TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Kasteel, buitenplaats, Rijksstraatweg 247

Wassenaar, Zuid-Holland, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Kasteel, buitenplaats
Category
onroerend gebouwd
Address
Rijksstraatweg 247, 2245 AB Wassenaar
Place
Wassenaar
Province
Zuid-Holland
Country
Netherlands
Coordinates
52.14518, 4.42807
Part of complex
522217
Monument number
522218

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries

5 historical maps cover this location, the earliest the 1636 map "Hollandiae meridionalis descriptio nova" (David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

Omschrijving onderdeel 1: HOOFDGEBOUW

Inleiding

In oorsprong aan de zuidoostzijde van het voorplein van het verdwenen kasteel gesitueerde 17de-eeuwse bouwmanswoning met L-vormige plattegrond is het HOOFDGEBOUW (1) in verschillende perioden tot stand gekomen. Sinds de 18de eeuw fungeerde deze tevens als rentmeesterswoning met stal en ontleent zijn hudige aanzien in hoofdzaak aan veranderingen die plaats hebben gevonden in 1906 en 1928, toen het het karakter kreeg van het hoofdgebouw op de buitenplaats. In deze periode is ook het melkhuisje toegevoegd. Het hoofdvolume is het restant van een 18de-eeuws langhuis voor de pachter met aan de zuidoostzijde een gedeelte voor de verpachter, voorzien van een onderkelderde opkamer. Deze splitsing is als zodanig nog herkenbaar, alleen de kelder is verdwenen. Omstreeks 1760 is door Carel George van Wassenaer van Obdam (1733-1800) tegen de zuidoostzijde de dwarsvleugel vervangen door een paviljoen, waarvan de pendant vermoedelijk niet is gerealiseerd. Stilistisch vertoont de rentmeesterswoning overeenkomst met het tegenovergelegen koetshuis (3). In 1906 vond voor de huurder A. van Hoboken van Hoedekenskerke een ingrijpende verbouwing plaats waarbij ten koste van de kelder een ruime hal werd gemaakt, die uitkwam op de dwarsgeplaatste gang aan de achterzijde van het huis. De twee vertrekken links ervan werden samengevoegd tot eetzaal. Aan de achterzijde werden een serre en een bijkeuken met erboven een balkon bijgebouwd. Er kwam een trappenhuis voor het personeel en op de verdieping werden kamers gemaakt. De zuidwestgevel werd verhoogd met een klokgevel en boven de bijkeuken kwam een kinderkamer met daarop een balkon, beide in Oudhollandse stijl. Bij een verbouwing in 1928 in opdracht van mevrouw A. van Dusseldorp-Ruys is door D. Roosenberg de serre vervangen door een nieuwe serre/tuinkamer en vond een modernisering plaats, die vooral herkenbaar is door de toepassing van stalen kozijnen.

Omschrijving

De samengestelde hoofdmassa heeft in hoofdvorm een langgerekte, Z-vormige plattegrond. Het langgerekte éénlaagse middendeel wordt gedekt door een schilddak, waarop aan de achterzijde (zuidoost) een afgeplat schilddak aansluit. Aan de zuidwestzijde bevindt zich een tweelaags paviljoen onder een mansardevormig geknikt tentdak, bekroond door een zinken piron. Aan de zuidoostzijde sluit hierop een tweelaags deel aan dat wordt gedekt door een plat dak met aan één zijde een lessenaarsdak en een éénlaags deel met balkon. Het langgerekte hoofdvolume heeft aan de tuinzijde (zuidoost) diverse één- en tweelaagse aanbouwen, merendeels onder plat dak. De met gesmoorde Hollandse pannen gedekte daken zijn afgewerkt met loden nok- en hoekkepers. Er bevinden zich diverse schoorstenen, sommige met windkap. Het hoofdvolume wordt aan de noordoostzijde afgesloten door een dwarsgeplaatst éénlaags bedrijfsgedeelte onder schilddak. Tegen de noordwestgevel is een klein melkhuisje onder lessenaarsdak geplaatst. De gevels zijn opgetrokken in grauwe baksteen (kruisverband) met rollagen, dan wel aan de onderzijde met getoogde strekken boven de gevelopeningen. De overwegend rechte gevelopeningen hebben bij het hoofdvolume zesruits schuiframen en het paviljoen meerruits schuiframen met aan de bovenzijde getoogde bovenlichten. Het in 1928 gewijzigde deel is voorzien van stalen kozijnen in verschillende vormen met hardstenen lekdorpels. De aan de pleinzijde gelegen voorgevel (noordwest) is een door een geprofileerde houten gootlijst afgesloten langsgevel, die ter plaatse van de geheel rechts gesitueerde entree met een bouwlaag is verhoogd. De gootlijst volgt hier het beloop van het rondboogvormige twaalfruits schuifraam. De (vroeg 20ste-eeuwse) entree eronder bestaat uit een paneeldeur met ruitjes, voorzien van roedenverderdeelde zij- en bovenlichten. Links daarvan bevindt zich tussen twee oorspronkelijke zesruits schuiframen een vroeg 20ste-eeuwse dubbel openslaande éénruits terrasdeur met luiken en bovenlicht, voorzien van een gietijzeren levensboom. Links ervan (in de middenas van de gevel) bevindt zich de oorspronkelijke entree met gewijzigde paneeldeur en achtruits bovenlicht, afgedekt door een keperboogvormig gepleisterd ouder bouwfragment (een wapenschild met krans in haut-reliëf). Erboven doorsnijdt een door een spiegelboog afgedekt zolderluik met vier ruiten de gootlijst. Links ervan bevindt zich een erker in historiserende trant met links daarvan een oorspronkelijk zesruits schuifraam, waarna de gevel wordt afgesloten door de entree naar de voormalige keuken, bestaande uit een paneeldeur met achtruits bovenlicht. In het dakvlak erboven bevinden zich aan weerszijden van het genemde luik twee dakkapellen met dubbel openslaande ramen, waarvan de twee middelste kopieën zijn van de buitenste. Tevens zit een identieke dakkapel in het noordoostelijke dakschild. Aan de pleinzijde en aan de zuidwestzijde heeft het paviljoen tussen een hardstenen plint en een zwaar hoofdgestel een middenrisaliet, waarin zich op de begane grond en verdieping één venster bevindt. Drie van de vensters zijn voorzien van persiennes. De schuiframen hebben op de begane grond twaalfruits roedenverdeling en op de verdieping zesruits. Twee dakschilden hebben een 18de-eeuwse dakkapel met voluutvormige wangen en spiegelboogvormige afdekking. Rechts van het paviljoen sluit aan de zuidoostzjde een tweelaags deel met lijstgevel aan, waarin een iets risalerende klokgevel is opgenomen. Deze wordt bekroond door een rondboog, die de omlijsting vormt van een roedenverdeeld schuifraam. Op de eerste verdieping bevindt zich een 18de-eeuws schuifraam, vergelijkbaar met die van het paviljoen. De gevel eindigt met een tweelaagse aanbouw, die wordt afgesloten door een balkon met balustrade. Op de begane grond bevinden zich vier vroeg-20ste-eeuwse vensters met roedenverdeling en luiken. De uitbouw heeft op de begane grond aan de tuinzijde (zuidoost) rechts een smal venster met diefijzers en op de verdieping twee vensters met getoogde kozijnen, luiken en gewijzigde ramen. Het balkon is via een tweelaags bouwdeel met klokgevel toegankelijk via een dubbele deur onder een getoogd vierruits bovenlicht. Rechts ervan bevindt zich een roedenverdeeld raam. Rechts van de uitbouw bevindt zich een drietal uitbouwen onder plat dak van verschillende hoogte. Het hoofdvolume is aan de tuinzijde verhoogd met één bouwlaag onder plat dak, waarvoor zich links een raam- en deurpartij bevindt. Rechts van de erker bevindt zich een rond venster. Tegen de rechter zijgevel van de uitbouw bevindt zich een kleine houten erker, die doorgaat tot de eindgevel van het hoofdvolume. Haaks op deze eindgevel is het dwarsgeplaatste 18de-eeuwse stalgedeelte onder een lessenaarsdak geplaatst. De uit rode baksteen opgetrokken gevels hebben een wit gesausde plint. Beide kopgevels hebben een zolderluik. De noordwestelijke kopgevel heeft tevens een opgeklampte dubbele staldeur. De langsgevel (noordoost) heeft onder meer een opgeklampte staldeur en twee gietijzeren segmentboogvormige stalvensters. In het verlengde van de noordwestelijke kopgevel bevindt zich een tuinmuur (zie 3), waar tegen de noordwestzijde een vroeg 20ste-eeuws melkhuisjje onder lessenaarsdak is geplaatst, toegankelijk via een opgeklampte deur in de linker kopgevel. De langsgevel heeft een gietijzeren rondboogvormig venster met roedenverdeling. Van het gesloopte vertrek tegen het stalgedeelte aan de zuidwestzijde resteert de rode plavuizen vloer en de opgeklampte deur naar het stalgedeelte. Deze ruimte fungeert nu als veranda, bestaande uit latwerk met een zinken lessenaarsdak.

Interieur. De hal met marmeren vloer en lambrizering komt uit op een in boordoostelijke richting lopende langgerekte gang. Rechts van de hal bevindt zich de zogenaamde rentmeesterskamer met lage lambrizering en marmeren schouw in Lodewijk XV stijl (circa 1760), binnenluiken, vroeg 20ste-eeuws parket met visgraatmotief. Tweede kamer van rechts is de keuken met vroeg 20ste-eeuwse schouw. De hal eindigt bij de eiken trap met tussenbordes, uitgevoerd met een lambrizering met witjes. De vroeg 20ste-eeuwse diensttrap ernaast heeft een leuning met gietijzeren balustrade. Links van de hal bevindt zich de voormalige vroeg 20ste-eeuwse eetkamer met sobere schouw en balkenplafond. De gang met wit/zwart marmeren tegels in geometrisch patroon heeft schuiframen met stalen roedenverdeling en komt uit bij een rechthoekige erker uit de jaren 20 van de twintigste eeuw, die associaties oproept met een scheepsboeg. Deze is toegankelijk door een getoogde opening met drie houten treden, geflankeerd door lage dwarsmuurtjes. In het stucplafond van de hal zijn in haut-reliëf tekens van de dierenriem aangebracht. Aan het einde van de gang bevindt zich eerst de voormalige woonkamer van het dienstgedeelte, die toegankelijk was via de erachter geelegen keuken. Deze keuken bevat nog de oorspronkelijke brede schouw met o.a. bloemtegels, waar in het begin van de 20ste eeuw een kleinere open haard is geplaatst. De voormalige woonkamer, toegankelijk via schuifdeuren, wordt geflankeerd door in stalen kozijnen gevatte vaste vitrinekasten. De eerste verdieping heeft de slaapkamer boven de rentmeesterskamer met stucplafond met zware profilering. In het stalgedeelte bevindt zich een waterpomp met hardstenen waterbak.

Waardering

De in meerdere perioden tot stand gekomen rentmeesterswoning met stal en melkhuis van de historische buitenplaats Zuydwijk is van algemeen belang vanwege de cultuur-, bouw en architectuurhistorische waarde als karakteristiek voorbeeld van een 18de-eeuwse rentmeesterswoning, gesitueerd op het voorplein van het verdwenen kasteel.

De rentmeesterswoning heeft een herkenbare hoofdvorm met een hoekpaviljoen uit het derde kwart van de 18de eeuw en is wat betreft de verschillende bouwhistorische onderdelen gaaf qua materiaalgebruik en detaillering van ex- en deels ook interieur.

De rentmeesterswoning heeft ensemblewaarde vanwege de ruimtelijke en functionele relatie met de overige complexonderdelen van de buitenplaats. Tevens is er de stilistische samenhang met het tegenovergelegen koetshuis.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

Description of component 1: MAIN BUILDING

Introduction

Originally situated on the south-east side of the forecourt of the vanished castle, the MAIN BUILDING (1) is a 17th-century mason's dwelling with an L-shaped plan that was erected in various periods. Since the 18th century it also functioned as a steward's residence with stabling and owes its present appearance mainly to alterations carried out in 1906 and 1928, when it acquired the character of the principal building on the country estate. During this period the small dairy building was also added. The main volume is the remnant of an 18th-century long house for the tenant with, on the south-east side, a section for the lessor, fitted with a cellared upper chamber. This division is still recognisable as such, only the cellar has disappeared. Around 1760 Carel George van Wassenaer van Obdam (1733-1800) replaced the transverse wing on the south-east side with a pavilion, of which the counterpart was presumably never realised. Stylistically the steward's residence shows similarity with the opposite carriage house (3). In 1906 a major alteration was undertaken for the tenant A. van Hoboken van Hoedekenskerke, whereby at the cost of the cellar a spacious hall was created, which opened onto the transversely positioned corridor at the rear of the house. The two rooms to its left were combined into a dining room. At the rear a conservatory and a scullery were added with a balcony above. There was a service staircase and bedrooms were created on the upper floor. The south-west facade was heightened with a bell gable and above the scullery came a children's room with a balcony above it, both in Old Dutch style. During an alteration in 1928 on behalf of Mrs A. van Dusseldorp-Ruys, D. Roosenberg replaced the conservatory with a new conservatory/garden room and modernisation took place, which is especially recognisable through the use of steel window frames.

Description

The composite main mass has in its principal form an elongated, Z-shaped plan. The elongated single-storey central section is covered by a hipped roof, onto which a truncated hipped roof adjoins at the rear (south-east). On the south-west side there is a two-storey pavilion under a mansard-shaped bent tent roof, crowned by a zinc finial. On the south-east side a two-storey section adjoins it, which is covered by a flat roof with on one side a catslide roof and a single-storey section with balcony. The elongated main volume has on the garden side (south-east) various one- and two-storey annexes, mostly under flat roof. The roofs covered with smothered Dutch tiles are finished with lead ridge and hip coverings. There are various chimneys, some with wind caps. The main volume is closed on the north-east side by a transversely positioned single-storey service section under hipped roof. Against the north-west facade a small dairy building under catslide roof is placed. The facades are built of grey brick (Flemish bond) with levelling courses, or on the lower side with arched stretches above the facade openings. The predominantly straight facade openings have at the main volume six-light sash windows and at the pavilion multi-light sash windows with arched fanlights at the top. The section altered in 1928 is provided with steel frames of various forms with hardstone sills. The front facade (north-west) situated at the forecourt side is a long facade closed off by a profiled wooden drip moulding, which is raised by one storey at the location of the entrance situated far to the right. The drip moulding follows the course of the segmental twelve-light sash window. The (early 20th-century) entrance below it consists of a panelled door with panes, provided with glazing-bar divided side and fanlights. To its left, between two original six-light sash windows, is an early 20th-century double-opening single-light terrace door with shutters and fanlight, fitted with a cast-iron tree of life motif. To its left (in the middle axis of the facade) is the original entrance with altered panelled door and eight-light fanlight, covered by a rampant-arch plastered older building fragment (a coat of arms with wreath in high relief). Above it a hoist window with four lights, covered by a mirror arch, cuts through the drip moulding. To its left is a bay in historicising manner with to its left an original six-light sash window, after which the facade is closed by the entrance to the former kitchen, consisting of a panelled door with eight-light fanlight. In the roof plane above are on either side of the said window two roof dormers with double-opening windows, the two middle ones of which are copies of the outer ones. Also present is an identical roof dormer in the north-eastern roof slope. On the forecourt side and on the south-west side the pavilion has between a hardstone plinth and a heavy main cornice a central risalit, in which on the ground floor and upper floor there is one window. Three of the windows are fitted with venetian blinds. The sash windows have on the ground floor a twelve-light glazing pattern and on the upper floor a six-light pattern. Two roof slopes have an 18th-century roof dormer with scroll-shaped cheeks and mirror arch covering. To the right of the pavilion on the south-east side a two-storey section with a cornice-topped facade adjoins, in which a slightly projecting bell gable is incorporated. This is crowned by a segmental arch, which forms the frame of a glazing-bar divided sash window. On the first upper floor is an 18th-century sash window, comparable with those of the pavilion. The facade ends with a two-storey annexe, which is closed off by a balcony with balustrade. On the ground floor there are four early 20th-century windows with glazing bars and shutters. The extension has on the ground floor on the garden side (south-east) on the right a narrow window with anti-theft bars and on the upper floor two windows with arched frames, shutters and altered windows. The balcony is accessible via a two-storey building section with bell gable via a double door under an arched four-light fanlight. To its right is a glazing-bar divided window. To the right of the extension there are three extensions under flat roof of varying height. The main volume is heightened on the garden side with one storey under flat roof, in front of which on the left is a window and door section. To the right of the bay is a round window. Against the right side facade of the extension is a small wooden bay, which continues to the end facade of the main volume. At right angles to this end facade the transversely positioned 18th-century stabling section is placed under a catslide roof. The facades, built of red brick, have a whitewashed plinth. Both gable ends have a hoist window. The north-west gable end also has a clamped double stable door. The long side facade (north-east) has, amongst other things, a clamped stable door and two cast-iron segmental-arch stable windows. In line with the north-west gable end is a garden wall (see 3), against the north-west side of which an early 20th-century small dairy building under catslide roof is placed, accessible via a clamped door in the left gable end. The long side facade has a cast-iron segmental-arch window with glazing bars. From the demolished room against the stabling section on the south-west side, only the red tile floor and the clamped door to the stabling section remain. This space now functions as a veranda, consisting of latticework with a zinc catslide roof.

Interior. The hall with marble floor and wainscoting opens onto an elongated corridor running in a north-east direction. To the right of the hall is the so-called steward's room with low wainscoting and marble fireplace in Louis XV style (circa 1760), interior shutters, early 20th-century parquet with herringbone pattern. Second room from the right is the kitchen with early 20th-century fireplace. The hall ends at the oak staircase with landing, executed with wainscoting with white panels. The early 20th-century service staircase next to it has a balustrade with cast-iron railings. To the left of the hall is the former early 20th-century dining room with plain fireplace and beamed ceiling. The corridor with white/black marble tiles in geometric pattern has sash windows with steel glazing bars and opens into a rectangular bay from the 1920s, which evokes associations with a ship's bow. This is accessible through an arched opening with three wooden steps, flanked by low transverse walls. In the stucco ceiling of the hall zodiac signs are rendered in high relief. At the end of the corridor is first the former living room of the service section, which was accessible via the kitchen behind it. This kitchen still contains the original broad fireplace with, amongst other things, flower tiles, where at the beginning of the 20th century a smaller open fireplace was placed. The former living room, accessible via sliding doors, is flanked by fixed display cabinets set in steel frames. The first upper floor has the bedroom above the steward's room with stucco ceiling with heavy moulding. In the stabling section is a water pump with hardstone water tank.

Valuation

The steward's residence with stabling and dairy of the historic country estate Zuydwijk, created in several periods, is of general interest because of its cultural, architectural and building-historical value as a characteristic example of an 18th-century steward's residence, situated on the forecourt of the vanished castle.

The steward's residence has a recognisable main form with a corner pavilion from the third quarter of the 18th century and is, as regards the various building-historical components, intact in terms of material use and detailing of the exterior and partly also interior.

The steward's residence has ensemble value because of the spatial and functional relationship with the other complex components of the country estate. There is also the stylistic coherence with the opposite carriage house.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map