Rijksmonumentenregister · Netherlands
Historische aanleg, Hoofdweg bij 30
Slochteren, Groningen, Netherlands
The record
- Designation
- National monument (rijksmonument)
- Class
- Tuin, park en plantsoen
- Function
- Historische aanleg
- Category
- onroerend gebouwd
- Address
- Hoofdweg bij 30, 9621 AL Slochteren (Midden-Groningen 20)
- Place
- Slochteren
- Municipality
- Midden-Groningen
- Province
- Groningen
- Country
- Netherlands
- Coordinates
- 53.21538, 6.81022
- Part of complex
- 46895
- Monument number
- 46897
Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.
David Rumsey Map Collection, Stanford LibrariesUniversity Library, Vrije Universiteit AmsterdamDavid Rumsey Map Collection, Stanford LibrariesUniversity Library, Vrije Universiteit Amsterdam
4 historical maps cover this location, the earliest the 1637 map "The Lordship of Groninga. Groeninga Domini" (David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries).
This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗
The register's description
Omschrijving
PARKAANLEG. Zeer langgerekt park van aanzienlijke afmetingen, waarvan de rechthoekige gedaante is bepaald door de kavelvorm van de omringende landerijen en de compositie is voortgesproten uit de omwerking en uitbreiding in landschapsstijl van een laat-barokke aanleg, welker twee kenmerkende elementen, n.l. de centrale gezichtsas en de overwegende plaats die door bos wordt ingenomen, zijn gehandhaafd.
Genoemde laat-barokke aanleg is waarschijnlijk in het laatste decennium van de 17e eeuw bij de in de kern 16e-eeuwse borg tot stand gekomen en in de 18e eeuw op enkele punten gemoderniseerd. Nadat reeds voor 1781 enkele ondergeschikte partijen in vroege landschapsstijl waren aangebracht is de meer algemene omwerking en vergroting van het park in deze stijl in verschillende etappes in de eerste helft van de 19e eeuw uitgevoerd, waarbij waarschijnlijk onder meer medewerking is verleend door de tuinarchitect L.P. Roodbaard. In de jongste tijd is een aanzet gemaakt tot het terugbrengen in formele trant van het gedeelte direct achter de slotgracht. Deze wijzigingen zijn tot de ruimtelijke vormgeving en het padenbeloop beperkt gebleven.
Het zich in oost-westelijke richting uitstrekkende terrein bestaat uit het hoofdpark om en achter de borg en het ten westen hiervan liggende overbos. Deze delen worden gescheiden door de haaks op deze as staande Hoofdweg en de daaraan gelegen dorpshuizen met hun erven en door later aangelegde havenbekkens en een snelverkeersweg. Het tussen de huizen 17 en 19 liggende begin van de Boslaan in de as van het park houdt de visuele band tussen de twee parkdelen in stand.
HOOFDPARK en overbos vertonen de volgende indeling:
a. Tussen de Hoofdweg en de buitengracht die de kern van het park omgeeft liggen, in hun oorspronkelijke rechtlijnige patroon gerangschikt en daarbij een zekere regelmaat en evenwicht, maar geen absolute symmetrie vertonend, de oprijlaan en ter weerszijden daarvan, door grachten van elkaar gescheiden, voormalige moestuinen en produktiebosjes.
b. Binnen de buitengracht liggen het door de schathuizen en hun erven geflankeerde voorplein, de borg in haar omgrachting, ter weerszijden waarvan terreinen zijn gelegen die weinig elementen van oude aanleg hebben behouden, en ten oosten daarvan de binnen de buitengracht gevatte, vermoedelijk oudste kern van het "bos", voorzien van open plekken, vijvers en de centrale gezichtslaan in de as en van een patroon van slingerpaden ter weerszijden daarvan.
c. Achter het omgrachte deel van het bos strekt zich het bredere deel van het bos uit, dat in een aanleg van dramatischer karakter o.a. een hoge heuvel, een grote waterpartij en een open terrein bevat, waarin het achterste deel van de centrale gezichtslaan uitmondt.
d. Tussen de buitengracht en de provinciale weg naar Noordbroek ligt een strook weilanden, de Venne genaamd.
e. Tot het park wordt ook het vroeger bij de Fraeylemaborg behorende gedeelte van bovengenoemde weg naar Noordbroek met haar laanbeplanting gerekend.
f. Het overbos, dat van zuiver agrarisch karakter is en enkele boerderijen binnen zijn grenzen bevat, bestaat uit de door bosstroken geflankeerde gezichtslaan in de as, de Boslaan genaamd, en door houtwallen en bosstroken omgeven weilanden te weerszijden daarvan.
Het PARK bevat de volgende elementen van historische aanleg, in het overbos zoveel mogelijk opgesomd van oost naar west en in het hoofdpark van west naar oost.
In het overbos:
I. ----- De langgerekte rechthoekige open ruimten, aangelegd als weiland, gelegen ter weerszijden van de onder II. te noemen bosstroken en grotendeels omgeven door de onder III. te noemen houtwallen, lanen en bosstroken. De zuidelijke strook weiden wordt door de onder IV. te noemen laan en bosstrook doorsneden. De sloten die de weilanden van de onder II. te noemen bosstroken scheiden zijn om praktische redenen aangelegd en spelen geen rol in de compositie.
II. ---- De over de volle lengte van het overbos naar de Groenedijk lopende gezichtslaan (de Boslaan) in de as van de borg, die wordt begeleid door smalle stroken bos waarvan de bomen in aanleg in driehoeksverband zijn geplaatst. De noordelijke strook ontbreekt ter plaatse van de boerderij Boslaan 1; ter hoogte van een ten zuiden van het overbos gelegen boerderij zijn de bosstroken onderbroken teneinde een doorkijk in de as van genoemde boerderij vrij te laten.
III. --- De houtwallen, lanen en bosstroken die de onder I. genoemde open ruimten afsluiten, te weten:
a. Een laan langs de oostzijde van de noordelijke weidestrook, waarschijnlijk in oorsprong aangelegd met een beplanting van vier op gelijke afstanden in vierkantsverband geplaatste zomereiken (Quercus robur), waarvan sinds de aanleg van het aangrenzende havenbekken een rij is verdwenen.
b. Een langs het Slochterdiep gelegen houtwal, die de noordelijke weidestrook aan de noordzijde afsluit. Deze houtwal is ter hoogte van de onder II. genoemde doorkijk onderbroken.
c. Het overgebleven drie/vierde deel van de houtwal langs de zuidzijde van de zuidelijke weidestrook. Deze houtwal is ter hoogte van de onder II. genoemde doorkijk onderbroken (N.B. In aanleg strekte de houtwal zich over de volle lengte van het overbos uit).
d. Het overgebleven twee/derde deel van de bosstrook die op enige afstand van - en parallel met - de sloot langs de Groenedijk is gelegen, welke sloot het overbos in het westen begrensd (N.B. In aanleg strekte deze bosstrook zich over de volle breedte van het overbos uit).
IV. ---- De zuidelijke weidenstrook wordt in dwarsrichting doorsneden door:
a. In het oosten: een laan, aangelegd met twee in vierkantsverband geplaatste rijen beuken (Fagus sylvatica).
b. Aan het huidige einde van de onder III. sub c. genoemde houtwal: een bosstrook, aangelegd met vier rijen beuken (Fagus sylvatica) in driehoeksverband.
Tussen het overbos en het hoofdpark:
V. ----- Het thans geïsoleerde en doodlopende begin van de Boslaan, gelegen tussen de huizen en erven van Hoofdweg 17 en 19, in aanleg beplant met twee rijen bomen in vierkantsverband. Deze beplanting ontbreekt langs de flank van het huis Hoofdweg 19.
In het hoofdpark:
VI. ---- De smalle strook grond tussen de Hoofdweg en de buitenste der onder VII. te noemen waterlopen is in aanleg beplant met een rij zomereiken (Quercus robur).
VII. --- De grachten die de onder IX. tot en met XIII. te vermelden terreinen tussen de Hoofdweg en de buitengracht omsluiten, zoals aangegeven op de aanleg- en structuurkaart. Zij behoren tot het patroon van de laat-17e-eeuwse formele aanleg.
VIII. -- De dam in de gracht langs de Hoofdweg, waarop het houten ingangshek.
IX. ---- De oprijlaan in de as van de borg, gelegen tussen de dam met het ingangshek en de brug over de buitengracht. De oprijlaan is aangelegd als een brede open middenstrook, bestaande uit een rijweg geflankeerd door grasvelden, en ter weerszijden een laanbeplanting, waarvan de oorspronkelijke aanleg in drie rijen bomen bij de aanleg in de 19e eeuw, van twee van de rijweg aftakkende zijpaden tot twee rijen bomen is gereduceerd, behalve over een lengte van twee boomafstanden aan het westelijke uiteinde. Deze beplanting bestond in aanleg waarschijnlijk wat de buitenste rijen betreft geheel uit zomereiken (Quercus robur) en wat de binnenste rijen betreft geheel uit Hollandse linden (Tilia x vulgaris) (N.B. In de zuidelijke binnenste rij zijn een aantal als tijdelijke beplanting bedoelde beuken (Fagus sylvatica) blijven staan. Aan de westelijke kopeinden staan thans enkele paardenkastanjes (Aescules hippocastanum). De oprijlaan behoort tot het patroon van de laat-17e-eeuwse formele aanleg.
X. ----- Twee omgrachte voormalige moestuinen die als elkaars pendant de westelijke helft van de oprijlaan flankeren. Hiervan is de noordelijke door de ligging van particuliere erven op de hoek van de Hoofdweg en de weg naar Noordbroek tot een smalle terreinstrook beperkt. Van de oorspronkelijke aanleg van deze terreinen rest slechts de beplanting met een beukenhaag (Fagus sylvatica) langs de rand van de zuidelijke tuin.
XI. ---- Twee rechthoekige, aan drie zijden omgrachte bosjes, die als elkaars pendant de oostelijke helft van de oprijlaan flankeren. Hiervan is het zuidelijke tussen 1870 en omstreeks 1900 versmald ten gunste van een uitbreiding van het erf van het zuidelijke schathuis, waarvan het toen door een verlegd gedeelte van de onder XIII. te noemen buitengracht is gescheiden. Genoemde bosjes worden aan de zijde van de buitengracht geflankeerd door lanen die in aanleg zijn beplant met zomereiken (Quercus robur).
XII. --- De tot de onder XXII. te noemen weidestrook "de Venne" toegang gevende Koelaan, bestaande uit een evenwijdig met de oprijlaan lopend, oorspronkelijk tussen de erven van de huizen Hoofdweg 22 en 24/26 door naar de Hoofdweg leidend gedeelte en een haaks hierop naar de weg naar Noordbroek leidend stuk, welk laatste na 1870 is aangelegd, toen het deel langs genoemde erven (kadastraal perceel 418) is opgeheven. De Koelaan is in aanleg voorzien van een beplanting met zomereiken (Quercus robur).
XIII. -- De buitengracht om de kern van het park, oorspronkelijk volgens de laat-17e-eeuwse aanleg een rechthoek, maar tussen 1870 en omstreeks 1900, ter vergroting van de parkkern met een reeds eerder aan de Fraeylemaborg toegevoegde, eveneens omgrachte strook grond, ter lengte van deze laatste gedempt en anderzijds om het zuidelijke van de onder IX. genoemde bosjes doorgetrokken, het een en ander zoals de aanleg- en structuurkaart aangeeft. De uitstulping van de gracht ten noorden van de borg gaat ook terug op de laat-17e-eeuwse aanleg. Bij de buitengracht dient sinds de veranderingen van na 1870 de gracht om de bovengenoemde uitbreiding van de parkkern te worden gerekend. Over de buitengracht ligt, als verbinding tussen de oprijlaan en het voorplein, een houten brug met gietijzeren leuningen.
XIV. --- Tussen de buitengracht en de onder XV. te noemen binnen- of slotgracht ligt het ongeveer vierkante, door de twee schathuizen geflankeerde voorplein, waarover de toegangsweg zich om een middenperk in tweeën splitst. Aan de zijde van de onder XIII. vermelde brug zijn twee tuinvazen op sokkels opgesteld. Schuin achter het zuidelijke schathuis een vrijstaande kas op rechthoekige grondslag, opgebouwd uit een groter bouwdeel onder driezijdig schilddak en een kleiner bouwdeel onder zadeldak. Het grote bouwdeel is vermoedelijk kort voor omstreeks het midden van de 19e eeuw gebouwd. Het aan de achterzijde hiervan geplaatste kleinere bouwdeel waarschijnlijk slechts kort hierna. De kas rust op een onderbouw van rode baksteen met daarop staand glas, opgebouwd uit kasramen. In die zin de enige in Nederland bewaarde kas die nog behoort tot de 17e en 18e eeuwse traditie van kassenbouw met opbouw door middel van kasramen. In het uit twee compartimenten bestaande grote bouwdeel in het zuidwestelijke compartiment langs de zijkanten de oorspronkelijke rabatten met kribbe in het midden. In het kleine bouwdeel eveneens de oorspronkelijke rabatten met kribbe in het midden. Pal achter het zuidelijke schathuis een in rode baksteen opgetrokken koude bak op langwerpig rechthoekige grondslag. De bak dateert uit de eerste helft van de 19e eeuw.
XV. ---- De slotgracht om de borg, waarvan de cirkelvormig begrensde uitstulping aan de oostzijde uit de laat-17e-eeuwse aanlegfase dateert en de contouren bij de verandering in landschapsstijl zijn verzacht.
XVI. --- Over de slotgracht ligt, als verbinding tussen het voorplein en de onder XVII. te noemen voorhof van de borg, een houten brug met opklapbaar middenstuk, voorzien van smeedijzeren leuningen, die ter lengte van het opklapbare brugdeel onderbroken en verbonden zijn door kettingen.
XVII. - De voor de borg liggende voorhof, tesamen met de borg een eiland vormend in de slotgracht. De voorhof heeft afgeschuinde hoeken (ontstaan na afbraak in 1781 van de tevoren hier staande hoektorentjes) en is aan de grachtzijden voorzien van bakstenen walmuren, op de hoeken bekroond door vier twee-aan-twee staande siervazen in boerse Lodewijk XIV-vormen, hier opgesteld tussen 1781 en 1839. Aan de zijde van de brug staan, op niet bijpassende, secundair toegepaste 19e-eeuwse sokkels, beelden van Herakles en Athene (laat-16e- of begin-17e-eeuws), afkomstig van het tevoren hier staande poortgebouw en op hun huidige plaats opgesteld na 1839. De aanleg van het voorplein is waarschijnlijk eveneens in de 19e eeuw gecompleteerd met een beplanting van zes Hollandse leilinden (Tilia x vulgaris), drie aan drie geplaatst voor de gevels van de borg.
XVIII. - Ten zuiden van de slotgracht overblijfselen van een aanleg in landschapsstijl die eerst na de verlegging van de buitengracht (tussen 1870 en omstreeks 1900) haar definitieve vorm heeft gekregen. Tot deze aanleg behoren een kleine vijver van gebogen contour en een houten, van een strodak voorzien prieel (voor 1856, luifel 2e helft 19e eeuw).
XIX. --- Ten noorden van de slotgracht, als overblijfsel van de laat-17e-eeuwse aanleg, een beplanting van Hollandse linden (Tilia x vulgaris) in een rij langs de oever en op de noord-oostelijke hoek hiervan.
XX. ---- Als pendant van elkaar, tegenover de noord-oostelijke en zuidoostelijke hoeken van de slotgracht, zijn voor 1856 twee gebeeldhouwde sokkels opgesteld waarop door niet bijpassende deksels bekroonde terracotta urnen.
XXI. --- Ten oosten van de slotgracht is het gedeelte van het park binnen de buitengracht aangelegd met een bos, waarin, gesitueerd op of om de laat-17e-eeuwse as:
a. Een open ruimte, bij de grote verandering inlandschapsstijl aangelegd tussen de slotgracht en de sub c te noemen vijver, wat betreft hun eerste (westelijke) gedeelte ter plaatse van een tuin en wat betreft het tweede gedeelte in de plaats van een deel van de gezichtslaan. Deze ruimte wordt doorsneden door de sub b te noemen vijver en wordt in aanleg omgrensd door bosranden met golvende contour, waarin of waartegen ter verkrijging van kleuraccenten solitairen zijn geplant, waaronder de soorten: zwarte noot (Juglans nigra), iep (genus Ulmus), beuk (Fagus sylvatica), bruine beuk (Fagus sylvatica "Atropunicea"), paardenkastanje (Aesculus hippocastanum) en moerascypres (Taxodium distichum); naast de laatstgenoemde ligt een klein vijvertje. Aan de noordelijke rand van het achterste (oostelijke) gedeelte van de open ruimte is een grote gebeeldhouwde Lodewijk XIV-vaas op dito sokkel opgesteld, die oorspronkelijk met de onder XXVI sub f te noemen vaas een paar heeft gevormd (N.B. Medio 1982 was de omgrenzing van deze open ruimte door opslag verdoezeld, of, wat betreft het gedeelte ten westen van de sub b te noemen vijver, rechtgetrokken).
b. Een dwars gerichte vijver, in de vormen van de landschapsstijl vergraven uit de in de 18e eeuw gemoderniseerde vijver die in de laat-17e-eeuwse aanleg het voorste deel van het park afsloot van het achterliggende bos.
c. Een ronde vijver, onveranderd uit de laat-17e-eeuwse aanleg overgenomen. Deze vijver scheidt de sub a genoemde open ruimte van de sub d te vermelden gezichtslaan. Rondom deze vijver vertoont de aanleg een beplanting met solitairen, onder de soorten waarvan naast de beuken (Fagus sylvatica) vooral paardenkastanjes (Aesculus hippocastanum) en een bruine beuk (Fagus sylvatica "Atropunicea") opvallen. Op de zuidelijke oever is bij de verandering in landschapsstijl een 17e-eeuws "Pomona" beeld op een niet bijpassende Lodewijk XIV-sokkel opgesteld.
d. Het achter de bovengenoemde ronde vijver liggende deel van de uit de laat-17e-eeuwse aanleg samengestelde gezichtslaan. Die is in aanleg beplant met zomereiken (Quercus robur) (N.B. Medio 1982 waren van deze laanbeplanting slechts fragmenten over); in de aanleg in landschapsstijl heeft de laan de functie gekregen van open ruimte, die niet door een pad begeleid, maar slechts door paden gekruist wordt.
e. Ten noorden van de as een kleine, in oorsprong klaverbladvormige vijver, waarvan de omtrek bij de verandering in landschapsstijl is verzacht.
f. Tegenover de bovengenoemde vijver ligt ten zuiden van de as een vijver in landschapsstijl waarin een eiland.
g. Een stelsel van slingerpaden, waarvan een de sub b genoemde vijver via een brug kruist (N.B. Thans zijn de paden, die in aanleg het voorste deel van de sub a genoemde open ruimte begeleiden, verlegd overeenkomstig het rechttrekken van de omgevende bosranden).
XXII. -- Ten noorden van het centrale parkdeel een weidestrook, de Venne genaamd, gelegen tussen de buitenplaats en de onder XXIII. te noemen Noordbroeksterweg. Deze weiden bevatten om waterstaatkundige redenen aangebrachte kavelsloten en in de zijas van de borg, een ovaal vijvertje met eiland.
XXIII. - Het deel van de Noordbroeksterweg ter lengte van het park is ter hoogte van het achterpark bij de aanleg van de heuvel- en vijverpartij in aansluiting hierop volgens een slingerend tracé herlegd. De Noordbroeksterweg is ter lengte van het park aangelegd met een enkelvoudige laanbeplanting (N.B. Thans is een groot deel van deze beplanting, vooral langs het rechte stuk van de weg, niet aanwezig).
XXIV. -- De gracht om het oudste deel van het achterpark, aan de noordzijde langs de Noordbroeksterweg gelegen en van daar langs de onder XVII. genoemde Venne afbuigend naar der onder XIII. genoemde buitengracht om de kern van het park, waarbij het onder XXVI. sub i te noemen, van de laat-17e-eeuwse aanleg overgebleven deel van een diagonale gezichtslaan wordt omvat. Aan de zuidzijde vertoont de gracht een na 1832 aangebrachte uitbuiging, ter weerszijden waarvan het terrein kunstmatige verhogingen vertoont; de gracht loopt parallel aan - en op korte afstand van - de onder XIII. genoemde buitengracht naar het westen door, tot zij in het naar het zuiden afbuigende deel van genoemde buitengracht uitmondt.
XXV. --- De gracht om het na 1832 aan het achterpark toegevoegde terrein; deze gracht takt af van en mondt uit in de onder XXIV. genoemde gracht.
XXVI. -- Het achterpark is, in aansluiting op de onder XXI. genoemde kern van het park, aangelegd met een bos, waarin zich de volgende elementen van aanleg bevinden:
a. Een in het oostelijke deel van dit parkgedeelte centraal gelegen open ruimte, in overeenstemming met de landschapsstijl asymmetrisch aangelegd met begrenzingen van golvend tracé, die grotendeels door bosranden en ten dele door de sub c te noemen waterpartij wordt gevormd. In deze ruimte loopt de sub b te noemen gezichtslaan een eindweegs door alvorens te eindigen; in haar as is in de oostelijke bosrand een doorkijk uitgespaard. In aanleg is de ruimte gestoffeerd met enige solitairen van verschillende soorten: zomereik (Quercus robur), beuk (Fagus sylvatica) en paardenkastanje (Aesculus hippocastanum) (N.B. Thans is het noordelijk deel van de open ruimte met opslag dichtgegroeid en waren ook de overige begrenzingen door opslag verdoezeld).
b. het verlengde van de onder XXI. sub d genoemde, uit de laat-17e-eeuwse aanleg stammende gezichtslaan. Het eerste gedeelte hiervan ligt in het bos en wordt halverwege onderbroken door de sub c te noemen waterpartij; het tweede gedeelte staat vrij in de sub a genoemde ruimte en loopt daarin teniet. De laan is sinds de totstandkoming van de aanleg in landschapsstijl vermoedelijk beplant met beuken (Fagus sylvatica). (N.B. Thans zijn grote delen van deze laanbeplanting niet aanwezig).
c. Een langgerekte waterpartij waarvan de kop (vermoedelijk in oorsprong een tot de laat-17e-eeuwse aanleg behorende ronde vijver) in de as van het park ligt en het verdere, kronkelende tracé zich in de noordelijke parkhelft uitstrekt en in het oosten verbinding heeft met de omgrachting. Van deze waterpartij takt een kleine zijarm af; op de plaats van de splitsing is een zgn. driepuntsbrug over het water geslagen.
d. Kunstmatige terreinverhogingen, aangebracht rondom het westelijke deel en langs de noordelijke flank van bovengenoemde waterpartij; dit laatste deel van de verhogingen heeft de vorm van een heuvelrug, die wordt doorsneden door een dal waarover een brug is geslagen. De eerstgenoemde verhogingen en de flank van de heuvelrug aan de zijde van het water hebben in aanleg een tamelijk open structuur, gestoffeerd met solitairen van verschillende soorten waaronder zomereiken (Quercus robur), beuken (Fagus sylvatica), bruine beuken (Fagus sylvatica "Antropunicea"), platanen (Platanus x acerifolia) (N.B. Thans zijn deze terreinen sterk dichtgegroeid).
e. Een zandstenen beeld van de godin Flora (18e eeuw), op een niet-bijpassende sokkel opgesteld in de as van de sub a genoemde open ruimte (N.B. De plaats van opstelling is niet de oorspronkelijk in de aanleg in landschapsstijl ingenomen plaats).
f. Een grote zandstenen vaas met gebuikte sokkel (Lodewijk XIV), opgesteld in het bos bij het uiteinde van de sub c genoemde waterpartij. Deze vaas heeft oorspronkelijk met de onder XXI. sub a genoemde vaas een paar gevormd.
g. Een grote, rijk bewerkte zandstenen vaas met sokkel (Lodewijk XIV), opgesteld in de zuidoostelijke hoek van het oudere deel van het achterpark.
h. Een stelsel van slingerpaden waarvan een over de kruin van de sub d genoemde heuvelrug en de bijbehorende brug loopt en een en ander onder dezelfde brug door is geleid. In het na 1832 toegevoegde deel van het achterpark is een pad langs de rand van het terrein over een verhoging geleid, vanaf welke een uitzicht over de landerijen op de kerktoren van Slochteren bestaat.
i. In de noordwestelijke hoek van het achterpark liggen, als restanten van de laat-17e-eeuwse formele aanleg, een voor de helft nog van de in aanleg bedoelde beplanting met zomereiken (Quercus robur) voorzien fragment van de vroegere noordelijke diagonale gezichtslaan en een fragment van een met een soortgelijke beplanting aangelegde laan die de eerder genoemde laan kruist.
English translation
The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com
Description
PARK LAYOUT. An exceptionally elongated park of considerable dimensions, whose rectangular form is determined by the plot shape of the surrounding lands and whose composition has developed from the reworking and expansion in landscape style of a late-Baroque layout, whose two characteristic elements, namely the central sight line and the dominant place occupied by woodland, have been retained.
The said late-Baroque layout probably came into being in the last decade of the 17th century at the borg, which is 16th-century in its core, and was modernised in several points in the 18th century. After some subordinate sections in early landscape style had already been introduced before 1781, the more general reworking and enlargement of the park in this style was carried out in various stages in the first half of the 19th century, probably with the collaboration of landscape architect L.P. Roodbaard among others. In recent times, an attempt has been made to return to a formal style the section directly behind the castle moat. These changes have been limited to spatial design and path layout.
The terrain extending in an east-west direction consists of the main park around and behind the borg and the woodland lying to the west of it. These parts are separated by the Hoofdweg, which stands at right angles to this axis, and the village houses situated there with their gardens, and by later constructed harbour basins and a high-speed road. The beginning of the Boslaan lying between houses 17 and 19 in the axis of the park maintains the visual connection between the two park sections.
The MAIN PARK and woodland show the following division:
a. Between the Hoofdweg and the outer moat surrounding the core of the park lie, arranged in their original rectilinear pattern and displaying a certain regularity and balance, but no absolute symmetry, the drive and on either side thereof, separated by moats, former kitchen gardens and productive woodland copses.
b. Within the outer moat lie the forecourt flanked by the treasure houses and their gardens, the borg in its moat, on either side of which lie terrains that have retained few elements of the old layout, and to the east thereof the wood within the outer moat, presumably the oldest core of the "woodland", provided with open spaces, ponds and the central sight line in the axis and a pattern of winding paths on either side thereof.
c. Behind the moated section of the woodland stretches the broader part of the woodland, which in a layout of more dramatic character contains, among other things, a high mound, a large water feature and an open area, into which the rear section of the central sight line leads.
d. Between the outer moat and the provincial road to Noordbroek lies a strip of meadows, called the Venne.
e. The park also includes the formerly Fraeylemaborg section of the aforementioned road to Noordbroek with its tree-lined avenue.
f. The woodland, which is of a purely agricultural character and contains several farmhouses within its boundaries, consists of the sight line in the axis flanked by woodland strips, called the Boslaan, and meadows on either side thereof surrounded by hedgerows and woodland strips.
The PARK contains the following elements of historical layout, in the woodland as far as possible listed from east to west and in the main park from west to east.
In the woodland:
I. ----- The elongated rectangular open spaces, laid out as meadow, lying on either side of the woodland strips mentioned under II. and largely surrounded by the hedgerows, avenues and woodland strips mentioned under III. The southern strip of meadows is intersected by the avenue and woodland strip mentioned under IV. The ditches separating the meadows from the woodland strips mentioned under II. were laid out for practical reasons and play no role in the composition.
II. ---- The sight line (the Boslaan) in the axis of the borg running the full length of the woodland towards the Groenedijk, which is accompanied by narrow strips of woodland whose trees were originally planted in triangular formation. The northern strip is absent at the level of the farm Boslaan 1; at the level of a farm south of the woodland, the woodland strips are interrupted to leave a sight line free in the axis of the said farm.
III. --- The hedgerows, avenues and woodland strips that enclose the open spaces mentioned under I., namely:
a. An avenue along the east side of the northern meadow strip, probably originally laid out with a planting of four summer oaks (Quercus robur) placed at equal distances in square formation, of which one row has disappeared since the construction of the adjacent harbour basin.
b. A hedgerow along the Slochterdiep, which encloses the northern meadow strip on the north side. This hedgerow is interrupted at the level of the sight line mentioned under II.
c. The remaining three-quarters of the hedgerow along the south side of the southern meadow strip. This hedgerow is interrupted at the level of the sight line mentioned under II. (N.B. In the original layout, the hedgerow extended the full length of the woodland).
d. The remaining two-thirds of the woodland strip which lies at some distance from - and parallel to - the ditch along the Groenedijk, which ditch bounds the woodland to the west (N.B. In the original layout, this woodland strip extended the full width of the woodland).
IV. ---- The southern meadow strip is intersected in the transverse direction by:
a. In the east: an avenue, laid out with two rows of beech (Fagus sylvatica) planted in square formation.
b. At the present end of the hedgerow mentioned under III. sub c.: a woodland strip, laid out with four rows of beech (Fagus sylvatica) in triangular formation.
Between the woodland and the main park:
V. ----- The now isolated and dead-end beginning of the Boslaan, lying between the houses and gardens of Hoofdweg 17 and 19, originally planted with two rows of trees in square formation. This planting is absent along the side of the house Hoofdweg 19.
In the main park:
VI. ---- The narrow strip of ground between the Hoofdweg and the outermost of the waterways mentioned under VII. is originally planted with a row of summer oaks (Quercus robur).
VII. --- The moats that enclose the terrains mentioned under IX. to XIII. between the Hoofdweg and the outer moat, as indicated on the layout and structure map. They form part of the pattern of the late-17th-century formal layout.
VIII. -- The dam in the ditch along the Hoofdweg, on which the wooden entrance gate.
IX. ---- The drive in the axis of the borg, lying between the dam with the entrance gate and the bridge over the outer moat. The drive is laid out as a wide open central strip, consisting of a roadway flanked by grass areas, and on either side a tree-lined avenue, the original layout of which in three rows of trees at the 19th-century reworking was reduced to two rows of trees branching off from the roadway, except over a length of two tree spacings at the western end. This planting originally consisted, as regards the outer rows, probably entirely of summer oaks (Quercus robur) and as regards the inner rows entirely of Dutch limes (Tilia x vulgaris) (N.B. In the southern inner row a number of beeches (Fagus sylvatica) intended as temporary planting have remained. At the western ends stand some horse chestnuts (Aesculus hippocastanum). The drive forms part of the pattern of the late-17th-century formal layout.
X. ----- Two moated former kitchen gardens which flank the western half of the drive as each other's counterpart. The northern of these is limited to a narrow strip of ground by the position of private gardens on the corner of the Hoofdweg and the road to Noordbroek. Of the original layout of these terrains only a planting of beech hedge (Fagus sylvatica) along the edge of the southern garden remains.
XI. ---- Two rectangular woodland copses, moated on three sides, which as each other's counterparts flank the eastern half of the drive. The southern of these was narrowed between 1870 and around 1900 to allow for an extension of the garden of the southern treasure house, from which it was then separated by a relocated section of the outer moat mentioned under XIII. The said copses are flanked on the side of the outer moat by avenues which were originally planted with summer oaks (Quercus robur).
XII. --- The Koelaan, providing access to the meadow strip "de Venne" mentioned under XXII., consisting of a section originally running parallel to the drive, originally leading between the gardens of houses Hovedweg 22 and 24/26 towards the Hovedweg, and a section at right angles to this leading to the road to Noordbroek, the latter laid out after 1870, when the section along the said gardens (cadastral plot 418) was abandoned. The Koelaan is originally provided with a planting of summer oaks (Quercus robur).
XIII. -- The outer moat around the core of the park, originally according to the late-17th-century layout a rectangle, but between 1870 and around 1900, to enlarge the park core with an already earlier added moated strip of ground, filled in along this length and on the other hand drawn around the southern woodland copse mentioned under IX., all as the layout and structure map indicates. The projection of the moat to the north of the borg also goes back to the late-17th-century layout. With the outer moat, since the changes after 1870, the moat around the aforementioned enlargement of the park core should be counted. Over the outer moat lies a wooden bridge with cast-iron railings, as a connection between the drive and the forecourt.
XIV. --- Between the outer moat and the inner or castle moat mentioned under XV. lies the approximately square forecourt flanked by the two treasure houses, over which the access path splits in two around a central bed. On the side of the bridge mentioned under XIII. two garden urns on plinths are placed. Behind the southern treasure house at an angle a free-standing greenhouse on a rectangular ground plan, composed of a larger building section under a hipped roof and a smaller building section under a saddle roof. The large building section was probably built shortly before around the middle of the 19th century. The smaller building section placed at the rear of this probably only shortly after. The greenhouse rests on a substructure of red brick with glass mounted on top, built up from greenhouse frames. In this respect the only greenhouse preserved in the Netherlands that still belongs to the 17th and 18th-century tradition of greenhouse construction with building up by means of greenhouse frames. In the large building section consisting of two compartments, in the south-western compartment along the sides the original beds with a crib in the middle. In the small building section also the original beds with a crib in the middle. Directly behind the southern treasure house a cold frame built of red brick on an elongated rectangular ground plan. The frame dates from the first half of the 19th century.
XV. ---- The castle moat around the borg, of which the circularly bounded projection on the east side dates from the late-17th-century layout phase and the contours were softened in the change to landscape style.
XVI. --- Over the castle moat lies a wooden bridge with a hinged central section, provided with wrought-iron railings, which are interrupted and connected by chains for the length of the hinged bridge section, as a connection between the forecourt and the forecourt of the borg mentioned under XVII.
XVII. - The forecourt lying in front of the borg, together with the borg forming an island in the castle moat. The forecourt has cut-off corners (created after the demolition in 1781 of the corner turrets that previously stood here) and is provided on the moat sides with brick boundary walls, crowned on the corners by four plinths with pairs of ornamental urns in rustic Louis XIV forms, placed here between 1781 and 1839. On the side of the bridge stand, on mismatched, secondarily applied 19th-century plinths, sculptures of Heracles and Athena (late 16th or early 17th century), originating from the gate building that previously stood here and placed in their current position after 1839. The layout of the forecourt was probably also completed in the 19th century with a planting of six Dutch limes (Tilia x vulgaris), three by three placed in front of the facades of the borg.
XVIII. - To the south of the castle moat remains of a layout in landscape style which first received its definitive form after the relocation of the outer moat (between 1870 and around 1900). This layout includes a small pond of curved outline and a wooden arbour with a thatched roof (before 1856, canopy second half 19th century).
XIX. --- To the north of the castle moat, as a remnant of the late-17th-century layout, a planting of Dutch limes (Tilia x vulgaris) in a row along the bank and on the north-eastern corner thereof.
XX. ---- As counterparts to each other, opposite the north-eastern and south-eastern corners of the castle moat, two carved plinths with terracotta urns crowned by mismatched lids were placed before 1856.
XXI. --- To the east of the castle moat the section of the park within the outer moat is laid out with woodland, in which, situated on or around the late-17th-century axis:
a. An open space, in the major change to landscape style laid out between the castle moat and the pond mentioned under sub c., as regards their first (western) section in place of a garden and as regards the second section in place of part of the sight line. This space is intersected by the pond mentioned sub b. and is originally bounded by woodland edges with undulating outline, in or against which solitary specimens of various species have been planted to achieve colour accents: summer oak (Quercus robur), elm (genus Ulmus), beech (Fagus sylvatica), copper beech (Fagus sylvatica "Atropunicea"), horse chestnut (Aesculus hippocastanum) and swamp cypress (Taxodium distichum); beside the latter lies a small pond. On the northern edge of the rear (eastern) section of the open space a large carved Louis XIV urn on matching plinth is placed, which originally formed a pair with the urn mentioned under XXVI sub f. (N.B. By mid-1982 the delimitation of this open space had been obscured by encroachment, or, as regards the section west of the pond mentioned sub b., straightened).
b. A transversely directed pond, in the forms of landscape style excavated from the pond which in the 18th-century modernisation belonged to the late-17th-century layout and separated the front part of the park from the woodland behind.
c. A round pond, unchanged from the late-17th-century layout. This pond separates the open space mentioned sub a. from the sight line mentioned sub d. Around this pond the layout shows a planting with solitary specimens, among the species of which, besides the beeches (Fagus sylvatica), horse chestnuts (Aesculus hippocastanum) and a copper beech (Fagus sylvatica "Atropunicea") are particularly notable. On the southern bank a 17th-century "Pomona" sculpture on a mismatched Louis XIV plinth was placed during the change to landscape style.
d. The section of the sight line composed from the late-17th-century layout lying behind the aforementioned round pond. This is originally planted with summer oaks (Quercus robur) (N.B. By mid-1982 only fragments of this avenue planting remained); in the layout in landscape style the avenue has been given the function of an open space, which is not accompanied by a path but only crossed by paths.
e. To the north of the axis a small pond, originally clover-leaf shaped, whose outline was softened during the change to landscape style.
f. Opposite the aforementioned pond lies to the south of the axis a pond in landscape style with an island.
g. A system of winding paths, one of which crosses the pond mentioned sub b. via a bridge (N.B. Currently the paths, which originally accompanied the front section of the open space mentioned sub a., have been relocated in accordance with the straightening of the surrounding woodland edges).
XXII. -- To the north of the central park section a meadow strip, called the Venne, lying between the country estate and the road to Noordbroek mentioned under XXIII. These meadows contain ditch divisions laid out for water management reasons and in the axis of the borg a small oval pond with an island.
XXIII. - The section of the Noordbroeksterweg for the length of the park was, at the level of the rear park during the construction of the mound and pond feature, relocated following a winding course in connection therewith. The Noordbroeksterweg for the length of the park is laid out with a single tree-lined avenue (N.B. Currently a large part of this planting, especially along the straight section of the road, is absent).
XXIV. -- The moat around the oldest section of the rear park, lying on the north side along the Noordbroeksterweg and from there turning along the Venne mentioned under XVII. to the outer moat around the core of the park mentioned under XIII., encompassing the section of a diagonal sight line remaining from the late-17th-century layout mentioned under XXVI. sub i. On the south side the moat shows a projection added after 1832, on either side of which the terrain shows artificial elevations; the moat runs parallel to - and at short distance from - the outer moat mentioned under XIII. to the west, until it issues into the section of the said outer moat turning to the south.
XXV. --- The moat around the terrain added to the rear park after 1832; this moat branches off from and issues into the moat mentioned under XXIV.
XXVI. -- The rear park is, in connection with the core of the park mentioned under XXI., laid out with woodland, in which the following elements of layout are found:
a. An open space centrally located in the eastern section of this park section, in accordance with landscape style asymmetrically laid out with boundaries of undulating course, which is largely formed by woodland edges and partly by the water feature mentioned sub c. The sight line mentioned sub b. runs through this space for a distance before ending; in its axis a sight line is spared in the eastern woodland edge. Originally the space is furnished with some solitary specimens of different species: summer oak (Quercus robur), beech (Fagus sylvatica) and horse chestnut (Aesculus hippocastanum) (N.B. Currently the northern section of the open space has become overgrown with encroachment and the other boundaries have also been obscured by encroachment).
b. The continuation of the sight line mentioned under XXI. sub d., originating from the late-17th-century layout. The first section thereof lies in the woodland and is interrupted halfway by the water feature mentioned sub c.; the second section is free in the space mentioned sub a. and ends therein. Since the creation of the landscape style layout, the avenue has presumably been planted with beech (Fagus sylvatica). (N.B. Currently large sections of this avenue planting are absent).
c. An elongated water feature whose head (presumably originally a round pond belonging to the late-17th-century layout) lies in the axis of the park and whose further, winding course extends in the northern park section and has connection to the moating in the east. A small tributary branches off from this water feature; at the point of division a so-called three-point bridge has been built over the water.
d. Artificial terrain elevations, created around the western section and along the northern flank of the aforementioned water feature; the latter section of the elevations has the form of a ridge, which is intersected by a valley over which a bridge has been built. The first-mentioned elevations and the flank of the ridge on the water side are originally of a fairly open structure, furnished with solitary specimens of various species including summer oaks (Quercus robur), beeches (Fagus sylvatica), copper beeches (Fagus sylvatica "Atropunicea"), plane trees (Platanus x acerifolia) (N.B. Currently these terrains have become heavily overgrown).
e. A sandstone sculpture of the goddess Flora (18th century), placed on a mismatched plinth in the axis of the open space mentioned sub a. (N.B. The location of placement is not the originally occupied place in the landscape style layout).
f. A large sandstone urn with fluted plinth (Louis XIV), placed in the woodland at the end of the water feature mentioned sub c. This urn originally formed a pair with the urn mentioned under XXI. sub a.
g. A large, richly worked sandstone urn with plinth (Louis XIV), placed in the south-eastern corner of the older section of the rear park.
h. A system of winding paths, one of which runs over the crest of the mound mentioned sub d. and the associated bridge and one and the other has been led under the same bridge. In the section of the rear park added after 1832, a path has been led along the edge of the terrain over an elevation, from which there is a view over the lands to the church tower of Slochteren.
i. In the north-western corner of the rear park lie, as remnants of the late-17th-century formal layout, a fragment of the former northern diagonal sight line half of which is still provided with the originally intended planting of summer oaks (Quercus robur) and a fragment of an avenue laid out with similar planting that crosses the aforementioned avenue.
Nearby in the register
- Tuin, park en plantsoen, Hoofdweg bij 30Tuin, park en plantsoenunder 1 mi
- FraeylemaborgKasteel, buitenplaatsunder 1 mi
- Bijgebouwen kastelen enz., Hoofdweg bij 30Bijgebouwen kastelen enz.under 1 mi
- Tuin, park en plantsoen, Hoofdweg bij 30Tuin, park en plantsoenunder 1 mi
Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.