TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Laboratorium, Nieuwe Kade 13

Arnhem, Gelderland, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Onderwijs en wetenschap
Function
Laboratorium
Category
onroerend gebouwd
Built
1914
Address
Nieuwe Kade 13, 6827 AB Arnhem
Place
Arnhem
Province
Gelderland
Country
Netherlands
Coordinates
51.97276, 5.91809
Monument number
516892

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

University Library, Vrije Universiteit Amsterdam

2 historical maps cover this location, the earliest the 1899 map "Composite: 327. Cleve." (David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

Inleiding:

ZAADONTKIEMINGSGEBOUW met inpandige dienstwoning van de Nederlandse Heidemaatschappij gebouwd in 1914 door ir. J.G. Wiebenga, toen werkzaam bij N.V. Industriële Maatschappij F.J. Stulemeijer en Co. De hoofdfunctie van het ontkiemingsgebouw was niet de opslag, maar het tot ontkiemen brengen van zaden. De voor dat proces nodige hoeveelheid daglicht resulteerde in een voor een ontkiemingsgebouw relatief groot aantal vensters in alle gevels. Het voorste gedeelte van het ontkiemingsgebouw bevat over twee bouwlagen een dienstwoning. In 1932 werd de functie gewijzigd in graanopslag. Aan de achterzijde werd over de volle lengte een uitbouw toegevoegd, in de rechter zijgevel kwamen grote deuren met een luifel erboven en diverse vensters werden dichtgemetseld.

Het in gewapend beton opgetrokken ontkiemingsgebouw is een voorbeeld van vroege betonbouw en gebouwd in een zakelijke stijl die invloeden vertoont van het rationalisme en vooruitloopt op het functionalisme. Het oorspronkelijk vrijstaande ontkiemingsgebouw is gelegen aan de Rijn op de hoek van de Nieuwe Kade en de Veilingstraat, waarbij de voorgevel uitziet over de Rijn. In de jaren tachtig is het pand verbouwd en gebroken wit geschilderd, waardoor de op advies van W. Kromhout in het hart van de gevelkolommen aangebrachte tegeltjes niet meer zichtbaar zijn. Tevens is het ontkiemingsgebouw aan de linkerzijde uitgebreid en is tegen de achtergevel een transformatorhuisje geplaatst. Deze moderne uitbreidingen vallen niet onder de bescherming. Het pand doet nog steeds dienst als ontkiemingsgebouw. Alleen in de bovenste bouwlaag bevinden zich appartementen. Aan de zijde van de Nieuwe Kade bevindt zich een voortuin.

Omschrijving:

Vrijstaand ZAADONTKIEMINGSGEBOUW op rechthoekig grondplan opgetrokken in betonskeletbouw bezit een souterrain en vier bouwlagen onder een plat dak van beton. De voorste travee bezit geen souterrainvensters en heeft in de eerste twee bouwlagen grote vensters. Hier bevond zich de dienstwoning. Het gebouw vormt een rechthoekig blok van 12,00x12,00x25,90m waaraan voor de woning twee erkers van 4,10x6,80x0,75 zijn toegevoegd. In de breedte is deze massa in tweeën gedeeld. In de langsrichting is een moduul van 4,20m gehanteerd m.u.v. de woningtravee die 4,30m meet. Op dit stramien staat een kolommen- en balkenstructuur van gewapend beton. Bij de vloerconstructie wordt de 4,20m maat gehalveerd door secundaire balken. De 60cm brede gevelkolommen hebben over de volle lengte dezelfde maat en worden ter hoogte van de bovenste verdiepingsvloer onderling gekoppeld door een 50cm hoge balk. Ter hoogte van de vloeren van de eerste en de tweede verdieping zijn in de gevel geen balken aanwezig. De middenkolommen verjongen van 65x65cm in het souterrain, via 55x55cm, 45x45cm en 36x36cm naar 21x21cm op de derde verdieping. De dikte van de begane grondvloer is 22cm, die van de verdiepingsvloer bedraagt 13cm en het dak is 10cm dik. De gevels zijn vermoedelijk opgetrokken met geprefabriceerde holle betonblokken in halfsteens verband gemetseld. Hierna is ter versteviging een deel van de verticale kanalen van een wapening voorzien en volgestort met beton. De gevels zijn afgepleisterd met cementspecie en voorzien van een blokverdeling.

De gevels zijn verticaal geleed door banden tussen de traveeën en horizontaal geleed door een plint, een band tussen de derde en de vierde bouwlaag en een fries onder de iets overstekende dakrand. De plaats van de banden op de gevels correspondeert met de plaats van de betonnen kolommen en vloeren in het interieur.

Bij een recente verbouwing is het ontkiemingsgebouw gebroken wit geschilderd en een gedeelte van de voorgevel grijs, waardoor de blauwe en crèmekleurige tegeltjes waarmee de voorgevel is versierd, niet meer zijn te zien.

De symmetrisch ingedeelde VOORGEVEL heeft twee traveeën. Voor elke travee bevindt zich over een hoogte van twee bouwlagen een ondiepe, rechthoekige erker met plat dak. Deze erkers worden met elkaar verbonden door een éénlaags uitbouw, waarin zich oorspronkelijk de ingang bevond, een 2-ruits deur met gedeeld bovenlicht. Rechts van de deur was een venster aangebracht. Nu bevindt zich hierin één groot etalagevenster. In de erkers bevonden zich op begane grond en eerste verdieping liggende vensters met driedelige houten kozijnen met resp. schuiframen en een stolpraam geflankeerd door enkelruits ramen. Deze ramen zijn echter vervangen, waarbij gepoogd is ongeveer dezelfde indeling aan te houden. Tussen de uitbouwen bevindt zich op de eerste verdieping in elke travee een staand venster, waarvan het linker groter is dan het rechter.

Ter hoogte van de derde bouwlaag bevindt zich in beide traveeën een reeks van zes staande blindvensters die oorspronkelijk open waren. Hierboven bevindt zich wederom een reeks van zes staande vensters voorzien van een onderdorpel en afgesloten door een smalle doorlopende latei, waarboven zich acht bovenlichten bevinden, die deels in het fries zijn opgenomen. Deze ontkiemingsgebouwvensters waarvan de oorspronkelijk ijzeren ramen gelijk liggen met de binnenkant van de muur, bezitten diepe neggen.

De eerste twee bouwlagen van de zes traveeën tellende LINKER ZIJGEVEL worden vrijwel geheel aan het oog onttrokken door de aanbouw uit de jaren tachtig. Alle traveeën zijn afgezien van de meest rechtse op dezelfde wijze ingedeeld. In de plint bevindt zich een reeks van vier rechthoekige vensters, in de eerste, tweede en derde bouwlaag reeksen van vier staande rechthoekige vensters gekoppeld door een doorlopende onderdorpel en latei. In de vierde bouwlaag bevinden zich soortgelijke reeksen vensters, deze bezitten echter boven de latei zes bovenlichten, die gedeeltelijk in het fries zijn opgenomen. De meest rechtse travee had in de eerste en tweede bouwlaag grote liggende vensters op dezelfde wijze gedetailleerd als de vensters in de uitbouwen van de voorgevel. Deze zijn echter verdwenen door de moderne aanbouw. Bovendien zijn een aantal bovenlichten en vensters dichtgezet. De zes traveeën tellende RECHTER ZIJGEVEL bezit in de eerste en tweede bouwlaag van de meest linkse travee (dienstwoning) twee grote liggende vensters die op dezelfde wijze gedetailleerd zijn als de vensters in de uitbouwen van de voorgevel. De tweede, derde, vierde en vijfde travee bezitten in de plint rechthoekige souterrainvensters. In de vierde travee bevindt zich bovendien een deur met gedeeld bovenlicht, geflankeerd door hoge zijlichten. In de zesde travee bevindt zich een grote inrijdeur. In de tweede travee bevinden zich in de eerste bouwlaag twee rechthoekige, door een onderdorpel en latei gekoppelde vensters. In de derde en de vijfde travee bevindt zich vlak boven de souterrainvensters een laaddeur. Ter plaatse van de derde en de vierde travee is later een luifel aangebracht.

De tweede, derde en vierde bouwlaag zijn op dezelfde wijze ingedeeld als de corresponderende bouwlagen van de linker zijgevel. In de vijfde bouwlaag zijn hier telkens vier van de zes bovenlichten dichtgezet. De symmetrisch ingedeelde ACHTERGEVEL telt twee traveeën. De eerste bouwlaag wordt vrijwel geheel aan het oog onttrokken door een aangebouwd transformatorhuisje. De tweede en de derde bouwlaag zijn op dezelfde wijze ingedeeld en gedetailleerd als de derde bouwlaag van de voorgevel, terwijl de indeling van de vierde bouwlaag gelijk is aan die van de vierde bouwlaag van de voorgevel.

In het INTERIEUR is het betonskelet zichtbaar.

Waardering:

ZAADONTKIEMINGSGEBOUW uit 1914 van J.G. Wiebenga.

- Van architectuurhistorisch belang als een goed voorbeeld van een ontkiemingsgebouw in vroege betonbouw met stijlinvloeden van het rationalisme. Het ontkiemingsgebouw is van architectuurhistorisch belang vanwege de esthetische kwaliteiten van het ontwerp zoals een goede gevelindeling en bijzonder materiaalgebruik zoals een betonskelet. Het ontkiemingsgebouw is van architectuurhistorisch belang als onderdeel van het oeuvre van ingenieur-architect J.G. Wiebenga. Het is één van de vroege werken van Wiebenga, pionier op het gebied van betonconstructies en later één van de toonaangevende architecten van het Nieuwe Bouwen, die internationaal erkenning verwierf.

- Van stedenbouwkundige waarde als onderdeel van de oostelijk van het centrum en aan de Rijn gelegen Rijnwijk die weer deel uitmaakt van Het Broek, waar vanaf het begin van de 20ste eeuw industrieën en arbeiderswijken werden gevestigd.

- Van cultuurhistorische belang als bijzondere uitdrukking van een technische ontwikkeling nl. als vroeg voorbeeld van het bouwen in gewapend beton. Het ontkiemingsgebouw is als zodanig tevens van belang vanwege de innovatieve waarde.

JAN GERKO WIEBENGA is in 1886 geboren in Soerakarta op Java. Nadat hij in 1912 in Delft is afgestudeerd als civiel ingenieur, treedt hij in dienst van de N.V. Industriële Maatschappij F.J. Stulemeijer en Co, constructeurs van werken in gewapend beton te Breda. Wiebenga wordt hier belast met het ontwerpen en berekenen van bouw- en waterbouwkundige werken in beton. Tevens heeft hij de leiding over de centrale werkplaatsen en de bedrijfsvoering van de machinefabriek.

In 1912 bouwt hij voor de gemeentelijke gasfabriek in Maastricht een ovengebouw en een kolenloods, die grote overeenkomst vertoont met een kabelfabriek van R. Maillart uit 1914. Ook de in 1912 gebouwde fabriekshal van de Société Céramique in Maastricht kan wedijveren met de uit dezelfde tijd daterende betonnen overspanningen van de reeds beroemde E. Freyssinet. In 1913 construeert hij voor de Cenakelkerk van Jan Stuyt in de Heilig Landstichting de eerste in Europa toegepaste koepel van gewapend beton met een diameter van 14,50m. In 1914 krijgt zijn prijsvraagontwerp voor een Waalbrug bij Nijmegen de eerste prijs. Tenslotte ontwerpt hij bij Stulemeijer de uitbreiding van de chocoladefabriek Kwatta in Breda en het pakhuis voor de Nederlandse Heidemaatschappij in Arnhem. Dit ontwerp werd voorgelegd aan W. Kromhout die toen ook voor de Heidemij werkzaam was. De enig aangebrachte wijziging betrof een rij siertegels in het hart van de gevelkolommen. Deze zijn overigens niet meer te zien, omdat het gebouw is gesausd.

Later zal Wiebenga vooral bekend worden door de in 1922 samen met L.C. van der Vlugt ontworpen MTS in Groningen, die geldt als één van de eerste functionalistische gebouwen in Nederland en door zijn samenwerking met J. Duiker met wie hij in 1925 een partnerschap aangaat. Samen met Duiker maakt hij een prijsvraagontwerp voor het paleis van de Volkenbond in Genève, ontwerpt hij de Nirwanaflat in Den Haag, werkt mee aan de totstandkoming van het sanatorium Zonnestraal en schrijft hij verscheidene studies o.a. over eengezinswoningen en hoogbouw. In dezelfde tijd berekent hij voor J.A. Brinkman en L.C. van der Vlugt de betonconstructie van de Van Nelle-fabriek. Zijn ULO-school in Aalsmeer uit 1930 wordt in alle belangrijke bouwtijdschriften gepubliceerd.

Wiebenga was een fenomeen in de bouwwereld, omdat hij evenals de bekende betonconstructeurs Freyssinet in Frankrijk en Maillart in Zwitserland ontwerp en berekening in één hand verenigde en omdat hij heeft medeverantwoordelijk is voor de hoogtepunten van het functionalisme in Nederland.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

Introduction:

SEED GERMINATION BUILDING with integrated service dwelling of the Nederlandse Heidemaatschappij built in 1914 by engineer J.G. Wiebenga, then employed at N.V. Industriële Maatschappij F.J. Stulemeijer and Co. The primary function of the germination building was not storage, but bringing seeds to germination. The quantity of daylight required for that process resulted in a relatively large number of windows in all facades for a germination building. The front section of the germination building contains a service dwelling over two storeys. In 1932 the function was changed to grain storage. An extension was added to the rear over the full length, large doors with a canopy above and various windows were bricked up in the right side facade.

The seed germination building, constructed in reinforced concrete, is an example of early concrete construction and built in a businesslike style showing influences of rationalism and anticipating functionalism. The originally detached germination building is located on the Rhine at the corner of the Nieuwe Kade and the Veilingstraat, with the front facade overlooking the Rhine. In the nineteen-eighties the building was renovated and painted off-white, whereby the tiles placed at the heart of the facade columns on the advice of W. Kromhout are no longer visible. Furthermore the germination building was extended on the left side and a small transformer house was placed against the rear facade. These modern extensions are not subject to protection. The building still serves as a germination building. Only in the uppermost storey are there apartments. On the side of the Nieuwe Kade there is a front garden.

Description:

Detached SEED GERMINATION BUILDING on a rectangular plan constructed in concrete skeleton construction with a basement and four storeys under a flat concrete roof. The front bay has no basement windows and has large windows in the first two storeys. Here the service dwelling was located. The building forms a rectangular block of 12.00x12.00x25.90m to which two oriels of 4.10x6.80x0.75 have been added for the dwelling. In width this mass is divided in two. In the lengthwise direction a module of 4.20m is used with the exception of the dwelling bay which measures 4.30m. On this grid stands a column and beam structure of reinforced concrete. In the floor construction the 4.20m dimension is halved by secondary beams. The 60cm wide facade columns have the same dimension over the full length and are coupled to each other at the height of the top floor by a 50cm high beam. At the height of the first and second floor levels there are no beams in the facade. The middle columns taper from 65x65cm in the basement, via 55x55cm, 45x45cm and 36x36cm to 21x21cm on the third storey. The thickness of the ground floor is 22cm, that of the floor slabs is 13cm and the roof is 10cm thick. The facades are presumed to have been constructed with prefabricated hollow concrete blocks laid in half-brick bond. Subsequently, to reinforce, part of the vertical channels were reinforced and filled with concrete. The facades are plastered with cement mortar and provided with a block division.

The facades are divided vertically by bands between the bays and horizontally by a plinth, a band between the third and fourth storey and a frieze under the slightly overhanging roof edge. The position of the bands on the facades corresponds with the position of the concrete columns and floors in the interior.

In a recent renovation the germination building was painted off-white and part of the front facade grey, whereby the blue and cream-coloured tiles with which the front facade is decorated are no longer visible.

The symmetrically arranged FRONT FACADE has two bays. In front of each bay over a height of two storeys is a shallow rectangular oriel with flat roof. These oriels are connected to each other by a single-storey extension, in which the entrance was originally located, a 2-pane door with divided fanlight. To the right of the door was a window. Now there is one large shop window here. In the oriels there were lying windows on ground and first floor with three-part wooden frames with respectively sash windows and a tilting window flanked by single-pane windows. These windows have however been replaced, attempting to maintain approximately the same arrangement. Between the extensions there is on the first floor in each bay a tall window, the left one being larger than the right one.

At the height of the third storey in both bays there is a series of six tall blind windows which were originally open. Above this there is again a series of six tall windows provided with a sill and closed off by a narrow continuous lintel, above which there are eight fanlights, partially incorporated in the frieze. These germination building windows, of which the originally iron frames align with the inner face of the wall, have deep recesses.

The first two storeys of the six-bay LEFT SIDE FACADE are almost entirely hidden from view by the extension from the nineteen-eighties. All bays except the rightmost are arranged in the same manner. In the plinth there is a series of four rectangular windows, in the first, second and third storey series of four tall rectangular windows coupled by a continuous sill and lintel. In the fourth storey there are similar series of windows, which however have above the lintel six fanlights, partially incorporated in the frieze. The rightmost bay had in the first and second storey large lying windows detailed in the same way as the windows in the oriels of the front facade. These have however disappeared due to the modern extension. Moreover a number of fanlights and windows have been blocked up. The six-bay RIGHT SIDE FACADE has in the first and second storey of the leftmost bay (service dwelling) two large lying windows detailed in the same way as the windows in the oriels of the front facade. The second, third, fourth and fifth bays have in the plinth rectangular basement windows. In the fourth bay there is moreover a door with divided fanlight, flanked by high side lights. In the sixth bay there is a large loading door. In the second bay there are in the first storey two rectangular windows coupled by a sill and lintel. In the third and fifth bays there is directly above the basement windows a loading door. At the location of the third and fourth bays a canopy was later added.

The second, third and fourth storey are arranged in the same manner as the corresponding storeys of the left side facade. In the fifth storey four of the six fanlights here have subsequently been blocked up. The symmetrically arranged REAR FACADE has two bays. The first storey is almost entirely hidden from view by a built-up small transformer house. The second and third storey are arranged and detailed in the same manner as the third storey of the front facade, while the arrangement of the fourth storey is the same as that of the fourth storey of the front facade.

In the INTERIOR the concrete skeleton is visible.

Valuation:

SEED GERMINATION BUILDING from 1914 by J.G. Wiebenga.

- Of architectural-historical importance as a good example of a germination building in early concrete construction with style influences of rationalism. The germination building is of architectural-historical importance because of the aesthetic qualities of the design such as good facade arrangement and particular material use such as a concrete skeleton. The germination building is of architectural-historical importance as part of the oeuvre of engineer-architect J.G. Wiebenga. It is one of the early works of Wiebenga, pioneer in the field of concrete constructions and later one of the leading architects of the Nieuwe Bouwen, who gained international recognition.

- Of urban planning value as part of the Rijnwijk located east of the centre and on the Rhine which in turn forms part of Het Broek, where from the beginning of the 20th century industries and working-class districts were established.

- Of cultural-historical importance as a particular expression of a technical development namely as an early example of building in reinforced concrete. The germination building is as such furthermore of importance because of the innovative value.

JAN GERKO WIEBENGA was born in 1886 in Soerakarta on Java. After graduating in 1912 in Delft as a civil engineer, he enters the service of N.V. Industriële Maatschappij F.J. Stulemeijer en Co, constructors of reinforced concrete works in Breda. Wiebenga is tasked here with the design and calculation of building and hydraulic engineering works in concrete. He also supervises the central workshops and the operations of the machinery factory.

In 1912 he builds for the municipal gas factory in Maastricht an oven building and a coal shed, which shows great similarity to a cable factory by R. Maillart from 1914. The factory hall of the Société Céramique in Maastricht, also built in 1912, can rival the concrete spans dating from the same period by the already famous E. Freyssinet. In 1913 he constructs for the Cenakelkerk of Jan Stuyt in the Heilig Landstichting the first dome of reinforced concrete applied in Europe with a diameter of 14.50m. In 1914 his competition design for a Waalbrug near Nijmegen wins the first prize. Finally, he designs at Stulemeijer the expansion of the Kwatta chocolate factory in Breda and the warehouse for the Nederlandse Heidemaatschappij in Arnhem. This design was submitted to W. Kromhout who was also employed by the Heidemij at that time. The only alteration made concerned a row of ornamental tiles in the heart of the facade columns. These are incidentally no longer visible, because the building has been rendered.

Later Wiebenga will become particularly known through the MTS in Groningen designed in 1922 together with L.C. van der Vlugt, which is regarded as one of the first functionalist buildings in the Netherlands, and through his collaboration with J. Duiker with whom he enters into a partnership in 1925. Together with Duiker he makes a competition design for the Palace of the League of Nations in Geneva, designs the Nirwanaflat in The Hague, contributes to the realization of the Zonnestraal sanatorium and writes various studies including on single-family dwellings and high-rise construction. During the same period he calculates for J.A. Brinkman and L.C. van der Vlugt the concrete structure of the Van Nelle factory. His ULO school in Aalsmeer from 1930 is published in all major architectural journals.

Wiebenga was a phenomenon in the building world, because like the renowned concrete constructors Freyssinet in France and Maillart in Switzerland he united design and calculation in one hand and because he shared responsibility for the high points of functionalism in the Netherlands.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map