TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

R.K. Kerk Maria Ten Hemel Opneming

Roermond, Limburg, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Kerk en kerkonderdeel
Function
Kerk
Category
onroerend gebouwd
Built
1895 - 1896
Address
Parklaan 1, 6045 BS Roermond
Place
Roermond
Province
Limburg
Country
Netherlands
Coordinates
51.18113, 5.99743
Part of complex
520504
Monument number
520505

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries

3 historical maps cover this location, the earliest the 1898 map "402. Erkelenz." (David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

Inleiding

Halfvrijstaande zaalkerk genaamd kapel in 't Zand. De kerk werd gebouwd in 1895-1896 naar een ontwerp van architect Joh. Kayser in Neo-gotische stijl. Opdrachtgevers waren de Paters Redemptoristen. De dakruiter is een uit 1924 daterende vervanging van een in 1921 door stormschade verloren gegane toren. De kapel is gelegen aan het einde van de lange rechte Kapellerlaan welke vanuit de binnenstad naar de kapel leidt. De historische bebouwing aan de Kapellerlaan en rond de kapel houdt verband met de belangrijke functie van de kapel als bedevaartsoord. De kapel is een vervanging van een eerdere kapel waarvan de traditie teruggaat tot in de 15de eeuw. De processiegang aan de zuidzijde van de kapel is een latere toevoeging aan de kapel. Deze gang maakt weliswaar deel uit van het kloostergedeelte maar is qua functie sterk verbonden met de kapel en wordt derhalve bij de beschrijving van de kapel meegenomen. Twee hoektorens aan de westzijde van de kapel zijn in 1940 ook door stormschade verloren gegaan en niet herbouwd.

In 1975 is de kapel gerestaureerd.

Omschrijving

De halfvrijstaande kapel heeft een hoog en breed rechthoekig, acht gebonden traveeën diep, schip onder een zadeldak met leien.

Het schip heeft ondiepe zijkapellen welke onderling niet toegankelijk zijn. Een smaller en lager koor met een gebonden koortravee en een vijfzijdige absis onder een schilddak sluit aan op het schip. In de hoeken tussen het schip en het koor zijn vierkante lage kapellen gebouwd. Het schip is gedekt met een zadeldak waarin op regelmatige afstand dakkapellen onder schildkapjes gevoegd zijn. Vanaf de nok rijst een achtkantige dakruiter op met in vier zijden van de sokkel vierkante wijzerplaten. Binnen een balustrade met pinakels verjongt de toren zich naar acht open rechthoekige vlakken. De toren wordt gedekt met een achtkantige ingesnoerde spits onder een smeedijzeren kruis. Het koor en de koorkapel zijn onder een schilddak gebracht. Alle daken zijn gedekt met op Maaslandse wijze gelegde leien. Het toegepaste bouwmateriaal is rode baksteen in kruisverband gemetseld en grijze natuursteen.

Spitsboogvormige glas-in-lood vensters. Parallel aan de kerk, tegen de zuidelijke wand bevindt zich de lange smalle processiegang welke deel uitmaakt van het klooster. Tussen de gang en het schip van de kapel is in drie zijkapellen een Mariakapel ingericht. De altaarruimte van deze kapel is zowel vanuit het schip als vanuit de processiegang toegankelijk.

Tussen de gang en het koor is een rechthoekige sacristie ingevoegd.

In het verlengde van de kloostergang en ingeklemd tussen de absis van de Kapel en de oostelijke kloostervleugel is aan de zijde van de Heinsbergerweg een volume in drie bouwlagen gesitueerd. Dit volume bezit een driezijdige kopgevel en wordt afgedekt met een schilddak met leien.

WESTGEVEL van de kapel. De west-facade is een tuitgevel geschraagd door rechthoekige overhoekse meermalen versneden steunberen.

De gevel heeft rechthoekige schouderstukken welke door de aandaken onder vlakke grijs-natuurstenen dekplaten zijn gebracht.

De gevel wordt bekroond met een natuurstenen kruisbloem.

Centraal heeft de gevel een rechthoekige poort onder een spitsboogvormig bovenlicht in een geprofileerde bakstenen lijst.

Hierboven opent zich een hoog en breed spitsboogvenster met vier monelen en een tracering van drie vensterrozen en twee vierpassen. De spitsboog van het venster wordt omvat door een lijst met hogels. In top van de gevel in een natuurstenen nis een kopie van het beeld van O.L.V. in 't Zand onder een baldakijn. De nis wordt geflankeerd door twee spitsboogvormige spaarvelden. Horizontaal wordt de gevel geleed door een lage plint en cordonlijsten ter hoogte van de vensterafzaat, de aanzet van de vensterboog en de console van het beeld.

NOORDGEVEL van de kapel. De in acht traveeën verdeelde noordelijke facade heeft een twee-delige wandopbouw met in de benedenzone de blinde wanden van de zij-kapellen onder lessenaarsdaken en daarboven een lichtbeuk van lancetvensters.

De traveeën in de gevel worden vanelkaar gescheiden door rechthoekige, vier maal versneden steunberen onder schuine dekplaten. Horizontaal wordt de gevel geleed door een lage plint, een cordonlijst onder de vensterafzaten en een spitsboogfries onder een rijk geprofileerde daklijst. Afwijkend van de hierboven beschreven opbouw hebben de twee bredere westelijke traveeën in de benedenzone een spitsboogvenster in de meest westelijke travee en een portaal tegen de tweede travee.

Het driezijdige portaal heeft boven in de hogere midden-tuitgevel een spitsboog venster. De beide rechthoekige zij-gevels hebben rechthoekige deuren onder spitsbogen met een sculpturale voorstelling in de boogvelden. De zijgevels worden afgesloten met een filigrane lijst.

Het KOOR. De sluitwanden van het koor hebben een blinde benedenzone en lancetvensters in de lichtbeuk. De geveldelen worden van elkaar gescheiden door rechthoekige, enige malen versneden steunberen onder schuine dekplaten. Noordelijk van het koor is de noordelijke koorkapel uitgebouwd. De vierkante kapel heeft in de noordelijke wand een spitsboogvenster. De zuidelijke koorkapel is opgenomen in de kloosterbebouwing.

De ZUIDGEVEL. De zuidelijke facade is slechts in de twee meest oostelijke traveeën vrijstaand, de andere traveeën worden tot ver in de lichtbeuk verdekt door de aanleunende kloosterbebouwing. De meest westelijke travee heeft net als in de noordelijke facade een tweedelige wandopbouw met in de benedenzone een klein spitsboogvenster en een lancetvenster in de lichtbeuk. De tweede westelijke travee heeft tussen de steunberen een tot in de lichtbeuk opgaande uitbouw onder een lessenaarsdak. De vlakke wand van deze uitbouw heeft bovenin een rond venster. In de benedenzone zijn in deze wand diverse gedenkstenen ingemetseld. De aan de kapel aansluitende processiegang bevindt zich in een bouwdeel dat drie bouwlagen telt en met een plat dak wordt afgedekt.

De omschrijving van het exterieur van dit bouwdeel is opgenomen in de omschrijving van het klooster. Het interieur wordt aansluitend aan het kapelinterieur omschreven.

In de eerste bouwlaag van de kopgevel van het drie bouwlagen tellende volume ingeklemd tussen de absis van de kapel en de oostelijke kloostervleugel drie segmentboogvormige glas-in-lood vensters met aan de bovenzijde spitsboogvormige spaarvelden. In de tweede bouwlaag in elk van de drie gevelvlakken twee hoge rechthoekige vensters waarvan de middelste twee vensters met glas-in-lood. In de derde bouwlaag in elk gevelvlak twee kleine spitsboogvormige vensters waarvan de middelste twee met glas-in-lood. In de derde bouwlaag bevindt zich de vml. kloosterkapel.

Van het INTERIEUR is onder meer het volgende van belang.

Het schip. De oostelijke traveeën van het schip hebben een driedelige wandopbouw met boven een spitsboogarcade op rechthoekige pijlers, een vierdelig blind triforium met spitsbogen. De arcade wordt naar boven met een lijst afgesloten.

Een geprofileerde lijst scheidt het triforium van de hoge lichtbeuk met lancetvensters. De traveeën worden van elkaar gescheiden door een alternerend systeem van een of drie schalken op gotiserende basementen. Deze schalken gaat op tot onder het gewelf en worden bekroond met bladwerkkapiteeltjes. De arcade geeft toegang tot ondiepe zijkapellen. Deze zijkapellen fungeren als altaarnis of er zijn biechtstoelen ingebouwd. De drie gekoppelde zijkapellen in de zuidelijke wand vormen een Mariakapel. In de meest westelijke gebonden travee is een orgeltribune op U-vormige grondslag gezet. De tribune, met daaronder een rondboogarcade, rust op vier ronde pijlers van donkere natuursteen met bladwerkkapitelen. Het kruisgewelf onder de tribune geeft de wanden onder de tribune een rondboogvorm. In de meest westelijke travee is aan beide zijden een spitsboogvenster gevoegd. De travee oostelijk daarvan heeft in de zuidelijke wand een ondiepe zijkapel en in de noordelijke wand een poort naar een portaal. De spitsboogvormige westelijke wand van het schip heeft onder de orgeltribune in het midden een rechthoekige poort onder een spitsboogbovenlicht. Boven de tribune heeft de wand een groot breed spitsboogvenster. De spitsboogvormige oostelijke wand van het schip heeft in het midden een hoge spitsboogvormige opening naar het koor met daarnaast aan beide zijden een smalle, lagere spitsboogwandopening naar een koorkapel. De spitsbogen worden op de hoek tussen het schip en het koor gedragen door ronde donker-natuurstenen pijlers onder brede bladwerkkapitelen.

Het koor. Het koor heeft een gebonden koortravee met door een schalk in tweeën gedeelde zuidelijke en noordelijke wanden. De westelijke delen van deze wanden hebben over de gehele breedte hoge spitsboogopeningen naar de koorkapellen. De bogen worden in de hoek met het schip gedragen door ronde donker-natuurstenen pijlers onder brede bladwerkkapitelen. Boven de spitsbogen hebben de wanden kleine spitsboogvensters. De oostelijke delen van de traveewanden hebben getoogde deuren naar dienstruimten. Lancetvensters met schuine afzaten vormen de lichtbeuk. De vijf sluitwanden van de absis hebben een tweedelige opbouw met een blinde benedenzone en een lichtbeuk met lancetvensters. Beneden in de zuidelijke sluitwand bevindt zich een spitsboogvenster naar de sacristie. De wanden worden vanelkaar gescheiden door schalken onder het gewelf dragende kapiteeltjes.

Het schip is overkluisd met een gebonden zesdelig kruisgewelf met geprofilerde ribben. Ook de koortravee heeft een gewelf van dit type, hier echter met een nokrib. De zijkapellen hebben spitse tongewelven.

De koorkapellen zijn overwelfd met kruisribgewelven.

De processiegang. De 13 vierkante traveeën lange met kruisribgewelven overkluisde, rechthoekige processiegang is aan beide korte zijden toegankelijk via een segmentboogpoort.

Diverse rechthoekige, getoogde en spitsboogdeuren geven vanuit de gang toegang tot het schip van de kapel, de sacristie en het klooster. De wanden van de gang zijn bekleed met votieftegels.

De vlakke zuidelijke wand van de gang heeft zeven ronde vensters. Boven een gootsteen tegen de wand kan water getapt worden uit de put waarin in de 15e eeuw het vereerde Mariabeeld gevonden is.

Van het interieur van de kapel zijn verder onder meer van belang. De gebrandschilderde vensters in de noordelijke wand van het schip door F. Nicolas uit 1897 en het gebrandschilderde westvenster door A. Windhausen uit 1904. Dit laatste venster werd in 1947 gerestaureerd door Van der Essen. In het schip is verder van belang de triomfboogbeschildering door A. Windhausen.

Deze neo-Bijzantijnse schildering is in 1902 aangebracht. Het hoofdaltaar naar een ontwerp van J. Thissen te Roermond uit 1897 uitgevoerd in hout. Zij-altaar links ter ere van St. Jozef eveneens in hout naar ontwerp van J. Thissen uit 1898. Rechter zij-altaar met afbeeldingen van gebeurtenissen uit het leven van St. Alphonsus van J. Thissen uit 1899. Het Gerardusaltaar rechtsachter in de kerk gemaakt door H. te Riele in 1896 met hierop een beeld van de H. Gerardus uit het atelier van Cuypers.

In de processiegang is van belang het parement van votieftegels en een tegeltableau met een voorstelling van Onze Lieve Vrouw en de vondst van het miraculeuze beeldje.

De vml. kloosterkapel. Thans in gebruik als recreatieruimte en bibliotheek, bezit de oorspronkelijke kruisribgewelven rustend op kleine consoles. Enkele bovenlichten met figuratief glas-in-lood.

Waardering

De Kapel van O.L. Vrouw in 't Zand is van cultuurhistorische waarde als bijzondere uitdrukking van een geestelijke en een typologische ontwikkeling in de architectuur van roomskatholieke kerkgebouwen in de tweede helft van de 19de eeuw. De kerk is historisch en religieus van belang vanwege haar functie als bedevaartskerk. De kerk bezit architectuurhistorische waarde vanwege haar bijzonder belang voor de geschiedenis van de architectuur, voor het oeuvre van de architect Joh. Kayser, wegens de hoogwaardige esthetische kwaliteiten van het ontwerp en het bijzondere materiaalgebruik en de inrichting. De kerk bezit een stedebouwkundige functie wegens de bijzondere betekenis van het object voor het aanzien van Roermond m.n. als optische afsluiting van de Kapellerlaan. De kerk is tenslotte van algemeen belang op grond van de architectonische gaafheid van ex- en interieur en de cultuur- en architectuurhistorische zeldzaamheid.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

Introduction

Semi-detached hall church called the chapel in 't Zand. The church was built in 1895-1896 after a design by architect Joh. Kayser in Neo-Gothic style. The patrons were the Redemptorist Fathers. The roof turret is a replacement dating from 1924 of a tower lost in 1921 due to storm damage. The chapel is located at the end of the long straight Kapellerlaan which leads from the city centre to the chapel. The historic buildings on the Kapellerlaan and around the chapel are connected with the important function of the chapel as a pilgrimage site. The chapel is a replacement of an earlier chapel whose tradition goes back to the 15th century. The processional passage on the south side of the chapel is a later addition to the chapel. Although this passage is part of the cloister section, its function is strongly connected with the chapel and is therefore included in the description of the chapel. Two corner towers on the west side of the chapel were also lost to storm damage in 1940 and were not rebuilt.

The chapel was restored in 1975.

Description

The semi-detached chapel has a high and broad rectangular nave, eight bays deep, under a gabled roof with slate.

The nave has shallow side chapels which are not accessible to each other. A narrower and lower choir with a bound choir bay and a five-sided apse under a hipped roof adjoins the nave. In the corners between the nave and the choir are square low chapels. The nave is covered with a gabled roof into which roof dormers under hipped caps are inserted at regular intervals. From the ridge rises an octagonal roof turret with square clock faces in four sides of the base. Within a balustrade with pinnacles the tower tapers towards eight open rectangular planes. The tower is covered with an octagonal constricted spire under a wrought-iron cross. The choir and the choir chapel are brought under a hipped roof. All roofs are covered with slate laid in the Maasland manner. The building material used is red brickwork laid in English bond and grey natural stone.

Pointy-arched leaded light windows. Parallel to the church, against the southern wall is the long narrow processional passage which is part of the cloister. Between the passage and the nave of the chapel, a Marian chapel is arranged in three side chapels. The altar space of this chapel is accessible both from the nave and from the processional passage.

Between the passage and the choir a rectangular sacristy is inserted.

In the extension of the cloister passage and wedged between the apse of the Chapel and the eastern cloister wing is, on the side of the Heinsbergerweg, a volume situated on three storeys. This volume has a three-sided gable and is covered with a hipped roof with slate.

WEST FACADE of the chapel. The west facade is a spout gable braced by rectangular diagonal buttresses cut several times.

The facade has rectangular shoulder stones which are brought under sloping grey-natural stone covering plates by the lean-to roofs.

The facade is crowned with a natural stone cross flower.

Centrically the facade has a rectangular doorway under a pointed-arched fanlight in a moulded brick frame.

Above this opens a high and broad pointed-arched window with four mullions and tracery of three window roses and two quatrefoils. The pointed arch of the window is encompassed by a moulding with hoodmoulds. At the apex of the facade in a natural stone niche a copy of the image of O.L.V. in 't Zand under a baldachin. The niche is flanked by two pointed-arched spandrels. Horizontally the facade is articulated by a low plinth and string courses at the height of the window sills, the springing of the window arch and the console of the image.

NORTH FACADE of the chapel. The northern facade divided into eight bays has a two-part wall structure with in the lower zone the blind walls of the side chapels under catslide roofs and above a light storey of lancet windows.

The bays in the facade are separated from each other by rectangular, four-times cut buttresses under sloping covering plates. Horizontally the facade is articulated by a low plinth, a string course under the window sills and a pointed-arch frieze under a richly moulded cornice. Differing from the structure described above, the two broader western bays in the lower zone have a pointed-arched window in the most western bay and a portal against the second bay.

The three-sided portal has above in the higher middle spout gable a pointed-arched window. The two rectangular side facades have rectangular doors under pointed arches with a sculptural representation in the spandrels. The side facades are terminated with a filigree moulding.

The CHOIR. The closing walls of the choir have a blind lower zone and lancet windows in the light storey. The facade sections are separated from each other by rectangular, several times cut buttresses under sloping covering plates. North of the choir the northern choir chapel is built out. The square chapel has a pointed-arched window in the northern wall. The southern choir chapel is incorporated in the cloister building.

The SOUTH FACADE. The southern facade is free-standing only in the two most eastern bays, the other bays are concealed far up into the light storey by the adjoining cloister building. The most western bay has, as in the northern facade, a two-part wall structure with in the lower zone a small pointed-arched window and a lancet window in the light storey. The second western bay has between the buttresses a structure extending up into the light storey under a catslide roof. The flat wall of this structure has a round window at the top. In the lower zone various memorial stones are mortared into this wall. The processional passage adjoining the chapel is situated in a structural unit that has three storeys and is covered with a flat roof.

The description of the exterior of this structural unit is included in the description of the cloister. The interior is described following the chapel interior.

In the first storey of the gable of the three-storey volume wedged between the apse of the chapel and the eastern cloister wing, three segmental-arched leaded light windows with pointed-arched spandrels at the top. In the second storey in each of the three facade sections two tall rectangular windows, of which the middle two windows have leaded lights. In the third storey in each facade section two small pointed-arched windows, of which the middle two have leaded lights. In the third storey is situated the former cloister chapel.

Of the INTERIOR the following is among other things of importance.

The nave. The eastern bays of the nave have a three-part wall structure with above a pointed-arch arcade on rectangular pillars, a four-part blind triforium with pointed arches. The arcade is terminated upwards with a moulding.

A moulded moulding separates the triforium from the high light storey with lancet windows. The bays are separated from each other by an alternating system of one or three shafts on Gothicising bases. These shafts rise up to the vault and are crowned with foliage capitals. The arcade provides access to shallow side chapels. These side chapels serve as altar niches or confessionals are built in. The three coupled side chapels in the southern wall form a Marian chapel. In the most western bound bay an organ gallery is set on a U-shaped plan. The gallery, with a segmental arch arcade beneath it, rests on four round pillars of dark natural stone with foliage capitals. The cross vault under the gallery gives the walls under the gallery a segmental arch form. In the most western bay a pointed-arched window is inserted on both sides. The bay east of this has in the southern wall a shallow side chapel and in the northern wall a door to a portal. The pointed-arched western wall of the nave has below the organ gallery in the middle a rectangular doorway under a pointed-arched fanlight. Above the gallery the wall has a large broad pointed-arched window. The pointed-arched eastern wall of the nave has in the middle a high pointed-arched opening to the choir with beside it on both sides a narrow, lower pointed-arch opening to a choir chapel. The pointed arches are carried on the corner between the nave and the choir by round dark-natural stone pillars under broad foliage capitals.

The choir. The choir has a bound choir bay with southern and northern walls divided in two by a shaft. The western parts of these walls have high pointed-arch openings the full width to the choir chapels. The arches are carried in the corner with the nave by round dark-natural stone pillars under broad foliage capitals. Above the pointed arches the walls have small pointed-arched windows. The eastern parts of the bay walls have arched doors to service rooms. Lancet windows with sloping sills form the light storey. The five closing walls of the apse have a two-part structure with a blind lower zone and a light storey with lancet windows. Below in the southern closing wall is a pointed-arched window to the sacristy. The walls are separated from each other by shafts under vault-bearing capitals.

The nave is vaulted with a bound six-part cross vault with moulded ribs. The choir bay also has a vault of this type, but here with a ridge rib. The side chapels have pointed barrel vaults.

The choir chapels are vaulted with cross rib vaults.

The processional passage. The 13 square bays long rectangular processional passage vaulted with cross rib vaults is accessible at both short sides via a segmental-arch doorway.

Various rectangular, arched and pointed-arch doors give access from the passage to the nave of the chapel, the sacristy and the cloister. The walls of the passage are lined with votive tiles.

The flat southern wall of the passage has seven round windows. Above a gutter against the wall water can be drawn from the well in which in the 15th century the revered Marian image was found.

From the interior of the chapel the following are further among other things of importance. The stained-glass windows in the northern wall of the nave by F. Nicolas from 1897 and the stained-glass west window by A. Windhausen from 1904. The latter window was restored in 1947 by Van der Essen. In the nave further of importance is the triumphal arch painting by A. Windhausen.

This neo-Byzantine painting was applied in 1902. The main altar after a design by J. Thissen at Roermond executed in 1897 in wood. Left side altar in honour of St. Joseph also in wood after a design by J. Thissen from 1898. Right side altar with images of events from the life of St. Alphonsus by J. Thissen from 1899. The Gerard altar right at the back in the church made by H. te Riele in 1896 with upon it an image of St. Gerard from the workshop of Cuypers.

In the processional passage of importance is the parure of votive tiles and a tile tableau with a representation of Our Lady and the finding of the miraculous little image.

The former cloister chapel. Now in use as a recreation room and library, possesses the original cross rib vaults resting on small consoles. Several fanlights with figurative leaded lights.

Valuation

The Chapel of O.L. Lady in 't Zand is of cultural-historical value as a particular expression of a spiritual and a typological development in the architecture of Roman Catholic church buildings in the second half of the 19th century. The church is historically and religiously of importance because of its function as a pilgrimage church. The church possesses architectural-historical value because of its particular importance for the history of architecture, for the oeuvre of architect Joh. Kayser, because of the high aesthetic qualities of the design and the particular use of materials and the interior arrangement. The church possesses an urban planning function because of the particular significance of the object for the appearance of Roermond, in particular as the visual termination of the Kapellerlaan. The church is finally of general importance on the grounds of the architectural integrity of exterior and interior and the cultural and architectural-historical rarity.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map