Rijksmonumentenregister · Netherlands
Jachtslot Mookerheide
Molenhoek, Limburg, Netherlands
The record
- Designation
- National monument (rijksmonument)
- Class
- Kasteel, buitenplaats
- Function
- Jachtslot
- Category
- onroerend gebouwd
- Built
- 1902 - 1905
- Address
- Heumensebaan 2, 6584 CL Molenhoek (Mook en Middelaar 31)
- Place
- Molenhoek
- Municipality
- Mook en Middelaar
- Province
- Limburg
- Country
- Netherlands
- Coordinates
- 51.77016, 5.88958
- Part of complex
- 522658
- Monument number
- 522659
Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.
University Library, Vrije Universiteit AmsterdamDavid Rumsey Map Collection, Stanford LibrariesUniversity Library, Vrije Universiteit Amsterdam
3 historical maps cover this location, the earliest the 1893 map "46 Vierlingsbeek" (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).
This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗
The register's description
Omschrijving
Inleiding
Jachtslot Mookerheide, hoofdonderdeel van het complex Mookerheide werd gebouwd naar ontwerp van Oscar en Henri Leeuw in de jaren 1902-1905 in de stijl van de Art Nouveau. Het pand kenmerkt zich door een organisch-plastische gevelbehandeling met in de ornamentiek onder meer Mozarabische en Egyptische invloeden. De rijke interieurafwerking en gedeeltelijk bewaarde meubilering is grotendeels naar ontwerp van H. Leeuw uitgevoerd door onder andere de fa. Drukker en Cohen uit Nijmegen en H.F. Jansen en Zn. uit Amsterdam. Een groot glas-in-loodvenster werd uitgevoerd door J. Schouten te Delft. Het landhuis bevindt zich in redelijk gave staat, maar is op onderdelen gewijzigd. De noordvleugel met oorspronkelijk een paardenstalling, remise en energievoorziening is in de jaren veertig en vijftig van de twintigste eeuw tot kloostervleugel verbouwd door ophoging tot aan de van oorsprong hogere middenpartij. De achterliggende dwarsvleugel werd hierbij verlengd. De gevelindeling werd gewijzigd aan voor- en achterzijde. De oorspronkelijke op de gevelhoek van de vleugel aanwezige duiventoren is in zijn oorspronkelijke vorm gehandhaafd maar thans met leien gedekt in plaats van het oorspronkelijke spitse kruispannendak met kepervorsten. De belangrijkste wijziging van het eigenlijke woonhuis betreft de overschildering van vrijwel alle polychrome geveldecoratie, vermoedelijk ontworpen door H. Leeuw, alsmede de verhoging van de vroegere serre en de aanbouw hieraan van een eenlaags volume. Omschrijving
Het blokvormige woonhuis heeft aan de linker zijgevel een aangebouwde L-vormige vleugel met lagere nokhoogte, die in de noordoostelijke hoek wordt gemarkeerd door een duiventoren. De op een souterrain gelegen hoofdverdieping van het woonhuis is aan de noordzijde toegankelijk via een tweezijdige, licht gebogen hellingbaan die uitkomt op een overdekt bordes bij de voordeur. Tegen de frontmuur van deze hellingbaan bevindt zich een in rode steen gemetseld waterbassin.
Het woonhuis gebouwd op een samengesteld grondplan telt twee bouwlagen, een souterrain en een zolderverdieping onder een samenstelling van zadeldaken en afgeplatte schildaken belegd met genuanceerde geglazuurde tuile du Nordpannen met enkele, platte wel. Het hoofdvolume bezit in de noordwesthoek een forse toren. Deze hoektoren wordt afgesloten met een koepeldak opgebouwd uit 12 koperen gewelfkappen met roeven. Een kleine veelzijdige toren tegen de oostgevel heeft een spitsdak en een omlopende hardstenen goot met waterspuwertjes. De om het hoofddak lopende houten bakgoot wordt gedragen door gestileerde gootconsoles. In het achterschild bevindt zich een oorspronkelijke dakkapel, in het voorschild een niet-oorspronkelijk exemplaar. Het dak bevat diverse rookkanalen, waarvan er enkele nog de oorspronkelijke taps toelopende vorm bezitten met gestileerde natuurstenen afdekking. De gevels zijn opgetrokken in baksteen (Waalsteen en IJsselsteen) en volledig gecementeerd en witgesaust boven een gefrijnde en gebouchardeerde hardstenen plint. Boven de plint is in de noordwestelijke gevelhoek een gedenksteen met "Jan J. Luden van Heumen/ XXXI October MCMIII" ingemetseld. De gevels zijn plastisch afgewerkt, met afgeronde in elkaar overvloeiende vormen en grotendeels geleed door spaarvelden. Afdekkingen, basementen en balustrades van balkons zijn in contrasterende hardsteen uitgevoerd met ingehakte, scherp omlijnde geometrische motieven, waarbij de driehoekvorm overheerst. De vier gevels waren tot in het vierde kwart van de twintigste eeuw langs de randen van de spaarvelden rijk voorzien van een veelkleurige versiering van verglaasde tegels in mozaïektechniek die, afgezien van enkele fragmenten, is vergaan door vorstschade en in XXd weggeschilderd. Binnen de gevels bevinden zich grote vensteropeningen met veelal diep insnijdende dagkanten en aan de onderzijde steeds een sterk hellende, met hardsteen beklede afzaat. Hierbinnen diverse typen rechtafgesloten houten vensters en deuren met veelal glas-in-lood bovenlichten. De asymmetrisch opgezette voorgevel wordt gedomineerd door de hoektoren rechts en bestaat voorts uit een smalle iets terugliggende middenpartij met hoofdentree, en een linker risaliet eindigend in een tuitgevel. In de eerste bouwlaag van deze tuitgevelrisaliet bevinden zich twee hoge vensters met bovenlicht. De tweede bouwlaag bevat een driezijdige erker op hardstenen consoles met in de voorzijde een drielicht onder enkel bovenlicht en in de zijden hoge vensters zoals voornoemd. Op de erker een balkon met witgeschilderde hardstenen borstwering en een rondboogvormig afgesloten driedelige deur. De hoofdentree wordt benadrukt door een fors balkon met balustrade, gedragen door zich verjongende pijlers op het bordes. Het balkon heeft een goot op klossen, de onderzijde is uitgevoerd met geprofileerde balken en bezit in het midden een lantaarn. De voordeur en het bovenlicht zijn gevat in een bijna monoliete natuursteen omlijsting. De dubbele houten deuren bezitten een decoratieve koperbeplating met opengewerkte delen, en hebben een keperboogvormig afgesloten bovenlicht met glas-in-lood. De verdieping heeft een trapeziumvormig kozijn waarin een samenstelling van balkondeur en ramen, dat volledig gevuld is met floraal glas-in-lood. De vijf geledingen tellende hoektoren heeft in de eerste bouwlaag twee vensters met bovenlicht, in de tweede bouwlaag een drielicht onder enkel bovenlicht waarboven een balkon op hardstenen consoles. De dubbele balkondeuren hebben een licht segmentboogvormig afgesloten bovenlicht. Deze bouwlagen zijn gevat in een blinde boognis, waarboven twee spleetvensters ter weerszijden van een kleine, later aangebrachte vierkante lichtopening. Hierboven kraagt de lantaarn van de toren uit, en wordt de overgang van vierhoek naar twaalfhoek verzorgd door een soort trompen. Op de vier hoeken de stompen van hier oorspronkelijk aanwezige waterspuwers. De lantaarn bevat in elke zijde drie rondboogvormig afgesloten raamopeningen bekroond door voornoemd dak. Oorspronkelijk waren de middelste vensters in elke zijde uitgevoerd als dubbele draairamen met roedeverdeling. De rechter zijgevel van de hoektoren is vrijwel identiek aan de voorgevel. Rechts sluit tegen de toren een lijstgevel aan die eindigt in een afgeronde zuidwestelijke gevelhoek waar zich over souterrain en begane grond een hoekerker bevindt. De gevel wordt door een aantal iets terugliggende verticale sleuven geleed die aan de onderzijde op onregelmatige hoogte door hardstenen afzaten worden afgesloten. Alle vensters van het souterrain waren oorspronkelijk voorzien van luiken. Ongeveer in het midden in het souterrain een zijingang met luifel en bovenlicht. Hierboven een rondboogvormig afgesloten venster. Hierboven een licht vooruitspringend rookkanaal geflankeerd door smalle hoge vensters. Deze vensters hebben aan de onderzijde dubbele afzaten. De gevelhoek is over souterrain en begane grond als vijfhoekige erker uitgebouwd en eindigt in een balkon. De erker is geleed door lisenen, waartussen de vensters zijn geplaatst. De smalle vensters hebben bovenlichten met glas-in-lood. De balkondeur in de afgeronde gevelhoek heeft een bovenlicht met afgeronde zijden. Het is gevuld met gebogen glas-in-lood en wordt afgesloten door een gebogen latei met snijwerk. In de achtergevel van de hoektoren boven het schilddak een driezijdige uitbouw met kleine raampjes en een deur naar het dak. De achtergevel van het huis bestaat uit een centraal terugliggend gevelvlak tussen een tuitgevelrisaliet rechts en een lijstgevel links met voornoemde erker. Centraal tegen de gevel een uitgebouwde serre, thans ter hoogte van de eerste bouwlaag en in breedte tot aan de balkondeuren in de risalieten. Een tweede aangebouwd volume valt buiten de bescherming. Aan weerszijden van de serre in de boven het souterrain gelegen eerste bouwlaag balkons met gebogen trappartijen naar de tuin. Balkons en trappen zijn voorzien van hardstenen pijlers met hardstenen en smeedijzeren balustrade. Het souterrain heeft links en rechts enkele smalle diepliggende vensters met afgeschuinde posten. Het risaliet rechts heeft in de eerste bouwlaag een dubbele balkondeur onder bovenlicht. Op de verdieping een tweede balkon op hardstenen consoles en een dichte borstwering met driehoekmotieven. In de topgevel een halfcirkelvormig driedelig venster en in de top een fragment van het oorspronkelijke gevelmozaïek. De terugliggende middenpartij heeft boven de serre-aanbouw een groot glas-in-loodvenster taps toelopend overeenkomstig het venster in de voorgevel. Het risaliet links heeft in de eerste bouwlaag een dubbele balkondeur met bovenlicht, en op de verdieping drie smalle rechthoekige ramen. Tegen de onregelmatig ingedeelde linker zijgevel sluit de zijvleugel aan, thans hoger aan dan in de oorspronkelijke toestand. Rechts van deze uitbouw op de gevelhoek een kleine, ronde traptoren met in de eerste bouwlaag een ingang onder rondboogvormig bovenlicht. De traptoren heeft voorts rondom enkele smalle traplichten met afzaat zoals elders en heeft halverwege een boogfries. Links hiervan op de tweede verdieping drie smalle vensters met erboven een dakkapel die tegen voornoemde traptoren aansluit en gedragen wordt door afgeronde hardstenen consoles. De oostvleugel die tegen de linker zijgevel van het jachtslot aansluit kent van oorsprong een bedrijfsmatig karakter en is witgestuct zonder spaarveldengeleding. De hoofdpartij heeft de middenpartij met wolfdaken gehandhaafd, de zijpartijen zijn in de jaren 50 van de twintigste eeuw verhoogd. De gevel aan de achterzijde is dichtgezet en alle gevels bevatten thans een nieuwe indeling met spitsboogvensters. De duiventoren met iets conische romp is afgezien van de bedekking nog in oorspronkelijke staat met een gedrongen spitsdak met sierbekroning. Het huis bezit een bijzonder rijk en goed bewaard gebleven Art Nouveau interieur dat grotendeels in de jaren 1902 - 1908 is ontworpen en uitgevoerd binnen een voor de tijd en architectuuropvatting kenmerkende ruimtelijke opzet. De belangrijkste karakteristieken zijn de groepering van de ruimten aan weerzijden van een centrale twee verdiepingen tellende hal met een ruim opgezette dubbele bordestrap. Begane grond, trappenhuis en verdieping vloeien in elkaar over, een werking die versterkt wordt door de plafond- en wanddecoratie. In de hal en de muziekkamer komen typische afgeronde hoeken voor. In het interieur zijn voorts onder meer van belang: de houten trappartij met bijbehorende galerijen op bewerkte, ingelegde en deels gepolychromeerde schoren in de vorm van gestileerde gevleugelde dieren. De betimmeringen in de hal en de vertrekken op de begane grond met ingesneden en ingelegde motieven. De binnendeuren en taps toelopende deuromlijstingen. De toepassing van marmer (waaronder Skyros en Cipolinmarmer) in het tochtportaal en in de jacht-muziekzaal en badkamer. De polychrome, geometrisch bewerkte plafonds en wanddecoratie in de hal tussen de schoren van de galerij, de muziek en jachtzaal, en de badkamer, waarbij in het opvallende plafond van de hal onder meer de tekens van de dierenriem zijn verwerkt. De toepassing van decoratief en figuratief glas-in-lood in hal (o.a. st. Hubertusraam, sign. H. Leeuw jr. feci/Jan Schouten 't prinsenhof Delft exc.), in de badkamer en de jachtzaal. De in de betimmering opgenomen kabinetten in o.a. de jachtzaal en muziekzaal. Het interieur van de werkvleugel is gewijzigd.
Waardering
Jachtslot de Mookerheide is van algemeen, cultuurhistorisch en architectuurhistorisch belang als hoofdonderdeel van het aan het begin van de twintigste eeuw ontstane landgoed Mookerheide. Het jachtslot heeft architectuurhistorische waarde als zeldzaam voorbeeld van een landhuis in Art Nouveaustijl dat opvalt door de een zwierige lijnvoering in de gevelbehandeling en een forse, naar de functie verwijzende toren. Het pand is van belang vanwege de goed bewaard gebleven en zeldzame Art Nouveau-interieuronderdelen en de ruimtelijke opzet waardoor het een belangrijk voorbeeld is van opvattingen omtrent villabouw en van de ontwikkeling van de kunstnijverheid in het eerste decennium van deze eeuw. Er is sprake van een bijzondere eenheid in exterieurbehandeling en interieurafwerking en het pand is daarmee ook een van de belangrijkste voorbeelden van villabouw in het oeuvre van de broers Oscar en Henri Leeuw, die in Nijmegen en omgeving onder meer een groot aantal woonhuizen hebben gebouwd. Het jachtslot bezit in samenhang met de overige complexonderdelen hoge ensemblewaarden en speelt een belangrijke beeldbepalende rol door de prominente ligging aan de rand van het plateau van de Mookerheide, waarbij de toren een markerend element in het landschap vormt.
English translation
The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com
Description
Introduction
Hunting lodge Mookerheide, main component of the Mookerheide complex, was built to a design by Oscar and Henri Leeuw in the years 1902-1905 in the Art Nouveau style. The building is characterised by an organic-plastic facade treatment with Mozarabic and Egyptian influences among its ornamentation. The rich interior finishing and partially preserved furnishings were largely executed to a design by H. Leeuw by, among others, the firm Drukker and Cohen from Nijmegen and H.F. Jansen and Sons from Amsterdam. A large stained-glass window was executed by J. Schouten in Delft. The country house is in reasonably good condition, but has been altered in parts. The north wing, which originally contained a horse stable, coach house and energy provision, was converted to a cloister wing in the forties and fifties of the twentieth century by heightening up to the originally higher central section. The rear transverse wing was extended in the process. The facade articulation was altered on the front and rear sides. The original dovecote originally present at the gable corner of the wing has been maintained in its original form but is now covered with slate instead of the original pitched cross-tile roof with herringbone ridges. The most significant alteration to the actual residence concerns the overpainting of virtually all polychrome facade decoration, presumably designed by H. Leeuw, as well as the heightening of the former conservatory and the construction of a single-storey volume adjoining it.
Description
The block-shaped residence has an attached L-shaped wing on its left side elevation with a lower roof ridge height, which is marked in the northeastern corner by a dovecote. The main storey, situated above a basement, of the residence is accessible from the north via a two-sided, gently curved ramp that leads to a covered landing at the front door. Against the front wall of this ramp is a water basin built in red brick.
The residence, built on a composite ground plan, comprises two storeys, a basement and an attic storey under a combination of gabled roofs and flattened hipped roofs covered with nuanced glazed Tuile du Nord tiles with some flat roof tiles. The main volume has a substantial tower in its northwestern corner. This corner tower is topped with a dome roof made up of 12 copper vaults with gutters. A small polygonal tower against the east facade has a pitched roof and a continuous stone gutter with water spouts. The wooden gutter running around the main roof is supported by stylised gutter consoles. In the rear slope is an original roof dormer, in the front slope a non-original one. The roof contains various flues, some of which still have the original tapered form with stylised natural stone capping. The facades are built in brick (Flemish bond and IJssel brick) and completely cemented and whitewashed over a tooled and bushhammered stone plinth. Above the plinth, a memorial stone with "Jan J. Luden van Heumen/ XXXI October MCMIII" is embedded in the northwestern gable corner. The facades are worked plastically, with rounded forms flowing into one another, and are largely articulated by spare fields. Cappings, bases and balcony balustrades are executed in contrasting stone with incised, sharply outlined geometric motifs, with the triangular form predominating. Until the fourth quarter of the twentieth century, the four facades were richly decorated along the edges of the spare fields with multicoloured glazed tiles in mosaic technique which, apart from a few fragments, has deteriorated through frost damage and was overpainted in the 20th century. Within the facades are large window openings with mostly deeply incised reveals and always a steeply sloping stone-clad sill at the base. Herein various types of squared wooden windows and doors, mostly with stained-glass fanlights. The asymmetrically arranged front facade is dominated by the corner tower on the right and consists further of a narrow slightly recessed central section with main entrance, and a left risalit ending in a spout gable. In the first storey of this spout gable risalit are two tall windows with fanlight. The second storey contains a three-sided oriel on stone consoles with a three-light with single fanlight on the front and tall windows as aforesaid on the sides. Above the oriel a balcony with whitewashed stone balustrade and a round-arched closed three-part door. The main entrance is emphasised by a substantial balcony with balustrade, supported by tapering piers on the landing. The balcony has a gutter on brackets; the underside is executed with moulded beams and has a lantern in the middle. The front door and fanlight are set in an almost monolithic natural stone surround. The double wooden doors have decorative copper plating with openwork sections, and have a herringbone-arched fanlight with stained glass. The storey has a trapezoidal frame containing a composition of balcony door and windows, which is entirely filled with floral stained glass. The five-bay corner tower has in the first storey two windows with fanlight, in the second storey a three-light under single fanlight above which a balcony on stone consoles. The double balcony doors have a slightly segmental-arched fanlight. These storeys are set in a blind arch above which are two slit windows on either side of a small, later added square light opening. Above this the tower lantern projects and the transition from square to dodecagon is effected by a sort of squinches. On the four corners the stumps of water spouts originally present here. The lantern contains three round-arched window openings on each side crowned by the aforesaid roof. Originally the middle windows on each side were executed as double casement windows with glazing bars. The right side elevation of the corner tower is virtually identical to the front facade. To the right of the tower a cornice-topped facade is attached which ends in a rounded southwestern gable corner where over basement and ground floor there is a corner oriel. The facade is articulated by a number of slightly recessed vertical slots which at the base are terminated by stone sills at irregular heights. All basement windows were originally provided with shutters. Approximately in the middle of the basement a side entrance with canopy and fanlight. Above this a round-arched window. Above this a slightly projecting flue flanked by narrow tall windows. These windows have double sills at the base. The gable corner is built out over basement and ground floor as a five-sided oriel and ends in a balcony. The oriel is articulated by pilasters between which the windows are placed. The narrow windows have fanlights with stained glass. The balcony door in the rounded gable corner has a fanlight with rounded sides. It is filled with curved stained glass and is closed off by a curved lintel with carved work.
In the rear elevation of the corner tower above the hipped roof is a three-sided projection with small windows and a door to the roof. The rear elevation of the house consists of a centrally recessed facade surface between a spout gable risalit on the right and a cornice-topped facade on the left with the aforementioned oriel. Centrally against the facade an added conservatory, now at the height of the first storey and in width up to the balcony doors in the risalits. A second added volume falls outside the protection. On either side of the conservatory in the first storey above the basement, balconies with curved stairways to the garden. Balconies and stairs are provided with stone piers with stone and wrought-iron balustrades. The basement has on the left and right a few narrow recessed windows with chamfered posts. The risalit on the right has in the first storey a double balcony door under fanlight. On the storey above a second balcony on stone consoles and a solid balustrade with triangular motifs. In the gable top a semicircular three-part window and in the top a fragment of the original facade mosaic. The recessed central section has above the conservatory addition a large stained-glass window tapering as befits the window in the front facade. The risalit on the left has in the first storey a double balcony door with fanlight, and on the storey above three narrow rectangular windows.
Against the irregularly articulated left side elevation the side wing is attached, now higher than in its original state. To the right of this addition at the gable corner is a small round stair tower with an entrance under a round-arched fanlight in the first storey. The stair tower has furthermore a few narrow stair lights around it with sill as elsewhere and has a semicircular frieze halfway up. To the left of this on the second storey three narrow windows with above them a roof dormer which adjoins the aforementioned stair tower and is supported by rounded stone consoles. The east wing, which adjoins the left side elevation of the hunting lodge, originally has a service character and is whitestuccoed without spare field articulation. The main section has maintained the central half-hipped roofs; the side sections were heightened in the fifties of the twentieth century. The rear facade is closed off and all facades now contain a new division with pointed-arch windows. The dovecote with slightly conical body is, apart from its covering, still in its original state with a squat pitched roof with ornamental crest.
The house possesses a particularly rich and well-preserved Art Nouveau interior that was largely designed and executed in the years 1902-1908 within a spatial arrangement characteristic of the period and architectural conception. The main characteristics are the grouping of spaces on either side of a central two-storey hall with a spacious double staircase. Ground floor, stairwell and upper floor flow into one another, an effect which is enhanced by the ceiling and wall decoration. Typical rounded corners appear in the hall and the music room. In the interior are also of importance: the wooden staircase with associated galleries on carved, inlaid and partly polychrome brackets in the form of stylised winged animals. The panelling in the hall and rooms on the ground floor with incised and inlaid motifs. The interior doors and tapering door surrounds. The use of marble (including Skyros and Cipollino marble) in the draughty vestibule and in the hunting-music room and bathroom. The polychrome, geometrically worked ceilings and wall decoration in the hall between the gallery brackets, the music and hunting room, and the bathroom, with the zodiac signs among others worked into the striking hall ceiling. The use of decorative and figurative stained glass in the hall (among others the St. Hubertus window, signed H. Leeuw jr. feci/Jan Schouten 't prinsenhof Delft exc.), in the bathroom and the hunting room. The cabinets incorporated in the panelling in, among others, the hunting room and music room. The interior of the service wing has been altered.
Valuation
Hunting lodge Mookerheide is of general, cultural-historical and architectural-historical importance as the main component of the Mookerheide estate created at the beginning of the twentieth century. The hunting lodge has architectural-historical value as a rare example of a country house in Art Nouveau style that stands out for its elegant line in the facade treatment and a substantial tower alluding to its function. The building is of importance because of its well-preserved and rare Art Nouveau interior components and spatial arrangement, making it an important example of ideas regarding villa construction and the development of the decorative arts in the first decade of this century. There is a remarkable unity in exterior treatment and interior finishing and the building is thus also one of the most important examples of villa construction in the oeuvre of the brothers Oscar and Henri Leeuw, who built a large number of residential houses in Nijmegen and the surrounding area. The hunting lodge, in conjunction with the other complex components, has high ensemble values and plays an important image-determining role through its prominent location on the edge of the Mookerheide plateau, with the tower forming a marking element in the landscape.
Nearby in the register
- Kleine brugBrugunder 1 mi
- WildkelderTuin, park en plantsoenunder 1 mi
- DieptetuinTuin, park en plantsoenunder 1 mi
- 2 muren met vrijliggende trappartijTuin, park en plantsoenunder 1 mi
Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.