Rijksmonumentenregister · Netherlands
St. Jan de Doper
Arnhem, Gelderland, Netherlands
The record
- Designation
- National monument (rijksmonument)
- Class
- Kerk en kerkonderdeel
- Function
- Parochiekerk
- Category
- onroerend gebouwd
- Built
- 1894 - 1895
- Address
- Verlengde Hoflaan 74, 6822 ED Arnhem
- Place
- Arnhem
- Province
- Gelderland
- Country
- Netherlands
- Coordinates
- 51.98956, 5.92587
- Part of complex
- 516734
- Monument number
- 516735
Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.
University Library, Vrije Universiteit AmsterdamDavid Rumsey Map Collection, Stanford LibrariesUniversity Library, Vrije Universiteit Amsterdam
3 historical maps cover this location, the earliest the 1894 map "Het Koninkrijk der Nederlanden / bew. door I. Dornseiffen ; get. door E. de Geest" (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).
This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗
The register's description
Omschrijving
Inleiding
R.K. KERK St. Jan de Doper, gebouwd in 1894-1895 door de architect Alfred Tepe (1840-1920) in neogotische stijl. Bouwpastoor was G.J.C. Overwijn. De interieurstukken zijn vervaardigd door F.W. Mengelberg (1837-1919), de geelgieter J.H. Brom uit Utrecht maakte de fraaie doopvont. Heinrich Geuer (1841-1904) vervaardigde de gebrandschilderde glas-in-loodramen, die helaas op enkele fragmenten na in de oorlog verloren zijn gegaan. Alle kunstenaars waren evenals Tepe lid van het St. Bernulphusgilde, dat in 1869 door de Utrechtse priester Gerard van Heukelum was opgericht met het doel om geestelijken en kunstenaars met elkaar in contact te brengen en de kerkelijke kunst nieuw leven in te blazen, geïnspireerd op de middeleeuwse voorbeelden. De kerk is niet georiënteerd, het koor wijst in noordoostelijke richting. Voor de kerk ligt een ruim voorplein, dat aan de zuidzijde wordt begrensd door de in 1896 door J.W. Boerbooms gebouwde pastorie, die wel in de rooilijn van de Verlengde Hoflaan staat. Langs de gehele zuidzijde van de kerk strekt zich de ommuurde pastorietuin uit. Aan de noordzijde wordt het kerkterrein afgesloten door een hekwerk. De kerk vormt samen met de pastorie, waarmee zij via een korte gang is verbonden, een R.K. complex in het noordoosten van de Arnhemse volkswijk Klarendal.
Omschrijving
De driebeukige hallenkerk, waarvan de zijbeuken iets lager zijn dan het middenschip, is geheel opgetrokken in baksteen in kruisverband. Zelfs de waterlijsten en traceringen zijn van dit materiaal. Het middenschip is breder dan de zijbeuken en is aan de koorzijde voorzien van een driezijdige sluiting. De ten opzichte van de zijbeuken uitspringende ingangspartij is rechthoekig en voorzien van een topgevel. De zijbeuken zijn zowel aan de koor- als aan de ingangszijde voorzien van een tweezijdige sluiting.
Aan de zuidzijde is de zijbeuk voorzien van een grote rechthoekige uitbouw, die even hoog is als het schip en daardoor de indruk van een dwarspand wekt. Dit bouwdeel bevat twee bouwlagen, beneden de sacristie en boven de zangerstribune. In de oksel aan de westzijde van deze uitbouw bevindt zich de traptoren. Oostelijk van het dwarspand bevindt zich een lage aanbouw, die dienst doet als dagkapel.
De plint die rondom de gehele kerk is doorgetrokken wordt afgesloten door een bakstenen afgeschuinde deklijst. De afzaten van de spitsboogvensters zijn onderling verbonden door een rondom de gehele kerk doorgetrokken bakstenen waterlijst. Bij de bakstenen deur- en vensteromlijstingen is gebruik gemaakt van rode verblendsteen. Tussen de traveeën en op de hoeken van de koor- en zijbeuksluitingen bevinden zich steunberen, die boven de plint nog twee versnijdingen met afzaten bezitten, waarvan de bovenste bedekt zijn met leien in maasdekking. De gevels sluiten af met een bakstenen geprofileerde daklijst met een kraalprofiel en een kwarthol profiel. Het boeiboord van de houten bakgoot is bezet met leien.
Het middenschip is voorzien van een zadeldak met driezijdige beëindiging en de zijbeuken hebben schilddaken. Alle daken zijn gedekt met leien in maasdekking en voorzien van pironnen op de nokuiteinden. Op de piron van het middenschip staat een geornamenteerd ijzeren kruis. In de dakschilden bevinden zich dakkapellen met opgeklampte luiken met smeedijzeren beslag en een met leien gedekte ingezwenkte spits met piron. De luiken hebben driepasvormige openingen.
Alle vensters hebben bakstenen dagkanten bestaande uit een kraalprofiel tussen kwartholle bakstenen traceringen.
De WESTGEVEL. De symmetrisch ingedeelde voorgevel van het middenschip springt ten opzichte van de sluitingszijde van de zijbeuken ver naar voren en is voorzien van een bakstenen tuitgevel. De middenas van dit gedeelte wordt gedomineerd door een groot vensternisportaal. Onderin dit portaal bevindt zich de hoofdingang met een rondboogvormige beëindiging. De dubbele deur is modern en heeft een enkelruits bovenlicht in de boogtrommel. Boven de deur sluit een moderne houten luifel aan op houten schoorbalken. De luifel is gedekt met mastiek. Boven de ingangspartij bevat het vensternisportaal een hoog spitsboogvenster met vijfdelig traceerwerk met in de top een zesdelige rozet, geflankeerd door visblazen. Het vensternisportaal wordt aan weerszijden geflankeerd door een slanke rondboognis met driepas in de top. De topgevel heeft twee lage spitsboognissen aan de buitenzijde met daartussen twee hogere nissen met smalle lichtspleten en tweedelig traceerwerk met visblazen in de top. In de geveltop bevindt zich een blinde oculus, gevuld met drie cirkels. De schouders en schuin oplopende zijden van de gevel zijn afgedekt met ezelsruggen met in de top een zeshoekige bakstenen pinakel, die deels over de gevel tot boven de oculus is doorgetrokken. Voor de ingang bevindt zich een moderne betonnen bordestrap. De zijgevels van dit risalerende middendeel zijn blind. De tweezijdige sluitingen van de zijbeuken hebben in elke sluitingszijde een spitsboogvenster met tweedelige traceerwerk met een driestraal in de top.
De NOORDGEVEL. De noordgevel bestaat uit zes traveeën, waarvan de middelste vier aanzienlijk uitspringen. Dit gedeelte is voorzien van inpandige steunberen. De flankerende traveeën (de sluitingstraveeën) hebben uitwendige steunberen, waarbij de westelijke door een extra steunbeer in twee vakken is verdeeld. Dit gedeelte bevat twee spitsboogvensters met tweedelig traceerwerk met in de top een cirkel waarbinnen drie kleinere cirkels. Het uitspringende deel is voorzien van vier grote spitsboogvensters met vierdelig traceerwerk, met een vierpas in de top, geflankeerd door visblazen. Het spitsboogvenster in de oostelijke travee heeft eveneens vierdelig traceerwerk met in de top drie sferische driehoeken tussen visblazen. Onder de vensters van het westelijke vak bevindt zich een lage rechthoekige aanbouw met in de westgevel een ingang onder een strek met een opgeklampte deur met fraaie smeedijzeren gehengen, versierd met krullen en klaverbladen. De noordgevel van deze aanbouw heeft een spitsboogvenster zonder maaswerk.
De OOSTGEVEL. De oostelijke afsluiting van de hoofdbeuk is driezijdig, die van de zijbeuken tweezijdig. De sluitingen zijn voorzien van steunberen. De vensters in het middenkoor hebben een driedelige tracering met driestraal in de top, die van de nevenkoren zijn voorzien van tweedelige traceringen met eveneens driestralen in de top.
De ZUIDGEVEL. De zuidbeuk heeft zes traveeën en is voorzien van steunberen. Tegen de meest westelijke travee van deze zuidbeuk is door Boerbooms tijdens de bouw van de pastorie een ondiepe portaalruimte tussen de steunberen aangebouwd, waarbij het door Tepe gebouwde portaal werd gehandhaafd. Deze portaalruimte is door middel van een korte gang met de pastorie (apart monumentnummer 516736) verbonden. De zuidgevel van deze aanbouw bezit twee spitsboogvensters zonder traceringen. Rechts is een smal wc-raam geplaatst. Links boven onder de deklijst bevindt zich een zinken hemelwatervergaarbak, rustend op smeedijzeren gekrulde steunen. De deklijst is van rode zandsteen. De eerste twee traveeën gerekend vanuit het westen van de zuidbeuk hebben spitsboogvensters met vierdelig traceerwerk met een vierpas tussen visblazen in de top. De derde travee gaat voor de helft schuil achter de traptoren, het linker deel heeft een spitsboogvenster met tweedelig traceerwerk met in de top een cirkel gevuld met drie kleinere cirkels. Onder dit venster bevindt zich een aanbouw, geplaatst tussen de steunbeer en de traptoren, waarschijnlijk ontworpen door Boerbooms en opgetrokken tijdens de bouw van de pastorie in 1896. Deze bergruimte heeft in de voorgevel een Vlaamse gevel met daar onder een deur onder een segmentboog. De opgeklampte deur heeft smeedijzeren beslag. Aan weerszijden van de ingang bevindt zich siermetselwerk in ruitvorm. In de Vlaamse gevel bevindt zich een rondboogvenstertje. Deze aanbouw is voorzien van een lessenaarsdak met steekkapje met wolfeind boven de Vlaamse gevel. Op het dak liggen leien in maasdekking. De hiernaast gelegen traptoren is achtzijdig, waarvan tot aan de daklijst slechts vijf zijden zichtbaar zijn. De toren bezit diverse smalle lichtspleten en heeft boven de daklijst van de kerk uitkragende hoekdelen, in elke zijde onderling verbonden door spitsbogen. Boven deze geleding bevindt zich de achtzijdige lantaarn met lancetvormige galmgaten. De slanke achtzijdige spits, gedekt met leien heeft een zinken piron met een geornamenteerd ijzeren kruis en een torenhaan. Ten oosten van de toren bevindt zich een sterk risalerend bouwdeel, dat twee traveeën breed is en even hoog is als de kerk. Dit transept-achtige bouwdeel heeft in de zuidgevel twee hoge spitsboogvensters, die door de afzaatlijst zijn doorgetrokken tot aan de plint. De vensters zijn tweedelig, de onderste dienen ter verlichting van de sacristie, zijn rechthoekig en hebben drie verticale stijlen en één horizontale stijl. Deze vensters sluiten aan de bovenzijde af met een afzaatlijst met daarboven een blind veld, geleed door vier driepasbogen. Dit deel sluit aan de bovenzijde weer af met een afzaatlijst. De spitsboogvensters daar boven hebben vierdelig traceerwerk met in de top een cirkel gevuld met drie sferische driehoeken. De onderramen hebben smeedijzeren hekwerken. Onder het linker venster bevindt zich een ingang met segmentboog met een opgeklampte deur met smeedijzeren hang- en sluitwerk. Een bakstenen trap van twee treden bevindt zich voor de deur. Onder het rechter venster bevindt zich een tweedelig kelderlicht met diefijzers. De westgevel van dit bouwdeel is rechts van de traptoren voorzien van een spitsboognis met tweedelig traceerwerk met in de top een cirkel met drie kleinere cirkels daarbinnen. Van de oostelijke gevel is alleen het bovenste deel zichtbaar met daarin een spitsboognis met driedelig traceerwerk met in de top een driestraalmotief. Op het benedendeel van het dwarspand sluit aan de oostzijde een rechthoekige aanbouw met plat dak aan. Links bevindt zich een ingang met segmentboog. De opgeklampte deur heeft smeedijzeren beslag en een bovenlicht, bestaande uit twee klapramen met gekleurd glas-in-lood. Rechts naast de deur bevinden zich twee spitsboognissen met kwartholprofilering en een verdiept liggend kruis in het centrum. De aanbouw heeft een bakstenen balustrade met blinde driepasbogen en een geprofileerde natuurstenen deklijst. De uitbouw heeft op de hoek een hoekliseen, die zich ter hoogte van de balustrade voortzet als een hoekpinakel met een zandstenen bekroning. De rechter zijgevel van deze aanbouw heeft een ingang en een venster. Het venster en de deur zijn gevat onder één segmentboog. De opgeklampte deur met smeedijzeren gehengen heeft een 2-ruits bovenlicht met zware middenstijl. het venster heeft vier ramen met bovenlichten en smeedijzeren glasbeschermers. Deze dagkapel kwam niet tegelijk met de kerk tot stand en dateert waarschijnlijk uit de bouwtijd van de pastorie. De oostelijke travee van de zuidbeuk heeft een spitsboogvenster met 4-delig traceerwerk met een cirkel met drie sferische driehoeken in de top.
Het kerkterrein wordt aan de oostzijde afgesloten door een gemetselde muur, deels voorzien van lisenen en ezelsruggen. Aan de noordzijde wordt het terrein begrensd door een geornamenteerd smeedijzeren hekwerk.
Het INTERIEUR is afgezien van de ramen en de oorspronkelijke beschildering nagenoeg gaaf bewaard gebleven. De drie beuken worden ieder door vijf slanke zuilen met achtzijdige basementen en lijstkapitelen van elkaar gescheiden. De scheibogen zijn geprofileerd. De gordelbogen verdelen de beuken in zes traveeën. Het middenschip heeft aan de westzijde een extra, wat smallere travee, waarin zich het portaal bevindt.
Op de scheidingen tussen de koorsluitingen en op de scheidingen van de portaalruimte en de zijbeuksluitingen staan halfzuilen van hetzelfde type als de zuilen in het schip. In de noordbeuk worden de vier middelste vakken van elkaar gescheiden door inpandige steunberen, die aan de bovenzijde met elkaar verboden zijn door geprofileerde spitsbogen. De op deze wijze ontstane nissen bieden plaats aan de biechtstoelen. De gewelven worden bij de buitenmuren en de inpandige steunberen opgevangen op colonnetten met lijstkapitelen en geprofileerde basementen. De ruimte is voor het merendeel overkluisd door vierdelige kruisribgewelven, met uitzondering van de sluitingsvakken en het vak in de zuidbeuk ter hoogte van de traptoren, dat voorzien is van een vijfdelig ribgewelf. De vijfde rib wordt hier weer opgevangen door een colonnet, die dit vak onderverdeelt in twee delen. Het rechter deel heeft een venster, het linker deel een blind venster, waarachter de traptoren staat. Het blindvenster heeft dezelfde tracering als het venster rechts. Ingangen afgesloten door segmentbogen bevinden zich, gezien vanuit het westen, in het eerste, derde en zesde vak van de zuidbeuk en in het eerste vak van de noordbeuk. De deuren zijn van hetzelfde type als de buitendeuren. De meest westelijke travee van het middenschip heeft een gewelf met een nokrib, die zich aan beide zijden opsplitst in diagonale ribben. In de portaalruimte staat een houten vlak gedekt portaal met drie deuren en ramen met figuratief glas-in-lood van Alex Asperslagh uit 1931. De uitbouw in de zuidbeuk is naar de kerkruimte toe geopend door twee hoge spitsbogen, die rusten op muurpijlers en een ronde pijler in het midden. Deze rechthoekige transeptruimte is in twee verdiepingen verdeeld. Het benedendeel, de sacristie, is van de kerkruimte afgesloten en heeft een balustrade van driepasbogen. Geheel rechts bevindt zich een ingang met segmentboog. De sacristie is onderverdeeld in twee vertrekken, voorzien van troggewelven. De vensters in de zuidwand bevatten gekleurde glas-in-loodramen, tegen de noordwand staan vaste kasten met paneeldeuren, in de oostwand bevindt zich een korfboognis met een hardstenen bassin. Het zangkoor boven de sacristie heeft twee kruisribgewelven. De deur in het zesde vak van de zuidbeuk geeft toegang tot een gang, die rechts naar de sacristie leidt en links naar de dagkapel.
De oorspronkelijke polychromie is vervangen door de huidige beschildering in wit- en grijstonen. Oude foto's tonen een ingetogen beschildering, op de pijlers onder meer ringbanden met sprinkhanen en schelpen (symbolen van Johannes de Doper) en op de gewelfkappen fijn rankwerk.
DE INVENTARIS dateert voor het overgrote deel uit de jaren direct na de voltooiing van het kerkgebouw in 1895 en is vrij gaaf bewaard gebleven.
- Hoogaltaar: neogotiek, zandsteen, met beeldhouwwerk en schildering op koper. Atelier F.W. Mengelberg, Utrecht.
- Zijaltaren: neogotiek, zandsteen, met onder meer fraaie schilderingen op koper, atelier Mengelberg, Utrecht.
- Beelden: zandstenen en houten beelden op fraaie marmeren zuiltjes met zandstenen bladkapitelen in het koor, atelier Mengelberg, atelier J.P. Maas uit Haarlem.
- kruisweg: In de zuidbeuk hangen 14 grote geschilderde staties op houten panelen van het atelier Mengelberg, rond 1900.
- ambo: De ambo is modern, maar bevat houten reliëfs, afkomstig van de oude door Mengelberg vervaardigde preekstoel uit 1904. Een vierde fragment daarvan bevindt zich in de dagkapel.
- biechtstoelen: In de noordbeuk staan vier neogotische fraaie stoelen, eikenhouten biechtstoelen van het atelier Mengelberg, daterend omstreeks 1900.
- banken: De eikenhouten banken in het schip dateren waarschijnlijk uit de periode vlak na de oplevering van de kerk. Enkele banken bezitten aan de achterzijde gotische briefpanelen.
- doopvont: Koper, neorenaissance, 1897, gesigneerd door J.H. Brom te Utrecht. Dit fraaie werkstuk is geïnspireerd op de vroegrenaissance doopvont in de Walburgskerk te Zutphen. De doopvont staat op een vloer van gedecoreerde patroontegels.
- diversen: 9 vaandels, waarvan 8 uit het begin van deze eeuw, mogelijk naar ontwerp van Mengelberg. Fraai tapijt in priesterkoor uit 1935, door B. Plieger uit Groenlo. Zilverwerk, waaronder een ciborie uit 1771 van de Utrechtse zilversmid Adam Visch en een torenmonstrans (1896) uit het atelier Brom.
- beglazing: Huidige beglazing van de kerkvensters dateert uit de jaren 50 en 60, vervaardigd door Eugène Laudy. De oude beglazing van H. Geuer uit Utrecht, die ook voor de door Tepe ontworpen St. Martinus te Arnhem gebrandschilderde glas-in-loodramen leverde, ging op enkele fragmenten na (in grote raam westgevel) verloren in de Tweede Wereldoorlog.
Waardering
De R.K. KERK St. Jan de Doper uit 1894-1895 van architect A. Tepe.
- Van architectuurhistorisch belang als een goed en gaaf voorbeeld in ex- en interieur van een laat 19de-eeuwse neogotische kerk, waarin invloeden van de Westfaalse en Nederrijnse gotiek zichtbaar zijn. De St. Jan de Doper is van architectuurhistorisch belang als onderdeel van het oeuvre van architect Alfred Tepe, één van de belangrijkste en meest productieve architecten, die bouwden in de stijl van de neogotiek. Binnen de neogotiek was hij de voornaamste vertegenwoordiger van de Utrechtse school. De St. Jan de Doper maakt deel uit van het late werk van Tepe en vormt een sobere variant op zijn bekende kerken in IJsselstein (1885-1887) en Raalte (1891-1892). Verder vertoont de kerk gelijkenis met de O.L. Vrouw ten Hemelopneming in Utrecht, gebouwd door Tepe in 1893-1894. De kerk is van architectuurhistorisch belang vanwege de hoogwaardige esthetische kwaliteiten in ex- en interieur, zoals gave verhoudingen, een grote ruimtelijkheid en bijzondere detaillering. De nog grotendeels bewaard gebleven inventaris, vervaardigd door leden van het St. Bernulphusgilde, heeft kunsthistorische waarde. De kerk vormt zo een "Gesamtkunstwerk" en toont de visie van het Bernulphusgilde ten aanzien van kerkenbouw en interieurdecoratie.
- Van stedenbouwkundige waarde als onderdeel van een R.K. complex bestaande uit een neogotische kerk en pastorie. De kerk is van stedenbouwkundig belang vanwege haar ligging aan de oostzijde van het kerkplein. Bovendien vormt zij door haar afmetingen en silhouet een karakteristiek punt in het noordoostelijk gedeelte van Klarendal.
- Van cultuurhistorische waarde als uitdrukking van een geestelijke ontwikkeling, nl. het emancipatieproces van de Rooms Katholieken.
Cultuurhistorische omschrijving
ALFRED TEPE werd geboren in Amsterdam in 1840. Hij volgde van 1861-1864 een opleiding aan de Bau-Akademie te Berlijn, waar het neoclassicisme van K.F. Schinkel en zijn leerlingen overheerste. Hij studeerde wiskunde in Münster en was van 1865-1867 werkzaam bij Vincent Statz in Keulen. Tussen 1867 en 1872 maakte hij vanuit Amsterdam studiereizen. Van 1872-1884 woonde hij in Utrecht, waar hij een belangrijke plaats innam in het St.Bernulphusgilde. Hij werkte nauw samen met F.W. Mengelberg, de beeldhouwer van het Gilde. Tepe's oeuvre kwam tot stand in de periode 1873-1905. In deze periode bouwde hij zeventig kerken in Nederland en Duitsland, waaronder in Arnhem ook de St. Martinus, uitgevoerd in baksteen en geïnspireerd door de late Nederrijnse en Westfaalse gotiek. Hij stierf 1920 in Düsseldorf. Tepe behoorde tot de zgn. Utrechtse school, die aansluiting zocht bij de Nederrijnse gotiek van de 15de en 16de eeuw, waarin de gedrukt basilicale opbouw en de hallenkerk overheersen. Dit in tegenstelling tot Cuypers en Alberdingk Thijm, de "Amsterdamse school", die de vroege en de 13de-eeuwse gotiek tot voorbeeld namen.
De St. Jan de Doper is behoort tot het late werk van Tepe. Het is een sobere variant van zijn bekende kerken in IJsselstein (1885-1887) en Raalte (1891-1892). Verder vertoont de kerk opmerkelijke gelijkenis met de O.L. Vrouw ten Hemelopneming in Utrecht, gebouwd door Tepe in 1893-1894. Bij de kerken uit zijn late periode combineerde Tepe de Westfaals-gotische ruimtevorm, de hallenkerk, met de vormentaal van de Nederrijnse baksteengotiek, die onder meer tot uitdrukking komt in de bakstenen traceringen. In deze traceringen komen onder andere driestraalvormen voor, een kenmerkend motief van de belangrijke middeleeuwse bouwmeester uit de Nederrijnstreek, Gisbert Schairt, die ze toepaste bij de Dom van Xanten, de kerk van Kranenburg en de Stevenskerk te Nijmegen.
English translation
The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com
Description
Introduction
R.C. CHURCH St. Jan de Doper, built in 1894-1895 by architect Alfred Tepe (1840-1920) in neogothic style. The building pastor was G.J.C. Overwijn. The interior pieces were made by F.W. Mengelberg (1837-1919), the brass founder J.H. Brom from Utrecht made the fine font. Heinrich Geuer (1841-1904) made the stained glass windows, which unfortunately were lost in the war apart from a few fragments. All artists were, like Tepe, members of the St. Bernulphus Guild, which was founded in 1869 by the Utrecht priest Gerard van Heukelum with the aim of bringing clergy and artists into contact with each other and breathing new life into ecclesiastical art, inspired by medieval examples. The church is not oriented; the choir points in a north-easterly direction. In front of the church lies a spacious forecourt, bounded on the south side by the parsonage built in 1896 by J.W. Boerbooms, which does stand in the building line of the Verlengde Hoflaan. Along the entire south side of the church extends an enclosed parsonage garden. The church grounds are closed off on the north side by railings. The church, together with the parsonage, to which it is connected via a short passage, forms an R.C. complex in the north-east of the Arnhem working-class district of Klarendal.
Description
The three-aisled hall church, of which the side aisles are somewhat lower than the nave, is entirely built of brick in stretcher bond. Even the drip mouldings and traceries are of this material. The nave is wider than the side aisles and is provided with a three-sided closure on the choir side. The entrance section, which projects in relation to the side aisles, is rectangular and provided with a spout gable. The side aisles are provided with a two-sided closure both on the choir side and on the entrance side.
On the south side, the side aisle is provided with a large rectangular extension, which is as high as the nave and thus gives the impression of a transept. This building component contains two storeys, below the sacristy and above the singers' gallery. In the angle on the west side of this extension is the stair tower. East of the transept is a low annexe, which serves as a side chapel.
The plinth running around the entire church is finished off with a brick chamfered cornice. The soffits of the pointed arch windows are interconnected by a brick drip moulding running around the entire church. Red face brick has been used for the brick door and window surrounds. Between the bays and on the corners of the choir and side aisle closures are buttresses, which above the plinth still have two chamfered offsets with soffits, the upper ones covered with slates in Maas bonding. The gables terminate with a brick profiled cornice with a beaded profile and a quarter-round profile. The fascia board of the wooden rainwater gutter is set with slates.
The nave is provided with a gabled roof with three-sided termination and the side aisles have hipped roofs. All roofs are covered with slates in Maas bonding and provided with finials at the ridge ends. On the finial of the nave stands an ornamental iron cross. In the roof panels are roof dormers with hinged shutters with wrought iron fittings and a sweeping spire with finial, covered with slates. The shutters have trefoil openings.
All windows have brick sills consisting of a beaded profile between quarter-round brick traceries.
The WEST GABLE. The symmetrically arranged front gable of the nave projects far forward in relation to the closure side of the side aisles and is provided with a brick spout gable. The central axis of this section is dominated by a large window portal. At the bottom of this portal is the main entrance with a rounded arch termination. The double door is modern and has a single-pane fanlight in the arch opening. Above the door a modern wooden canopy is attached to wooden brackets. The canopy is covered with mastic. Above the entrance section, the window portal contains a tall pointed arch window with five-part tracery with a six-part rose in the crown, flanked by fish-bladder motifs. The window portal is flanked on each side by a slender round arch niche with trefoil at the top. The spout gable has two low pointed arch niches on the outside with two higher niches between them with narrow light slits and two-part tracery with fish-bladder motifs at the top. In the gable top is a blind oculus, filled with three circles. The shoulders and sloping sides of the gable are covered with saddle-backs with a hexagonal brick pinnacle at the top, which is partly continued over the gable to above the oculus. A modern concrete stoop is in front of the entrance. The side gables of this projecting middle section are blind. The two-sided closures of the side aisles have a pointed arch window in each closure side with two-part tracery with a three-ray motif at the top.
The NORTH GABLE. The north gable consists of six bays, of which the middle four project considerably. This section is provided with buttresses within the wall. The flanking bays (the closure bays) have external buttresses, the western one being divided into two sections by an extra buttress. This section contains two pointed arch windows with two-part tracery with a circle at the top containing three smaller circles. The projecting part is provided with four large pointed arch windows with four-part tracery, with a four-lobed motif at the top, flanked by fish-bladder motifs. The pointed arch window in the eastern bay likewise has four-part tracery with three spherical triangles between fish-bladder motifs at the top. Below the windows of the western section is a low rectangular annexe with an entrance in the west gable under a lintel with an hinged door with fine wrought iron hinges, decorated with scrolls and trefoils. The north gable of this annexe has a pointed arch window without tracery.
The EAST GABLE. The eastern closure of the main aisle is three-sided, that of the side aisles two-sided. The closures are provided with buttresses. The windows in the centre choir have three-part tracery with three-ray motif at the top, those of the side choirs are provided with two-part traceries with likewise three-rays at the top.
The SOUTH GABLE. The south aisle has six bays and is provided with buttresses. Against the most westerly bay of this south aisle, a shallow portal space between the buttresses was built by Boerbooms during the construction of the parsonage, while the portal built by Tepe was retained. This portal space is connected to the parsonage (separate monument number 516736) by means of a short passage. The south gable of this annexe has two pointed arch windows without traceries. A narrow lavatory window is placed on the right. Above on the left under the cornice is a zinc rainwater collection tank, resting on wrought iron curved supports. The cornice is of red sandstone. The first two bays counting from the west of the south aisle have pointed arch windows with four-part tracery with a four-lobed motif between fish-bladder motifs at the top. The third bay is partly hidden behind the stair tower, the left part has a pointed arch window with two-part tracery with a circle filled with three smaller circles at the top. Below this window is an annexe, placed between the buttress and the stair tower, probably designed by Boerbooms and built during the construction of the parsonage in 1896. This storage space has a Flemish gable in its front with a door below it under a segmental arch. The hinged door has wrought iron fittings. On either side of the entrance is decorative brickwork in diamond form. In the Flemish gable is a small round arch window. This annexe is provided with a lean-to roof with a steeper roof section with half-hipped end above the Flemish gable. Slates in Maas bonding lie on the roof. The adjacent stair tower is octagonal, of which only five sides are visible up to the cornice of the church. The tower has various narrow light slits and above the cornice of the church has overhanging corner sections, each side of which is interconnected by pointed arches. Above this articulation is the octagonal lantern with lancet-shaped sound openings. The slender octagonal spire, covered with slates, has a zinc finial with an ornamental iron cross and a weather vane. East of the tower is a strongly projecting building section, which is two bays wide and as high as the church. This transept-like building section has two tall pointed arch windows in the south gable, which are extended by the soffit line to the plinth. The windows are two-part; the lower ones serve to light the sacristy, are rectangular and have three vertical and one horizontal mullion. These windows close at the top with a soffit line with above a blind panel, articulated by four trefoil arches. This section closes at the top again with a soffit line. The pointed arch windows above have four-part tracery with a circle at the top filled with three spherical triangles. The lower windows have wrought iron railings. Below the left window is an entrance with a segmental arch with a hinged door with wrought iron fittings. A brick stair of two steps is in front of the door. Below the right window is a two-part cellar light with burglar bars. The west gable of this building section is on the right of the stair tower provided with a pointed arch niche with two-part tracery with a circle containing three smaller circles at the top. Of the eastern gable, only the upper part is visible with a pointed arch niche with three-part tracery with a three-ray motif at the top. On the lower part of the transept, a rectangular annexe with a flat roof adjoins on the east side. On the left is an entrance with a segmental arch. The hinged door has wrought iron fittings and a fanlight, consisting of two casement frames with coloured leaded glass. To the right of the door are two pointed arch niches with quarter-round profiling and a sunken cross in the centre. The annexe has a brick balustrade with blind trefoil arches and a profiled stone cornice. The extension has on the corner an angle stone, which continues at the height of the balustrade as a corner pinnacle with a sandstone capital. The right side gable of this annexe has an entrance and a window. The window and door are set under one segmental arch. The hinged door with wrought iron hinges has a two-pane fanlight with heavy central mullion. The window has four panes with fanlights and wrought iron window guards. This side chapel was not built at the same time as the church and probably dates from the construction period of the parsonage. The eastern bay of the south aisle has a pointed arch window with four-part tracery with a circle containing three spherical triangles at the top.
The church grounds are closed off on the east side by a masonry wall, partly provided with pilasters and saddle-backs. On the north side the grounds are bounded by an ornamental wrought iron railing.
The INTERIOR has, apart from the windows and the original colouring, been preserved nearly intact. The three aisles are each separated from each other by five slender columns with octagonal bases and listel capitals. The arch braces are profiled. The tie arches divide the aisles into six bays. The nave has an extra, somewhat narrower bay on the west side, in which the portal is located.
On the divisions between the choir closures and on the divisions of the portal space and the side aisle closures stand half-columns of the same type as the columns in the nave. In the north aisle, the four central sections are separated from each other by buttresses within the wall, which are connected at the top by profiled pointed arches. The niches thus created provide space for the confessionals. The vaults are supported at the external walls and the internal buttresses by small columns with listel capitals and profiled bases. The space is for the most part covered by four-part rib vaults, with the exception of the closure sections and the section in the south aisle at the height of the stair tower, which is provided with a five-part rib vault. The fifth rib is here again supported by a small column, which subdivides this section into two parts. The right part has a window, the left part a blind window, behind which the stair tower stands. The blind window has the same tracery as the window on the right. Entrances closed by segmental arches are located, viewed from the west, in the first, third and sixth bays of the south aisle and in the first bay of the north aisle. The doors are of the same type as the external doors. The most westerly bay of the nave has a vault with a ridge rib, which splits on both sides into diagonal ribs. In the portal space stands a wooden flat roof canopy with three doors and windows with figurative stained glass by Alex Asperslagh from 1931. The extension in the south aisle is opened toward the church space by two tall pointed arches, which rest on wall pillars and a round pillar in the middle. This rectangular transept space is divided into two storeys. The lower part, the sacristy, is enclosed from the church space and has a balustrade of trefoil arches. Entirely on the right is an entrance with a segmental arch. The sacristy is subdivided into two rooms, provided with barrel vaults. The windows in the south wall contain coloured stained glass, against the north wall stand fixed cabinets with panelled doors, in the east wall is a basket arch niche with a hardstone basin. The singers' gallery above the sacristy has two rib vaults. The door in the sixth bay of the south aisle gives access to a passage, which leads on the right to the sacristy and on the left to the side chapel.
The original polychrome decoration has been replaced by the current painting in white and grey tones. Old photographs show a restrained decoration, on the pillars including ring bands with locusts and shells (symbols of John the Baptist) and on the vault caps fine foliage.
THE INVENTORY is for the most part dated to the years immediately after the completion of the church building in 1895 and has been preserved in fairly good condition.
- High altar: neogothic, sandstone, with sculpture and painting on copper. Atelier F.W. Mengelberg, Utrecht.
- Side altars: neogothic, sandstone, with among others fine paintings on copper, atelier Mengelberg, Utrecht.
- Sculptures: sandstone and wooden sculptures on fine marble columns with sandstone leaf capitals in the choir, atelier Mengelberg, atelier J.P. Maas from Haarlem.
- Stations of the Cross: In the south aisle hang 14 large painted stations on wooden panels by the atelier Mengelberg, around 1900.
- Ambo: The ambo is modern, but contains wooden reliefs from the old pulpit made by Mengelberg from 1904. A fourth fragment of it is in the side chapel.
- Confessionals: In the north aisle stand four fine neogothic chairs, oak confessionals from the atelier Mengelberg, dating around 1900.
- Pews: The oak pews in the nave probably date from the period shortly after the opening of the church. Some pews have gothic letter panels on the back.
- Font: Copper, neo-renaissance, 1897, signed by J.H. Brom at Utrecht. This fine work is inspired by the early renaissance font in the Walburgskerk at Zutphen. The font stands on a floor of decorated patterned tiles.
- Miscellaneous: 9 standards, of which 8 from the beginning of this century, possibly after a design by Mengelberg. Fine tapestry in the priest's choir from 1935, by B. Plieger from Groenlo. Silverware, including a ciborium from 1771 by the Utrecht silversmith Adam Visch and a tower monstrance (1896) from the atelier Brom.
- Glazing: The current glazing of the church windows dates from the 1950s and 1960s, made by Eugène Laudy. The old glazing by H. Geuer from Utrecht, who also supplied stained glass windows for the St. Martinus designed by Tepe in Arnhem, was lost in World War II apart from a few fragments (in the large window of the west gable).
Valuation
The R.C. CHURCH St. Jan de Doper from 1894-1895 by architect A. Tepe.
- Of architectural historical importance as a good and intact example in exterior and interior of a late 19th-century neogothic church, in which influences of Westphalian and Lower Rhenish gothic are visible. The St. Jan de Doper is of architectural historical importance as part of the oeuvre of architect Alfred Tepe, one of the most important and most prolific architects building in the neogothic style. Within neogothicism, he was the leading representative of the Utrecht school. The St. Jan de Doper is part of Tepe's later work and forms a sober variant of his well-known churches in IJsselstein (1885-1887) and Raalte (1891-1892). Furthermore, the church shows similarity to the Assumption of Our Lady in Utrecht, built by Tepe in 1893-1894. The church is of architectural historical importance because of the high-quality aesthetic qualities in exterior and interior, such as fine proportions, great spatial quality and special detailing. The still largely preserved inventory, made by members of the St. Bernulphus Guild, has art historical value. The church thus forms a "Gesamtkunstwerk" and shows the vision of the Bernulphus Guild regarding church building and interior decoration.
- Of urban planning value as part of an R.C. complex consisting of a neogothic church and parsonage. The church is of urban planning importance because of its location on the east side of the church square. Moreover, through its dimensions and silhouette, it forms a characteristic focal point in the north-eastern part of Klarendal.
- Of cultural historical value as an expression of a spiritual development, namely the emancipation process of Roman Catholics.
Cultural-historical description
ALFRED TEPE was born in Amsterdam in 1840. From 1861-1864 he studied at the Bau-Akademie in Berlin, where the neoclassicism of K.F. Schinkel and his pupils predominated. He studied mathematics in Münster and worked from 1865-1867 with Vincent Statz in Cologne. Between 1867 and 1872 he made study trips from Amsterdam. From 1872-1884 he lived in Utrecht, where he held an important position in the St.Bernulphus Guild. He worked closely with F.W. Mengelberg, the sculptor of the Guild. Tepe's oeuvre was created in the period 1873-1905. In this period he built seventy churches in the Netherlands and Germany, including in Arnhem also the St. Martinus, executed in brick and inspired by the late Lower Rhine and Westphalian Gothic. He died in 1920 in Düsseldorf. Tepe belonged to the so-called Utrecht school, which sought connection with the Lower Rhine Gothic of the 15th and 16th centuries, in which the pressed basilical structure and the hall church predominate. This in contrast to Cuypers and Alberdingk Thijm, the "Amsterdam school", which took early and 13th-century Gothic as their example.
The St. Jan de Doper belongs to Tepe's late work. It is a sober variant of his well-known churches in IJsselstein (1885-1887) and Raalte (1891-1892). Furthermore the church shows remarkable similarity with the O.L. Vrouw ten Hemelopneming in Utrecht, built by Tepe in 1893-1894. In the churches from his late period Tepe combined the Westphalian-Gothic spatial form, the hall church, with the formal language of Lower Rhine brick Gothic, which is expressed among other things in the brick traceries. In these traceries are found, among others, three-pointed shapes, a characteristic motif of the important medieval master builder from the Lower Rhine region, Gisbert Schairt, who applied them in the Dom of Xanten, the church of Kranenburg and the Stevenskerk in Nijmegen.
Nearby in the register
- Pastorie(F), Verlengde Hoflaan 72Kerkelijke dienstwoningunder 1 mi
- Woonhuis, Klarendalseweg 195Woonhuisunder 1 mi
- Woonhuis, Kazernestraat 4Woonhuisunder 1 mi
- Woonhuis, Kazernestraat 20Woonhuisunder 1 mi
Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.