Rijksmonumentenregister · Netherlands
Gemma-klooster
Sittard, Limburg, Netherlands
The record
- Designation
- National monument (rijksmonument)
- Class
- Klooster, kloosteronderdl
- Function
- Klooster
- Category
- onroerend gebouwd
- Built
- 1938
- Address
- Leyenbroekerweg 52, 6132 CG Sittard (Sittard-Geleen 31) (and others)
- Place
- Sittard
- Municipality
- Sittard-Geleen
- Province
- Limburg
- Country
- Netherlands
- Coordinates
- 50.99316, 5.87228
- Monument number
- 521641
Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.
University Library, Vrije Universiteit AmsterdamUniversity Library, Vrije Universiteit AmsterdamUniversity Library, Vrije Universiteit Amsterdam
3 historical maps cover this location, the earliest the 1910 map "60 Sittard" (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).
This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗
The register's description
Omschrijving
Inleiding
SLOTKLOOSTER met KLOOSTERKAPEL, PORTIERSWONING en TUINMUUR, 1938. Gebouwd in een traditionele bouwtrant door de Sittardse aannemer Tummers, in opdracht van de Eerw. Zusters Passionisten te Haastrecht, naar een ontwerp van architect Jos. Wielders te Sittard. Aan het ontwerp heeft het concept van een 'gebedsburcht' ten grondslag gelegen, hetgeen door de architect werd vertaald in hoge gesloten gevels met zware gedrongen buitendeuren, kleine getraliede vensters en hoge ronde hoektorens.
Het klooster is gesitueerd op een in noordelijke richting afhellend perceel aan de oostzijde van de Leijenbroekerweg, achter de lineaire bebouwing aldaar en is bereikbaar via een korte oprijlaan.
In 1972 werd het slotklooster verbouwd om het gebouw een minder gesloten karakter te geven. Daartoe werd de toegangstrap met keermuur voor de kloosteringang verwijderd en de entree in een uitgebouwd volume geplaatst. Het koor in het open gedeelte van de kloosterkapel werd vernieuwd, het traliewerk tussen de kapeldelen vervangen door stalen deuren glas-in-lood. In 1981 werd de noordelijke kloostervleugel voorzien van een liftkoker.
Omschrijving
Het slotklooster heeft een onregelmatige U-vormige PLATTEGROND, met een aan de zuidzijde gesitueerde binnentuin. Het klooster is grotendeels voorzien van een souterrainverdieping, twee BOUWLAGEN en een zolderverdieping. De oostelijke noviciaatsvleugel en de kapel hebben slechts een kruipruimte.
Het klooster wordt gedekt door in nokhoogte variërende, deels gewelfde zadelDAKEN met rood genuanceerde Hollandse pannen. Luifelgoten annex overstekken op consoles. De traptorens van de oostelijke noviciaatsvleugel hebben kegelvormige daken met leien, evenals de ingesnoerde torenspits van de kloosterkapel. De portierswoning aan de noordwestzijde heeft een schilddak met rood genuanceerde Hollandse pannen en dakkapellen, alsmede een kort verbindingsvolume met het klooster onder een plat dak. Nokschoorstenen, enkele hoge schoorstenen op de achterdakvlakken. Diverse dakramen.
Het Gemmaklooster heeft een rode bakstenen plint, een gele bakstenen optrek in kruisverband. Platvol voegwerk. Gebakken dorpelstenen, eveneens toegepast in de afdekking van de steunberen. Vensterstrekken, muizetanddecoraties. Stalen cq. houten vensters, veelal met traliewerken. Kapelinterieur in mergel.
De WESTVLEUGEL bepaalt het aanzicht van het klooster vanaf de Leijenbroekerweg. De zuidelijke helft van de de westvleugel wordt in beslag genomen door de KLOOSTERKAPEL. Aan de noordwestzijde is de PORTIERSWONING gerealiseerd. Tussen kapel en portierswoning bevindt zich de KLOOSTERENTREE.
De KLOOSTERKAPEL heeft een L-vormige plattegrond en is samengesteld uit een gesloten en een openbaar kapelgedeelte, welke dwars op elkaar zijn geprojecteerd. Aan de westzijde bevindt zich de buitengevel van het openbare kapelgedeelte, gedomineerd door een rond uitgemetselde hoektoren met ingesnoerde spits, overstek en nokkruis. Rondboogvormige galmgaten. Een gevelvlak met vier rondboogvormige stalen glas-in-lood vensters, onderling gescheiden door zich verjongende steunberen. Boven deze vensters een doorlopende muizetandlijst. De buitenentree van de kapel is geplaatst in een ten opzichte van de westgevel risalerend volume, waarboven het zadeldak enigszins gewelfd doorloopt en het overstek wordt gesteund door zwaar gedimensioneerde consoles. Verdiept in een rondboogvormige, schuin aflopende lijst met dubbele strek is de dubbele ronde houten entreedeur met beslag geplaatst. Aan de noordzijde van de buitenentree een zich verjongende steunbeer met ezelsrug; aan de westzijde een bordes met traptreden, keermuur met ezelsrug en een recente hellingbaan; aan de zuidzijde sluit de muur rond de binnentuin op de entreepartij aan.
De zuidgevel van de kapel heeft een hoog in de kopgevel ingezet rond stalen venster met glas-in-lood, voorzien van een halfronde profiellijst en een waterspuwer. Daaronder een blinde uitbouw onder een zadeldakje, aan weerszijden geflankeerd door zich verjongende steunberen. In de oostgevel een tweetal rondboogvormige stalen glas-in-lood vensters, onderling gescheiden door een zich verjongende steunbeer. Dwars tegen deze oostgevel bevindt zich het uitgebouwde volume van het gesloten kapelgedeelte onder een licht gewelfd zadeldak, voorzien van een enigszins verlaagde noklijn. In de zuidgevel van deze uitbouw een reeks van drie gekoppelde rondboogvormige stalen vensters met glas-in-lood. In de oostgevel drie gekoppelde, in hoogte variërende stalen spitsboogvensters met glas-in-lood, met aan weerszijden een rondboogvormig stalen glas-in-lood venster. Deze spits- en rondboogvensters worden onderling gescheiden door zich verjongende steunberen. In de kop van de oostgevel een klein, rond stalen venster. Klokkenstoel met gelui bestaande uit twee klokken van een anonieme gieter, 1938, diam. resp. 50 cm en 42 cm.
Aan de noordzijde sluit de KLOOSTERENTREE aan op de kloosterkapel. Aan de westzijde een kloostergang van één laag onder plat, waarvan de kopgevel is afgedekt met pannen. In de buitengevel van deze gang vier ronde stalen vensters met negenruits indeling en traliewerk, vier waterspuwers. In het souterrain vier rechthoekige houten vensters met traliewerk. Deze kopgevel onttrekt een reeks bovenlichten aan het oog, die zorgt voor de lichtinval in de kloosterverblijven van de eerste bouwlaag. De kloostergang loopt aan de noordzijde uit in het dwars uitgebouwde volume van de kloosterentree. Dit volume wordt gedekt door een zadeldakje en heeft een rondboogvormige houten deur met beslag. Deze deur is verdiept geplaatst in een afgeschuinde lijst. De kopgevel van de entreepartij, aan weerszijden uitkragend en gedragen door consoles heeft een nis met heiligenbeeld. In de korte gevelzijden van het uitgebouwde entreevolume ronde stalen vensters met kleine roedeverdeling. In de terugliggende tweede laag, hoog onder het overstek, een reeks van vijf rechthoekige verticaal ingedeelde vensters met zesruits roedeverdeling per glaspaneel.
De oostgevel van dit westelijke kloostervleugeldeel bestaat uit een uitgebouwde eerste bouwlaag onder plat met balkon, waarin een reeks van drie rechthoekige kruiskozijnen met kleine roedeverdeling. In de tweede laag een reeks van drie identieke vensterkozijnen, alsmede een rechthoekige balkondeur met zij- en bovenlichten en kleine roedeverdeling in de glaspanelen. In het souterrain een reeks rechthoekige verticaal ingedeelde vensters met kleine roedeverdeling in de glaspanelen, voorzien van traliewerk. De PORTIERSWONING, vanwege de helling van het perceel lager gelegen dan het klooster, sluit middels een korte verbindingsgang onder plat aan de noordwestzijde aan op het klooster. Van de zuidgevel is uitsluitend de tweede laag zichtbaar, waarin een reeks van vier rechthoekige houten vensters met bovenlicht en achtruits roedeverdeling. In de eerste laag van de westgevel drie soortgelijke vensters; in de tweede laag, onder de muizetandlijst, twee kleine rechthoekige houten vierruits vensters. In de eerste bouwlaag van de noordgevel een rond negenruits venster met halfronde profiellijst en een rechthoekig vensterkozijn met bovenlicht en kleine roedeverdeling in de glaspanelen. In de tweede laag twee van dergelijke vensters. In de eerste laag van de oostgevel, ten dele aan het oog onttrokken door de perceelsommuring aan de noordzijde, een rond stalen venster met kleine roedeverdeling; een rechthoekige houten deur met vierruits bovenlicht; twee kleine rechthoekige vierruits vensters. In de tweede laag een rond stalen venster met kleine roedeverdeling en twee kleine rechthoekige vierruits vensters.
In de noordgevel van het verbindingsvolume onder plat een rechthoekig venster met kleine roedeverdeling, waarboven een halfrond venster met kleine roedeverdeling.
De NOORDVLEUGEL, waarvan de souterrainverdieping aan het oog wordt onttrokken door een tuinmuur met ezelsrug, telt dertien vensterassen. Een middenrisaliet van drie assen, voorzien van een ingestoken kap, met aan weerszijden gevelvlakken van vijf vensterassen. In twaalf van de dertien assen, alsmede in de korte gevelzijden van het middenrisaliet, achtereenvolgens een rechthoekig verticaal ingedeeld souterrainvenster met zesruits roedeverdeling in de glaspanelen en traliewerk; een rechthoekig kruiskozijn met zestienruits roedeverdeling; een rechthoekig verticaal ingedeeld venster met zesruits roedeverdeling in de glaspanelen. In de vierde as van het rechter geveldeel een de gehele gevelhoogte in beslag nemend stalen trappenhuisvenster met kleine roedeverdeling. De drie reftervensters in het linker geveldeel hebben kunststof voorzetramen.
De NOORDVLEUGEL is aan de binnenplaatszijde in de souterrainverdieping voorzien van rechthoekige verticaal ingedeelde vensters met zesruits roedeverdeling in de glaspanelen; in de eerste laag de kloostergang met zeven segmentboogvormige, dubbel verticaal ingedeelde vensterkozijnen met zesruits roedeverdeling per glaspaneel. Tussen het vierde en het vijfde venster een segmentboogvormige houten buitendeur. In de tweede laag rechthoekige verticaal ingedeelde vensters met zesruits roedeverdeling per glaspaneel.
In de oksel van de noord- en zuidvleugel een smalle hoge liftkoker onder een zadeldakje, alsmede een ronde traptoren met kegeldak. In de noordzijde van deze traptoren een verticale reeks van vier ronde stalen vensters met zesruits roedeverdeling en geel gekleurd glas. Muizetandlijst.
De OOSTELIJKE VLEUGEL, de zogenoemde noviciaatsvleugel, biedt een zeer gesloten aanblik. In beide lagen een reeks van acht cq. zeven hoog in de kloostergangen geplaatste vensters met traliewerk: in de eerste laag rechthoekige negenruits vensters, in de tweede laag rechthoekige zesruitsvensters. Boogfriesjes, muizetanden.
De oostvleugel wordt aan de zuidzijde beëndigd door een ronde traptoren met kegeldak, waarin smalle horizontaal ingedeelde trappenhuisvenstertjes met glazen bouwstenen. De zuidgevel is blind, behoudens een rechthoekig vensterkozijn met achtruits roedeverdeling en traliewerk.
De binnenplaatsgevel van de noviciaatsvleugel heeft in de eerste laag twee gekoppelde, kleine rechthoekige vensters met horizontale indeling en twaalf verticaal ingedeelde rechthoekige vensters met zesruits roedeverdeling in de glaspanelen; in de tweede laag twee gekoppelde, kleine rechthoekige vensters met horizontale indeling, negen verticaal ingedeelde rechthoekige vensters met zesruits roedeverdeling in de glaspanelen en drie dubbel verticaal ingedeelde rechthoekige vensters met zesruits roedeverdeling in de glaspanelen. Aan de noordzijde, voor de noordelijke kloostervleugel, is het perceel voorzien van een bakstenen OMMURING met ezelsrug, aan de noordoostzijde voorzien van een rondboogvormig houten poortje. De kloostertuin aan de zuidzijde wordt geheel omgeven door een bakstenen ommuring met steunberen, ezelsruggen cq. pannenafdekking. En sluit aan op de buitenentree van de kloosterkapel. Het Gemmaklooster beschikt over een INTERIEUR dat inclusief de indeling vrijwel ongewijzigd bewaard is gebleven. In dit interieur zijn onder meer van belang de naar een ontwerp van architect Wielders gerealiseerde meubileringen, kastenwanden en paneeldeuren; de gele bakstenen lambriseringen en de tegelvloeren in de trappenhuizen; de westelijke kloostergang met zware rondboogvormige houten deuren met stootbeslag; de kloostergang in de noordvleugel met bakstenen korfboogribben, waartussen gepleisterde gevelvelden met rechthoekige houten paneeldeuren in lijsten met kruismotief; het trappenhuis in de toren tussen de noord- en oostvleugel met ronde stalen vensters, stalen balustrade en houten handlijsten. Verder is van belang het interieur van de dubbele kapel met mergel binnenmuren. Het vrij toegankelijke kapelgedeelte heeft een lage rode bakstenen plint, een gele bakstenen lambrisering met strek, mergelmuren en vijf kruisribgewelven met vijf scheibogen, waarvan de eerste met spitsboogrib tussen schip en koor. Tweemaal acht kerkbanken van de meubelmakerij Gerbers-Oberdorf te Sittard. Triomfkruis, lezenaar, tabernakel en kruiswegstaties van na-oorlogse datum. Gepolijst marmeren altaar op vergroot priesterkoor. De vloer is naderhand belegd met Noorse lei. Vier respectievelijk twee vensters in de zijwanden van het schip en een rond stalen venster met gebrandschilderd glas-in-lood in de zuidelijke schipwand, met voorstellingen van de H.Gemma en de strijd tussen goed en kwaad, vervaardigd door Joep Nicolas. Het interieur van het gesloten kapeldeel, geïnspireerd op de een driebeukige basilicale indeling met vlakke houten plafonds, wordt in drieën gedeeld door twee aanzienlijke rondbogen, waartussen een ten dele verhoogd plafond. Drie spitsboogvormige neo-gotische vensters, atelier Verstraaten te Utrecht, 1929; 30 knielbanken in tribune-opstelling over vijf niveau's, vervaardigd door meubelmakerij Gerbers-Oberdorf te Sittard. Scheiding met het toegankelijke kapeldeel door middel van een stalen rondboogdeur, verticaal ingedeeld en voorzien van glas-in-lood, ter vervanging van het oorspronkelijke traliewerk.
Waardering
Het slotklooster van de Zusters Passionistinnen is van cultuurhistorische waarde als bijzondere uitdrukking van een geestelijke en typologische ontwikkeling. De architectuurhistorische waarden worden bepaald door de bouwstijl, door het belang van het slotklooster voor het oeuvre van architect Wielders, door de hoogwaardige esthetische kwaliteit van diens ontwerp, het materiaalgebruik en de bijzondere samenhang tussen exterieur en interieur. Het klooster is vanwege de situering verbonden met de ontwikkeling en uitbreiding van Sittard en van bijzondere betekenis voor het aanzien van de stad. Het klooster is wat betreft exterieur en interieur in zeer hoge mate gaaf bewaard gebleven en van belang voor de visuele gaafheid van de bebouwde omgeving. Bovendien beschikt het klooster over een hoge mate van typologische zeldzaamheid. Het slotklooster vertegenwoordigt een algemeen belang vanwege het geheel van voornoemde waarden.
English translation
The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com
Description
Introduction
SLOT CLOISTER with CLOISTER CHAPEL, PORTER'S LODGE and GARDEN WALL, 1938. Built in a traditional architectural manner by the Sittard contractor Tummers, on behalf of the Venerable Passionist Sisters at Haastrecht, after a design by architect Jos. Wielders of Sittard. The concept of a 'fortress of prayer' formed the basis for the design, which the architect translated into high closed gables with heavy squat exterior doors, small barred windows and high round corner towers.
The cloister is situated on a plot sloping in a northerly direction on the east side of the Leijenbroekerweg, behind the linear development there and is accessible via a short access road.
In 1972 the slot cloister was remodelled to give the building a less closed character. To this end the access stairs with retaining wall in front of the cloister entrance were removed and the entrance placed in a projecting volume. The choir in the open section of the cloister chapel was renewed, the grillwork between the chapel sections replaced by steel doors with leaded glass. In 1981 the northern cloister wing was provided with a lift shaft.
Description
The slot cloister has an irregular U-shaped PLAN, with a garden situated on the south side. The cloister is largely provided with a basement storey, two STOREYS and an attic storey. The eastern novitiate wing and the chapel have only a crawl space.
The cloister is covered by gabled roofs of varying ridge height, partly vaulted, with red-toned Dutch tiles. Fascia gutters and overhangs on consoles. The stair towers of the eastern novitiate wing have conical roofs with slate, as does the tapered spire of the cloister chapel. The porter's lodge on the north-west side has a hipped roof with red-toned Dutch tiles and roof dormer windows, as well as a short connecting volume with the cloister under a flat roof. Ridge chimneys, several tall chimneys on the rear roof surfaces. Various roof windows.
The Gemma cloister has a red brick plinth, a yellow brick exterior in running bond. Flush jointing. Baked sill stones, likewise applied in the coping of the buttresses. Window sills, tooth decoration. Steel and wooden windows, mostly with grillwork. Chapel interior in marl.
The WEST WING determines the appearance of the cloister from the Leijenbroekerweg. The southern half of the west wing is occupied by the CLOISTER CHAPEL. On the north-west side the PORTER'S LODGE has been created. Between the chapel and the porter's lodge is the CLOISTER ENTRANCE.
The CLOISTER CHAPEL has an L-shaped plan and is composed of a closed and a public chapel section, which are projected transversely to each other. On the west side is the external wall of the public chapel section, dominated by a round built-up corner tower with tapered spire, overhang and roof cross. Round-arched openings for bell sound. A wall surface with four round-arched steel leaded glass windows, separated from each other by tapering buttresses. Above these windows a continuous tooth moulding. The external entrance to the chapel is placed in a volume projecting in relation to the west gable, above which the gabled roof continues with slight curvature and the overhang is supported by heavily dimensioned consoles. Set back in a round-arched, sloping moulding with double stretcher is the double round wooden entrance door with fittings. On the north side of the external entrance a tapering buttress with a pointed top; on the west side a landing with steps, retaining wall with pointed top and a recent ramp; on the south side the wall around the garden meets the entrance section.
The south gable of the chapel has a large round steel window set high up with leaded glass, provided with a semi-round profile moulding and a waterspout. Below it a blind extension under a small gabled roof, flanked on both sides by tapering buttresses. In the east gable two round-arched steel leaded glass windows, separated from each other by a tapering buttress. Transverse to this east gable is the projecting volume of the closed chapel section under a slightly vaulted gabled roof, provided with a somewhat lowered ridge line. In the south gable of this extension a series of three coupled round-arched steel windows with leaded glass. In the east gable three coupled steel pointed arch windows with leaded glass of varying heights, with a round-arched steel leaded glass window on either side. These pointed arch and round-arched windows are separated from each other by tapering buttresses. In the gable head of the east wall a small round steel window. Bell frame with bells consisting of two bells by an anonymous bell founder, 1938, diameters respectively 50 cm and 42 cm.
On the north side the CLOISTER ENTRANCE adjoins the cloister chapel. On the west side a cloister walk of one storey under a flat roof, the gable head of which is covered with tiles. In the external wall of this walk four round steel windows with nine-pane glazing and grillwork, four waterspouts. In the basement four rectangular wooden windows with grillwork. This gable head conceals a series of fanlights from view, which provide lighting to the cloister quarters of the first storey. The cloister walk runs out on the north side in the transversely projecting volume of the cloister entrance. This volume is covered by a small gabled roof and has a round-arched wooden door with fittings. This door is set back in a chamfered moulding. The gable head of the entrance section, projecting on both sides and supported by consoles, has a niche with a religious image. In the short gable sides of the projecting entrance volume round steel windows with small glazing bars. In the recessed second storey, high under the overhang, a series of five rectangular vertically divided windows with six-pane glazing bars per pane.
The east wall of this western cloister wing section consists of a projecting first storey under a flat roof with balcony, in which a series of three rectangular cross windows with small glazing bars. In the second storey a series of three identical window frames, as well as a rectangular balcony door with side and top windows and small glazing bars in the panes. In the basement a series of rectangular vertically divided windows with small glazing bars in the panes, provided with grillwork. The PORTER'S LODGE, owing to the slope of the plot situated lower than the cloister, adjoins the cloister via a short connecting walk under a flat roof on the north-west side. Of the south gable only the second storey is visible, in which a series of four rectangular wooden windows with top window and eight-pane glazing bars. In the first storey of the west gable three similar windows; in the second storey, under the tooth moulding, two small rectangular four-pane windows. In the first storey of the north gable a round nine-pane window with semi-round profile moulding and a rectangular window frame with top window and small glazing bars in the panes. In the second storey two such windows. In the first storey of the east gable, partially concealed from view by the plot boundary wall on the north side, a round steel window with small glazing bars; a rectangular wooden door with four-pane top window; two small rectangular four-pane windows. In the second storey a round steel window with small glazing bars and two small rectangular four-pane windows.
In the north wall of the connecting volume under a flat roof a rectangular window with small glazing bars, above which a semi-round window with small glazing bars.
The NORTH WING, whose basement storey is concealed from view by a garden wall with pointed top, has thirteen window axes. A central risalit of three axes, provided with a recessed roof, with wall surfaces of five window axes on either side. In twelve of the thirteen axes, as well as in the short gable sides of the central risalit, respectively a rectangular vertically divided basement window with six-pane glazing bars in the panes and grillwork; a rectangular cross window with sixteen-pane glazing bars; a rectangular vertically divided window with six-pane glazing bars in the panes. In the fourth axis of the right wall section a steel stairwell window extending the full gable height with small glazing bars. The three refectory windows in the left wall section have plastic secondary frames.
The NORTH WING is on the courtyard side in the basement storey provided with rectangular vertically divided windows with six-pane glazing bars in the panes; in the first storey the cloister walk with seven segmental arch-shaped, doubly vertically divided window frames with six-pane glazing bars per pane. Between the fourth and fifth window a segmental arch-shaped wooden external door. In the second storey rectangular vertically divided windows with six-pane glazing bars per pane.
In the angle between the north and south wings a narrow high lift shaft under a small gabled roof, as well as a round stair tower with conical roof. In the north side of this stair tower a vertical series of four round steel windows with six-pane glazing bars and yellow-tinted glass. Tooth moulding.
The EASTERN WING, the so-called novitiate wing, presents a very closed appearance. In both storeys a series of eight or seven windows placed high in the cloister walks with grillwork: in the first storey rectangular nine-pane windows, in the second storey rectangular six-pane windows. Arch friezes, tooth decorations.
The east wing is terminated on the south side by a round stair tower with conical roof, in which narrow horizontally divided stairwell window panes with glass bricks. The south gable is blank, except for a rectangular window frame with eight-pane glazing bars and grillwork.
The courtyard wall of the novitiate wing has in the first storey two coupled, small rectangular windows with horizontal division and twelve vertically divided rectangular windows with six-pane glazing bars in the panes; in the second storey two coupled, small rectangular windows with horizontal division, nine vertically divided rectangular windows with six-pane glazing bars in the panes and three doubly vertically divided rectangular windows with six-pane glazing bars in the panes. On the north side, in front of the northern cloister wing, the plot is provided with a brick BOUNDARY WALL with pointed top, on the north-east side provided with a round-arched wooden gate. The cloister garden on the south side is completely surrounded by a brick boundary wall with buttresses, pointed tops and tile coping. And adjoins the external entrance of the cloister chapel. The Gemma cloister has an INTERIOR which has been preserved almost unchanged including the layout. This interior is of importance among other things for the furnishings, wall cupboards and panel doors realised after a design by architect Wielders; the yellow brick wall wainscoting and tile floors in the stairwells; the western cloister walk with heavy round-arched wooden doors with stop fittings; the cloister walk in the north wing with brick basket arch ribs, between which plastered wall surfaces with rectangular wooden panel doors in frames with cross motif; the stairwell in the tower between the north and east wings with round steel windows, steel balustrade and wooden handrails. Also of importance is the interior of the double chapel with marl interior walls. The freely accessible chapel section has a low red brick plinth, yellow brick wainscoting with stretcher, marl walls and five ribbed vaults with five transverse arches, the first of which has a pointed arch rib between nave and choir. Twice eight church pews from the furniture maker Gerbers-Oberdorf at Sittard. Rood screen, lectern, tabernacle and Stations of the Cross of post-war date. Polished marble altar on an enlarged priest's choir. The floor has subsequently been laid with Norwegian slate. Four respectively two windows in the side walls of the nave and a round steel window with stained leaded glass in the southern nave wall, with representations of St. Gemma and the struggle between good and evil, created by Joep Nicolas. The interior of the closed chapel section, inspired by a three-aisled basilica layout with flat wooden ceilings, is divided into three sections by two considerable round arches, between which a partially raised ceiling. Three pointed arch neo-gothic windows, studio Verstraaten at Utrecht, 1929; 30 kneeling benches in tribune arrangement over five levels, made by furniture maker Gerbers-Oberdorf at Sittard. Separation from the accessible chapel section by means of a steel round arch door, vertically divided and provided with leaded glass, replacing the original grillwork.
Valuation
The slot cloister of the Passionist Sisters is of cultural-historical value as a distinctive expression of a spiritual and typological development. The architectural-historical values are determined by the building style, by the importance of the slot cloister for the oeuvre of architect Wielders, by the high aesthetic quality of his design, the use of materials and the distinctive coherence between exterior and interior. The cloister is owing to its situation connected with the development and expansion of Sittard and of particular significance for the appearance of the city. The cloister is in terms of exterior and interior preserved to a very high degree intact and of importance for the visual integrity of the built environment. Moreover, the cloister possesses a high degree of typological rarity. The slot cloister represents a matter of general interest owing to the entire collection of aforementioned values.
Nearby in the register
- Hof van OlijvenKapelunder 1 mi
- Villa MariaWoonhuisunder 1 mi
- Fort, vesting en -onderdelen, Wallen binnen beschermd stadsgezicht Sittard Sittard (Sittard-Geleen 31)Fort, vesting en -onderdelenunder 1 mi
- Woonhuis, Jubileumstraat 23Woonhuisunder 1 mi
Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.