaf bewaard is gebleven.
- Van cultuurhistorische waarde als een voorbeeld van een oude dorpskerk die een grote rol gedurende de eeuwen in het leven van het dorp heeft gespeeld. Vanuit de kerk zijn diverse gebouwen gesticht en instellingen ondersteund, zoals het klooster en de school, beide gelegen aan de Pastoor van der Marckstraat. Ook in het persoonlijke leven van veel inwoners speelde of speelt de kerk een bepalende rol. De huidige kerk staat op een terrein dat al sinds eeuwen in gebruik is voor religieuze doeleinden en fungeert als een tastbare herinnering voor alle gebeurtenissen uit het verleden, waarin de kerk zowel op algemeen als persoonlijk niveau een rol heeft gespeeld. De geschiedenis van deze religieuze plaats gaat zeker terug tot de 13de eeuw (de Weurtse kapel stamt uit deze tijd) en het terrein is derhalve ook in archeologisch opzicht van groot belang.
Cultuurhistorische omschrijving
Het was de tijd van het "Rijke Roomse Leven", waarvan ook het dorp Weurt profiteerde. De gebruikte bouwstijl was tot omstreeks 1910 bijna uitsluitend de neogotiek, de "revival" van de katholieke stijl bij uitstek uit de middeleeuwen: de gotiek. Ook C.J.H. Franssen bouwde in neogotische stijl en hanteerde deze stijl in diverse dorpen tot omstreeks 1915, toen de neogotiek in de steden reeds over haar hoogtepunt heen was. In navolging van zijn leermeester dr. P.J.H. Cuypers inspireerde hij zich vooral op de vroege Franse gotiek (een zeer goed voorbeeld hiervan is zijn R.K. kerk te Bergharen) en week daar in tegenstelling tot dr. P.J.H. Cuypers zelf gedurende zijn loopbaan maar moeilijk vanaf. Soms echter liet hij ook elementen uit streekeigen gotische stijlen in zijn ontwerpen toe, zoals de invloeden van de Nederrijnse gotische torenbouw, welke hij verwerkte in zijn torenontwerpen voor Weurt en Beuningen. De toren van Weurt bezit typische Nederrijnse elementen, zoals de steunbeerloze opbouw (alleen vlakke hoeklisenen) in een viertal kubusvormige elementen (geledingen), waarvan de gevelvlakken met spitsboognissen zijn versierd. Een zeer herkenbaar Nederrijns element is verder het "vensternisportaal", waarbij het portaal met bovenlicht en een spitsboogvenster in de geleding daarboven tezamen zijn gevat in één hoge spitsboognis. De eerste twee geledingen vormden bij Nederrijnse torens veelal inwendig een grote, hoge door een stenen gewelf overdekte torenhal, waardoor een tegen de buitengevel gebouwde traptoren nodig was om de geledingen en spits boven dit gewelf te kunnen bereiken. Franssen plaatste de traptoren tegen de noordgevel van de toren.
Toen de parochie aan het einde van de negentiende eeuw, mede door de vestiging van een steenfabriek, bleef groeien, besloot pastoor F. Verhees de kerk te laten uitbreiden. Franssen werd aangetrokken om het geheel te ontwerpen. Eerst werd de koorpartij en twee schiptraveeën tegen de oude kerk aangebouwd. In 1895 werd hiermee begonnen en hetzelfde jaar was dit karwei gereed. Men besloot de kerk volgens ontwerp van Franssen verder af te bouwen en het gehele schip was voltooid in 1897. De kleine middeleeuwse toren (15de eeuws) bleef nog een tijdje staan, omdat sloop in aanvang geweigerd werd. Deze bakstenen toren had drie geledingen, waarvan de tweede geleding in de noord- en zuidgevel een spitsboognis met bakstenen vorktracering bezat. In de bovenste geleding werd dit motief met meer diepte en reliëf herhaald in drie gevelvlakken. In deze nissen waren twee rondboogopeningen als galmgaten uitgespaard. De toren had een (later verbouwd) vensternisportaal, zich over anderhalve geleding uitstrekkend en sloot af met een ingesnoerde naaldspits, met op de daklijst vierkante wijzerplaten. De inwendige torenhal sloot af met een kruisribgewelf. De spits van deze toren reikte tot aan de nok van het nieuwe schipdak en stond één meter voor de sluitgevel van het nieuwe schip, een situatie die op foto is vastgelegd.
Uiteindelijk mocht men deze kleine, markante toren slopen en vervangen door een meer bij het gebouw passende toren. In 1898 werd deze ook door Franssen ontworpen toren toegevoegd. De kerk werd op 12 september 1898 gewijd.
De kerk kon mede tot stand komen door de steun van de Weurtse gefortuneerde families, zoals Burgers, Daamen en Braam. Met name de baksteenfabrikanten, gebroeders Burgers hebben een grote rol gespeeld in Weurt en omgeving. Zij lieten verscheidene villa's bouwen of verbouwen (o.a. aan de Jonkerstraat) en schonken de stenen voor de bouw van de kerk, klooster en school. Op het kerkhof rechts voor de kerk liggen leden van deze invloedrijke families begraven (zie aparte beschrijving).
Zowel voor hun kerken als voor andere bouwprojecten hanteerden de laat 19de eeuwse bouwmeesters vaak standaardmodellen. P.J.H. Cuypers had in aanvang als ideaal het Franse kathedraaltype, een kruisbasiliek met kooromgang en straalkapellen, liefst met tweetorenfront, dat hij door schaalverkleining ook hanteerde bij kleinere kerken. Ook C. Franssen ontwikkelde gaandeweg standaardtypen, zowel voor kerken als voor kloosters. Zo weten we dat Franssen bijvoorbeeld het klooster te Bergharen ontworpen heeft. Waarschijnlijk hebben we hier te maken met een standaardtype van Franssen, vanwege de grote overeenkomst in opzet en uitvoering met kloosters in plaatsen als Weurt, Nederasselt en Winssen. Bij de kerkenbouw hanteerde Franssen in aanvang, afhankelijk van de beschikbare budgetten, wel verschillende typen kerken, waaronder ook kathedraalachtige ontwerpen met twee torens zoals in Cuyk. Voor de minder draagkrachtige parochies ontwikkelde hij echter al spoedig een opzet die bij vele kleinere dorpskerken is toegepast; namelijk een transeptloos, driebeukig basilikaal schip met éénbeukig koor met nevenruimten en één westtoren met een naaldspits. Schip en zijbeuken werden van licht voorzien door lancetvensters, veelal gekoppeld uitgevoerd in tripletten (groepjes van drie getrapt uitgevoerde vensters) of dubbele en viervoudige lancetten, zoals in Weurt. De kerken van bijvoorbeeld Beers, Horssen, Weurt, Beuningen en Nederasselt zijn van dit type. Het zijn zeer doelmatig gebouwde dorpskerken, die ook in het silhouet van het dorp een bepalende rol spelen.
English translation
The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com
Description
Introduction
Roman Catholic neo-Gothic village CHURCH from the end of the 19th century. The church was built in phases in 1895-1896 according to the design of C.J.H. Franssen on the site of the former Weurt Andreas Chapel. Pastor J. van der Marck was, as mentioned on the foundation stone, also involved in the construction. The church was consecrated on 12 September 1898. In 1898 the tower, also designed by Franssen, was added. The church is characteristically situated on a churchyard, which encloses the church. On the west and north sides the grounds are enclosed by simple wrought-iron FENCING.
The church possesses valuable liturgical vessels and furnishings.
Description
The R.C. SINT-ANDREASKERK is constructed in machine-made brick in English bond with natural stone for the cornices, mouldings and buttress cappings. The roofs and spire are covered with Fourgeau slate in Maas bond. The church has a three-aisled basilical nave of five bays, a 5/8 closed single-aisled choir with adjoining rooms and a slender west tower with four storeys and a constricted needle spire. Against the north wall of the tower stands a five-sided stair tower, which reaches to and including the third storey and closes there with a small spire. The side aisles are straight closed on the east and west sides and are covered with a half-hipped roof. The nave is slightly wider than the tower and has a gabled roof, with spout gables at the junction with the tower and at the transition to the choir. The choir has a slightly lower hipped roof with an iron cross at the ridge end. The nave roof and choir roof are provided with roof dormers with a shutter and a two-sided closed hipped roof with a finial at the ridge end. The tower spire has four roof dormers with a shutter and a gable and cornerwise four-sided small spire. Both rectangular adjoining rooms of the choir have a hipped roof. The church building has buttresses on the side aisles and choir, which project at the height of the plinth and window sills - in the choir also halfway up the windows. The cornices are topped with natural stone slabs. The walls of the side aisles and clerestory feature, at the top, tooled false arch friezes and double projecting dog-tooth mouldings. The clerestory of the nave has, in addition, above it a tooled false arch frieze. Below the drip mouldings of the windows in the side aisles and choir is further a brick block-tooth moulding. The adjoining rooms of the choir have pilasters and, at the top, a block-tooth moulding and projecting double dog-tooth mouldings. The gutter mouldings are clad with slate.
The nave of the aisle has no buttresses, but pilasters (in fact forming part of the cross-shaped pillar cores of the interior). Because the nave has a wooden pointed-arch barrel vault, buttresses and/or flying buttresses were not necessary. The side aisles and choir have stone cross-ribbed vaults and therefore also have buttresses. Per bay the clerestory of the nave has four coupled pointed-arch windows. The side aisles have per bay two pointed-arch windows. The end walls of the side aisles on either side of the tower have a pointed-arch window, flanked on either side by a buttress and in the gable top three stepped executed pointed-arch recesses with a shared cornice with block-tooth moulding. The end gable of the nave has on either side of the tower a narrow pointed-arch recess and in the base of the gable top two stepped executed pointed-arch recesses with cornice with block-tooth moulding. Both side aisles have in the fourth bay (counted from the tower) in the lower section a projecting brick confessional room with blank wall closed by a block-tooth moulding and gutter moulding with slate cladding.
The choir has per bay a tall pointed-arch window with two-part brick tracery of a high-Gothic type (first occurring in Reims Cathedral), with two lancets and a circle in the top. This type of tracery is still executed without foils. Of the two rectangular adjoining rooms on either side of the choir, in the extension of the side aisles, the northern is of more recent date and simpler in execution. Both outbuildings have a hipped roof covered with slate in Maas bond, with in the eastern slope a roof dormer with shutter and a gabled roof transitioning into a cornerwise placed four-sided small spire with ridge finial. In the east gable of both rooms is a door under a segmental arch with tooled arch drum (decorative brickwork, executed in the sacristy on the south side in brown and yellow brick). The clamped door of the sacristy has decorative ironwork. The sacristy has further in the two bays broad south gable per bay two coupled pointed-arch windows with a natural stone cornice and drip moulding. The central pilaster of this gable continues above the roofline in optical effect in a brick chimney which tapers with at the transition hardstone capping slabs. At the top the chimney has an eight-sided finial, springing from a hardstone base. The storage room on the north side has in the north gable per bay only one pointed-arch window with brick weathering sill. The choir is slightly narrower than the nave. Noteworthy are the flues installed at a later stage (at the same time as the northern adjoining room?) which rise in the corners between nave and choir and close with a chimney, while branches run along the choir roof against the end gable of the nave and meet above in a chimney. The brickwork of the end gable of the nave is partly incorporated in these channels. The bases of the end gable with natural stone saddle ridge just protrude from the flues. The tower has on the corners pilasters which above are interconnected below the roofline by brick friezes.
The tower has four storeys on a low brick plinth, closed with a hardstone drip moulding. The gable surfaces of the various storeys of the tower are decorated with three pointed-arch recesses, of which the central one is executed wider with brick two-part tracery (two lancets and an oculus). These central recesses also have narrow light slits. The recesses have a shared natural stone cornice, which also serves as a division of the various storeys. These mouldings do not extend over the corner pilasters. These pilasters run uninterrupted up to the spire. The recesses in the fourth storey are open and serve as sound holes with in the central recess at the top a round clock face of the clock mechanism. Here is located a mechanical TOWER CLOCK by B. Eysbouts, Asten., later provided with electric winding, in the original, somewhat modified case. The window recess portal in the west gable extends over two storeys and has a passage with double clamped door with decorative ironwork under a natural stone lintel with a pointed-arch shaped fanlight with a three-part brick lancet-tracery. Then follows a hardstone drip moulding with a strip of four tooled rectangular recesses, closed by a hardstone cornice and finally in the second storey a pointed-arch window with four-part brick tracery (four lancets with in the top three circles). The whole is set in a tall pointed-arch recess with a substantial hollow moulding in the edge, per storey flanked on either side by a narrow pointed-arch recess. Against the north gable stands the five-sided stair tower, with a plinth and two tall and one low storey with small spire. The stair tower has slit windows and reaches into the third storey of the tower.
The INTERIOR of the nave has brick pointed-arch shaped transverse arches on brick cross pillars. The pillars pass without a capital into the arches. The front part of the pillars is carried along the nave wall to the base of the ribs (vault ribs) of the barrel vault. Here the pillar is closed by a foliage capital. The nave wall has a three-part elevation, consisting of the arcade, a flat strip between horizontal mouldings and the clerestory with per bay four brick lancet windows. The arch spandrels and the wall surface above the arcade (triforium zone) are plastered and provided with religious paintings. The other parts are executed in finished brickwork using coloured brick, worked in bands on the pillars and block patterns on the arches. The clerestory closes with a brick pointed-arch frieze and series of projecting bricks, on which rests the front edge of the vault cladding. Against pillars is placed a natural stone console with foliage decoration, on which a plaster figure is placed. The vault ribs and ribs of the side aisle vaults are received on natural stone corbels, decorated with foliage. In the walls of the side aisles are built-in confessionals, of which the doors are still partly present. The cross-ribbed vault and radiant vault of the choir is also executed in stone. The brick ribs are received on brick small columns with foliage capitals. The triumphal arch with surrounding brickwork is completely plastered on the nave side and painted with as central element the Lamb of God (adoration of the Lamb). The sacristy, accessible from the priest's choir, has a built-in vestment cabinet. Below the elevated priest's choir is still the original tiled floor.
The church has a very well-preserved interior, dating mainly from around 1900 with some older interior elements. - The PULPIT is Baroque, from the first quarter of the 18th century.
- The ORGAN is single-manual, made in 1777 by A.F.G. Heyneman. In 1847 rebuilt by A.A. Kuerten, probably the case was also made by H. Weitjens at that time. In 1981 the organ was restored by Verschueren Orgelbouw.
- The richly decorated neo-Gothic style PEW PLAN dates from the time of construction. A large part of the interior was executed, sometimes according to designs by C. Franssen, by the gifted sculptor H. van der Geld from 's-Hertogenbosch.
- HIGH ALTAR (neo-Gothic, wood with stone mensa, design C.J.H. Franssen, signed H. van der Geld, 1900, polychrome painted in 1919) ;
- MARIA ALTAR (neo-Gothic, c. 1897 - 1898, Roermond workshop ?) ;
- JOSEPH ALTAR (neo-Gothic, c. 1897 - 1898, Roermond workshop ?) ;
- In the celebrant's altar are incorporated parts of the former COMMUNION RAIL. (H. van der Geld, 1900, neo-Gothic) ;
- FONT (yellow copper, circa 1800) ;
- Two FIGURES (a Caecilia, originally probably a Maria and the apostle Andreas), from 1850 - 1860, 150 cm high. Carved wood ;
- Two FIGURES, oak wood, H. van der Geld, 1919, representing Anna (51 cm) and Victor (52 cm).
- Nine plaster FIGURES against pillars nave and in triumphal arch, neo-Gothic, unknown workshop (Peter, Paul, Anna, Joseph with Child, Ambrose, Anthony of Padua, Gerard Majella, Sacred Heart of Jesus and Sacred Heart of Mary) ;
- MISSION CRUCIFIX (crucifix of 100 cm height, polychrome painted wood from 1856) ;
- Polychrome on barrel vault from 1898 by Guillaume Deumens from Venlo. Symbolic representations of eucharist and divine and cardinal virtues ;
- Paintings on walls, executed in 1902 by M.H. van Winsten from Warmond and Van de Wiel, church painters from Stratum, with representations from the youth and public life of Christ and further scenes from the life of Mary and her glorification. The arch spandrels are painted with censing angels and vines with text scrolls. Festival gift for the jubilant pastor. The paintings were applied using stencils ;
- WAY OF THE CROSS, fourteen stations on canvas, painted by H. Sneltens from Sittard in 1901 (copy of an Antwerp way of the cross from third quarter 19th century by Louis Hendriks) ;
- Stained glass (seven in total) from 1912 and 1914 from workshop F. Nicolas and sons from Roermond in the choir windows. The windows contain two representations from the Old Testament as a prefiguration of a representation also depicted in each window from the New Testament. In the circle in the window tops a symbolic representation is included of an animal figure or monogram. - Three windows in choir closure from 1912 and placed in 1913 : - Nativity, Moses found in the Nile, burning bush, lion in the top ; - Crucifixion, sacrifice of Isaac, bronze serpent, pelican in the top ; - Resurrection, Samson carries the gates of Gaza, Jonah spewed out by the whale, phoenix in the top.
Four windows from 1914 in choir bay and adjoining closure sides : - Annunciation, fall of Eve, fleece of Gideon, God the Father with Alpha and Omega in the top ; - Visitation, hospitality of Abraham, Samuel, Eli and Hannah in the temple, Maria Monogram in the top ; - Ascension of Christ, Tobias led by Angel, Elijah carried to Heaven, Jesus Monogram in the top ; - Pentecost, Moses receives the stone tablets, Elijah defeats on Mount Carmel the priests of Baal (fire from heaven on altar of Elijah), Spirit Dove in the top ;
- Wall sconces, seven against the pillars of the nave, and two three-armed against the front wall of the priest's choir, yellow copper, circa 1900 neo-Gothic ;
On the west side and partly on the north side the grounds are enclosed by simple wrought-iron FENCING, with brick pillars on Kerkstraat. Between two of these pillars is located a wrought-iron gate.
Evaluation
R.C. SINT-ANDREASKERK from 1895 - 1896
- Of architectural-historical value as a good and well-preserved example of a neo-Gothic village church, with a fine characteristic tower built according to a design by C.J.H. Franssen, and of importance for the oeuvre of the architect. The fine and very well-preserved interior furthermore contains very valuable elements, including an 18th-century pulpit, an 18th-century organ, altars by the renowned sculptor H. van der Geld according to a design by C.J.H. Franssen, stained glass by workshop Nicolas and sons, paintings on the wooden vault and walls and furnishings.
- Of urban value through the characteristic situation of the church, undoubtedly the most well-known and striking building in the village of Weurt, situated in the old village centre of Weurt on the south side of the dike of the Waal river. The church building determines with its striking silhouette with substantial tower with needle spire the appearance in this still historically well-preserved and valuable surroundings. The church with churchyard and adjacent parsonage are part of the old historical structure of the village centre, which has been preserved here relatively intact.
- Of cultural-historical value as an example of an old village church which has played a great role throughout the centuries in the life of the village. From the church various buildings were founded and institutions supported, such as the convent and the school, both located on Pastoor van der Marckstraat. Also in the personal lives of many inhabitants the church played or plays a determining role. The present church stands on a site that has been in use for religious purposes for centuries and serves as a tangible reminder of all events from the past, in which the church has played a role both on a general and personal level. The history of this religious place certainly dates back to the 13th century (the Weurt chapel dates from this time) and the site is therefore also of great archaeological importance.
Cultural-historical description
It was the time of the "Rich Catholic Life", from which the village of Weurt also benefited. The architectural style used was almost exclusively neo-Gothic until around 1910, the "revival" of the quintessential Catholic medieval style: Gothic. C.J.H. Franssen also built in neo-Gothic style and employed this style in various villages until around 1915, when neo-Gothic had already passed its peak in the cities. Following his master dr. P.J.H. Cuypers, he drew inspiration especially from Early French Gothic (a very good example of this is his Roman Catholic church at Bergharen) and, in contrast to dr. P.J.H. Cuypers himself during his career, moved away from it only with difficulty. Occasionally, however, he also allowed elements from regional Gothic styles in his designs, such as influences from Lower Rhine Gothic tower construction, which he incorporated in his tower designs for Weurt and Beuningen. The tower of Weurt possesses typical Lower Rhine elements, such as the construction without buttresses (only flat corner lisens) in four cubic elements (storeys), the facade surfaces of which are decorated with pointed arch niches. A very recognizable Lower Rhine element is further the "window-niche portal", where the portal with fanlight and a pointed arch window in the storey above are together framed in one tall pointed arch niche. The first two storeys in Lower Rhine towers frequently formed internally a large, high tower hall covered by a stone vault, which necessitated a staircase tower built against the outer facade to reach the storeys and spire above this vault. Franssen placed the staircase tower against the north facade of the tower.
When the parish continued to grow at the end of the nineteenth century, partly due to the establishment of a brick factory, pastor F. Verhees decided to have the church enlarged. Franssen was engaged to design the whole. First the choir section and two nave bays were built against the old church. This began in 1895 and was completed that same year. It was decided to continue building the church according to Franssen's design and the entire nave was completed in 1897. The small medieval tower (15th century) remained standing for some time, because demolition was initially refused. This brick tower had three storeys, of which the second storey in the north and south facades had a pointed arch niche with brick fork tracery. In the uppermost storey this motif was repeated with more depth and relief in three facade surfaces. In these niches two round arch openings were left out as sound holes. The tower had a (later modified) window-niche portal, extending over one and a half storeys and terminating in a spire with inset, with square clock faces on the roof line. The internal tower hall was closed off with a cross-rib vault. The spire of this tower reached to the ridge of the new nave roof and stood one metre in front of the gable wall of the new nave, a situation that was recorded in a photograph.
Eventually this small, distinctive tower was allowed to be demolished and replaced by a tower more suited to the building. In 1898 this tower, also designed by Franssen, was added. The church was consecrated on 12 September 1898.
The church was able to come about also through the support of the wealthy Weurt families, such as Burgers, Daamen and Braam. In particular the brick manufacturers, the brothers Burgers, played a major role in Weurt and the surrounding area. They had various villas built or renovated (among others on the Jonkerstraat) and donated the bricks for the construction of the church, cloister and school. Members of these influential families are buried in the churchyard to the right of the church (see separate description).
Both for their churches and for other building projects, late 19th-century master builders often employed standard models. P.J.H. Cuypers initially had as an ideal the French cathedral type, a cross basilica with ambulatory and radial chapels, preferably with twin-tower front, which he also used for smaller churches through scaling down. C. Franssen also developed standard types in due course, both for churches and for cloisters. So we know that Franssen, for example, designed the cloister at Bergharen. We probably have here a standard type by Franssen, because of the great similarity in layout and execution with cloisters in places such as Weurt, Nederasselt and Winssen. In church building Franssen initially employed, depending on the available budgets, different types of churches, including also cathedral-like designs with two towers as in Cuyk. However, for the less affluent parishes he soon developed a layout that was applied to many smaller village churches; namely a transept-less, three-aisle basilical nave with single-aisle choir with adjoining spaces and one west tower with a spire. Nave and side aisles were lit by lancet windows, mostly executed coupled in triplets (groups of three stepped windows) or double and fourfold lancets, as in Weurt. The churches of, for example, Beers, Horssen, Weurt, Beuningen and Nederasselt are of this type. These are very efficiently built village churches, which also play a defining role in the silhouette of the village.
Nearby in the register
- Boerderij, Kerkstraat 23Boerderijunder 1 mi
- Boerderij, Pastoor van der Marckstraat 1Boerderijunder 1 mi
- Magazijn, Dijk 5Opslagunder 1 mi
- RoozenburgWoonhuisunder 1 mi
Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.