TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Neboklooster

Nijmegen, Gelderland, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Kerk en kerkonderdeel
Function
Seminarie(F)
Category
onroerend gebouwd
Built
1926 - 1928
Address
Sionsweg 2, 6525 EB Nijmegen (and others)
Place
Nijmegen
Province
Gelderland
Country
Netherlands
Coordinates
51.81194, 5.88449
Part of complex
522982
Monument number
522983

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

University Library, Vrije Universiteit Amsterdam

2 historical maps cover this location, the earliest the 1922 map "Bl. 26 Nijmegen, 1922" (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

Het KLOOSTERGEDEELTE, dat plaats bood aan de leraren en dienst deed als studiehuis, bestaat uit drie vleugels die een binnenhof omsluiten, waarvan de vierde vleugel wordt gevormd door de kerk. De vleugels hebben een rechthoekig grondplan met uitspringende hoekpaviljoens op de zuidoostelijke en de zuidwestelijke hoek. Het studiehuis heeft een souterrain, drie bouwlagen en een zolderverdieping onder lage overstekende schilddaken met rode Gotische pannen en mastgoten. In de dakschilden van de hoekpaviljoens bevinden zich dakkapellen met schilddakjes en drie ramen, in de dakschilden van de vleugels zijn driehoekige dakkapellen met halfronde 3-ruits raampjes aangebracht.

De gevels zijn grotendeels opgetrokken uit geelgrijze baksteen, gemetseld in kruisverband. Het basement bestaat echter uit onregelmatige blokken zandsteen, cyclopisch muurwerk, dat wordt afgesloten met een band van rechthoekige blokken. Ter hoogte van de vensters van de derde bouwlaag zijn de gevels gepleisterd en met een kam van een golfmotief voorzien. De vensters in het basement en de derde bouwlaag zijn recht afgesloten, terwijl de vensters in de eerste en de tweede bouwlaag een rondboogvormige afsluiting hebben. De vensters in het gepleisterde fries hebben een omlijsting van schoon metselwerk. De meeste vensters zijn tweelichtvensters, bestaande uit twee gekoppelde rondboogvensters, die in de eerste bouwlaag ook nog eens door een enkele boog worden overspannen. De zwikken zijn hier gepleisterd. De gemetselde deelpijlertjes van de tweelichtvensters hebben een zandstenen kraagsteentje onder de boogaanzet. De vensters hebben inspringende dagkanten, hardstenen lekdorpels en meerdelige stalen ramen, die in de eerste, tweede en derde bouwlaag zijn voorzien van glas-in-lood.

De asymmetrisch ingedeelde VOORGEVEL heeft aan de linkerzijde een uitspringend hoekpaviljoen en sluit rechts aan op de zijgevel van de kerk. De voorgevel van de oostvleugel telt achteneenhalve vensteras, waarbij de ingangspartij twee vensterassen beslaat. De oostgevel van het hoekpaviljoen heeft drie vensterassen. De ingangspartij in de eerste bouwlaag bestaat uit dubbele houten paneeldeuren in een tufstenen portaal met een zandstenen latei en een gebeeldhouwd timpaan met een voorstelling van een schild met een kruis met de kruisigingsattributen, geflankeerd door twee monogrammen "JS" en "MA" (Johannes en Maria) en een alziend oog omgeven door een olijftak en een eikentak en in de eerste rij tufstenen boogstenen hierboven een kroon en het gebeeldhouwde opschrift: "Copiosa apud eum redemptio", "overvloedig bij hem de verlossing". De deur is bereikbaar via een trap met tien treden en een bordes. De trap wordt geflankeerd door twee oplopende muurtjes, die beneden en boven zijn voorzien van grote ronde stenen bollen, ook wel "stuyters" genoemd, omdat ze door architect Stuyt veelvuldig werden toegepast. Vleugel en hoekpaviljoen zijn afgezien van de derde bouwlaag op dezelfde wijze gedetailleerd. De vensters van de vleugel zij hier recht gesloten en die van het paviljoen rondboogvormig. De gevel van het hoekpaviljoen is iets hoger opgetrokken en de gepleisterde band begint pas bij de boogaanzet van de vensters van de derde bouwlaag. Boven deze vensters is een tableau in groene, gele en witte tegels aangebracht met het opschrift: "Alfonso duce et auspice", "Alphonsus voorganger en leidsman".

De LINKER ZIJGEVEL heeft zeven vensterassen in de vleugel, vier vensterassen in het rechter en drie in het linker hoekpaviljoen. De gevels zijn op dezelfde wijze vormgegeven als bij de voorgevel. De hoekpaviljoens hebben in de aan de linker vleugel grenzende vensteras, boven het souterrain vier vensters boven elkaar i.p.v. drie, omdat zich hier achter trappenhuizen bevinden.

De ACHTERGEVEL heeft zes vensterassen in de vleugel en drie in het hoekpaviljoen en is op dezelfde wijze vormgegeven als de voorgevel. In het hoekpaviljoen bevindt zich in het midden een dubbele tuindeur met 9-ruits bovenlicht in een enkele malen terugspringende bakstenen omlijsting. Voor de deur ligt een bordes, dat toegankelijk is via enkele treden, die worden geflankeerd door oplopende muurtjes met ronde, stenen bollen. In het gepleisterde fries van het hoekpaviljoen is een tegeltableau opgenomen met het opschrift: "Unitrinoque gloria", "d.m.v. Eén- en drievoudige glorie". Het tableau wordt geflankeerd door twee ruitvormige tableaus met monogrammen.

De GEVELS van de oost-, de zuid- en de westvleugel hebben aan de zijde van de Kloosterhof resp. acht, zeven en zeven vensterassen. In de oostgevel liggen de vensters echter dichter bij elkaar. De drie gevels zijn op dezelfde wijze vormgegeven. Het souterrain is opgetrokken in baksteen en heeft gepaarde vensters met 2-ruits ramen. De eerste bouwlaag heeft rondboogvensters met driedelige ramen en bovenlichten en een zandstenen tracering. De rondbogen worden afgesloten met dubbele rollagen. Hieronder springen de dagkanten tweemaal in. In de tweede bouwlaag bevinden zich drielichtvensters met stenen deelpijlertjes en kraagsteentjes onder de bogen. Ook hier springen de dagkanten tweemaal in. De derde bouwlaag heeft in het gepleisterde fries gekoppelde rechthoekige vensters met 2-ruits ramen in een omlijsting van schoon metselwerk. De vensters zijn voorzien van groene glas-in-lood ramen en lekdorpels die bestaan uit rode tegels. In het midden van de zuidvleugel bevindt zich een ingangsportaal met een dubbele deur, een zandstenen latei op kraagsteentjes en een driedelig bovenlicht met zandstenen tracering. De deur is toegankelijk via een dubbele trap met een bordes en een gemetselde balustrade die is voorzien van een blinde rondboog en vier "stuyters". De noordelijke vleugel van de kloosterhof wordt gevormd door de kerk. Aansluitend aan de kerk bevinden zich in de noordelijke vleugel ook vertrekken die bij het klooster en bij het seminarie horen. Achter de kerk bevindt zich boven de sacristie de zogenaamde congregatiekapel of oratorium. In het verlengde van de congregatiekapel bevindt zich de voormalige bibliotheek met daaronder de keuken en daarboven de studentenkapel, thans beiden in gebruik bij de Hogeschool. In het midden van de kloosterhof bevindt zich een vijver in een overhoeks geplaatst, gemetseld vierkant met gemetselde bloembak of fontein in het midden. Het INTERIEUR verkeert grotendeels in oorspronkelijke staat. De indeling is behouden. Rond de drie zijden van de kloosterhof bevindt zich een overwelfde kloostergang met kruisgewelven van gele baksteen en gordelbogen van rode baksteen. Aan de kloostergang liggen gemeenschappelijke ruimtes zoals de refter met eikenhouten lambrisering en een houten plafond tussen gemetselde gordelbogen. Aan de voorzijde loopt langs de kloostergang de bezoekersgang waaraan de spreekkamers liggen. Hierboven liggen de gastenkamers. Daarnaast liggen op de eerste en de tweede verdieping resp. de kamers van de paters en de kamers van het broedernoviciaat met een eigen kapel en recreatieruimte. In de hoekpaviljoens bevinden zich de trappenhuizen met twee-armige bordestrappen met granieten treden en houten leuningen met geprofileerde handlijsten. De traptreden naar de tweede verdieping zijn van hout. De vloeren zijn belegd met zwarte, witte en gemêleerd grijze tegels. in de vestibule ligt een tegelvloer met meandermotieven in wit, geel en zwart. De lambrisering bestaat uit blauw geglazuurde tegels.

Het JUVENAAT, waarin het kleinseminarie en internaat waren ondergebracht, bestaat uit drie vleugels en vormt met de kerk (de vierde vleugel) de rechter carré van het kloostercomplex. De vleugels zijn gegroepeerd rondom een tuin met eenvoudige aanleg. De rechtervleugel steekt door naar achteren. De vleugels bestaan uit drie bouwlagen onder een met rode gotische pannen gedekt schilddak. Het dak van de rechtervleugel bevat een lichtkap over driekwart van de nok. Onder deze lichtkap bevonden zich oorspronkelijk de slaapzalen van het seminarie. De naar buiten gekeerde gevels hebben een plint van ruwe brokken zandsteen, afgedekt met een rij rechthoekig behakte blokken zandsteen. De gevels naar het binnenhof hebben een plint van baksteen, eveneens afgedekt met een rij rechthoekig behakte blokken zandsteen. Het bovenste deel van de gevels aan zowel de buitenzijde als de zijde van het binnenhof is van af de onderdorpel van de vensters aldaar gepleisterd. Ter hoogte van de onderdorpels van de vensters op de begane grond en de verdieping van het binnenhof bevindt zich een band met baksteen in zigzag-verband met daartussen gepleisterde driehoekjes. Ter hoogte van de kalven van dezelfde vensters bevindt zich een steens rollaag.

De asymmetrisch ingedeelde VOORGEVEL bevat rechts de risalerende rechtervleugel van het carré. De begane grond heeft hier vier tweelichten met 4-ruits stalen rondboogvensters. De verdieping heeft vier 12-ruits stalen rondboogvensters. De zolder heeft driemaal drie gekoppelde enkelruits vensters. Onder deze vensters bevinden zich drie tegeltableaus met tekst in geel op een groene ondergrond, de linker met '19', de middelste met de tekst 'clementis fidei robore consto', de rechter met '28'. Het linker deel van de gevel heeft op de begane grond zes tweelichten met 4-ruits stalen rondboogvensters. De verdieping heeft acht 12-ruits stalen stolpramen met halfrond 4-ruits bovenlicht. De tweede verdieping heeft achtmaal twee gekoppelde enkelruits vensters. Op de overgang van het linker deel van de gevel naar het risalerende deel bevindt zich een trappenhuis, dat wordt gemarkeerd door in hoogte verspringende vensters, bezet met groen glas. Links van het trappenhuis bevindt zich de hoofdentree, bestaande uit een 12-ruits stolpdeur. De deur is gevat in een zandstenen omlijsting met een ontlasting door een rondboog. Het boogveld bevat een beeldhouwwerk, voorstellende Jezus met de 12 apostelen.

De nagenoeg symmetrisch ingedeelde RECHTER ZIJGEVEL bevat ongeveer in het midden een rechthoekige uitbouw van twee bouwlagen, onder een aangekapt schilddak. Rechts van de uitbouw bevat de gevel op de begane grond zeven tweelichten met 4-ruits stalen rondboogvensters, de uitbouw zelf heeft vier dito vensters. De eerste verdieping heeft geheel links twee blindvensters en rechts daarvan vijf 12-ruits stalen stolpramen met halfrond 4-ruits bovenlicht, de uitbouw heeft vier dito vensters. De gevel wordt afgesloten met een band met zeven vijfruits stalen vensters, de uitbouw heeft er vier, maar op een iets lager niveau.

Het gedeelte rechts van de uitbouw heeft zowel op de begane grond als op de eerste verdieping negen 12-ruits stalen stolpramen met halfrond 4-ruits bovenlicht. De gevel wordt afgesloten met een band met negen vijfruits stalen vensters.

De ACHTERGEVEL van de rechtervleugel bevat in het midden een vijfzijdige uitbouw met twee smalle zijden haaks op het gebouw. De uitbouw heeft op de begane grond en de eerste verdieping 12-ruits stalen rondboogvensters. De tweede verdieping heeft tweelichten. De gevel links en rechts van de uitbouw bevat op de begane grond ene entree met gewijzigde deur en 8-ruits bovenlicht. De eerste verdieping heeft een 12-ruits stalen rondboogvenster. De tweede verdieping heeft een tweelicht.

De achtergevel van de achtervleugel bevat links een entree met gewijzigde deur. Boven de deur bevindt zich een plastiek met vijf voorstellingen uit het leven van Jozef. Daarboven bevindt zich een 6-ruits bovenlicht met halfronde bovenzijde. De ramen zijn bezet met glas-in-lood en worden van elkaar gescheiden door bakstenen stijlen en hardstenen kalven. Boven de entree bevat de gevel een venster in de vorm van het hiervoor genoemde bovenlicht. De gevel bevat verder op de begane grond zeven tweelichten met bakstenen tussenstijl en gevat onder één rondboog, op de eerste verdieping zeven 12-ruits stolpvensters met halfronde 4-ruits bovenlichten en op de tweede verdieping. Aan de zijde van de BINNENHOF bevat de zeven vensterassen brede, symmetrisch ingedeelde VOORGEVEL van de achtervleugel op de begane grond in het midden een entree, bestaande uit een dubbele deur met boven een zeer zwaar zandstenen kalf een halfrond drielichtvenster met zandstenen stijlen. De entree wordt aan beide zijden geflankeerd door drie rondboogvensters met 3-ruits onder- en bovenramen met zandstenen stijlen en kalf. De verdieping heeft zeven drielichtvensters met 2-ruits ramen en zandstenen stijlen en kalf. Eén van de vensters is deels gewijzigd. De tweede verdieping heeft zeven enkelruits tweelichtvensters. Eén van de vensters is gewijzigd. De vensters zijn voorzien van een dubbel rij lekdorpeltegels en zijn bezet met groen glas-in-lood. Onder de vensters op de begane grond bevinden zich in de plint telkens twee gekoppelde 2-ruits stalen vensters.

De ACHTERGEVEL van de voorvleugel is vrijwel identiek aan de voorgevel van de achtervleugel. De plint bevat geen vensters, de entree bevindt zich in de derde vensteras van links en de gevel ter hoogte van de tweede verdieping ligt ver terug. Daarvoor bevindt zich dakterras, toegankelijk via een deur geheel links in de gevel.

Tegen de LINKER ZIJGEVEL van de rechtervleugel bevindt zich een uitbouw van twee bouwlagen onder een met rode gotische pannen gedekt schilddak, met op de nokeinden een luchtafvoer. De voorgevel heeft op de begane grond twee 6-ruits halfrond gesloten vensters, bezet met ruitvormig groen glas. De linker zijgevel van deze uitbouw heeft op de begane grond vier 6-ruits halfrond gesloten vensters, bezet met ruitvormig groen glas. De verdieping heeft vijf tweelichten met halfrond gesloten 4-ruits vensters. De achtergevel heeft zowel op de begane grond als de verdieping zes ruits vensters. Links en rechts van de uitbouw bevat de linker zijgevel van de rechtervleugel op de begane grond een rondboogvenster met 3-ruits onder- en bovenramen met zandstenen stijlen en kalf en op de eerste verdieping een drielichtvenster met 2-ruits ramen en zandstenen stijlen en kalf. De tweede verdieping heeft een achttal vijflichten. Het dakvlak bevat over de gehele lengte een lichtstraat met vijflichten.

In de hoek tussen rechter- en achtervleugel bevindt zich een hoog opgaande UITKIJKTOREN, de zogenaamde 'sterrentoren' op rechthoekige grondslag met ertegenaan een ronde traptoren, waarvan de onderzijde ligt op het niveau van de tweede verdieping. De toren rust hier op twee zware consoles.

Het INTERIEUR is - hoewel met demontabele scheidingswanden deels heringedeeld - grotendeels intact. Het bevat onder meer granieten trappen en gangen betegeld met gekleurde tegels in patronen gelegd. De tegels zijn overwegend grijswit en zwart met in de hal accenten in geel. De toiletten hebben oorspronkelijke paneeldeuren en beslag. De voormalige refter heeft nog de oorspronkelijke parketvloer. De draagconstructie bestaat grotendeels uit troggewelfjes op stalen balken, die worden ondersteund door gietijzeren, geklonken kokervormige kolommen. De kap met lichtbeuk boven de rechte vleugel wordt ondersteund door stalen vakwerkspanten met bovenrand in driehoekige vorm en opwaarts gebogen onderrand.

De aan Gerardus Majella gewijde KERK vormt de oost-westelijk gerichte middenas tussen de vleugels waarin het studiehuis is opgenomen en die waarin zich het seminarie bevindt. In het verlengde van de kerk bevinden zich onder meer nog de bij het studiehuis horende congregatiekapel en de studentenkapel. De kerk is vanuit beide kloostervleugels te bereiken, maar heeft als openbare kerk ook een entree aan het oostelijk van het gebouw gesitueerde voorplein. Het op een rechthoekig grondvlak opgetrokken kerkgebouw heeft een basilikale opzet met een aan de zuidoostzijde aangebouwde, naar Italiaanse architectuur verwijzende, 'campanile'. Het kerkgebouw springt ten opzichte van de 'voorgevels' van beide kloostervleugels naar voren (drie traveeën). De vormgeving van het kerkgebouw sluit aan bij die van de kloostervleugels, maar kent een rijker decoratiepatroon. De in baksteen uitgevoerde gevels worden gedecoreerd met in tufsteen, mergel, hardsteen en zandsteen uitgevoerde elementen en afgesloten met zadeldaken die met rode romaanse pannen zijn belegd en zijn voorzien van bakgoten. De heldere structuur aan de buitenzijde weerspiegelt de indeling van het interieur. Het hoge middenschip met zadeldak heeft twee lagere zijbeuken met lessenaarsdaken en eindigt in een iets lager, recht afgesloten, koorgedeelte met een zadeldak en twee korte transeptarmen, waarvan de zijgevels grenzen aan beide kloosterhoven. Het zadeldak van het schip heeft aan de westzijde een klein opzetstuk waarin zich mogelijk een luidklokje bevindt. Aansluitend op koor en transept bevindt zich een smaller en iets lager bouwdeel waarin zich de sacristie (begane grond) en de congregatiekapel (verdieping) bevinden. Aan de zijden van de kloosterhoven is deze smalle vleugel over anderhalve bouwlaag aan elke zijde voorzien van een smalle uitbouw met een zadeldak. Aansluitend op de smallere vleugel bevindt zich, ter breedte van het kerkgebouw, een vierkant torenachtig bouwvolume waarop beide noordvleugels van het kloostercomplex aansluiten. In dit bouwvolume bevinden zich op de begane grond de voormalige keuken, op de verdieping de bibliotheek en op de tweede verdieping de voormalige studentenkapel. Het bouwvolume is iets hoger dan het kerkgebouw en wordt afgesloten door twee elkaar kruisende zadeldaken met in het midden een achtzijdige koepel. De dakschilden hiervan zijn met daktegels bekleed. De top is bekroond met een koperen bol met een spits.

Van het kerkgebouw wordt de VOORGEVEL gedomineerd door de iets vooruitspringende vierkante klokkentoren in de zuidoosthoek waarvan de baksteengevels op de hoeken door verticale natuursteenbanden worden begrensd. In de voorzijde van de toren bevindt zich een eenvoudige toegangsdeur in een iets uitgebouwde, keperboogvormig afgesloten portaalomlijsting waarin boven de deur een kruis is opgenomen. De portaalomlijsting is evenals de zeer hoge borstwering in natuursteen uitgevoerd. De ingang is, evenals de kerkingang rechts, via een aantal hardstenen traptreden te bereiken. Boven de ingang is de klokkentoren aan twee zijden door smalle rondboogvensters in zeven 'geledingen' verdeeld. Elke geleding bevat één, twee of drie sleufvormige rondboogvensters. De vensters verschillen op elke geleding in hoogte, breedte en plaatsing. Aan de achterzijde van de toren zijn vijf geledingen zichtbaar, in de rechterzijgevel drie. De bovenste drie geledingen worden horizontaal gescheiden door natuursteenbanden waarin een keperboogvormig motief is uitgespaard. De bovenste geleding, de klokkenstoel, is open en bestaat aan elke zijde uit drie gekoppelde rondbogen die door twee zuiltjes worden gesteund. Hierboven bevindt zich een fries van zwart-witte tegeltjes dat kenmerkend genoemd kan worden in het werk van architect Stuyt. Het overstekende schilddak met rode pannen heeft een koperen bolbekroning met een kruis. De voorgevel van het kerkschip heeft een centraal rondboogvormig en in natuursteen uitgevoerd portiek met een gedecoreerde omlijsting waarin de tekst: "BIJ MIJ IS OVERVLOEDIGE VERLOSSING" is opgenomen. In het portiek bevinden zich de oorspronkelijke dubbele houten deuren, waarboven zich een halfrond, in mergel uitgevoerd, reliëf bevindt waarop Christus zijn wonden toont. Het geschilderde reliëf werd in 1930 door kunstenaar Piet Gerrits uitgevoerd. Boven de entree bevindt zich een groot roosvenster waarvan de tracering is uitgevoerd als Davidsster en waarvan de omlijsting is voorzien van gedecoreerde banden in natuursteen. Het venster is voorzien van glas-in-loodramen. De baksteengevel wordt afgesloten door een in natuursteen uitgevoerd timpaan met afsluitende profiellijsten en een kruisvormig opzetstuk. In het timpaan zijn in een blauwe tondo door elkaar de letters P en X opgenomen. Aan weerszijden van de tondo bevinden zich twee kleine ronde raampjes. Tegen de voorzijde van de in baksteen gemetselde en door een natuurstenen fries afgesloten gevel van de rechterzijbeuk, bevindt zich een vierzijdige uitgebouwde kapel waarvan het dak met daktegels is belegd. In elke in baksteen uitgevoerde gevelzijde bevinden zich twee gekoppelde rondboogvensters waarboven een doorlopend rondboogfries in natuursteen wordt afgewisseld met mozaïektegels. Tegen de LINKER- EN RECHTER ZIJGEVEL van het schip van de kerk sluiten beide oostelijke kloostervleugels aan. De in baksteen uitgevoerde zijgevels worden verticaal geleed door zes in natuursteen uitgevoerde steunberen waarvan de afzaten met tegels zijn bekleed. De zes steunberen verdelen het schip in vijf traveeën. Iedere travee is, voor zover niet aan het oog onttrokken door de kloosteraanbouw, in de zijbeuk en in het schip voorzien van een smal rondboogvormig afgesloten kerkvenster dat met glas-in-lood is gevuld. Alle vensters hebben een rondboogvormige natuursteenafsluiting met een waterlijst aan de bovenzijde en een tegeldorpel aan de onderzijde. De zijbeukgevels worden afgesloten door een natuurstenen rondboogfries, de schipgevels door een keperboogvormig fries in natuursteen. De korte transeptarmen die tegen het koor aansluiten hebben in de gevels aan de kloosterhof zes rondboogramen van verschillende grootte en worden begrensd door verticale natuursteenbanden. In de kloosterhofgevel van de zuidelijke transeptarm bevindt zich een kruisvormig beeldhouwwerk uit 1939 waarop de Heilige Alfonsus wordt afgebeeld. De geveltoppen zijn voorzien van gedeeltelijk in baksteen uitgevoerd vlechtwerk. Boven de transeptarmen zijn in de zijgevels van het koor, aan elke zijde twee grote ronde vensters aanwezig. Ook de koorgevels zijn afgesloten met een keperboogvormig fries.

Dezelfde detaillering is voortgezet in de smalle vleugel, aansluitend aan de kerk, waarin zich de sacristie en de CONGREGATIEKAPEL bevinden. Beide zijgevels ervan worden aan elke zijde door twee steunberen in drie traveeën van ongelijke grootte verdeeld. De baksteengevels hebben rondboogvensters en ronde vensters met glas-in-lood en een keperboogvormig fries. Aan beide zijden is deze vleugel voorzien van een uitbouw van anderhalve bouwlaag. De aan de kloosterhof grenzende gevels hiervan hebben een indeling die vergelijkbaar is met de gevelindeling van de transeptgevels. Het vierkante bouwvolume dat zich tussen beide westelijke kloostervleugels bevindt, heeft aan de achterzijde een vijfzijdige uitbouw over de gehele bouwhoogte. De bovenste bouwlaag is voorzien van gedecoreerde horizontale en verticale natuursteenbanden en boogfriezen ter accentuering van de gevelhoeken en van de vier topgevels die worden gevormd door de twee elkaar kruisende zadeldaken. In dit gedeelte bevindt zich de STUDENTENKAPEL, voorzien van een vijfzijdig gesloten koor. In de koorgevels zijn in pleisterwerk een kruisvormig en twee ruitvormige motieven aangegeven. De vierkante kapel bevat acht rondboogvormig afgesloten vensters met glas-in-lood en twee grote ronde vensters in de noord- en zuidgevel. Ook deze vensters hebben figuratieve voorstellingen in glas in lood. De achtzijdige koepelopbouw heeft 24 rondboogvormig afgesloten glas-in-loodramen. Beide bouwlagen onder de kapel hebben een detaillering die overeenkomt met de detaillering van de hieraan grenzende kloostervleugels en herbergden de BIBLIOTHEEK en de KEUKEN.

Het INTERIEUR en de RUIMTELIJKE indeling van deze vleugel met kerk, congregatie en studentenkapel, sacristie, bibliotheek en keuken is bewaard gebleven. De kerkruimte bestaat uit een middenschip, zijbeuken en een recht afgesloten koor met korte transepten. De ruimte wordt gekenmerkt door in mergel- en baksteen uitgevoerde geledingen. De opstand bestaat per travee uit een rondboog, een triforium met borstwering en drie gekoppelde rondbogen op granieten zuiltjes en een lichtbeuk met één raam per travee. Aan de binnenzijde van de kolommen bevinden zich lisenen die ter plaatse van de lichtbeuk overgaan in rondbogen die de houten kap dragen. De kap en de op regelmatige afstand tussen de rondbogen aangebrachte houten spanten zijn geheel beschilderd. De iets lager geplaatste kap boven het koor is geheel in hout uitgevoerd, beschilderd en voorzien van houten inlegwerk. Alle rondbogen zijn afwisselend in baksteen en in natuursteen uitgevoerd. De korte oostzijde heeft een orgelgalerij die rust op drie gekoppelde rondbogen. Ook de zijbeuken worden door rondbogen geleed. Hier bevindt zich een vlakke houten zoldering met in elke travee negen cassetten, voorzien van schilder- en inlegwerk. Ter plaatse van de transepten worden de gevels van het schip doorbroken door gekoppelde rondbogen die door granieten zuiltjes op een achtzijdige basis worden gedragen. Aan elke zijde bevinden zich twee rondboogarcaden boven elkaar. In de kerk bevinden zich nog de oorspronkelijke tegelvloer, het bankenplan en diverse altaren. De aandacht wordt getrokken naar de koorafsluiting die over de gehele hoogte (22 meter) is voorzien van een keim fresco van kunstenaar Piet Gerrits uit 1929. In de schildering wordt de liturgische ruimte van de kerk als weerspiegeling van de hemelse liturgie voorgesteld. Onder de voorstelling van de Apocalyps bevindt zich het Lam met daar weer onder Maria in Orantehouding. Deze verticale lijn wordt voortgezet in een door Gerrits gesneden kruisbeeld voor een mozaïek waarin het kruis, een engel en Gerardus Majella worden afgebeeld. Het tabernakel daaronder is ontworpen door Joop Janssen uit Arnhem. Het geheel bevindt zich onder een baldakijn. Piet Gerrits ontwierp in de kerkruimte ook het Maria- het Sint Jozef- en het Clemens-altaar en de Gerardus kapel, inclusief alle schilderingen. De overige ontwerpen en decoraties in de kerkruimte zijn over het algemeen gemaakt door een lid van de kloostergemeenschap, pater Gerhard Mathot.

Het ruimte van de CONGREGATIEKAPEL of het oratorium boven de sacristie heeft een T-vormig grondplan en telt drie traveeën met kruisgewelven. De koortravee wordt begrensd door een triomfboog op granieten zuilen en heeft aan weerszijden een zijruimte, die toegankelijk is via een dubbele boog en eveneens rust op een granieten zuil. De zuilen hebben achthoekige basementen. De zijruimtes zijn voorzien van zadeldakjes en worden verlicht via rondboogvensters. Boven de arcaden bevinden zich roosvensters. Alle ramen zijn voorzien van glas-in-lood. De kapel is beschilderd door Piet Gerrits met op de achterwand van het koor een voorstelling van een calvariegroep met op het kruis het opschrift: "Zoo heeft god/de/wereld bemind". Boven het kruis staat geschreven: "Non enim nos metipsos praedicamus/ sed jesum christum dominum nostrum/ nos autem servos vestros per jesum", "Wij preken immers niet onszelf maar Jezus Christus onze Heer en wij zijn Uw dienaren door Christus". Hierboven bevindt zich een regenboog met een duif. Links van de calvariegroep is Jeruzalem afgebeeld met Paulus, door Christus tot het apostolaat geroepen. Rechts is Napels afgebeeld met Alphonsus. Deze begon in Napels het apostolaat van de redemptoristen.

Het interieur van de voormalige STUDENTENKAPEL (nu mediatheek) is voorzien van een geheel door Piet Gerrits beschilderde koepel waarin blauwtinten de overhand voeren. In de koepel is de tekst: "We hebben hier geen blijvende stad. Maar we reikhalzen naar de toekomstige" aangebracht. De 24 glas-in-loodramen in de koepel zijn voorzien van geeltinten. Van de acht grotere glas-in-loodramen er vier abstract. De anderen bevatten de aartsengel Michaël, Rafaël en de teksten: "Clementis Fideirobore" en "Alfonso duce et Auspice". De twee grote ronde glas-in-loodramen bevatten bijbelscenes. In de pendentieven zijn Abraham, Mozes, David en Abel geschilderd. De koepel rust op achtzijdige granieten kolommen. In de lagere delen zijn beschilderde ton- en kruisgewelven aangebracht. De wanden zijn voorzien van figuratieve voorstellingen.

Het interieur van de BIBLIOTHEEK onder de kapel heeft een plafond, dat bestaat uit betonnen troggewelven, zuilen op een achthoekige granieten basis met achthoekige kapitelen en een kastenstelling voorzien van een omloop met ijzeren hekjes en een houten spiltrap. In de voormalige KEUKEN zijn enkel de voorraadkasten behouden gebleven.

Waardering

Door JAN STUYT ontworpen tussen 1926 en 1928 en in samenwerking met PIET GERRITS en GERHARD MATHOT ingericht KLOOSTERCOMPLEX , bestaande uit aan elkaar gebouwde vleugels met JUVENAAT, KLOOSTERGEDEELTE en KERKGEBOUW, alsmede een KASSENCOMPLEX achter het hoofdgebouw.

- Van architectuurhistorische en typologische waarde als goed en zeldzaam gaaf voorbeeld van een kloostercomplex, dat door de gebruikte Italianiserende Neo-Romaanse bouwstijl in combinatie met de ligging op een heuvel in de bossen ten zuidoosten van Nijmegen van bijna onnederlandse allure is. In het complex zijn een Juvenaat, een kloostergedeelte en een voor de openbare dienst bestemde kerk opgenomen. Het complex heeft esthetische kwaliteiten in het ontwerp, zoals de zeer markante hoofdvormen, het materiaalgebruik, de verhoudingen en de detaillering van de gevels en de vormgeving van het interieur. De kerk is zowel binnen het complex als vanuit de traditie van de kerkbouw van bijzonder belang vanwege de toegepaste bouwstijl en de gaafheid. De in het interieur van het complex nog aanwezige kerkelijke kunst is voornamelijk ontworpen door de kunstenaar Piet Gerrits en de kloosterling Gerhard Mathot. Aan deze kunst (muurschilderingen, glas-in-loodramen, altaren en beelden) kan tevens kunsthistorische waarde worden toegekend. Het complex vormt een belangrijk werk in het oeuvre van de bekende architect Jan Stuyt, die vaker met kunstenaar Gerrits samenwerkte en met hem ook de nabijgelegen Cenakelkerk vorm heeft gegeven.

- Van stedenbouwkundige waarde als oorspronkelijk en zeer beeldbepalend historisch onderdeel in dit bosrijke gebied ten zuidoosten van Nijmegen, nabij de grens met de gemeente Groesbeek. Het complex bevindt zich op een heuveltop tegenover de heuvel van de Heilig-Landstichting en is van bijzondere betekenis door de relatie tussen het gebouwencomplex en het geaccidenteerde terrein. Het kloostercomplex vormt een belangrijk onderdeel van een cluster (grootschalige) r.k. stichtingen in de directe omgeving, zoals het sanatorium Dekkerswald, het meisjespensionaat Mariënbosch en de Heilig-Land-Stichting.

- Van cultuurhistorische waarde vanwege de bestemming als bijzondere uitdrukking van een religieuze ontwikkeling, in casu de in de negentiende eeuw opgekomen rooms-katholieke emancipatiebeweging die rond de bouwtijd van dit kloostercomplex hier een grote opleving beleefde nadat in 1923 de Katholieke Universiteit was opgericht. Het complex herinnert aan de tijd dat Nijmegen bekend stond als het 'Monnikendam aan de Waal' vanwege de aanwezigheid van ruim honderd R.K. kerken en kloosters.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

The CLOISTER SECTION, which provided accommodation for the teachers and served as a study house, consists of three wings enclosing a courtyard, of which the fourth wing is formed by the church. The wings have a rectangular ground plan with projecting corner pavilions on the south-eastern and south-western corners. The study house has a basement, three storeys and an attic storey under low overhanging hipped roofs with red Gothic tiles and gutters with drips. In the roof slopes of the corner pavilions are roof dormers with hipped rooflets and three windows; in the roof slopes of the wings are triangular roof dormers with semi-circular 3-light windows.

The facades are largely constructed of yellow-grey brickwork, laid in cross bond. The basement, however, consists of irregular blocks of sandstone, cyclopean masonry, which is finished with a band of rectangular blocks. At the level of the windows of the third storey, the facades are plastered and provided with a band of a wave motif. The windows in the basement and the third storey are straight-finished, whereas the windows in the first and second storey have a round-arched finish. The windows in the plastered frieze have an edging of fair-faced brickwork. Most windows are two-light windows, consisting of two coupled round-arched windows, which in the first storey are also spanned by a single arch. The spandrels are plastered here. The mortared division mullions of the two-light windows have a sandstone corbel stone under the arch springer. The windows have recessed reveals, hardstone sills and multi-part steel windows, which in the first, second and third storey are fitted with leaded glass.

The asymmetrically arranged FRONT FACADE has on its left side a projecting corner pavilion and closes on the right onto the side facade of the church. The front facade of the east wing has eight and a half window bays, whereby the entrance section occupies two window bays. The east facade of the corner pavilion has three window bays. The entrance section in the first storey consists of double wooden panel doors in a tufa stone portal with a sandstone lintel and a sculptured tympanum with a representation of a shield with a cross with the crucifixion attributes, flanked by two monograms "JS" and "MA" (John and Mary) and an all-seeing eye surrounded by an olive branch and an oak branch and in the first row of tufa stone arch stones above a crown and the sculptured inscription: "Copiosa apud eum redemptio", "abundant with him is redemption". The door is accessible via a flight of ten steps and a landing. The stairs are flanked by two rising wall sections, which below and above are furnished with large round stone balls, also called "stuyters" because they were frequently used by architect Stuyt. Wing and corner pavilion are detailed in the same manner apart from the third storey. The windows of the wing here are straight-closed and those of the pavilion round-arched. The facade of the corner pavilion is slightly higher and the plastered band only begins at the arch springer of the windows of the third storey. Above these windows is a tableau in green, yellow and white tiles with the inscription: "Alfonso duce et auspice", "Alphonsus leader and guide".

The LEFT SIDE FACADE has seven window bays in the wing, four window bays in the right and three in the left corner pavilion. The facades are designed in the same manner as the front facade. The corner pavilions have in the window bay bordering the left wing, above the basement four windows one above the other instead of three, because there are staircases behind them here.

The REAR FACADE has six window bays in the wing and three in the corner pavilion and is designed in the same manner as the front facade. In the corner pavilion is located in the centre a double garden door with 9-light fanlight in a single-recession brickwork edging. In front of the door is a landing, which is accessible via a few steps, which are flanked by rising wall sections with round, stone balls. In the plastered frieze of the corner pavilion is a tile tableau with the inscription: "Unitrinoque gloria", "through One and threefold glory". The tableau is flanked by two diamond-shaped tableaus with monograms.

The FACADES of the east, south and west wings have at the side of the Kloosterhof respectively eight, seven and seven window bays. In the east facade, however, the windows are closer together. The three facades are designed in the same manner. The basement is constructed in brickwork and has paired windows with 2-light windows. The first storey has round-arched windows with three-part windows and fanlights and sandstone tracery. The round arches are finished with double roll mouldings. Below this the reveals jump in twice. In the second storey are three-light windows with stone division mullions and corbel stones under the arches. Here too the reveals jump in twice. The third storey has in the plastered frieze coupled rectangular windows with 2-light windows in an edging of fair-faced brickwork. The windows are provided with green leaded glass windows and sills consisting of red tiles. In the middle of the south wing is an entrance portal with a double door, a sandstone lintel on corbel stones and a three-part fanlight with sandstone tracery. The door is accessible via a double staircase with a landing and a mortared balustrade furnished with a blind round arch and four "stuyters". The northern wing of the cloister courtyard is formed by the church. Adjoining the church are in the northern wing also rooms belonging to the cloister and the seminary. Behind the church, above the sacristy, is the so-called congregation chapel or oratory. In the extension of the congregation chapel is the former library with below it the kitchen and above it the student chapel, now both in use by the University of Applied Sciences. In the middle of the cloister courtyard is a pond in a diagonally placed, mortared square with a mortared flower bed or fountain in the middle. The INTERIOR is largely in its original state. The layout is preserved. Around three sides of the cloister courtyard is a vaulted cloister walk with cross vaults of yellow brickwork and transverse arches of red brickwork. Adjacent to the cloister walk are common rooms such as the refectory with oak panelling and a wooden ceiling between mortared transverse arches. At the front along the cloister walk runs the visitor's corridor to which the consultation rooms are attached. Above these are the guest rooms. In addition are on the first and second floors respectively the rooms of the priests and the rooms of the novice brotherhood with its own chapel and recreation room. In the corner pavilions are the staircase halls with two-armed grand stairs with granite steps and wooden railings with profiled handrails. The staircase steps to the second floor are of wood. The floors are laid with black, white and mottled grey tiles. In the vestibule is a tile floor with meander motifs in white, yellow and black. The panelling consists of blue glazed tiles.

The JUVENATE, in which the minor seminary and boarding school were housed, consists of three wings and forms with the church (the fourth wing) the right courtyard of the cloister complex. The wings are grouped around a garden with simple layout. The right wing extends backwards. The wings consist of three storeys under a hipped roof covered with red Gothic tiles. The roof of the right wing contains a light well over three-quarters of the ridge. Originally under this light well were the dormitories of the seminary. The facades facing outward have a plinth of rough sandstone fragments, topped with a row of rectangular dressed sandstone blocks. The facades facing the courtyard have a plinth of brickwork, also topped with a row of rectangular dressed sandstone blocks. The upper part of the facades on both the exterior and the courtyard side is plastered from below the window sills there. At the level of the sills of the windows on the ground floor and the floor of the courtyard is a band with brickwork in zigzag bond with plastered triangles in between. At the level of the strings of the same windows is a stone roll moulding.

The asymmetrically arranged FRONT FACADE contains on the right the projecting right wing of the courtyard. The ground floor has here four two-lights with 4-light steel round-arched windows. The first floor has four 12-light steel round-arched windows. The attic floor has three times three coupled single-light windows. Below these windows are three tile tableaus with text in yellow on a green ground, the left with '19', the middle with the text 'clementis fidei robore consto', the right with '28'. The left part of the facade has on the ground floor six two-lights with 4-light steel round-arched windows. The first floor has eight 12-light steel sash windows with semi-circular 4-light fanlight. The second floor has eight times two coupled single-light windows. On the transition from the left part of the facade to the projecting part is a staircase, which is marked by vertically stepped windows, fitted with green glass. To the left of the staircase is the main entrance, consisting of a 12-light sash door. The door is set in a sandstone edging with a relief arch. The arch field contains a sculptured piece, depicting Jesus with the 12 apostles.

The almost symmetrically arranged RIGHT SIDE FACADE contains roughly in the middle a rectangular projection of two storeys, under a half-hipped roof. To the right of the projection, the facade has on the ground floor seven two-lights with 4-light steel round-arched windows, the projection itself has four such windows. The first floor has far left two blind windows and to the right of these five 12-light steel sash windows with semi-circular 4-light fanlight, the projection has four such windows. The facade is finished with a band with seven five-light steel windows, the projection has four, but at a slightly lower level.

The section to the right of the projection has on both the ground floor and the first floor nine 12-light steel sash windows with semi-circular 4-light fanlight. The facade is finished with a band with nine five-light steel windows.

The REAR FACADE of the right wing contains in the middle a five-sided projection with two narrow sides at right angles to the building. The projection has on the ground floor and first floor 12-light steel round-arched windows. The second floor has two-lights. The facade to the left and right of the projection contains on the ground floor an entrance with modified door and 8-light fanlight. The first floor has a 12-light steel round-arched window. The second floor has a two-light.

The rear facade of the rear wing contains on the left an entrance with modified door. Above the door is a sculptured piece with five representations from the life of Joseph. Above this is a 6-light fanlight with semi-circular top. The windows are fitted with leaded glass and are separated from each other by brick mullions and hardstone strings. Above the entrance, the facade contains a window in the form of the aforementioned fanlight. The facade further contains on the ground floor seven two-lights with brick intermediate mullion and set under a single round arch, on the first floor seven 12-light sash windows with semi-circular 4-light fanlights and on the second floor. On the side of the COURTYARD, the seven-bay wide, symmetrically arranged FRONT FACADE of the rear wing has on the ground floor in the middle an entrance, consisting of a double door with above a very heavy sandstone string a semi-circular three-light window with sandstone mullions. The entrance is flanked on both sides by three round-arched windows with 3-light lower and upper lights with sandstone mullions and string. The first floor has seven three-light windows with 2-light windows and sandstone mullions and string. One of the windows is partly modified. The second floor has seven single-light two-light windows. One of the windows is modified. The windows are provided with a double row of tile sills and are fitted with green leaded glass. Below the windows on the ground floor are in the plinth each two coupled 2-light steel windows.

The REAR FACADE of the front wing is almost identical to the front facade of the rear wing. The plinth contains no windows, the entrance is located in the third window bay from the left and the facade at the level of the second floor is set well back. In front of it is a roof terrace, accessible via a door far left in the facade.

Against the LEFT SIDE FACADE of the right wing is a projection of two storeys under a hipped roof covered with red Gothic tiles, with on the ridge ends an air vent. The front facade has on the ground floor two 6-light semi-circular closed windows, fitted with diamond-shaped green glass. The left side facade of this projection has on the ground floor four 6-light semi-circular closed windows, fitted with diamond-shaped green glass. The first floor has five two-lights with semi-circular closed 4-light windows. The rear facade has on both the ground floor and the first floor six-light windows. To the left and right of the projection, the left side facade of the right wing has on the ground floor a round-arched window with 3-light lower and upper lights with sandstone mullions and string and on the first floor a three-light window with 2-light windows and sandstone mullions and string. The second floor has a total of eight five-lights. The roof slope contains over its entire length a light strip with five-lights.

In the corner between right and rear wing is a tall rising OBSERVATION TOWER, the so-called 'star tower' on rectangular ground plan with adjoining it a round staircase tower, the lower part of which is at the level of the second floor. The tower rests here on two heavy consoles.

The INTERIOR is - although partly reorganized with demountable partitions - largely intact. It contains among others granite stairs and corridors tiled with coloured tiles laid in patterns. The tiles are predominantly grey-white and black with in the hall accents in yellow. The toilets have original panel doors and fittings. The former refectory still has the original parquet floor. The load-bearing structure consists largely of small trough vaults on steel beams, which are supported by cast-iron, riveted tubular columns. The roof with light well above the straight wing is supported by steel lattice trusses with upper edge in triangular form and upwardly curved lower edge.

The church dedicated to Gerardus Majella forms the east-west oriented main axis between the wings in which the study house is accommodated and the one in which the seminary is located. In the extension of the church are among others still the congregation chapel belonging to the study house and the student chapel. The church is accessible from both cloister wings, but as a public church also has an entrance at the forecourt situated east of the building. The church building, erected on a rectangular ground plan, has a basilical layout with a bell tower added on the south-east side, referring to Italian architecture, a 'campanile'. The church building projects forward relative to the 'front facades' of both cloister wings (three bays). The design of the church building connects with that of the cloister wings, but features a richer decoration pattern. The facades, executed in brickwork, are decorated with elements executed in tufa stone, marl, hardstone and sandstone and finished with saddle roofs covered with red Romanesque tiles and furnished with gutters. The clear structure on the outside reflects the layout of the interior. The high central nave with saddle roof has two lower aisles with lean-to roofs and ends in a slightly lower, straight-closed, choir section with a saddle roof and two short transept arms, of which the side facades border both cloister courtyards. The saddle roof of the nave has on the west side a small superstructure in which there is possibly a small bell. Adjoining the choir and transept is a narrower and slightly lower building section in which the sacristy (ground floor) and the CONGREGATION CHAPEL (first floor) are located. On the sides of the cloister courtyards, this narrow wing is over one and a half storeys on each side furnished with a narrow projection with a saddle roof. Adjoining the narrower wing is, across the width of the church building, a square tower-like building volume onto which both northern wings of the cloister complex connect. In this building volume are on the ground floor the former kitchen, on the first floor the library and on the second floor the former student chapel. The building volume is slightly higher than the church building and is finished by two intersecting saddle roofs with in the middle an octagonal cupola. The roof slopes thereof are covered with roof tiles. The top is crowned with a copper sphere with a point.

The FRONT FACADE of the church is dominated by the slightly projecting square bell tower in the south-east corner, of which the brick facades are bounded at the corners by vertical natural stone bands. In the front of the tower is a simple entrance door in a slightly projecting, herringbone-arched portal edging in which above the door a cross is incorporated. The portal edging is, like the very high parapet wall, executed in natural stone. The entrance is, like the church entrance on the right, accessible via a number of hardstone steps. Above the entrance, the bell tower is on two sides divided by narrow round-arched windows into seven 'storeys'. Each storey contains one, two or three slot-shaped round-arched windows. The windows differ on each storey in height, width and position. On the rear of the tower five storeys are visible, on the right side facade three. The top three storeys are horizontally separated by natural stone bands in which a herringbone-arched motif is recessed. The top storey, the bell chamber, is open and consists on each side of three coupled round arches supported by two small columns. Above this is a frieze of black-white tiles which can be called characteristic in the work of architect Stuyt. The overhanging hipped roof with red tiles has a copper sphere crown with a cross. The front facade of the church nave has a central round-arched and natural stone executed portico with decorated edging in which the text: "ABUNDANT IN ME IS REDEMPTION" is incorporated. In the portico are the original double wooden doors, above which is a semi-circular, marl-executed, relief on which Christ shows his wounds. The painted relief was executed in 1930 by artist Piet Gerrits. Above the entrance is a large rose window of which the tracery is executed as a Star of David and of which the edging is furnished with decorated bands in natural stone. The window is fitted with leaded glass windows. The brick facade is finished by a tympanum executed in natural stone with finishing profile lines and a cross-shaped superstructure. In the tympanum are in a blue roundel the letters P and X incorporated together. On either side of the roundel are two small round windows. Against the front of the brick mortared and by a natural stone frieze separated facade of the right aisle is a four-sided projected chapel of which the roof is covered with roof tiles. In each brick-executed gable side are two coupled round-arched windows above which a continuous round-arched frieze in natural stone is alternated with mosaic tiles. Against the LEFT AND RIGHT SIDE FACADES of the nave of the church both eastern cloister wings connect. The brick-executed side facades are vertically articulated by six natural stone-executed buttresses of which the offsets are covered with tiles. The six buttresses divide the nave into five bays. Each bay is, insofar as not concealed by the cloister addition, in the aisle and in the nave provided with a narrow round-arched-finished church window that is filled with leaded glass. All windows have a round-arched natural stone finish with a drip moulding on the top side and a tile sill on the underside. The aisle facades are finished by a natural stone round-arched frieze, the nave facades by a herringbone-arched frieze in natural stone. The short transept arms adjoining the choir have in the facades at the cloister courtyard six round-arched windows of different sizes and are bounded by vertical natural stone bands. In the cloister courtyard facade of the southern transept arm is a cross-shaped sculptured piece from 1939 depicting Saint Alphonsus. The gable tops are provided with partly brick-executed lattice work. Above the transept arms are in the side facades of the choir, on each side two large round windows present. Also the choir facades are finished with a herringbone-arched frieze.

The same detailing is continued in the narrow wing, adjoining the church, in which the sacristy and the CONGREGATION CHAPEL are located. Both side facades thereof are each divided by two buttresses into three bays of unequal size. The brick facades have round-arched windows and round windows with leaded glass and a herringbone-arched frieze. On both sides this wing is provided with a projection of one and a half storeys. The facades bordering the cloister courtyard thereof have a layout comparable with the facade layout of the transept facades. The square building volume located between both western cloister wings has on the rear side a five-sided projection over the entire building height. The top storey is provided with decorated horizontal and vertical natural stone bands and arch friezes for accentuation of the gable corners and of the four gable tops formed by the two intersecting saddle roofs. In this section is the STUDENT CHAPEL, provided with a five-sided closed choir. In the choir facades are in plasterwork a cross-shaped and two diamond-shaped motifs indicated. The square chapel contains eight round-arched-finished windows with leaded glass and two large round windows in the north and south facade. Also these windows have figurative representations in leaded glass. The octagonal cupola structure has 24 round-arched-finished leaded glass windows. Both building storeys under the chapel have a detailing corresponding with the detailing of the adjacent cloister wings and housed the LIBRARY and the KITCHEN.

The INTERIOR and the SPATIAL layout of this wing with church, congregation and student chapel, sacristy, library and kitchen is preserved. The church space consists of a central nave, aisles and a straight-closed choir with short transepts. The space is characterized by articulations executed in marl and brickwork. The elevation consists per bay of a round arch, a triforium with a parapet wall and three coupled round arches on granite columns and a light storey with one window per bay. On the inner side of the columns are pilasters that at the light storey transition into round arches that carry the wooden roof. The roof and the wooden trusses applied at regular intervals between the round arches are entirely painted. The slightly lower roof above the choir is entirely executed in wood, painted and provided with wooden inlay work. All round arches are alternately executed in brickwork and in natural stone. The short east side has an organ gallery resting on three coupled round arches. The aisles are also articulated by round arches. Here is a flat wooden ceiling with in each bay nine cassettes, provided with painting and inlay work. At the location of the transepts the facades of the nave are pierced by coupled round arches that are carried by granite columns on an eight-sided base. On each side are two round arch arcades one above the other. In the church are still the original tile floor, the seating plan and various altars. Attention is drawn to the choir closure which over the entire height (22 metres) is provided with a large fresco by artist Piet Gerrits from 1929. In the painting the liturgical space of the church is represented as a reflection of the heavenly liturgy. Under the representation of the Apocalypse is the Lamb with below it Mary in orant posture. This vertical line is continued in a crucifix carved by Gerrits in front of a mosaic in which the cross, an angel and Gerardus Majella are depicted. The tabernacle below is designed by Joop Janssen from Arnhem. The whole is located under a baldachin. Piet Gerrits designed in the church space also the Mary, Saint Joseph and Clement altars and the Gerardus chapel, including all paintings. The other designs and decorations in the church space are generally made by a member of the monastic community, Father Gerhard Mathot.

The space of the CONGREGATION CHAPEL or oratory above the sacristy has a T-shaped ground plan and has three bays with cross vaults. The choir bay is bounded by a triumphal arch on granite columns and has on either side a side space, which is accessible via a double arch and equally rests on a granite column. The columns have octagonal bases. The side spaces are provided with saddle rooflets and are lit via round-arched windows. Above the arcades are rose windows. All windows are provided with leaded glass. The chapel is painted by Piet Gerrits with on the rear wall of the choir a representation of a calvary group with on the cross the inscription: "Thus has god/loved/the/world". Above the cross is written: "Non enim nos metipsos praedicamus/ sed jesum christum dominum nostrum/ nos autem servos vestros per jesum", "We do not preach ourselves but Jesus Christ our Lord and we are your servants through Christ". Above this is a rainbow with a dove. To the left of the calvary group is Jerusalem depicted with Paul, called by Christ to the apostolate. On the right is Naples depicted with Alphonsus. He began the apostolate of the Redemptorists in Naples.

The interior of the former STUDENT CHAPEL (now media library) is provided with an entirely by Piet Gerrits painted cupola in which blue tones predominate. In the cupola is the text: "We have no lasting city here. But we long for the future" incorporated. The 24 leaded glass windows in the cupola are provided with yellow tones. Of the eight larger leaded glass windows four abstract. The others contain the archangel Michael, Raphael and the texts: "Clementis Fideirobore" and "Alfonso duce et Auspice". The two large round leaded glass windows contain biblical scenes. In the pendentives are Abraham, Moses, David and Abel painted. The cupola rests on octagonal granite columns. In the lower parts are painted barrel and cross vaults applied. The walls are provided with figurative representations.

The interior of the LIBRARY below the chapel has a ceiling, consisting of concrete trough vaults, columns on an octagonal granite base with octagonal capitals and a cupboard installation provided with a gallery with iron railings and a wooden spiral staircase. In the former KITCHEN only the storage cupboards are preserved.

Valuation

Designed by JAN STUYT between 1926 and 1928 and arranged in collaboration with PIET GERRITS and GERHARD MATHOT CLOISTER COMPLEX, consisting of adjoining wings with JUVENATE, CLOISTER SECTION and CHURCH BUILDING, as well as a GREENHOUSE COMPLEX behind the main building.

- Of architectural history and typological value as a good and rare intact example of a cloister complex, which through the use of Italianizing Neo-Romanesque architectural style in combination with its location on a hill in the woods south-east of Nijmegen has an almost un-Dutch character. The complex includes a Juvenate, a cloister section and a church intended for public use. The complex has aesthetic qualities in its design, such as the very striking main forms, the use of materials, the proportions and the detailing of the facades and the design of the interior. The church, both within the complex and in the tradition of church building, is of particular importance because of the architectural style applied and its integrity. The ecclesiastical art still present in the interior of the complex is mainly designed by the artist Piet Gerrits and the monk Gerhard Mathot. This art (wall paintings, leaded glass windows, altars and sculptures) can also be attributed artistic-historical value. The complex forms an important work in the oeuvre of the renowned architect Jan Stuyt, who frequently collaborated with artist Gerrits and with him also designed the nearby Cenacle Church.

- Of urban planning value as an original and highly distinctive historical element in this wooded area south-east of Nijmegen, near the border with the municipality of Groesbeek. The complex is located on a hilltop opposite the hill of the Heilig-Landstichting and is of particular importance because of the relationship between the building complex and the uneven terrain. The cloister complex forms an important part of a cluster of (large-scale) Roman Catholic institutions in the immediate vicinity, such as the Dekkerswald sanatorium, the Mariënbosch girls' boarding school and the Heilig-Land-Stichting.

- Of cultural-historical value because of its use as a particular expression of a religious development, namely the Roman Catholic emancipation movement that emerged in the nineteenth century and experienced a major revival around the time of construction of this cloister complex after the establishment of the Catholic University in 1923. The complex recalls the time when Nijmegen was known as the 'Monks' Dam on the Waal' because of the presence of over a hundred Roman Catholic churches and cloisters.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map