TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Woonhuis, Parkweg 18

Bloemendaal, Noord-Holland, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Woonhuis
Category
onroerend gebouwd
Built
1883
Address
Parkweg 18, 2061 BN Bloemendaal
Place
Bloemendaal
Province
Noord-Holland
Country
Netherlands
Coordinates
52.39932, 4.61306
Monument number
511141

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries

4 historical maps cover this location, the earliest the 1867 map "No. VI. Deutschland, Niederlande, Belgien, Schweiz. (Germany, Netherlands, Belgium, Switzerland)." (David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

Inleiding

Villa "Duin-ouwe", in 1883 gebouwd - zoals blijkt uit een gevelsteen aan de noordzijde - aanvankelijk als zomerhuis voor mevrouw douarière Schouwenburg - de Marez Oyens, in het oudste villapark van Bloemendaal, Het Bloemendaalsche Park, aangelegd vanaf 1883.

De villa is het eerste pand dat in Het Bloemendaalsche Park werd gebouwd. Het pand is gesitueerd op de hoek van de Parkweg en de Bloemendaalseweg, ten opzichte van het wegdek hoger gelegen en omgeven door een grote tuin. Het terrein bezit voor het merendeel nog de oorspronkelijke erfafscheiding met aan de noordoostzijde de entree tot de oprijlaan die naar de villa voert. Deze entree bestaat uit een dubbel, openslaand hekwerk gevat tussen twee ijzeren pijlers. ERFAFSCHEIDING en TOEGANGSHEK vallen mede onder de bescherming.

In een apart gebouw ten noorden van de villa was indertijd de biljartzaal ondergebracht. Dit gebouw, thans woonhuis, is gelegen aan de Parkweg 18A.

De villa behoort tot de oudste categorie villa's welke in de vanaf 1880 ontstane villaparken werd gebouwd, namelijk het schilderachtige, rustieke villatype met invloeden vanuit de châletbouw.

In 1911 is het pand aan de zuidzijde opgehoogd naar ontwerp van architect J. van den Ban. Door deze wijziging is de monumentale waarde van het pand evenwel niet geschaad.

N.B. Aan de omschrijving zijn de resultaten van een bouwhistorisch onderzoek door ir. J.A. van der Hoeve toegevoegd.

Omschrijving

De villa is gebouwd op onregelmatige plattegrond en bestaat uit twee bouwlagen onder een afgeknot schilddak waarin aan oost-, noord- en in l911 aan de zuidzijde zadeldaken zijn ingelaten. De daken hebben aan alle zijden een overstek, ter hoogte van de dakrand geknikt en rustend op houten schoren. De dakvlakken zijn bedekt met leien.

Het pand is opgetrokken uit baksteen, licht geel gepleisterd met horizontale groeven. De plint is grijs gecementeerd. Tussen de verdiepingen is omlopend een brede cordonlijst aangebracht. Het veelvuldig toegepaste houtwerk is bruin gevefd. Het merendeel van deuren en vensters bezit nog de oorspronkelijke luiken.

De oostgevel heeft links een gedeelte onder zadeldak dat naar voren springt, met op de begane grond een venster dat door twee balustervormige stijlen in vier ramen wordt onderverdeeld. Op de verdieping opent een dubbele deur met balustervormige middenstijl op een houten balkon, rustend op twee schoren. In de geveltop bevindt zich een rond venster te midden van houtbekleding. Het dak heeft aan de voorzijde een overstek, voorzien van boogvormig houtsnijwerk (sierspant), rustend op versierde houten schoren. In de geveltop maakt het dak nogmaals een voorsprong, bekroond door achtereenvolgens: een decoratie van zink, een vaas en een ijzeren windvaan.

Het hierboven beschreven bouwvolume heeft aan de zuidzijde twee maal twee schuiframen met luiken boven elkaar. In het dakschild worden deze twee vensterassen bekroond door een kleine dakkapel met halfcirkelvormig venster. In het rechter teruggelegen vlak opent de oostgevel met drie dubbele deuren en de noordgevel van het naar voren springende bouwvolume links, met één dubbele deur op een terras belegd met geglazuurde tegels. Het terras wordt overdekt door het balkon van de verdieping. Dit balkon rust op drie balustervormige houten stijlen. Drie identieke stijlen recht hierboven verbinden het balkon met het overstekende dakvlak. Op het balkon openen drie ramen.

In het linker teruggelegen gevelvlak, in het gedeelte dat in l911 is opgehoogd, bevinden zich twee maal twee vensters boven elkaar.

De noordgevel heeft links een naar vorenspringend gedeelte, gelijkvormig aan het hierboven beschreven bouwvolume onder zadeldak aan de oostzijde. In het rechter teruggelegen gevelvlak van de noordgevel bevinden zich boven elkaar twee deuren en twee ramen. Voor de twee deuren is een houten constructie geplaatst met voor de voordeur op de begane grond drie balusters die het houten balkon op de verdieping dragen; op het balkon opnieuw drie gelijkvormige stijlen ter ondersteuning van een kleine kap die verbonden is met het westelijke dakvlak van het vooruitspringende bouwvolume.

De westgevel heeft van rechts naar links een licht naar vorenspringend gedeelte met twee kruisvormige vensters boven elkaar; links hiervan eveneens twee van dergelijke vensters boven elkaar en vervolgens een verticale strook met ramen, de bovenste twee met glas-in-lood ter verlichting van het achter gelegen trappenhuis; tot slot twee enkelvoudige vensters boven elkaar.

Het zuidelijke bouwvolume was oorspronkelijk afgedekt door een licht hellend zinken dak, zonder kapverdieping. In l911 is dit gedeelte opgehoogd en de bekapping van de rest van het huis hierboven doorgetrokken in de vorm van een zadeldak met wolfseind. Het dak heeft een overstek dat aan de zuidzijde rust op sierspanten. Tegen de zuidgevel is op de begane grond een uitbouw aangebracht onder zinken lessenaardak met overstek rustend op consoles ; rechts van de uitbouw bevindt zich een klein raam. De verdieping is voorzien van een schuifraam en ter hoogte van de zolder zijn drie raampartijen aangebracht, het middelste tweedelig.

Het dak wordt op meerdere plaatsen door schoorstenen doorbroken en is aan alle kanten voorzien van kleine, driehoekige dakkapellen met halfcirkelvormige ramen. Het dakvlak aan de westzijde had oorspronkelijk twee van dergelijke dakkapellen; in l911 is de rechter vergroot.

Het terrein bezit voor het merendeel nog de oorspronkelijke erfafscheiding met aan de noordoostzijde de entree tot de oprijlaan die naar de villa voert. Deze entree bestaat uit een dubbel, openslaand hekwerk gevat tussen twee ijzeren pijlers.

Aanvullende tekst na bouwhistorisch onderzoek:

De gevels zijn gepleisterd en wit geschilderd. Deze pleisterlaag is voorzien van horizontale schijnvoegen en een verticale frijnslag. Oorspronkelijk was de pleisterlaag licht safraangeel geschilderd. De buitenluiken van het overkapte balkon op de grote veranda hebben vanouds dezelfde kleur als de pleisterlaag. In oorsprong waren de luiken eveneens safraangeel geschilderd. Deze kleurlaag is één keer vernieuwd. Toen de pleisterlaag wit werd overgeschilderd, zijn de luiken ivoorwit geschilderd. De veranda, het portiek en balkons zijn geheel uit grenehout geconstrueerd. Dit geldt waarschijnlijk ook voor de goten, de boogvormige houtsnijwerken onder de overstekken van de geveltoppen en de lateien. Al het houtwerk is geschilderd. De huidige kleur is roodbruin. Hieronder bevinden zich twee kleurlagen grijs (bazaltgrijs en platinagrijs). Nader onderzoek bij de restauratie moet uitwijzen of deze grijze schilderlaag een kleurlaag of een grondlaag is geweest. Voorlopig kan er van worden uitgegaan, dat het grondlagen betreft. De oudste kleurlaag is sepiabruin.

De kozijnen zijn thans roodbruin geschilderd. Hieronder bevinden zich grijs, roze en olijfbruin. De roze laag is in elk geval een grondlaag. De grijze laag is vermoedelijk een grondlaag. De onderste kleurlaag (olijfbruin) vormt de authentieke afwerking van de kozijnen. Nader onderzoek moet uitwijzen of dit een verflaag of een beitslaag is.

De geveltoppen worden bekroond door ijzeren siervazen met windvanen. De vanen zijn ingevuld met een schijven, die oorspronkelijk waarschijnlijk verguld waren. Mogelijk waren meerdere onderdelen verguld.

Interieur. De structuur en indeling van het pand zijn nagenoeg geheel gaaf. Dit geldt ook voor het trappenhuis. De oorspronkelijke betimmeringen, de stucplafonds (deels met beschildering), de schoorsteenmantels, de binnen- en buitendeuren (inclusief de kozijnen en belegstukken), de vensters en luiken zijn vrijwel alle behouden. Het overgrote deel hiervan dateert uit de bouwtijd (1883). De wijzigingen uit 1911 hebben een beperkt karakter. Bijzonder is dat veel van deze onderdelen nog hun oorspronkelijke kleurstelling bezitten, waaronder stucplafonds op de begane grond, betimmeringen, deuren en luiken.

1. Begane grond; 1.1. rechter voorkamer. Deze kamer heeft een nagenoeg vierkante plattegrond (ca 4 x 4,4 meter). De wanden zijn voorzien van een plint, een lambrizering en een wandbespanning met behang. Het behang is van betrekkelijk jonge datum. De kleurstelling van alle houtwerk is vernieuwd.

De lambrizering bestaat uit geprofileerde stijlen en regels, waarbinnen gebosseerde panelen. De afsluitende profiellijst van de lambrizering vormt één geheel met de onderdorpels van de vensters. De belegstukken van de vensters sluiten aan op de profiellijst van de lambrizering/ onderdorpels. Elk van de vensters is afsluitbaar door een tweetal binnenluiken, die weg zijn te schuiven achter de wandbespanning. In de naalden van deze luiken bevinden zich inklapbare messing handgrepen. De luiken hebben messing handgrepen. In gesloten toestand zijn de luiken af te sluiten door een plaatje met twee pennen, die in slobgaten grijpen. Per venster is zowel het bovenlicht als het schuifraam te openen. Het bovenlicht wordt bediend door middel van een touw met houten handgrepen, dat over een katrol aan de bovendorpel wordt geleid. Het schuifraam is via touwen verbonden met contragewichten in de kozijnstijlen. De katrollen zijn van pokhout.

De zoldering bestaat uit een kwartronde kooflijst en vlak stucplafond. De koof wordt begrensd door twee zware geprofileerde (gipsen) lijsten. Het stucplafond wordt door relatief eenvoudig geprofileerde lijsten verdeeld in een grote middencirkel en vier hoekstukken. Dit lijstwerk is bruin geschilderd. Alle stucwerk is met ornamenten beschilderd. De contouren van de ornamenten zijn met behulp van sjablones aangebracht; de ornamenten zijn vervolgens uit vrije hand ingeschilderd. Aan de randen van de ornamenten zijn her en der nog potloodlijnen zichtbaar. In de hoeken zijn uit vrije hand bloemboeketjes geschilderd, vermoedelijk naar een voorbeeld. Hierbij is een dikke olieverf gebruikt.

De koof is beschilderd met repeterende versieringen, afgewisseld door U-vormige en rechthoekige velden. Voor zowel de ondergrond als de ornamentiek zijn twee tonen (vaal)groen gekozen; voor de belijning en enige ornamenten is lichtbruin en voor de velden blauwgroen gebruikt.

In het middelpunt van het ronde middenveld is een rond ornament van gips aangebracht, beschilderd in pastelkleuren. Langs de rand van cirkellijst bevindt zich een rand van vier aaneengesloten rolwerkversieringen, doorsneden door en aangevuld met gestileerde bladversieringen.

De vier hoeksegmenten zijn symmetrisch ingevuld met ineengevlochten rolwerk, overgaand en uitlopend in gestileerd bladwerk met knoppen. Over deze basisversiering heen zijn enige takken met gestileerde bladeren en knoppen geschilderd. De kern van de versieringen in elk hoeksegment wordt gevormd door een cartouche, waarop in natuurlijke kleuren bloemen en bloesemtakken zijn geschilderd. Te herkennen zijn onder andere viooltjes, primula's en twee soorten struikbloesem (waaronder mogelijk jasmijn).

De ondergrond is lichtbeige geschilderd, in het middenveld in twee tonen. Voor de ornamenten zijn moeilijk te omschrijven enigszins vaalbruine kleuren gebruikt. Voor sommige ornamenten is geel, grijs en/of groen bijgemengd. De ornamenten vertonen door toonverschillen een schaduwwerking. Ook verlopen kleuren soms binnen een ornament.

1.2. Salon 1 (rozenkamer). Deze kamer heeft een nagenoeg vierkante plattegrond (ca 5 x 7 meter). De wanden zijn voorzien van een plint, een lambrizering en een wandbespanning met behang. Het behang is van betrekkelijk jonge datum (ca 1960). De lambrizering bestaat uit geprofileerde stijlen en regels, waarbinnen gebosseerde panelen. De afsluitende profiellijst van de lambrizering vormt één geheel met de onderdorpels van het venster (een stolpvenster met zijlichten). De belegstukken van het venster sluit aan op de profiellijst van de lambrizering/ onderdorpel. De profilering van de belegstukken van de binnendeuren en de verandadeuren is gelijk aan die van het venster. Het venster en de verandadeuren zijn elk afsluitbaar door een twee binnenluiken, die weg zijn te schuiven achter de wandbespanning. In de naalden van de luiken bevinden zich inklapbare messing handgrepen. De luiken hebben messing handgrepen. In gesloten toestand zijn de luiken af te sluiten door een plaatje met twee pennen, die in slobgaten grijpen.

Het kleurschema van de lambrizering en luiken is oorspronkelijk; beige, groenbeige voor de profiellijsten (rond de panelen) en roodbeige voor de bossingen. Ook de gangdeur heeft deze kleurstelling. Mogelijke waren ook de belegstukken in deze kleuren beschilderd (zie: Salon 2). Het roodbeige op de bossingen van de plint is recent overgeschilderd in een licht paarse kleur, terwijl de randen van de spiegelvlakken van de panelen zijn voorzien van goudkleurige belijning.

De zoldering bestaat uit een kwartronde, gestucte kooflijst en een vlak stucplafond. De koof wordt begrensd door twee zware geprofileerde (gipsen) lijsten. Het stucplafond wordt door relatief eenvoudig geprofileerde lijsten verdeeld in een grote middencirkel en vier hoekstukken. De lijsten zijn beige geschilderd. Het stucwerk is beschilderd met ornamenten. De contouren van de meeste ornamenten zijn met behulp van sjablones aangebracht; vervolgens zijn de ornamenten uit vrije hand ingeschilderd. Aan de randen van de ornamenten zijn her en der nog potloodlijnen zichtbaar. De bloemenslingers, festoenen en bladranken (in de koof) zijn uit vrije hand geschilderd, in dikke olieverf. Vermoedelijk is bij het schilderen van de bloemen een voorbeeld gebruikt.

De koof is beschilderd met een overhoeks rasterwerk. In de hoeken bevinden zich spits-ovale cartouches met een oranje veld. Achter deze cartouches ontspringen lange bladranken, die natuurlijke kleuren hebben.

Het plafond door lijsten verdeeld in een grote middencirkel en vier hoeksegmenten. De rand van de middencirkel is afgezet met een doorgaande versiering van meanderende bladkrullen met gestileerde bloemen en knoppen, waarin alternerend blauwe linten en goudkleurige rookpotten zijn opgenomen. De voeten van de rookpotten worden afgedekt door geschilderde bladfestoenen met verschillende soorten rozen. Verder zijn nog enige losse bladranken herkenbaar, in natuurlijke kleuren. Deze versieringen worden naar het centrum toe begrensd door een lijn, bestaande uit aaneengesloten accolades en boogsegmentenDe vier hoeksegmenten van het plafond zijn beschilderd met paarsachtige, slingerende krullen met gestileerde bladeren, bloemen en knoppen. In de hoeken worden deze ornamenten "samengebonden" door blauwe linten. Over deze ornamenten zijn uit vrije hand bladranken geschilderd, waarin verschillende soorten rozen zijn verwerkt. De hoeksegmenten zijn omkaderd door een lijnversiering, bestaande uit aaneengesloten boogsegmenten en rechte lijnen.

De basiskleur van het stucwerk op zowel de koof als het plafond is lichtbeige. De ornamenten zijn bruinachtig beige (in de koof) en paarsgrijsachtig beige (op het plafond). Enkele florale motieven zijn in natuurlijke kleuren geschilderd.

Tegen de gangwand bevindt zich een rookkanaal met een wit marmeren schoorsteenmantel, die uit de bouwtijd van de villa dateert (1883). De mantel is versierd met overhoekse voluten, twee bloemmotieven en een palmetmotief in de lijst. De dekplaat is geprofileerd.

1.3. Salon 2 (de bruine kamer). Deze salon heeft een rechthoekige plattegrond (ca 5 x 8 meter). Hij is via een dubbele schuifdeur verbonden met de rozensalon (Salon 1).

De wandafwerking met een plint, lambrizering en behang op een wandbespanning is in opbouw en structuur gelijk aan de twee hiervoor beschreven kamers. Ook de aansluitingen van de belegstukken van de vensters (twee schuifvensters, één stolpvenster met zijlichten) en deuren (één verandadeur en één gangdeur) zijn gelijk. Nagenoeg alle houtwerk is overgeschilderd in een blauwgrijze kleur. De schuifluiken bezitten nog hun oorspronkelijke kleurstelling: beige, groenbeige en roodbeige. Bij onderzoek bleken de belegstukken van de vensters een soortgelijke kleurstelling te bezitten. De toegangsdeur tot de hal was oorspronkelijk geschilderd in verschillende kleuren bruin.

De zoldering bestaat uit een kwartronde gestucte kooflijst en een vlak stucplafond. De koof wordt begrensd door twee zware geprofileerde (gipsen) lijsten. Het middenveld wordt door relatief eenvoudig geprofileerde lijsten verdeeld in een grote middencirkel en vier hoekstukken. Het lijstwerk is bruin geschilderd. Het stucwerk is met ornamenten beschilderd. De contouren van de ornamenten zijn met behulp van sjablones aangebracht; vervolgens zijn de ornamenten uit vrije hand ingeschilderd. Ook de hoornen des overvloeds zijn met sjablones opgetekend, gezien de strikte symmetrie en de identieke vulling met vruchten. De festoenen met vruchten in de koof zijn uit vrije hand geschilderd, mogelijk naar een voorbeeld. Vermoedelijk omstreeks 1970 zijn de ongedecoreerde velden in crème-wit overgeschilderd. De ondergrond tussen de decoraties is niet overgeschilderd, waardoor de ornamenten een relatief donkere ondergrond hebben.

De koof is ingevuld met langgerekte siervelden en middencartouches. Vanuit de hoeken en naast de cartouches "ontspringen" gestileerde bladertakken. De kleurstelling varieert van bruingroen tot groen, in verschillende tonen en schakeringen.

In de cartouches zijn uit vrije hand festoenen geschilderd, met respectievelijk kersen, perziken, appels en citrusvruchten (citroenen en sinaasappelen). Hiervoor zijn natuurlijke kleuren gebruikt.

In het centrum van de middencirkel bevindt zich een achtdelig cartouche, omringd door gestileerde bladornamenten en bladslingers met knoppen. De kern van de cartouche wordt gevormd door een ingesneden cirkelversiering en een achtzijdige uitgeschulpte bladring.

De cirkellijst is afgezet met een lineaire versiering, waarin een achttal bladornamenten is opgenomen. Het oorspronkelijk bruinbeige veld tussen deze lineaire versiering en het middenornament is overgeschilderd in een crème-witte kleur.

Elk van de vier hoeksegmenten zijn symmetrisch ingedeeld: ze bezitten een geschilderde randlijst, die in de hoek is voorzien van halfronde in- en uitstulpingen. De in- en uitstulpingen worden begeleid door gestileerde bladranken. De hoek wordt doorsneden door een siervaas en twee hoornen des overvloeds, gevuld met vruchten. De omkaderde velden in de hoeksegmenten zijn over geschilderd in crème-wit.

De oorspronkelijke kleur van de ondergrond is bruinbeige, terwijl de ornamenten in verschillende tonen en variëteiten bruin (van paarsachtig bruin tot grijsachtig bruin) zijn uitgevoerd.

Tegen de achterwand van deze salon (zuidwestgevel) bevindt zich een rookkanaal met een eenvoudige zwart marmeren schoorsteenmantel, die uit de bouwtijd dateert (1883). De mantel is versierd met twee gecanneleerde pilasters met basement en kapiteel. De kroonlijst wordt geleed door hoekelementen (een voortzetting van de pilasters) en een middenstuk met een cartouche. Achter de cartouche bevinden zich twee bladranken en losse strikeinden.

1.4. Hal. De hal bestaat uit twee delen; de entreehal en de middenhal, het centrale punt van het huis. De middenhal is verzelfstandigd door de toepassing van rondboogvormige doorgangen naar de aanliggende ruimten.

Entree hal: Op de vloer liggen witte marmeren platen met een grijze adering. De plint bestaat uit hetzelfde marmer. De gepleisterde wanden zijn door geschilderde lijnen en banden ingedeeld in een lambrizering en velden. De kleurstelling is groenbeige, donker- en lichtbeige. De belijning is grijsachtig bruin. In de hoeken van de banden zijn ornamenten geschilderd, in verlopende bruine tinten. De zoldering bestaat uit een kwartronde koof en een in vijven gedeeld middenveld. De helft van het plafond is ingestort door waterschade. De koof is beschilderd met repeterende bloemornamenten in een soort boogfries. De gestippelde sjabloontekeningen zijn nog duidelijk herkenbaar.

Het stucplafond wordt door eenvoudig geprofileerde lijsten verdeeld in een rechthoekige middenveld en vier L-vormige hoekvelden. Het middenveld is beschilderd met rolwerk, waarvan gedeelten uitlopen in bladmeanders. Het rechthoekige lichtblauw geschilderde middenkader wordt door banden verbonden met de lijsten. De L-vormige hoekvelden zijn ingevuld met meanderende bladlijsten en ovale hoekmedaillons.

De voornaamste kleuren zijn groenbeige, beige en bruinbeige, in verschillende varianten en tonen. Enkele kleuren verlopen.

Middenhal: Op de vloer liggen witte marmeren platen met een grijze adering. De plint bestaat uit hetzelfde marmer. De gepleisterde wanden zijn door geschilderde lijnen en banden ingedeeld in velden. De gebruikte kleuren zijn groenbeige, donker- en lichtbeige. De belijning is grijsachtig bruin. In de hoeken van de banden zijn ornamenten in verlopende bruine tinten geschilderd, deels met een omlijning en deels zonder omlijning. De zoldering bestaat uit een kwartronde gestucte koof en een vlak stucplafond. De koof is beschilderd met een soort boogfries met repeterende bloemornamenten. De gestippelde sjabloontekeningen zijn nog duidelijk herkenbaar.

Het beige geschilderde stucplafond heeft een (gipsen) middenornament, beschilderd in pastelkleuren. Langs de randen is een donkerder lijn aangebracht, met in de hoeken bloemornamenten.

1.5 Rechter-achterkamer. Deze sobere kamer heeft een zwart marmeren schoorsteenmantel, die betrekkelijk eenvoudig is gedecoreerd.

1.6 Keuken. De keuken is een rechthoekige ruimte (ca 4,4 x 5,5 meter). De vloer liggen wit marmeren platen met een lichtgrijze adering. De plint en de neuten van de deuren zijn eveneens van marmer. Het onderste deel van de muren is betegeld met vierkante witte tegels. De tegelwand wordt afgesloten door een rand van smalle tegels met paarse versiering. Ook de schouw (kooknis) is geheel bekleed met witte tegels. Als versiering is een strook van smalle zwarte tegeltjes met oranje parels opgenomen (ca 1925).

Het keukenvenster (een tweelicht-schuifvenster) kan aan de binnenzijde worden afgesloten met twee tweedelige houten draailuiken. De luiken zijn met ijzeren banden te vergrendelen. Het kozijn en de luiken zijn gehout.

Ook de binnendeuren en hun kozijnen zijn gehout.

Het aanrecht bestaat uit een monoliete granittoplaat, waarin ook de wasbak is opgenomen. Deze plaat is aan de achterzijde voorzien van een opstaande rand. De aansluiting van deze rand op de onderdorpel van het venster laat vermoeden dat het aanrecht niet oorspronkelijk is (verbouwd in 1911 of 1925?).

Onder het aanrecht bevinden zich kleine houten keukenkastjes. De grote symmetrische servieskast met gedeeltelijk glazen deuren staat los op de tegelvloer. Omstreeks 1925 is de ruimte tussen de kast en de schouw dichtgebouwd met een kast. Deze kasten zijn evenals de keukenkastjes gehout.

Trappenhuis. De trap heeft een rijk versierde trappaal, onder andere voorzien van een parelrand, cannelures en een bolvaas. De balusters van de leuning zijn van gietijzer. Alle houtwerk van de trap is gehout. Het trappehuis wordt verlicht door glas-in-loodvensters, die bij de verbouwing van 1911 zijn aangebracht. De kleur van het glas-in-lood verloopt van diepgeel naar geelachtig-wit. Aan zowel de onderzijde als de bovenzijde bevinden zich ronde en ruitvormige rode glasruitjes. Het kozijn is gehout. Langs de traprand bevindt zich een houten lijst, die als grijs geaderd wit marmer is geschilderd. De gepleisterde wanden zijn in vakken verdeeld door geschilderde banden (groenbeige en beige), die zijn afgezet met bruine lijnen. De hoeken van de beige banden zijn versierd met gestileerde renaissancistische motieven, zowel zonder als met omlijning. De kleuren van deze motieven verlopen van donkerbruin naar lichtbruin.

2. verdieping

2.1 hal. De houten plinten zijn geschilderd als wit marmer met grijze adering. De gepleisterde wanden zijn in velden verdeeld, door bruin en groenbeige geschilderde banden. De velden en het plafond zijn beige geschilderd: de versiering van de plafonds bestaat uit lijnen met in de hoeken bloemversieringen. De entree tot de grote salon op de verdieping wordt geflankeerd door twee kasten, die in de hal zijn vormgegeven door twee pilasters en een kroonlijst.

2.2 studeerkamer. De studeerkamer heeft een eenvoudige zwart marmeren schoorsteenmantel. De kastdeuren bezitten nog hun authentieke kleurstelling (roodbeige, groenbeige en beige).

Het huidige behang (rood velours) vervangt mogelijk een gelijksoortige authentiek behangsel.

3. zolder 3.1 zolderkamer. Het achterste gedeelte van de zolder dateert uit 1911 en is naar ontwerp van J. van den Ban gerealiseerd. De grote zolderkamer heeft een vlak stucplafond met een gestileerde Jugendstilversiering.

Waardering

De villa met interieur(onderdelen) en bijbehorende erfafscheiding en toegangshek is van architectuurhistorische betekenis:

- als vroeg en representatief voorbeeld van het schilderachtige-rustieke villatype uit het eind van de l9de eeuw;

- vanwege de gaafheid van de hoofdvorm, detaillering, interieuronderdelen en het toegepaste materiaal;

- als eerste pand dat werd gebouwd in het oudste villapark van Zuid-Kennemerland, Het Bloemendaalsche Park, een villapark waarvan bovendien de structuur en de aanleg nog intact zijn;

- vanwege de bewaard gebleven structurele en functionele samenhang tussen hoofdhuis en dienst/bijgebouw - in dit geval door de aanwezigheid van de voormalige biljartzaal (Parkweg 18a) -;

- vanwege de beeldbepalende situering op de hoek van de Parkweg en de Bloemendaalseweg bij één van de ingangen tot het villapark.

De villa is van cultuurhistorische betekenis als element uit de geschiedenis van het wonen in Noord-Holland, in het bijzonder in villaparken - vooral in Zuid-Kennemerland en in het Gooi -, hetgeen vanaf het eind van de l9de eeuw voor welgestelden mogelijk werd gemaakt.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

Introduction

Villa "Duin-ouwe", built in 1883 - as evidenced by a stone on the north side - originally built as a summer house for Madame the dowager Schouwenburg - de Marez Oyens, in the oldest villa park of Bloemendaal, Het Bloemendaalsche Park, laid out from 1883 onwards.

The villa is the first property to be built in Het Bloemendaalsche Park. The property is situated at the corner of the Parkweg and the Bloemendaalseweg, elevated relative to the road level and surrounded by a large garden. The site retains for the most part the original boundary fence, with the entrance to the drive leading to the villa on the north-east side. This entrance consists of double swing gates set between two iron pillars. BOUNDARY FENCE and ENTRANCE GATE are also protected.

In a separate building north of the villa was originally housed the billiard room. This building, now a dwelling house, is located at Parkweg 18A.

The villa belongs to the oldest category of villas built in the villa parks that emerged from 1880 onwards, namely the picturesque, rustic villa type with influences from chalet construction.

In 1911 the property was heightened on the south side according to the design of architect J. van den Ban. This modification did not, however, damage the monumental value of the property.

N.B. To the description have been added the results of a building historical investigation by ir. J.A. van der Hoeve.

Description

The villa is built on an irregular ground plan and consists of two storeys beneath a truncated hipped roof into which are set gabled roofs on the east, north and in 1911 on the south side. The roofs have overhangs on all sides, kinked at roof-line height and resting on wooden brackets. The roof surfaces are covered with slate.

The building is constructed of brick, rendered light yellow with horizontal grooves. The plinth is cement-rendered grey. Between the storeys runs a broad cornice. The extensively used woodwork is painted brown. The majority of doors and windows retain their original shutters.

The east facade has on the left a section beneath a gabled roof that projects forward, with on the ground floor a window subdivided into four panes by two baluster-shaped mullions. On the storey above opens a double door with a baluster-shaped centre mullion onto a wooden balcony, resting on two brackets. In the gable top is a round window amid wooden cladding. The roof has an overhang on the front side, provided with arched carved woodwork (decorative spandrel), resting on decorated wooden brackets. In the gable top the roof projects again, crowned by in succession: a zinc decoration, a vase and an iron weathervane.

The building volume described above has on the south side two sets of two sash windows with shutters one above the other. In the roof pitch these two window axes are crowned by a small roof dormer with a semicircular window. In the right recessed section the east facade opens with three double doors and the north facade of the forward-projecting building volume on the left with one double door onto a terrace paved with glazed tiles. The terrace is covered by the balcony of the storey above. This balcony rests on three baluster-shaped wooden posts. Three identical posts directly above connect the balcony with the overhanging roof pitch. Three windows open onto the balcony.

In the left recessed section, in the part heightened in 1911, are two sets of two windows one above the other.

The north facade has on the left a forward-projecting section similar to the building volume beneath a gabled roof described above on the east side. In the right recessed section of the north facade are two doors and two windows one above the other. For the two doors a wooden construction has been placed with three balusters for the front door on the ground floor carrying the wooden balcony on the storey above; on the balcony again three similar posts supporting a small roof section connected with the western roof pitch of the forward-projecting building volume.

The west facade has from right to left a slightly forward-projecting section with two cross-shaped windows one above the other; to the left of this likewise two such windows one above the other and then a vertical strip with windows, the upper two with decorative glazing for lighting the staircase behind; finally two single windows one above the other.

The southern building volume was originally covered by a slightly sloping zinc roof without an attic storey. In 1911 this section was heightened and the roof covering of the rest of the house above was extended in the form of a gabled roof with half-hipped end. The roof has an overhang that rests on decorative spandrels on the south side. Against the south facade on the ground floor an extension has been added beneath a zinc desk-roof with overhang resting on consoles; to the right of the extension is a small window. The storey above is provided with a sash window and at attic level three sets of windows have been added, the middle one in two parts.

The roof is broken through by chimneys in several places and is provided on all sides with small triangular roof dormers with semicircular windows. The roof surface on the west side originally had two such roof dormers; in 1911 the right one was enlarged.

The site retains for the most part the original boundary fence with the entrance to the drive leading to the villa on the north-east side. This entrance consists of double swing gates set between two iron pillars.

Supplementary text following building historical investigation:

The facades are rendered and painted white. This render layer is provided with horizontal mock joints and a vertical finely struck line. Originally the render layer was painted light saffron yellow. The exterior shutters of the covered balcony on the large veranda have always had the same colour as the render layer. Originally the shutters were likewise painted saffron yellow. This colour layer has been renewed once. When the render layer was overpainted white, the shutters were painted ivory white. The veranda, the porch and balconies are entirely constructed of yellow pine. This probably also applies to the gutters, the arched carved woodwork under the roof overhangs of the gable tops and the lintels. All woodwork is painted. The current colour is reddish-brown. Beneath this are two colour layers of grey (basalt grey and platinum grey). Further investigation during restoration must establish whether this grey paint layer was a colour coat or a ground coat. For now it can be assumed that these are ground coats. The oldest colour layer is sepia brown.

The window frames are currently painted reddish-brown. Beneath are grey, pink and olive brown. The pink layer is in any case a ground coat. The grey layer is presumed to be a ground coat. The lowest colour layer (olive brown) constitutes the authentic finish of the window frames. Further investigation must establish whether this is a paint coat or a stain coat.

The gable tops are crowned by iron ornamental vases with weathervanes. The vanes are filled with discs which were originally probably gilded. Possibly several components were gilded.

Interior. The structure and layout of the property are virtually intact. This also applies to the staircase. The original wainscoting, the stucco ceilings (partly with painted decoration), the chimney surrounds, the internal and external doors (including the frames and trim pieces), the windows and shutters are almost all preserved. The vast majority of these components date from the time of construction (1883). The modifications of 1911 are of a limited nature. Particularly notable is that many of these components still retain their original colour scheme, including stucco ceilings on the ground floor, wainscoting, doors and shutters.

1. Ground floor; 1.1. right front room. This room has an almost square ground plan (approx. 4 x 4.4 metres). The walls are provided with a plinth, wainscoting and wall covering with wallpaper. The wallpaper is of relatively recent date. The colour scheme of all woodwork has been renewed.

The wainscoting consists of profiled stiles and rails, within which bosses panels. The concluding moulding of the wainscoting forms one unit with the window sills. The trim pieces of the windows connect to the moulding of the wainscoting/sills. Each window is closable by two internal shutters, which can be slid away behind the wall covering. In the rails of these shutters are retractable brass handles. The shutters have brass handles. In the closed state the shutters can be locked by a plate with two pegs engaging in slack holes. Both the fanlight and sash window are openable for each window. The fanlight is operated by means of a rope with wooden handles led over a pulley at the head sill. The sash window is connected via ropes to counterweights in the frame stiles. The pulleys are of boxwood.

The ceiling consists of a quarter-round cove moulding and flat stucco ceiling. The cove is bounded by two heavy profiled (plaster) mouldings. The stucco ceiling is divided by relatively simple profiled mouldings into a large central circle and four corner pieces. This moulding work is painted brown. All stuccowork is decorated with ornaments. The contours of the ornaments were applied using stencils; the ornaments were then painted freehand. Pencil lines are still visible here and there at the edges of the ornaments. In the corners small flower bouquets have been painted freehand, presumably after a template. Thick oil paint was used here.

The cove is decorated with repeating ornaments, alternated by U-shaped and rectangular fields. For both the background and the ornamentation two shades of (muted) green have been chosen; for the outline and some ornaments light brown and for the fields blue-green was used.

In the centre of the round central field is a round plaster ornament applied, painted in pastel colours. Along the edge of the circle moulding is a border of four connected volute ornaments, intersected by and supplemented with stylised leaf ornaments.

The four corner segments are symmetrically filled with interlocked volutes, passing into and terminating in stylised foliage with buds. Over this base ornamentation several branches with stylised leaves and buds have been painted. The core of the ornamentation in each corner segment consists of a cartouche, on which flowers and flowering branches are painted in natural colours. Recognisable among others are violets, primroses and two types of shrub blossom (possibly including jasmine).

The background is painted light beige, in the central field in two shades. For the ornaments somewhat muted brownish colours are used which are difficult to describe. For some ornaments yellow, grey and/or green has been added. The ornaments show shadow effects through tone differences. Colours also sometimes blend within an ornament.

1.2. Salon 1 (rose room). This room has an almost square ground plan (approx. 5 x 7 metres). The walls are provided with a plinth, wainscoting and wall covering with wallpaper. The wallpaper is of relatively recent date (approx. 1960). The wainscoting consists of profiled stiles and rails, within which bosses panels. The concluding moulding of the wainscoting forms one unit with the window sill (a transom window with side lights). The trim pieces of the window connect to the moulding of the wainscoting/sill. The profiling of the trim pieces of the internal doors and veranda doors is the same as that of the window. The window and the veranda doors are each closable by two internal shutters, which can be slid away behind the wall covering. In the rails of the shutters are retractable brass handles. The shutters have brass handles. In the closed state the shutters can be locked by a plate with two pegs engaging in slack holes.

The colour scheme of the wainscoting and shutters is original; beige, green-beige for the mouldings (around the panels) and reddish-beige for the bosses. The corridor door also has this colour scheme. The trim pieces may also have been painted in these colours (see: Salon 2). The reddish-beige on the bosses of the plinth has recently been overpainted in a light purple colour, whilst the edges of the mirror surfaces of the panels are provided with gold-coloured outlining.

The ceiling consists of a quarter-round stuccoed cove moulding and a flat stucco ceiling. The cove is bounded by two heavy profiled (plaster) mouldings. The stucco ceiling is divided by relatively simple profiled mouldings into a large central circle and four corner sections. The mouldings are painted beige. The stuccowork is decorated with ornaments. The contours of most ornaments were applied using stencils; the ornaments were then painted freehand. Pencil lines are still visible here and there at the edges of the ornaments. The flower garlands, festoons and foliage scrolls (in the cove) have been painted freehand in thick oil paint. Presumably a template was used when painting the flowers.

The cove is painted with diagonally placed lattice work. In the corners are found pointed-oval cartouches with an orange field. Behind these cartouches long foliage scrolls originate, which have natural colours.

The ceiling is divided by mouldings into a large central circle and four corner segments. The edge of the central circle is marked with a continuous ornamentation of meandering leaf scrolls with stylised flowers and buds, in which blue ribbons and gold-coloured incense burners are alternately included. The feet of the incense burners are covered by painted leaf festoons with various types of roses. Several loose foliage scrolls are also recognisable in natural colours. These ornamentations are bounded towards the centre by a line consisting of connected braces and arch segments. The four corner segments of the ceiling are painted with purplish sinuous scrolls with stylised leaves, flowers and buds. In the corners these ornaments are "bound together" by blue ribbons. Over these ornaments foliage scrolls have been painted freehand, in which various types of roses are incorporated. The corner segments are framed by a line ornamentation consisting of connected arch segments and straight lines.

The base colour of the stuccowork on both the cove and ceiling is light beige. The ornaments are brownish beige (on the cove) and purplish-greyish beige (on the ceiling). Some floral motifs are painted in natural colours.

Against the corridor wall is a flue with a white marble chimney surround, which dates from the time of construction of the villa (1883). The surround is decorated with diagonal volutes, two floral motifs and a palmette motif in the moulding. The shelf is profiled.

1.3. Salon 2 (the brown room). This salon has a rectangular ground plan (approx. 5 x 8 metres). It is connected via a double sliding door to the rose salon (Salon 1).

The wall finish with a plinth, wainscoting and wallpaper on wall covering is the same in structure and arrangement as the two rooms described previously. The connections of the trim pieces of the windows (two sash windows, one transom window with side lights) and doors (one veranda door and one corridor door) are also the same. Nearly all woodwork has been overpainted in a blue-grey colour. The sliding shutters retain their original colour scheme: beige, green-beige and reddish-beige. Investigation showed that the trim pieces of the windows possessed a similar colour scheme. The access door to the hall was originally painted in various shades of brown.

The ceiling consists of a quarter-round stuccoed cove moulding and a flat stucco ceiling. The cove is bounded by two heavy profiled (plaster) mouldings. The central field is divided by relatively simple profiled mouldings into a large central circle and four corner sections. The moulding work is painted brown. The stuccowork is decorated with ornaments. The contours of the ornaments were applied using stencils; the ornaments were then painted freehand. Also the cornucopiae were drawn up using stencils, given the strict symmetry and identical filling with fruit. The festoons with fruit in the cove have been painted freehand, possibly after a template. Presumably around 1970 the undecorated fields were overpainted in cream-white. The background between the decorations was not overpainted, whereby the ornaments have a relatively dark background.

The cove is filled with elongated ornamental fields and central cartouches. From the corners and beside the cartouches "spring" stylised foliage branches. The colour scheme varies from brownish-green to green, in various shades and gradations.

Festoons are painted freehand in the cartouches, with respectively cherries, peaches, apples and citrus fruits (lemons and oranges). Natural colours were used for this.

In the centre of the central circle is an eight-part cartouche, surrounded by stylised leaf ornaments and leaf garlands with buds. The core of the cartouche is formed by an incised circle ornamentation and an eight-sided scalloped leaf ring.

The circle moulding is marked with a linear ornamentation, in which eight leaf ornaments are incorporated. The original brownish-beige field between this linear ornamentation and the central ornament has been overpainted in a cream-white colour.

Each of the four corner segments are symmetrically arranged: they possess a painted border moulding, which in the corner is provided with semicircular indentations and protrusions. The indentations and protrusions are accompanied by stylised foliage scrolls. The corner is traversed by an ornamental vase and two cornucopiae, filled with fruit. The framed fields in the corner segments have been overpainted in cream-white.

The original colour of the background is brownish-beige, while the ornaments are executed in various shades and varieties of brown (from purplish brown to greyish brown).

Against the rear wall of this salon (south-west facade) is a flue with a simple black marble chimney surround, which dates from the time of construction (1883). The surround is decorated with two fluted pilasters with base and capital. The cornice is articulated by corner elements (a continuation of the pilasters) and a centre piece with a cartouche. Behind the cartouche are two foliage scrolls and loose strike-ends.

1.4. Hall. The hall consists of two parts; the entrance hall and the central hall, the central point of the house. The central hall is made independent through the use of round-arched passages to the adjacent spaces.

Entrance hall: The floor is laid with white marble plates with grey veining. The plinth consists of the same marble. The rendered walls are divided by painted lines and bands into wainscoting and fields. The colour scheme is green-beige, dark and light beige. The outline is greyish brown. Ornaments are painted in the corners of the bands in graduating brown tones. The ceiling consists of a quarter-round cove and a central field divided into five. Half of the ceiling has collapsed due to water damage. The cove is decorated with repeating floral ornaments in a type of arch frieze. The dotted stencil markings are still clearly visible.

The stucco ceiling is divided by simple profiled mouldings into a rectangular central field and four L-shaped corner fields. The central field is decorated with volutes, parts of which extend into leaf meanders. The rectangular light blue painted centre frame is connected by bands to the mouldings. The L-shaped corner fields are filled with meandering leaf mouldings and oval corner medallions.

The principal colours are green-beige, beige and brownish-beige, in various varieties and shades. Some colours blend.

Central hall: The floor is laid with white marble plates with grey veining. The plinth consists of the same marble. The rendered walls are divided by painted lines and bands into fields. The colours used are green-beige, dark and light beige. The outline is greyish brown. Ornaments in graduating brown tones are painted in the corners of the bands, partly with an outline and partly without. The ceiling consists of a quarter-round stuccoed cove and a flat stucco ceiling. The cove is decorated with a type of arch frieze with repeating floral ornaments. The dotted stencil markings are still clearly visible.

The beige painted stucco ceiling has a (plaster) central ornament, painted in pastel colours. Along the edges a darker line is applied, with floral ornaments in the corners.

1.5 Right back room. This modest room has a black marble chimney surround, which is relatively simply decorated.

1.6 Kitchen. The kitchen is a rectangular space (approx. 4.4 x 5.5 metres). The floor is laid with white marble plates with light grey veining. The plinth and the reveals of the doors are also of marble. The lower part of the walls is tiled with square white tiles. The tile wall is finished with a border of narrow tiles with purple decoration. The fireplace opening (cooking niche) is also entirely clad with white tiles. As decoration a strip of narrow black tiles with orange pearls has been included (approx. 1925).

The kitchen window (a two-light sash window) can be closed on the inside with two two-part wooden swing shutters. The shutters can be locked with iron bands. The frame and shutters are of wood.

Also the internal doors and their frames are of wood.

The work surface consists of a monolithic granite top, in which the sink is also incorporated. This plate is provided with an upstand on the rear. The connection of this stand to the window sill suggests that the work surface is not original (refurbished in 1911 or 1925?).

Beneath the work surface are small wooden kitchen cupboards. The large symmetrical crockery cupboard with partly glazed doors stands loose on the tile floor. Around 1925 the space between the cupboard and the fireplace opening was closed off with a cupboard. These cupboards are of wood like the kitchen cupboards.

Staircase. The staircase has a richly decorated stairwell newel, among other things provided with a pearl edging, fluting and a ball vase. The balusters of the rail are of cast iron. All woodwork of the staircase is of wood. The staircase is lit by decorative glazed windows, which were installed during the 1911 refurbishment. The colour of the decorative glazing ranges from deep yellow to yellowish-white. At both the lower and upper ends are round and diamond-shaped red glass panes. The frame is of wood. Along the stair edge is a wooden moulding painted as white marble with grey veining. The rendered walls are divided into sections by painted bands (green-beige and beige), which are finished with brown lines. The corners of the beige bands are decorated with stylised Renaissance motifs, both without and with outlining. The colours of these motifs range from dark brown to light brown.

2. First floor

2.1 Hall. The wooden plinths are painted as white marble with grey veining. The rendered walls are divided into fields by bands painted in brown and green-beige. The fields and ceiling are painted beige: the ornamentation of the ceilings consists of lines with floral ornaments in the corners. The entrance to the large salon on the first floor is flanked by two cupboards, which are formed in the hall by two pilasters and a cornice.

2.2 Study. The study has a simple black marble chimney surround. The cupboard doors still retain their authentic colour scheme (reddish-beige, green-beige and beige).

The current wallpaper (red velvet) possibly replaces a similar authentic wallpaper.

3. Attic 3.1 attic room. The rear part of the attic dates from 1911 and was realised according to the design of J. van den Ban. The large attic room has a flat stucco ceiling with stylised Art Nouveau ornamentation.

Valuation

The villa with interior (components) and associated boundary fence and entrance gate is of architectural historical significance:

- as an early and representative example of the picturesque-rustic villa type from the end of the 19th century;

- due to the integrity of the main form, detailing, interior components and the materials used;

- as the first property built in the oldest villa park of South Kennemerland, Het Bloemendaalsche Park, a villa park moreover whose structure and layout are still intact;

- due to the preservation of structural and functional coherence between main house and service/outbuilding - in this case through the presence of the former billiard room (Parkweg 18a) -;

- due to its characterising situation at the corner of the Parkweg and Bloemendaalseweg near one of the entrances to the villa park.

The villa is of cultural historical significance as an element from the history of living in North Holland, in particular in villa parks - especially in South Kennemerland and the Gooi - which from the end of the 19th century made this possible for the well-to-do.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map