Rijksmonumentenregister · Netherlands
Kantongerecht, Maliebaan 8
Groenlo, Gelderland, Netherlands
The record
- Designation
- National monument (rijksmonument)
- Class
- Gerechtsgebouw
- Function
- Kantongerecht
- Category
- onroerend gebouwd
- Built
- 1907
- Address
- Maliebaan 8, 7141 CC Groenlo (Oost Gelre 25)
- Place
- Groenlo
- Municipality
- Oost Gelre
- Province
- Gelderland
- Country
- Netherlands
- Coordinates
- 52.04367, 6.61886
- Monument number
- 513684
Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.
David Rumsey Map Collection, Stanford LibrariesUniversity Library, Vrije Universiteit Amsterdam
2 historical maps cover this location, the earliest the 1899 map "Composite: 304. Vreden." (David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries).
This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗
The register's description
Omschrijving
Inleiding
KANTONGERECHT met IJZEREN HEKWERK uit 1907 naar ontwerp van de ARCHITECT W.C. METZELAAR (1848-1918), zoon van de architect J.F. Metzelaar (1818-1897). W.C. Metzelaar werd in 1883 aangesteld als tweede ingenieur-architect voor de gevangenissen en rechtsgebouwen. In die functie ontwierp Metzelaar strafgevangenissen, opvoedingsgestichten, tuchtscholen, rechtsgebouwen, huizen van bewaring en kantongerechten. Hij ontwierp 27 kantongerechtsgebouwen (Amsterdam, Arnhem, Bergen op Zoom, Delft, Den Haag, Elst, Enschede, Groenlo, Groningen, Haarlemmermeer, Harlingen, Heerlen, Helmond, Hoogeveen, Meppel, Nijmegen, Oirschot, Onderdendam, Sliedrecht, Terborg, Terneuzen, Tilburg, Utrecht, Venlo, Zaandam, Zevenbergen, Zuidbroek). In tegenstelling tot zijn vader kwam hij bij elk gebouw tot een nieuw concept. Naast functionaliteit en soberheid besteedde Metzelaar ook zorg aan de uiterlijke verschijning en trachtte hij met gebruikmaking van beperkte middelen tot een levendig geheel te komen, waarbij hij meerdere historische stijlen toepaste. Wat betreft grootte en vormgeving is er een verdeling aan te wijzen tussen de gebouwen voor de grote steden en die voor de kleinere steden. Voor Den Haag, Utrecht en Amsterdam ontwierp hij vrij monumentale Kantongerechten, voor de overige steden gebouwen van bescheidener afmetingen. Bij het kantongerecht van Harlingen (1883) past hij voor het eerst het schema toe dat in zijn volgende ontwerpen een rol zal blijven spelen. Het gebouw is opgetrokken op een min of meer rechthoekig plattegrond over twee bouwlagen onder een afgeplat schilddak. Het ontwerp wordt gekarakteriseerd door een middenrisaliet waarin de entree gesitueerd is. Het risaliet gaat over in een toren waarin twee gekoppelde, rondboogvormig afgesloten vensters die van elkaar worden gescheiden door een smalle penant. Deze opzet -maar dan zonder toren- is in grote trekken ook terug te vinden in het kantongerecht van Groenlo. Het gebouw is markant gelegen op de (als rijksmonument aangewezen) omwalling- en grachtstructuur. In die tijd was het een gebruikelijke stedebouwkundige opvatting om belangrijke openbare functies te vestigen op de wallen die hun van oorsprong verdedigende functie verloren hadden.
Aan de linkerzijde is een jongere aanbouw aanwezig die niet onder de bescherming valt.
Omschrijving
KANTONGERECHT opgetrokken op een nagenoeg rechthoekig plattegrond over twee bouwlagen onder een afgeplat schilddak. Het dak is bedekt met de gesmoorde oud Hollandse pan en watert af via een geprofileerde, houten bakgoot op consoles. Op het achterschild bevindt zich een dakkapel. De voorgevel heeft een risalerend middendeel en tegen de rechterzijgevel bevindt zich een ingangsportaal waarboven een balkon. In de brede cordonlijst is rode verblendsteen verwerkt. De gevels hebben aan de onderzijde een plint en worden aan de bovenzijde afgesloten door een bakstenen fries waarin ook rode verblendsteen verwerkt is. Ter hoogte van de lekdorpel, de wisseldorpel en de bovendorpels van de ramen bevinden zich in de gevel dubbele lagen baksteen van een donkerder kleur. De vensters hebben alle aan de bovenzijde een segmentboog voorzien van een sluitsteen. De segmentbogen zijn uitgevoerd in een donkerder kleur baksteen. De vensters op de begane grond hebben een boogvulling waaronder een hardstenen dorpel is aangebracht. Op verschillende plaatsen in de voorgevel is gebruikt gemaakt van hardstenen blokjes. Onder anderen onder de gootconsoles en ter plaatse waar de donkere banden op vensteropeningen stuiten of de hoek omgaan. Ook voor de lekdorpels, de geprofileerde bovendorpels van de gevelopeningen op de begane grond en voor de afdekking van de topgevels van de voorgevel en rechter zijgevel is gebruik gemaakt van hardsteen.
De VOORGEVEL heeft centraal een middenrisaliet die eindigt in een tuitgevel. Aan weerszijden hiervan heeft de gevel één travee die zowel op de begane grond als op de verdieping één venster bevat. De vensters op de begane grond hebben een enkelruits raam met tweeruits bovenlicht. De vensters op de verdieping hebben een enkelruits onderraam en een bovenlicht voorzien van glas-in-lood. In het middenrisaliet zelf bevindt zich op de begane grond centraal een enkelruits raam met tweeruits bovenlicht dat aan weerszijden voorzien is van een -ongeveer half zo breed- enkelruits raam met enkelruits bovenlicht. De drie ramen worden door een smalle penant van elkaar gescheiden. Het risaliet heeft op de verdieping een zelfde opbouw, alleen zijn de bovenlichten op de verdieping voorzien van glas in lood. Tussen de cordonlijst en de verdiepingsvensters bevindt zich een hardstenen band met de tekst `KANTONGERECHT'. In de top bevinden zich twee gekoppelde vensters, van elkaar gescheiden door een penant en voorzien van een rondboog met sluitsteen en boven het penant een geboortesteen. De boogvulling is opgebouwd uit rode verblendsteen. Aan weerszijden van deze vensters bevindt zich een hardstenen plaat. Links met de tekst `ANNO' en rechts met de tekst `1907'.
De tuitgevel met schouders heeft een hardstenen deklijst. De tuit is getrapt uitgevoerd en wordt bekroond door een smeedijzeren decoratie.
De LINKER ZIJGEVEL heeft centraal een plat gedekte uitbouw ter plaatse waarvan zich de zijingang en de sanitaire ruimten bevinden. Aan de voor- en achterzijde van de uitbouw zijn de muren iets hoger opgetrokken en afgedekt door pannen. De gevel wordt aan de bovenzijde afgesloten door een boogfries. Het dak watert af via een houten bakgoot op klossen gesitueerd aan de zijgevel van de uitbouw. In de voorgevel van de uitbouw bevindt zich op de begane grond een deur die aan de bovenzijde wordt afgesloten door een strek. Links van de deur bevindt zich een klein raam. De verdieping heeft twee vensters die aan de bovenzijde worden afgesloten door een segmentboog voorzien van een sluitsteen. De ACHTERGEVEL is opgebouwd uit drie vensterassen. De cordonlijst is ter plaatse van de achtergevel eenvoudiger van uitvoering.
De RECHTER ZIJGEVEL heeft een nauwelijks uitspringend middenrisaliet die eindigt in een tuitgevel voorzien van een hardstenen deklijst. Aan weerszijden van het risaliet bevindt zich één vensteras. Het risaliet is op de begane grond over de gehele breedte uitgebouwd ten behoeve van een ingangsportaal. Deze wordt aan de bovenzijde afgesloten door een bakstenen borstwering. De voorgevel van de ingangsportaal heeft dubbele paneeldeuren voorzien van een zesruits raam en vierruits bovenlichten. De rechter zijgevel heeft een dubbel raam met een middenstijl. De indeling is gelijk aan de ramen op de begane grond. De achtergevel is gelijk aan de rechter zijgevel. In de topgevel bevindt zich een dubbel, tweeruits draairaam. Op de begane grond bevindt zich centraal een uitbouw waarin de ingangsportaal gesitueerd is. Het INTERIEUR is driebeukig van opzet. De ingangsportaal geeft via een getoogd afgesloten houten tochtportaal, toegang tot een brede gang met kamers aan weerszijden. De wanden van de ingangsportaal en de gang zijn voorzien van tegels, de tegelvloer is origineel. De rechts gelegen secretariskamer heeft een eenvoudige schouw en een eenvoudig stucplafond. Aan het einde van de gang bevindt zich een trappenhuis. De zwarte, hardstenen trap heeft een giet/smeedijzeren balustrade. Halverwege de trap bevinden zich de toiletten. De brede gang op de verdieping heeft een oorspronkelijke tegelvloer, wandtegels en deels een houten lambrizering. De houten deuren met geprofileerde kozijnen zijn nog oorspronkelijk. Op de verdieping bevindt zich aan de voorzijde de zittingzaal, toegankelijk via een dubbele houten stolpdeur. De zittingzaal heeft rondom een houten lambrizering.
Waardering
KANTONGERECHT met IJZEREN HEKWERK uit 1907 naar ontwerp van de ARCHITECT W.C. METZELAAR (1848-1918).
- Van architectuurhistorische waarde als goed en gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een kantongerechtsgebouw uit het begin van de twintigste eeuw naar ontwerp van de architect W.C. Metzelaar. Het pand valt op door de gave verhoudingen en de bijzondere detaillering van zowel interieur als exterieur.
- Van stedebouwkundige waarde vanwege de zeldzaamheidswaarde wat betreft aanleg, structuur en relatie met de omgeving. Het gebouw is gesitueerd op een historisch belangrijk gebied, namelijk de wallenstructuur van Groenlo, waarin het een beeldbepalende positie bekleedt.
- Van cultuurhistorische waarde vanwege de functie van het gebouw die in directe relatie staat met de geschiedenis van de rechtspraak in Nederland. Het gebouw geeft uitdrukking aan de cultuurhistorische en politieke ontwikkeling.
English translation
The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com
Description
Introduction
CANTON COURT with IRON RAILINGS from 1907 designed by ARCHITECT W.C. METZELAAR (1848-1918), son of architect J.F. Metzelaar (1818-1897). W.C. Metzelaar was appointed in 1883 as second engineer-architect for prisons and court buildings. In this capacity Metzelaar designed penal institutions, reformatories, reform schools, court buildings, houses of detention and canton courts. He designed 27 canton court buildings (Amsterdam, Arnhem, Bergen op Zoom, Delft, Den Haag, Elst, Enschede, Groenlo, Groningen, Haarlemmermeer, Harlingen, Heerlen, Helmond, Hoogeveen, Meppel, Nijmegen, Oirschot, Onderdendam, Sliedrecht, Terborg, Terneuzen, Tilburg, Utrecht, Venlo, Zaandam, Zevenbergen, Zuidbroek). In contrast to his father, with each building he arrived at a new concept. In addition to functionality and sobriety, Metzelaar also paid attention to the external appearance and sought to achieve a lively whole using limited means, employing multiple historical styles. With regard to size and design, a distinction can be made between buildings for the large cities and those for the smaller cities. For The Hague, Utrecht and Amsterdam he designed fairly monumental Canton Courts; for the other cities buildings of more modest dimensions. In the canton court of Harlingen (1883) he applies for the first time the scheme that will continue to play a role in his subsequent designs. The building is erected on a more or less rectangular plan over two storeys under a hipped roof with flattened apex. The design is characterized by a central risalit in which the entrance is situated. The risalit develops into a tower in which two paired, round-arched windows that are separated from each other by a narrow pier. This arrangement—but without tower—is in broad outline also found in the canton court of Groenlo. The building is prominently located on the (designated as national monument) rampart and moat structure. At that time it was a customary urban planning concept to locate important public functions on the ramparts which had lost their original defensive function.
On the left side there is a more recent extension which is not protected.
Description
CANTON COURT erected on an almost rectangular plan over two storeys under a hipped roof with flattened apex. The roof is covered with aged Dutch tile and drains via a moulded wooden gutter on consoles. On the rear slope there is a roof dormer. The front facade has a projecting central section and against the right side facade there is an entrance portal above which is a balcony. Red facing brick is worked into the broad string course. The facades have a plinth at the bottom and are finished at the top by a brick frieze in which red facing brick is also worked. At the height of the drip moulding, the sill course and the head courses of the windows there are in the facade double layers of darker coloured brick. The windows all have at the top a segmental arch fitted with a keystone. The segmental arches are executed in darker coloured brick. The windows on the ground floor have an arch filling below which a stone sill has been installed. Hardstone blocks have been used in various places on the front facade. Among others under the gutter consoles and where the dark bands meet window openings or turn a corner. Hardstone has also been used for the drip mouldings, the moulded head courses of the window openings on the ground floor and for covering the gable tops of the front facade and right side facade.
The FRONT FACADE has centrally a middle risalit ending in a spout gable. On either side of this the facade has one bay containing one window on both the ground floor and the first floor. The windows on the ground floor have a single-ruit sash with two-ruit fanlight. The windows on the first floor have a single-ruit lower sash and a fanlight fitted with leaded glass. In the middle risalit itself there is on the ground floor centrally a single-ruit sash with two-ruit fanlight that on either side is provided with a—approximately half as wide—single-ruit sash with single-ruit fanlight. The three sashes are separated from each other by a narrow pier. The risalit has on the first floor the same arrangement, only the fanlights on the first floor are fitted with leaded glass. Between the string course and the first floor windows there is a stone band with the text 'KANTONGERECHT'. At the top there are two paired windows, separated from each other by a pier and fitted with a round arch with keystone and above the pier a foundation stone. The arch filling is built up from red facing brick. On either side of these windows there is a stone plate. On the left with the text 'ANNO' and on the right with the text '1907'.
The spout gable with shoulders has a stone coping. The spout is executed with steps and is crowned by a wrought iron decoration.
The LEFT SIDE FACADE has centrally a flat-roofed extension where the side entrance and sanitary facilities are located. At the front and rear of the extension the walls are raised slightly higher and covered with tiles. The facade is finished at the top by an arch frieze. The roof drains via a wooden gutter on cleats situated at the side facade of the extension. In the front facade of the extension there is on the ground floor a door which is finished at the top by a lintel. To the left of the door there is a small window. The first floor has two windows which are finished at the top by a segmental arch fitted with a keystone. The REAR FACADE is built up from three window bays. The string course is simpler in execution at the location of the rear facade.
The RIGHT SIDE FACADE has a scarcely projecting central risalit ending in a spout gable fitted with a stone coping. On either side of the risalit there is one window bay. The risalit is on the ground floor extended over its full width for an entrance portal. This is finished at the top by a brick parapet. The front facade of the entrance portal has double panel doors fitted with a six-ruit sash and four-ruit fanlights. The right side facade has a double sash with a central mullion. The arrangement is the same as the sashes on the ground floor. The rear facade is the same as the right side facade. In the gable top there is a double, two-ruit casement window. On the ground floor there is centrally an extension in which the entrance portal is situated. The INTERIOR has a three-aisle layout. The entrance portal gives via a timber draught lobby with vaulted closing, access to a broad passage with rooms on either side. The walls of the entrance portal and the passage are fitted with tiles, the tile floor is original. The secretariat room on the right has a simple fireplace and simple stucco ceiling. At the end of the passage there is a stairwell. The black stone stairs have a cast and wrought iron balustrade. Halfway up the stairs are the toilets. The broad passage on the first floor has an original tile floor, wall tiles and partly wooden wainscoting. The wooden doors with moulded frames are still original. On the first floor at the front is the courtroom, accessible via a double wooden panel door. The courtroom has wainscoting round about.
Evaluation
CANTON COURT with IRON RAILINGS from 1907 designed by ARCHITECT W.C. METZELAAR (1848-1918).
- Of architectural historical value as a well-preserved and intact example of a canton court building from the beginning of the twentieth century designed by architect W.C. Metzelaar. The property stands out because of its fine proportions and the special detailing of both interior and exterior.
- Of urban planning value because of its rarity value with respect to layout, structure and relationship with the surroundings. The building is situated in a historically important area, namely the rampart structure of Groenlo, in which it occupies an image-defining position.
- Of cultural historical value because of the function of the building which is in direct relation to the history of the administration of justice in the Netherlands. The building is an expression of cultural historical and political development.
Nearby in the register
- Woonhuis, Nieuwestraat 20Woonhuisunder 1 mi
- Kerk, Mattelierstraat 5Kerk en kerkonderdeelunder 1 mi
- Postkantoor, Markt 6Overheidsgebouwunder 1 mi
- Begraafplaats en -onderdelen, te "" (Oost Gelre 25)Begraafplaats en -onderdelenunder 1 mi
Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.