Rijksmonumentenregister · Netherlands
Dienstwoning(K4), Akerstraat 12
Brunssum, Limburg, Netherlands
The record
- Designation
- National monument (rijksmonument)
- Class
- Dienstwoning
- Function
- Dienstwoning(K4)
- Category
- onroerend gebouwd
- Built
- 1912
- Address
- Akerstraat 12, 6445 CR Brunssum
- Place
- Brunssum
- Province
- Limburg
- Country
- Netherlands
- Coordinates
- 50.93592, 5.97243
- Part of complex
- 518594
- Monument number
- 518597
Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.
David Rumsey Map Collection, Stanford LibrariesUniversity Library, Vrije Universiteit Amsterdam
2 historical maps cover this location, the earliest the 1898 map "Composite: 428. Aachen." (David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries).
This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗
The register's description
Omschrijving
Inleiding
Voormalige INGENIEURSWONING van de Staatsmijnen in Limburg, 1912. Gebouwd voor hoofdingenieur Op den Kamp van de Staatsmijn Hendrik, in opdracht en volgens een ontwerp van ir. J.H.W. Leliman van het Bouwbureau der Staatsmijnen. De in traditionele stijl gebouwde ingenieurswoning maakt deel uit van de lineaire bebouwingsstructuur tegenover de ingang van de voormalige Staatsmijn Hendrik, welke is opgebouwd uit dienstwoningen van uiteenlopende aard.
Er zijn in totaal twee exemplaren van dit type ingenieurswoning bewaard gebleven: een tweede, in spiegelbeeld uitgevoerde en uit 1909 daterende soortgelijke ingenieurswoning is gesitueerd aan de Heerlenersteenweg te Kerkrade, nabij het terrein van de voormalige Staatsmijn Wilhelmina. De op het voormalige achtergevelterras gebouwde veranda, de bijgebouwde garage met houten berging, de scheidingsmuur tussen bijgebouwde garage en noordelijke zijgevel alsmede de carports in de achtertuin zijn UITGESLOTEN van bescherming.
Omschrijving
De ingenieurswoning heeft een volledige souterrainverdieping, twee bouwlagen plus een zolderverdieping met vliering op een onregelmatige, doch in hoofdvorm kruisvormige PLATTEGROND. Het hoofdvolume, waarvan de nok parallel loopt aan de Akerstraat, heeft een gecombineerd en in nokhoogte onderscheiden SCHILD- EN WOLFDAK. Zowel aan de oostelijke voorgevel- als de westelijke achtergevelzijde bevinden zich uitbouwen onder ingestoken daken, waarvan de noklijn lager ligt ten opzichte van de dakhoogten van het hoofdvolume. De uitbouw aan de voorgevelzijde heeft een wolfdak, het uitgebouwde trappenhuis aan de achtergevelzijde heeft een schilddak. Het geheel is gedekt met rode muldenpannen en voorzien van diverse nokpionnen en enkele hoge schoorstenen. Bakgoten annex overstekken op decoratieve houten consoles. Op het dakschild boven de zuidgevel bevinden zich, zowel ter hoogte van de vliering als de zolderverdieping, respectievelijk een geblindeerde dakkapel onder ingestoken schilddakje en een dakkapel onder lessenaarsdak met een aaneengesloten reeks van vier rechthoekige houten vensters. Op het oostelijke dakvlak van het hoofdvolume bevinden zich een dakkapel met verticaal ingedeeld houten venster onder lessenaarsdak en een zoldervenster.
Tegen de op het westen georiënteerde achtergevel bevinden zich een oorspronkelijke uitbouw van één laag onder PLAT DAK, met bakgoten annex overstek op consoles. In de noordelijke oksel van de voorgevel en het dwars daarop uitgebouwde volume bevindt zich de entreepartij met houten overkapping. Tegen de zuidelijke gevel bevindt zich een erker met balkon. De oorspronkelijke leien in schubdekking op deze erker én de overkapping van de entree zijn vervangen door bitumen. Leien in schubdekking op de luifel boven het erkerbalkon aan de voorgevel. De ingenieurswoning heeft een trasraam met rollaag en is opgetrokken in handgevormde baksteen, gemetseld in kruisverband. Gesneden voegen. Drievoudige speklagen in rode strengperssteen. Donkerrode bakstenen strekken. Hardstenen traptreden en lateien. De vensterdorpels zijn zowel in hardsteen als baksteen uitgevoerd. Smeedijzeren balkon- en balustradehekwerken. Houten hekwerk op balkon boven erker aan de zuidelijke zijgevel. Houten topgevelbeschotten. De gevels van het uitgebouwde trappenhuis aan de achtergevelzijde zijn gepleisterd. De VOORGEVEL aan de oostzijde wordt gedomineerd door het uitgebouwde volume onder ingestoken wolfdak. In de eerste laag heeft deze uitbouw een driezijdige, afgeschuinde erker met balkon. In deze erker een centraal geplaatst rechthoekig houten kruiskozijn, geflankeerd door twee rechthoekige houten T-vensters. De erkervensters hebben een onregelmatige bovenlichtindeling, bestaande uit een drie- cq. viervoudige verticale geleding en één asymmetrische horizontale geleding.
Het erkerbalkon heeft een smeedijzeren balkonbalustrade. De oorspronkelijke balkondeur is vernieuwd door een rechthoekige, dubbele kunststof balkondeur. Deze balkondeuren worden bovendien aan het oog onttrokken door een rolluik. Boven de balkondeuren een luifel op houten consoles.
In de topgevel een rechthoekig, dubbel houten kruiskozijn, waarbij het middelste glaspaneel een verticale indeling heeft. Vier- en achtruits roedeverdeling in de bovenlichten. Houten topgevelbeschot waarbij de rode bakstenen strek in het zicht is gehouden.
De in de noordelijke oksel van uitbouw en hoofdvolume geplaatste entreepartij bestaat uit een rechthoekige houten paneeldeur met verticaal ingedeeld bovenlicht. Deze deur is bereikbaar via een bordes met hardstenen traptreden en smeedijzeren balustrade. Boven het bordes een houten overkapping met eenvoudige houten zwikken. Deze overkapping is aan de noordzijde gedicht door een verticaal ingedeeld segmentboogvormig houten vensterkozijn met twaalfruits bovenlicht.
Het zuidelijke deel van de voorgevel heeft in de eerste bouwlaag een segmentboogvormig dubbel houten kruiskozijn met decoratief ingedeelde bovenlichten. In de tweede bouwlaag twee rechthoekige houten T-vensters met decoratief ingedeelde bovenlichten in een segmentboogvormige lijst met vulstuk. Beide vensters hebben rolluiken.
De ZIJGEVEL aan de zuidzijde heeft in de eerste laag van de eerste as een rechthoekige houten erker, voorzien van rechthoekige dubbele houten tuindeuren en T-vensters met kleine roedeverdeling in de bovenlichten. Op het afgeplatte dakdeel van deze erker bevindt zich een balkon met houten balustrade. De oorspronkelijke dubbele houten balkondeur met verticaal ingedeeld bovenlicht is achter het rolluik nog aanwezig. Deze deur is geplaatst is geplaatst in een segmentboogvormige lijst met vulstuk. De erker heeft een klein bordes met traptreden. In de eerste laag van de tweede as een rechthoekig houten kruiskozijn met decoratieve bovenlichtindeling in een segmentbooglijst met vulstuk.
De ACHTERGEVEL aan de oostzijde telt drie vensterassen. In de middenas bevindt zich het uitgebouwde, naderhand gepleisterde trappenhuis. Vanwege de aangebouwde veranda is de oorspronkelijk in de eerste laag van de trappenhuisuitbouw aanwezige achterdeur niet meer zichtbaar. De oorspronkelijk in de tweede en derde laag van het trappenhuis aanwezige vensters zijn vervangen door rechthoekige houten vensters met bovenlichten. De achtergevel van het hoofdvolume heeft in de tweede laag, aan weerszijden van het uitgebouwde trappenhuis, rechthoekige houten kruiskozijnen met decoratieve indeling in de bovenlichten en traliewerken, geplaatst in een segmentboogvormige lijst met vulstuk. Het vensterkozijn aan de noordzijde heeft een verticale indeling in de glaspanelen. De uitbouw van één laag onder plat heeft in de achtergevel een rechthoekig houten kruiskozijn met traliewerken, waarnaast een klein rechthoekig houten venstertje. De noordelijke ZIJGEVEL is onregelmatig ingedeeld. In de eerste laag bevindt zich een segmentboogvormig houten kruiskozijn met roedeverdeling in de bovenlichten alsmede een segmentboogvormig, verticaal ingedeeld houten venster met roedeverdeling. Dit laatste venster is identiek aan het bovenlicht van voornoemd kruiskozijn. Eveneens in de eerste laag is de zij-uitgang van de achtergeveluitbouw van één laag onder plat geplaatst. Deze bestaat uit een rechthoekige houten paneeldeur met verticaal ingedeeld bovenlicht en traliewerk, bereikbaar via een viertal traptreden die aan weerszijden zijn voorzien van smeedijzeren leuningen. Een naderhand aangebrachte scheidingsmuur onttrekt deze zij-uitgang vanaf de oostelijke straatzijde grotendeels aan het zicht.
De noordelijke zijgevel van het hoofdvolume heeft in de tweede laag een rechthoekig houten kruiskozijn met traliewerk in een segmentbooglijst met vulstuk. In de topgevel een rechthoekig, dubbel houten kruiskozijn, waarbij het middelste glaspaneel een verticale indeling heeft. Vier- en achtruits roedeverdeling in de bovenlichten. Houten topgevelbeschot waarbij de rode bakstenen strek in het zicht is gehouden.
De oorspronkelijk aan de noordelijke zijgevel aangebrachte vensterluiken zijn verwijderd.
De ingenieurswoning is voorzien van SPOUWMUREN. De souterrainverdieping heeft bakstenen TROGGEWELVEN tussen ijzeren I-profielen en rode vloerplavuizen.
Het INTERIEUR van de woning is wat betreft de indeling op een aantal kleine onderdelen aangepast. Op de begane grond is de deur tussen voor- en achterkamer gedicht. In dit interieur zijn onder meer van belang het trappenhuis, de gestileerde paneeldeuren in lijsten en de verschillende marmeren haardlijsten.
Waardering
De ingenieurswoning is van cultuurhistorische waarde en van algemeen belang als vervaardigde manifestatie van de geschiedenis van de nationale mijnbouw alsook van de geschiedenis van het wonen, met name als voorbeeld van de maatschappelijke hierarchie. De woning is als zodanig een bijzondere uitdrukking van een sociaal-economische, technische en typologische ontwikkeling. Het pand beschikte ten tijde van de bouw over een in functioneel en constructief opzicht innovatieve waarde. Het pand is van architectuurhistorische waarde vanwege de bouwstijl, als specimen van het oeuvre van ir. J.H.W. Leliman van het bouwbureau van de Staatsmijnen, vanwege de esthetische kwaliteiten van het ontwerp en de ornamentiek. Het pand beschikt over grote ensemblewaarden: de ingenieurswoning, die in meer of meer dezelfde tijd is ontstaan als de nabijgelegen mijnbouwobjecten, is een essentieel onderdeel van het weloverwogen ingerichte woongebied in de directe omgeving van het terrein van de voormalige staatsmijn Hendrik; het is van betekenis voor het aanzien van Brunssum en beschikt over een functionele en historisch-ruimtelijke relatie met het voormalige mijnterrein cq. de bodemgesteldheid. De ingenieurswoning beschikt over een redelijk tot hoge mate van architectonische gaafheid en is van groot belang in relatie tot de structurele en visuele gaafheid van de bebouwde omgeving. Bovendien is het pand in typologisch-functioneel opzicht zeer zeldzaam te noemen.
Cultuurhistorische omschrijving
Pand is samen met het pand aan de Heerlenersteenweg 78 te Kerkrade het laatste specimen van dit type ingenieurswoning.
English translation
The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com
Description
Introduction
Former ENGINEER'S HOUSE of the State Mines in Limburg, 1912. Built for chief engineer Op den Kamp of State Mine Hendrik, commissioned and designed by ir. J.H.W. Leliman of the State Mines Building Office. The engineer's house, built in traditional style, forms part of the linear building structure opposite the entrance of the former State Mine Hendrik, which is composed of service dwellings of various types.
In total two examples of this type of engineer's house have been preserved: a second similar engineer's house, executed in mirror image and dating from 1909, is situated at Heerlenersteenweg in Kerkrade, near the site of the former State Mine Wilhelmina. The veranda built on the former rear gable terrace, the adjoining garage with wooden storage, the partition wall between the adjoining garage and northern side gable as well as the carports in the back garden are EXCLUDED from protection.
Description
The engineer's house has a complete basement storey, two storeys plus an attic storey with loft space on an irregular but essentially cross-shaped PLAN. The main volume, whose ridge runs parallel to Akerstraat, has a combined hipped and half-hipped roof distinguished by ridge height. On both the eastern front gable and the western rear gable sides are extensions under recessed roofs, whose ridgelines are lower compared to the roof heights of the main volume. The extension on the front gable side has a half-hipped roof, the extended staircase on the rear gable side has a hipped roof. The whole is covered with red barrel tiles and provided with various ridge cresting and several tall chimneys. Box gutters with oversails on decorative wooden corbels. On the roof gable above the south gable are located, at the level of both the loft and the attic storey, respectively a glazed-over roof dormer under recessed hipped roof and a roof dormer under lean-to roof with a continuous series of four rectangular wooden windows. On the eastern roof slope of the main volume are located a roof dormer with vertically-divided wooden window under lean-to roof and an attic window.
Against the rear gable oriented to the west is an original one-storey extension under FLAT ROOF, with box gutters and oversail on corbels. In the northern corner between the front gable and the transversely extended volume is the entrance section with wooden canopy. Against the south gable is a bay window with balcony. The original slate in shingle covering on this bay window and the entrance canopy have been replaced by bitumen. Slate in shingle covering on the hood above the bay window balcony on the front gable. The engineer's house has a masonry façade with rolling shutter and is constructed of hand-formed brick, laid in stretcher bond. Struck joints. Triple decorative bands in red pressed brick. Dark red brick courses. Hardstone steps and lintels. The window sills are executed in both hardstone and brick. Wrought-iron balcony and balustrade railings. Wooden railing on balcony above bay window on the south side gable. Wooden gable-end boards. The façades of the extended staircase on the rear gable side are plastered. The FRONT FAÇADE on the east side is dominated by the extended volume under recessed half-hipped roof. In the first storey this extension has a three-sided, chamfered bay window with balcony. In this bay window a centrally-placed rectangular wooden cross window, flanked by two rectangular wooden T-windows. The bay windows have an irregular fanlight arrangement, consisting of a three- or four-fold vertical division and one asymmetrical horizontal division.
The bay window balcony has a wrought-iron balcony balustrade. The original balcony door has been renewed by a rectangular, double plastic balcony door. These balcony doors are moreover hidden from view by a roller shutter. Above the balcony doors a hood on wooden corbels.
In the gable-end a rectangular, double wooden cross window, where the middle glass pane has a vertical division. Four- and eight-pane glazing bars in the fanlights. Wooden gable-end boards whereby the red brick course is kept visible.
The entrance section placed in the northern corner of extension and main volume consists of a rectangular wooden panel door with vertically-divided fanlight. This door is accessed via a landing with hardstone steps and wrought-iron balustrade. Above the landing a wooden canopy with simple wooden brackets. This canopy is closed on the north side by a vertically-divided segmental-arched wooden window frame with twelve-pane fanlight.
The southern part of the front façade has in the first storey a segmental-arched double wooden cross window with decoratively-divided fanlights. In the second storey two rectangular wooden T-windows with decoratively-divided fanlights in a segmental-arched frame with filler. Both windows have roller shutters.
The SIDE FAÇADE on the south side has in the first storey of the first axis a rectangular wooden bay window, provided with rectangular double wooden garden doors and T-windows with small glazing bars in the fanlights. On the flattened roof section of this bay window is a balcony with wooden balustrade. The original double wooden balcony door with vertically-divided fanlight remains behind the roller shutter. This door is placed in a segmental-arched frame with filler. The bay window has a small landing with steps. In the first storey of the second axis a rectangular wooden cross window with decorative fanlight arrangement in a segmental-arched frame with filler.
The REAR FAÇADE on the east side has three window axes. In the middle axis is the extended, subsequently plastered staircase. Due to the adjoining veranda, the rear door originally present in the first storey of the staircase extension is no longer visible. The windows originally in the second and third storeys of the staircase have been replaced by rectangular wooden windows with fanlights. The rear façade of the main volume has in the second storey, on either side of the extended staircase, rectangular wooden cross windows with decorative arrangement in the fanlights and grille work, placed in a segmental-arched frame with filler. The window frame on the north side has a vertical division in the glass panes. The one-storey extension under flat roof has in the rear façade a rectangular wooden cross window with grille work, beside which a small rectangular wooden window. The northern SIDE FAÇADE is irregularly arranged. In the first storey is a segmental-arched wooden cross window with glazing bars in the fanlights as well as a segmental-arched, vertically-divided wooden window with glazing bars. This latter window is identical to the fanlight of the aforementioned cross window. Also in the first storey is the side exit of the rear façade extension of one storey under flat roof placed. This consists of a rectangular wooden panel door with vertically-divided fanlight and grille work, accessed via four steps that are provided on either side with wrought-iron handrails. A subsequently installed partition wall hides this side exit largely from view from the eastern street side.
The northern side façade of the main volume has in the second storey a rectangular wooden cross window with grille work in a segmental-arched frame with filler. In the gable-end a rectangular, double wooden cross window, where the middle glass pane has a vertical division. Four- and eight-pane glazing bars in the fanlights. Wooden gable-end boards whereby the red brick course is kept visible.
The window shutters originally placed on the northern side façade have been removed.
The engineer's house is provided with CAVITY WALLS. The basement storey has brick BARREL VAULTS between iron I-beams and red floor tiles.
The INTERIOR of the house has been adapted as regards layout in a number of minor respects. On the ground floor the door between front and rear room has been closed. In this interior are notably important the staircase, the stylized panel doors in frames and the various marble fireplace surrounds.
Valuation
The engineer's house is of cultural-historical value and of general importance as a created manifestation of the history of national mining as well as of the history of housing, in particular as an example of social hierarchy. The building is in this respect a distinctive expression of a social-economic, technical and typological development. The property possessed at the time of construction an innovative value from a functional and constructive perspective. The property is of architectural-historical value because of the building style, as a specimen of the oeuvre of ir. J.H.W. Leliman of the State Mines building office, because of the aesthetic qualities of the design and ornamentation. The property has significant ensemble values: the engineer's house, which came into being at roughly the same time as the nearby mining objects, is an essential part of the carefully laid out residential area in the immediate surroundings of the site of the former state mine Hendrik; it is of significance for the character of Brunssum and has a functional and historical-spatial relationship with the former mining site respectively the soil conditions. The engineer's house has a reasonable to high degree of architectural integrity and is of great importance in relation to the structural and visual integrity of the built environment. Moreover, the property is to be considered very rare in a typological-functional respect.
Cultural-historical description
The building is, together with the building at Heerlenersteenweg 78 in Kerkrade, the last specimen of this type of engineer's dwelling.
Nearby in the register
- Opzichterswoning, Akerstraat 8Dienstwoningunder 1 mi
- Opzichterswoning, Akerstraat 5Dienstwoningunder 1 mi
- Kantoorwoning, Akerstraat 2Werk-woonhuisunder 1 mi
- Opzichterswoning, Bodemplein 36Dienstwoningunder 1 mi
Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.