TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Stalgebouw(L), Hogewal 17

's-Gravenhage, Zuid-Holland, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Bijgebouwen kastelen enz.
Function
Stalgebouw(L)
Category
onroerend gebouwd
Address
Hogewal 17, 2514 HA 's-Gravenhage
Place
's-Gravenhage
Province
Zuid-Holland
Country
Netherlands
Coordinates
52.08285, 4.30243
Monument number
46629

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

Leiden University Libraries

5 historical maps cover this location, the earliest the 1636 map "Hollandiae meridionalis descriptio nova" (David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

Als Koninklijke STALLEN rondom rechthoekige binnenplaats op symmetrische grondslag gebouwd, omvangrijk complex ter hoogte van twee bouwlagen onder met leien, zink en dakpannen gedekte mansardekappen, tot stand gekomen in 1876-'79 in eclectisch-Renaissancistische trant naar ontwerp van H.P. Vogel, op basis van voor-ontwerpen van L.H. Eberson, respectievelijk P.J.C. Swijser.

De langgerekte gevels zijn opgetrokken in baksteen, met natuurstenen plint, verschillende banden (aan de voorzijde in natuursteen, aan de andere zijden in gele baksteen) en gebousseerde pilasters ter afwisseling, alsmede smeedijzeren sierankers, en afgesloten met een omlopend fries met cassettes en consoles ter ondersteuning van de kroonlijst, die bij de hoekrisalieten is gekornist en aan de zijde van de Hogewal is voorzien van een segmentvormig fronton met rankenvulling rondom een paard-medaillon, en bij de een bouwlaag hogere, door een naaldspits bekroonde middenpoort van een dito fronton met het Koninklijk wapen.

Bij de voorvleugel zijn op de beganegrond halfronde bovenlichten met roedenverdeling aangebracht boven de van inspringende hoeken voorziene blindnissen, op de bovenverdieping getoogde zes- en vierruitsschuifvensters, alle bekroond door een geprofileerde sluitsteen (uitgezonderd de verdiepingsvensters aan de zijde van de binnenplaats). De risalerende middenpoort bevat aan de zijde van de Hogewal twee hoge doorgangen, elk voorzien van gesneden dubbele paneeldeuren uit de bouwtijd, met halfrondbovenlicht in geprofileerde omlijsting, waarop in de tussenliggende zwik in reliëf een krans met oranjeappels en linten is afgebeeld; terzijde twee rondboogvensters met hoofdgestel en piedestal op de beganegrond, twee getoogde vierruitsvensters op de tussenverdieping, waarboven twee friezen met in vergulde letters ANNO 1878; op de bovenste verdieping getoogde zesruitsvensters waarvan de middelste drie zijn gekoppeld en bekroond met segmentvormige frontons. De achtzijdige naaldspits bevat aan de vier brede zijden een wijzerplaat boven een omlopende smeedijzeren hekwerk waarboven weer een kroonlijst met palmettenrand. Het geheel wordt bekroond door een windwijzer. De gedeelten te weerszijden van de middenpoort tellen in totaal twaalf vensterassen.

De haaks op deze voorvleugel staande dwarsvleugel bezitten aan de buitenzijde grotendeels blinde muren met slechts een enkele toegang en terzijde een hooiluik tussen de rijk gedetailleerde hoekrisalieten. De in dezelfde trant als deze dwarsvleugel uitgevoerde achtergevel bevat voorts een hoogopgaand middenrisaliet onder pannen schilddak, met een extra risaliet in het midden, bekroond door een segmentvormig fronton met daarin het monogram van Willem III, en te weerszijden twee ronde, afgeknotte traptorens; de lage hoekrisalieten bezitten elk drie vensterassen, getoogde stalvensters en boven blindnissen en worden afgedekt door een pannen tentdak.

Aan de zijde van de binnenplaats bevat de voorvleugel twee maal acht dubbele paneeldeuren uit de bouwtijd met halfronde bovenlichten met roedenverdeling, in oorsprong toegang gevend tot de koetshuizen, met daarnaast de halfrond afgesloten vensters van de portiersloges; hierlangs bevindt zich een overdekte gang die de twee zijpoorten verbindt en die bij de binnenplaats is overhuifd door een langgerekte kap in de vorm van een met leien gedekt schilddak, waarvan de ijzeren spantconstructie wordt gesteund door gietijzeren colonnetten, met elkaar verbonden door in siersmeedwerk uitgevoerde scheibogen; het geheel afgesloten met een kroonlijst.

Aan de overzijde ter breedte van dertien vensterassen uitgebouwd onder dwarsgeplaatst leien zadeldak met lichtkap op de nok, de binnenmanege, uitgevoerd in dezelfde trant als de hoofdvleugels, met afwisselend rode- en gele baksteen, halfronde bovenlichten met roedenverdeling op de door pilasters gelede beganegrondverdieping en geheel ronde vensters in de vide; de risalerende middenpartij bevat de met een halfrond bovenlicht afgesloten toegang met dubbele paneeldeuren en omlijsting uit de bouwtijd, en wordt bekroond door een halfrond boogveld met het Koninklijk wapenschild en geprofileerde omlijsting; de zijrisalieten bezitten eenzelfde toegang, zij het zonder omlijsting, en worden bekroond door een fronton. De zijgevels zijn blind met uitzondering van de omlijste ingang aan de oostzijde. Inwendig is deze manege grotendeels gepleisterd; de ongedeelde ruimte wordt overhuifd door een geheel in het zicht gelaten ijzeren spantconstructie met Renaissancistische detaillering, steunend op slanke bundelcolonnetten; aan de westelijke korte zijde bevindt zich de van drie getoogde poorten voorziene tribune; aan de lange zijde grenzend aan de achtervleugel, bevindt zich op de verdieping een loge, voorzien van vier getoogde poorten met balustrade en van een stucplafond; de korte zijden bevatten elk in de top een 'venetiaans raam', de oostelijke voorts nog een klok uit de bouwtijd ingepast in een stucwerkrisaliet.

De dwarsvleugels hebben aan de binnenplaatszijde vergelijkbare gevels met die aan de buitenzijde, voorzien van getoogde stalvensters met roedenverdeling, gietijzeren luchtboogvensters en rood/gele baksteenbouw en een kroonlijst, en voorts een tweetal door een fronton met hijsbalk bekroonde hooiluiken en een omlijste ingang terzijde (ZO). Inwendig bevinden zich aan de oostzijde nog ten dele de oorspronkelijke stalboksen, elk voorzien van gietijzeren palen met bolvormige bekroning en sierlijk uitgevoerde naamborden en voorts hooizolders waarvan de kapconstructie uit philibertspanten is samengesteld.

Op de open binnenplaats, geheel met klinkers bestraat in een eenvoudig geometrisch patroon, bevindt zich in het midden de ronde gemetselde drinkwaterbak met in het midden een ijzeren lantaarnpaal met sierlijk uitgewerkt reliëf met plantaardige motieven, vervaardigd door L. Schutz, Zeist.

De achtervleugel bevat, behalve de stallen, in het zuiden twee kleedkamers te weerszijden van de tuigkamer, alle voorzien van een eenvoudige ca. 2,5 m. hoge lambrizering van staande delen.

In de voorvleugel bevinden zich voorts op de verdieping in het midden een als museum ingericht vertrek met rechts een stucplafond, en aan de noordzijde de galatuigkamer, die door vier vierkante pijlers is verdeeld.

Voorts bevinden zich op de noordhoek van het terrein een plat afgedekt garage-annex werkplaatsgebouw, uitgevoerd in baksteen, met ongepleisterde hoge plint en geelgepleisterde wanden met getoogde vensters, en houten deuren uit de bouwtijd, en aan de Jugendstil herinnerende detaillering bij de verzwaarde hoekpartijen aan de bovenzijde, voorzien van geglazuurde dakpannen; het geheel gebouwd naar ontwerp van P.H. Scheltema in 1912, naar aanleiding van de invoering van de auto als vervoermiddel.

Het complex wordt omgeven door een bakstenen tuinmuur met smeedijzeren hekken tussen vierkante pijlers uit de bouwtijd.

Complex van Koninklijke Stallen met bijgebouwen, in eclectisch-Renaissancistische trant, als zodanig kenmerkend voor de overheidsgebouwen uit het laatste kwart van de 19e eeuw, met typerend gebruik van gebosseerde natuurstenen pilasters, segmentvormige en driehoekige frontons, afwisselend rode en gele baksteenbanden, diverse andere sierende details in natuursteen, sierankers, getoogde vensters met roedenverdeling, en met typerende symmetrische opzet met accenten op de midden- en hoekpartijen, alsook in de duidelijk naar de bestemming verwijzende frontonreliefs, tevens van belang als getuigenis van de functie van Hofstad die Den Haag in de 19e eeuw heeft vervuld, gesitueerd als dit complex is nabij het Paleis Noordeinde en de bijbehorende paleistuin, met een vroeg 20e-eeuwse aanvulling in de vorm van de garage als bewijs van de continuiteit in de functie van berging van koninklijke voertuigen, meegaand met de technische ontwikkeling.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

As Royal STABLES built around a rectangular courtyard on a symmetrical plan, an extensive complex rising to two storeys under mansard roofs covered with slates, zinc and roof tiles, constructed in 1876-'79 in an eclectic-Renaissance style to a design by H.P. Vogel, on the basis of preliminary designs by L.H. Eberson, and P.J.C. Swijser respectively.

The elongated facades are built in brick, with natural stone plinth, various bands (on the front in natural stone, on the other sides in yellow brick) and bossed pilasters for variation, as well as wrought-iron ornamental wall anchors, and concluded with a continuous frieze with cassettes and consoles supporting the cornice, which at the corner risalits is corniced and on the Hogewal side is provided with a segmental pediment with foliage filling around a horse medallion, and at the one-storey higher central doorway of a likewise pediment with the Royal coat of arms.

At the front wing on the ground floor semi-circular fanlights with glazing bars have been installed above recessed blind niches, on the upper floor arched six- and four-light sash windows, all crowned by a moulded keystones (except the floor windows on the courtyard side). The projecting central doorway contains on the Hogewal side two high passages, each provided with carved double panel doors from the period of construction, with semi-circular fanlight in moulded frame, on which in the intermediate spandrel a wreath with oranges and ribbons is depicted in relief; to the side two round-arched windows with head-piece and pedestal on the ground floor, two arched four-light windows on the mezzanine, above which two friezes with ANNO 1878 in gilded letters; on the upper storey arched six-light windows of which the middle three are coupled and crowned with segmental pediments. The octagonal spire contains on the four broad sides a clock face above a continuous wrought-iron railing above which again a cornice with palmette frieze. The whole is crowned by a weathervane. The sections on either side of the central doorway comprise in total twelve window bays.

The transverse wing standing at right angles to this front wing have on the outside largely blank walls with only a single entrance and to the side a hay door between the richly detailed corner risalits. The rear facade executed in the same style as this transverse wing further contains a high-rising central risalit under hipped roof with pantiles, with an additional risalit in the middle, crowned by a segmental pediment containing the monogram of Willem III, and on either side two round, truncated corner towers; the low corner risalits each have three window bays, arched stable windows and above blind niches and are covered with a tent roof with pantiles.

On the courtyard side the front wing contains twice eight double panel doors from the period of construction with semi-circular fanlights with glazing bars, originally providing access to the carriage houses, with beside them the semi-circular finished windows of the porter's lodges; alongside this is a covered passage connecting the two side doors and which at the courtyard is roofed over by an elongated roof in the form of a hipped roof covered with slates, of which the iron truss structure is supported by cast-iron colonnettes, connected to each other by decorative segmental arches in wrought work; the whole concluded with a cornice.

On the opposite side spanning the width of thirteen window bays built under a crosswise placed slate gabled roof with clerestory on the ridge, the indoor riding school, executed in the same style as the main wings, with alternating red and yellow brick, semi-circular fanlights with glazing bars on the ground floor storey articulated by pilasters and completely round windows in the void; the projecting central section contains the access closed with a semi-circular fanlight with double panel doors and frame from the period of construction, and is crowned by a semi-circular arched field with the Royal coat of arms and moulded frame; the side risalits have a similar access, albeit without frame, and are crowned by a pediment. The side facades are blank except for the framed entrance on the east side. Internally this riding school is largely plastered; the undivided space is roofed over by an iron truss structure completely left in view with Renaissance detailing, supported on slender clustered colonnettes; at the western short side is the tribune provided with three arched doors; at the long side adjoining the rear wing, is on the floor level a loggia, provided with four arched doors with balustrade and a stucco ceiling; the short sides each contain in the top a 'Venetian window', the eastern one furthermore still a clock from the period of construction fitted into a stucco risalit.

The transverse wings have on the courtyard side comparable facades to those on the outside, provided with arched stable windows with glazing bars, cast-iron louvre windows and red/yellow brick construction and a cornice, and furthermore a pair of hay doors crowned by a pediment with hoist beam and a framed entrance to the side (SE). Internally on the east side are still partly the original stable stalls, each provided with cast-iron posts with spherical crowning and elegantly executed name plates and furthermore hay lofts of which the roof truss structure is assembled from Philibert trusses.

On the open courtyard, completely paved with clinker bricks in a simple geometric pattern, in the middle stands the round brick-built drinking water tank with in the middle an iron lamp post with elegantly worked relief with plant motifs, manufactured by L. Schutz, Zeist.

The rear wing contains, besides the stables, in the south two changing rooms on either side of the harness room, all provided with a simple approximately 2.5 m. high wainscotting of standing sections.

In the front wing are furthermore on the floor level in the middle a room fitted out as a museum with on the right a stucco ceiling, and on the north side the state harness room, which is divided by four square pillars.

Furthermore on the north corner of the site is a flat-roofed garage-cum-workshop building, executed in brick, with unplastered high plinth and yellow-plastered walls with arched windows, and wooden doors from the period of construction, and detailing reminiscent of Art Nouveau at the reinforced corner sections at the top, provided with glazed roof tiles; the whole constructed to a design by P.H. Scheltema in 1912, following the introduction of the motor car as a means of transport.

The complex is surrounded by a brick garden wall with wrought-iron gates between square pillars from the period of construction.

Complex of Royal Stables with outbuildings, in eclectic-Renaissance style, as such characteristic of government buildings from the last quarter of the 19th century, with typical use of bossed natural stone pilasters, segmental and triangular pediments, alternating red and yellow brick bands, various other decorative details in natural stone, ornamental wall anchors, arched windows with glazing bars, and with characteristic symmetrical layout with emphasis on the central and corner sections, as well as in the clearly function-indicative pediment reliefs, furthermore of significance as testimony to the role Den Haag fulfilled as a capital city in the 19th century, situated as this complex is near Paleis Noordeinde and the associated palace garden, with an early 20th-century supplement in the form of the garage as evidence of the continuity in the function of storage of royal vehicles, keeping pace with technical development.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map