TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Slot huis Bergh

's-Heerenberg, Gelderland, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Kasteel, buitenplaats
Function
Lustslot
Category
onroerend gebouwd
Address
Hof van Bergh 1, 7041 AC 's-Heerenberg (Montferland 25) (and others)
Place
's-Heerenberg
Municipality
Montferland
Province
Gelderland
Country
Netherlands
Coordinates
51.87434, 6.24102
Part of complex
526788
Monument number
526787

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries

5 historical maps cover this location, the earliest the 1636 map "Zutphania Comitatus" (David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

Omschrijving onderdeel 1: HUIS BERGH.

Het huis bestaat uit een Middeleeuws complex van voorburcht en hoofdburcht, beide omgracht, waarop een ensemble van dienstgebouwen, woonkwartieren, poorten, torens en kapel. Een voorpoort met toegangsbrug aan de oostzijde verleent toegang tot de voorburcht. Aan het huidige aanzien van dit ensemble gaat een zeer complexe bouwgeschiedenis vooraf, die door hiaten in informatie bij benadering beschreven kan worden. Een belangrijk stempel op dit huidige aanzien vormt de laatste restauratie vanaf 1939 onder leiding van restauratie-architect H. van Heeswijk, in opdracht van de eigenaar Jan Herman van Heek en in nauwe samenwerking met de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Een eerdere restauratie vond tien jaar hiervoor plaats, maar deze werd door brand voor een aanzienlijk deel teniet gedaan. Regelmatige verwoestingen van het ensemble in de Middeleeuwen, de 80-jarige oorlog en een brand in 1735, waarbij het woonkwartier op de hoofdburcht in vlammen opging, alsmede de talloze reparaties, verfraaiingen, veranderingen en uitbreidingen in de lange bestaansgeschiedenis van het kasteel, maken de bouwgeschiedenis ervan complex. In de laatstgenoemde restauratie werden diverse elementen gereconstrueerd in 17de-eeuwse en Middeleeuwse trant én werden diverse historiserende veranderingen aangebracht, in overeenstemming met de restauratieopvattingen uit die tijd, maar tevens bleven een aantal 18de-eeuwse elementen - zoals de meerruits schuifvensters in delen van het woonkwartier op de hoofdburcht - gehandhaafd. Bij deze restauratie was het scheppen van een bepaalde gevarieerde maar homogene beeldkwaliteit, die de verbeelding prikkelt - namelijk die van een Middeleeuws kasteel met markante bouwfasen uit latere perioden - een belangrijk uitgangspunt. Het wederom opbouwen van een stukje ringmuur met kantelen aan de oostzijde is bijvoorbeeld een historiserende toevoeging die voor de versterking van deze beeldkwaliteit werd aangebracht. Het verval in ruïneuze trant van deze ringmuur naar het toen reeds aanwezige lagere niveau was enerzijds een gepast visueel stijlmiddel om een acceptabel beeld te handhaven van hoog naar laag maar tevens de toendertijd als gepast ervaarde wijze van uitdrukken van de roemruchte geschiedenis van het kasteel. Voorts werden de rechthoekige compartimenten waaruit het woonkwartier op de hoofdburcht is opgebouwd weer van eigen daken voorzien, terwijl in de periode ervoor (sinds de brand in 1735) deze compartimenten door een aansluitend met leien gedekt dak waren overkapt. Na 1939 werd ook deze dakbedekking veranderd. Enkele compartimenten behielden hun lei-dekking, de overige kregen een 'Nederlandse' dakbedekking met zwartgeglazuurde pannen. Het eenvoudig rechthoekig uitgebouwde trappenhuis in de hoek van het hoofdwoonkwartier en de grote vierkante toren op de hoofdburcht werden, evenals de overige gevels op de hoofdburcht, ontpleisterd en kregen een tentvormige met leien (!) overkapte spits. Bijna alle onderramen van de kruis- en kloostervensters werden van luiken voorzien (één of twee witte velden met rode rand). Met uitzondering van de genoemde meerruits vensters aan de zuidoostelijke buitenzijde van het woonkwartier werden alle 18de-eeuwse meerruits vensters vervangen door klooster- en kruiskozijnen met glas-in-lood. Het hoofdkwartier had alleen enkele dakkapellen aan de oostelijke, zuidoostelijke en noordelijke buitenzijde. De kapellen aan de zuidoostelijke zijde werden gerestaureerd. De overige dakkapellen werden vervangen door kleine dakkapellen, waarvan er nog één was aangetroffen op de ronde toren aan de zuidoostzijde van de voorburcht, maar deze (en ook die op de toren) werden voorzien van een iets rijker schilddak met overstek waarvan het voorste schild in twee schilden met een punt werd veranderd (zoals afgebeeld op een pentekening van vóór 1625 en op latere afbeeldingen). Ook de naar binnengerichte gevel van het hoofdwoongedeelte kreeg deze dakkapellen in rijen van vier (onder) en drie (boven), zoals aan de noordelijke en oostelijke buitenzijde van het woonkwartier op de voorburcht. De traptoren met Welse helm in de hoek van de kapel en het hoofdwoonkwartier kreeg een helm met knobbelspits (leien). De toren ("nye wyndeltrap"), die in ca. 1728 werd gebouwd werd ontpleisterd en kreeg een meer Middeleeuws karakter. De luidbel in de helm, die waarschijnlijk werd gebruikt voor de aangrenzende kapel (zuidzijde hoofdburcht), werd naar de kapel (gebouwd in 1728) verplaatst: hiervoor werd de west(zij-)gevel van de kapel opgetrokken en voorzien van een uitsparing in de tuit voor de ophanging van de bel. De op de verdieping gesitueerde kapel, die voor de benodigde ruimte op de verdieping naar het binnenterrein van de hoofdburcht is uitgebouwd, behield de drie meerruits schuifvensters. De gevel werd ontpleisterd en kreeg een grofmazige vakwerkindeling. De uitbouw werd nu door houten dragers gestut. De naast de vierkante toren gelegen halfronde poort aan de noordzijde van de hoofdburcht werd geïntegreerd in een historiserend poortgebouw, waarvan de zij(west-) gevel werd afgesloten door een trap. Alhoewel de restauratie in 1939 een grotere variatie in bouwfasen vertoont dan voorheen en hiermee een gevarieerd bouwhistorisch verhaal vertelt was ook voordien sprake van een homogene en gevarieerde belevingswaarde van het gebouw, door het ten dele aanwezige pleisterwerk en door de harmonieuze relatie met het park. Hoofd- en voorburcht waren deels 'ingepakt' in parkbos (loof- en naaldhout), de slotgracht was omstreeks 1850 versmald tot een sierlijke vijverarm in landschapsstijl en op de as van de hoofdingang van het hoofdwoonkwartier was over de gracht een dam aangelegd op de centrale zichtas van de buitendijks gelegen plantage. De hoofdburcht is via een aarden dam met de voorburcht verbonden. De ingang van het ensemble wordt gevormd door de voorpoort uit de eerste helft van de 17de eeuw ("voirste poirt aen den voirhoff") met keermuur en brug aan de oostzijde van de voorburcht, bestaande uit een dubbele bakstenen poortdoorgang op rechthoekige grondslag, in de 18de- of 19de eeuw witgepleisterd, waarvan de gevels naar het dak toe kwartcirkelvormig inzwenken (ontpleisterd bij de restauratie, ornamenteel metselverband met naar onderen geplaatste koppen), onder met leien gedekt schilddak ("verheven kapken"). Aansluitend de houten toegangsbrug (restauratie 1939) die aan de oostzijde met de voorpoort op een bakstenen keermuur (in oorsprong 16de- of 17de eeuws) van de gracht buitenzijde rust. Op deze keermuur een eenvoudige 19de-eeuwse ijzeren balustrade, die tevens het erf van de Hervormde kerk naar de gracht toe afsluit. De brug leidt naar de trapeziumvormige voorburcht die geheel is omgeven door een bakstenen walmuur, tevens keermuur (15de-19de eeuw). Deze maakt tevens deel uit van het fundament van een aantal op de voorburcht gesitueerde dienstgebouwen en een poort en gaat in het muurwerk over. De voorburcht alszodanig werd wellicht gelijktijdig met de hoofdburcht aangelegd en dateert dan uit de 13de eeuw. Twee van de drie op de voorburcht gesitueerde torens zijn in 1450 al aanwezig, namelijk die op de noordwest- en zuidwesthoek. De halfronde bakstenen toren aan de noordwestzijde (zogenaamde Platte toren) werd in de eerste restauratie in de 20ste eeuw (1930) gereconstrueerd (afgebroken eind 18de eeuw). Aansluitend aan de zuidwesttoren aan de westzijde ligt een houten brug naar de wal. De toren is toegangkelijk via een bakstenen trap aan de oostzijde. In de toren enkele kloosterkozijnen, thans met glas-in-lood en kloosterkozijnen. De in de noordwesthoek omstreeks 1930 gereconstrueerde toren is met de rechte voorgevel schuin op het plein van de voorburcht geplaatst. Beganegronds in het midden is een halfronde deur. Op de twee verdiepingen elk twee kloosterkozijnen. In de topgevel zes duivengaten. In de naar het noordwesten halfrond uitgebouwde gevel op de twee verdiepingen elk twee kloosterkozijnen. De voorburcht is toegankelijk via het met een schilddak (rode pannen) overkapte poortgebouw met poortwachterswoning, dat door een brede schuin tegen de noordoosthoek geplaatste steunbeer wordt gestut. Poortgebouw en woning werden omstreeks het midden van de 16de eeuw opgetrokken. In het poortgebouw, komende vanuit het oosten, aan de rechterzijde een dubbele halfronde poortdoorgang met dubbele poortdeur met schuine strepen in rood en wit. Aansluitend aan de rechterzijde de poortwachterswoning die de oostzijde van de voorburcht afsluit. Eveneens door schilddak (zwartgeglazuurde pannen) overkapt. Aan de voorburchtbinnenzijde vertoont de poortwachterswoning vier vierentwintigruits schuifvensters met luiken. Aan de linkerzijde twee twaalfruits schuifvensters, waarvan het rechter met luiken. Naar de grachtzijde werden tijdens de restauratie in 1939 beganegronds een kruiskozijn en op kelderniveau vier getoogde brede schietgaten gemaakt. De poortwachterswoning is haaks gesitueerd op en sluit aan bij de monumentale in baksteen opgetrokken rentmeesterswoning, die de noordzijde van de voorburcht afsluit. In de buitenhoek van beide woningen de in 1450 reeds aanwezige toren, schuin op deze hoek gesitueerd en naar buiten toe op halfronde grondslag, die op ca. driekwart hoogte tot veelhoek is ingesnoerd (leien gedekte gebogen schoten) en die is overkapt door schilddak (leien) dat zich naar buiten toe als meerzijdig tentdak vertoont. De onderste bouwlaag van de rentmeesterswoning gaat tot in de 15de eeuw terug. Tussen 1611 en 1613 werd de woning met een verdieping verhoogd en door een schilddak met pannen overkapt (zwart-geglazuurde pannen aan zuidzijde, rode pannen aan de noordzijde). De muurankers M.G.Z.D.B.M.Z.B.O.Z. zijn de initialen van Maria Gräfin zu Dem Bergh Markgräfin Zu Bergen Op Zoom. Centraal in de voorgevel de halfronde poortdoorgang. Op de verdieping 9 empireschuiframen (eind 18de eeuw) met persiennes (restauratie 1930 of 1939). Op de middentravee een in de gevel verzonken zolderluik. Beganegronds links een rechte toegangsdeur met bovenlicht en aan de rechterzijde hiervan twee vensters als op de verdieping. Rechts van de poort drie hoog gelegen vensters onder toogstrek met glas in lood (restauratie 1939). In de naar de noordgracht gesitueerde achtergevel van de rentmeesterswoning een kloostervenster en enkele vensters met glas-in-lood (restauratie 1939). Het grondplan van de veelhoekig cirkelvormige hoofdburcht met ring- en keermuren en de op de oostelijke helft gesitueerde woonkwartieren kwam voor de vijftiende eeuw tot stand. Bij de restauratie in 1939 werd beneden het loopvlak van het binnenplein voor een groot deel nog het overblijfsel van een zware bakstenen ringmuur met weergang op bogen aangetroffen. Aan de noordoostzijde werd het oorspronkelijke beloop van de schildmuur vastgesteld. Eind 1938 ontdekte men op het binnenplein in de bodem vòòr de ingangsstoep naar het hoofdwoonkwartier grote brokstukken tufsteen, afkomstig van de centraal op de hoofdburcht gelegen 13de-eeuwse ronde verdedigingstoren (3 meter dikke muren, 12 meter doorsnede). De ingang naar de hoofdburcht bevond zich eertijds in het zware muurblok aan de buiten(noord-)zijde van de grote aan de noordzijde gesitueerde vierkante toren ter plaatse van het kleine venster op kelderhoogte. Zowel in- als uitwendig is te zien dat daar een doorgang is dichtgemetseld. Deze poort is kennelijk, toen men de grote toren ging bouwen (vòòr 1400) dichtgemetseld en vervangen door een ingang op de plaats waar die nog is, pal tegen de noordwesthoek van de toren. Deze halfronde loodrecht op de poort van het rentmeestershuis gesitueerde poortdoorgang prijkt met een zandstenen omlijsting met korintische muurzuilen en een hoofdgestel waarboven een reliëf met het wapen van het graafschap Bergh is uitgehouwen. Op de fries staat het chronogram: CoMes osWaLDUs sibi Et posteris erexit (graaf Oswald richtte dit op voor zich en zijn nakomelingen, 1679). Het steenhouwerswerk werd geleverd door Jan Rendelers uit Koesfeld in Westfalen. Aan weerszijden is een medaillon met reliëf ingemetseld, vermoedelijk naderhand aangebracht, waarschijnlijk uit het midden van de 17de eeuw. Bij de restauratie werd de poort geïntegreerd in het toen gebouwde poorthuis in Middeleeuwse trant. Vòòr 1450 werd de grote vierkante toren en het onderkelderde hoofdwoonkwartier opgetrokken; aan het laatstgenoemde kwartier zijn later diverse veranderingen aangebracht en verbouwingen uitgevoerd. De vierkante toren bevatte vòòr de restauratie uit 1939 boven de gelijkvloerse ruimte nog drie verdiepingen, waarvan de tweede en derde bij deze restauratie werden verenigd. De gelijkvloerse ruimte wordt overdekt door twee tongewelven die in het midden rusten op een boog, de eerste verdieping heeft een houten zoldering, de tweede had een zoldering maar deze is vervangen door een omloop langs de muren, waardoor zij is verenigd met de derde, die wordt overdekt door een ribloos kruisgewelf. De zeer flauw hellende torenkap is omgeven door een borstwering met achtkantige arkeltorentjes op de hoeken, die gewelfde kappen hebben (leien). De duivengaten in het oorspronkelijke kloostervenster aan de zuidzijde op de bovenste verdieping werden bij de restauratie in 1939 dichtgezet. De lange vleugel van het woonkwartier, waarvan de voorzijde naar het op de westelijke helft van de hoofdburcht gelegen plein is gericht, werd vòòr 1450 opgetrokken en is onorganisch in de veelhoek van de hoofdburcht geplaatst (in de 16de eeuw de "groote staefve of stove" genoemd). De voorgevel is bij de laatste restauratie van de bepleistering ontdaan (aangebracht in de tweede helft van de 17de eeuw). De gevel vertoont boven de kruiskozijnen (restauratie 1939) van de bel-etage de lateien en ontlastingsbogen van een stel kloostervensters met middenkalf en van een zeer rijzige gedaante. Het woonkwartier werd in de tijd van Herman van den Bergh (1558-1611) door de Emmerikse stadstimmerman Willem van Bommel vermoedelijk van een eerste verdieping met kap voorzien. In de muurankers aan de voorgevel zijn de namen van de bouwheer en zijn gemalin vereeuwigd: H.S.Z.D.B.M.M.V.B., Herman Graf Zu Dem Bergh Maria Mencia Von Bergen (op Zoom). De kelderruimten van deze hoofdwoonvleugel worden overkluisd door een stelsel van dwarse bogen en troggewelven waarmee de overwelving van de benedenruimte in de grote toren overeenkomt. Het huidige niveau van de hoofdburcht dateert uit de tijd van graaf Oswald, die dit niveau 27 roeden (ca. twee meter) liet verlagen tot het niveau van de voorburcht. Tevens liet hij centraal aan de voorzijde van de voorgevel van het hoofdwoonkwartier in 1701 het bordes met bordestrappen bouwen in Westfaalse ornamentele stijl. De dubbele rechte toegangsdeur werd van een zware en rijke omlijsting in genoemde stijl voorzien. Boven de ingang is een tijdvers ingehouwen: Deo faVente osWaLDUs et LeopoLDIna eXstrUxerUnt (Oswaldus en Leopoldina hebben dit met Gods hulp gebouwd, 1701). In de periode 1617-1627 werd - wellicht in twee fasen - het tweevleugelige woonkwartier aan de noordoosthoek van de hoofdburcht gebouwd. Hierdoor verloor de hoofdburcht zijn veelhoekige profiel aan deze zijde en ontstond de huidige haakse hoek. In de bakstenen gevels speklagen uit de bouwperiode. Vermoedelijk werden de rechthoekige wooncompartimenten aan de oost- en zuidoostzijde aan het einde van de 17de of in het begin van de 18de eeuw opgetrokken (vensters met meerruits schuiframen). De ringmuur ter plekke was al in de tweede helft van de 16de eeuw hoog opgetrokken, wellicht ten behoeve van bouwaktiviteiten, die thans niet meer goed traceerbaar zijn. Deze compartimenten werden vermoedelijk na de brand in 1735 in sterke mate vernieuwd. In 1728 werd aansluitend aan de zuidzijde de genoemde kapel opgetrokken. Het muurwerk van de gebouwen op de voor- en hoofdburcht vertoont diverse bouwsporen van verschillende oudere bouwfasen.

Waardering

Het KASTEEL HUIS BERGH is in cultuurhistorisch opzicht van algemeen belang:


- vanwege de ouderdom;

- als relatief gaaf bewaard voorbeeld van één der oudste typen voor- en hoofdburchten in ons land;

- vanwege de zichtbaar bewaard gebleven uitzonderlijk rijke bouwgeschiedenis;

- vanwege de gaafheid en volledigheid van het ensemble van omgrachte historische dienstgebouwen, woonkwartieren, ring- en keermuren, poorten en torens van een in oorsprong Middeleeuwse burcht;

- als uitdrukking van een restauratieopvatting uit 1939.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

Description component 1: HUIS BERGH.

The house consists of a Medieval complex of outer and inner ward, both surrounded by moats, upon which stands an ensemble of service buildings, residential quarters, gateways, towers and chapel. A gatehouse with drawbridge on the east side provides access to the outer ward. The present appearance of this ensemble is preceded by a highly complex building history, which due to gaps in information can only be described approximately. An important imprint on this present appearance is formed by the last restoration from 1939 under the direction of restoration architect H. van Heeswijk, commissioned by the owner Jan Herman van Heek and in close cooperation with the Rijksdienst voor de Monumentenzorg (State Service for Monument Care). An earlier restoration took place ten years before, but this was substantially destroyed by fire. Regular destruction of the ensemble in the Middle Ages, the Eighty Years' War and a fire in 1735, which destroyed the residential quarter on the inner ward in flames, as well as the countless repairs, embellishments, alterations and extensions in the long history of the castle, make its building history complex. In the last-mentioned restoration, various elements were reconstructed in 17th-century and Medieval style and various historicizing alterations were made, in accordance with the restoration principles of that time, but also a number of 18th-century elements - such as the multi-pane sash windows in parts of the residential quarter on the inner ward - were retained. In this restoration, the creation of a certain varied but homogeneous visual quality, which stimulates the imagination - namely that of a Medieval castle with distinctive building phases from later periods - was an important principle. The renewed construction of a section of curtain wall with crenellations on the east side is, for example, a historicizing addition that was made to strengthen this visual quality. The decay in ruinous manner of this curtain wall to the then already existing lower level was on the one hand an appropriate visual stylistic device to maintain an acceptable appearance from high to low, but also the manner then experienced as appropriate to express the storied history of the castle. Furthermore, the rectangular compartments of which the residential quarter on the inner ward is composed were again provided with their own roofs, whereas in the previous period (since the fire in 1735) these compartments had been covered by an adjoining slate-covered roof. After 1939 this roof covering was also changed. Some compartments retained their slate covering, the others received a 'Dutch' roof covering with black-glazed tiles. The simply rectangular extended staircase in the corner of the main residential quarter and the large square tower on the inner ward were, like the other facades on the inner ward, unplastered and were given a tent-shaped covering with slate (!) topped by a spire. Almost all lower windows of the cross and cloister windows were provided with shutters (one or two white panels with red border). With the exception of the aforementioned multi-pane windows on the southeastern exterior of the residential quarter, all 18th-century multi-pane windows were replaced by cloister and cross windows with leaded glass. The main quarter had only a few dormers on the eastern, southeastern and northern exterior. The dormers on the southeastern side were restored. The remaining dormers were replaced by small dormers, of which one more was found on the round tower on the southeastern side of the outer ward, but these (and also those on the tower) were provided with a somewhat richer hipped roof with overhang, the front slope of which was changed into two slopes with a point (as shown in a drawing before 1625 and in later depictions). The inward-facing gable of the main residential section also received these dormers in rows of four (below) and three (above), as on the northern and eastern exterior of the residential quarter on the outer ward. The spiral staircase tower with Welsh helmet in the corner of the chapel and the main residential quarter received a helmet with knob spire (slate). The tower ("nye wyndeltrap"), which was built around 1728, was unplastered and given a more Medieval character. The bell in the helmet, which was probably used for the adjacent chapel (south side inner ward), was moved to the chapel (built in 1728): for this purpose the west (side) gable of the chapel was raised and provided with a cutout in the spout for hanging the bell. The chapel situated on the storey, which extended inward to the inner courtyard of the inner ward for the needed space on the storey, retained the three multi-pane sash windows. The gable was unplastered and received a coarse-meshed timber-frame division. The extension was now braced by wooden supports. The semi-round doorway next to the square tower on the north side of the inner ward was integrated into a historicizing gatehouse, the side (west) gable of which was closed off by a staircase. Although the restoration in 1939 exhibits greater variation in building phases than before and thus tells a varied building-historical story, there was also previously a homogeneous and varied aesthetic value of the building, due to the partly present plasterwork and the harmonious relationship with the park. Main and outer wards were partly 'wrapped' in park woodland (deciduous and coniferous), the castle moat was narrowed around 1850 to a graceful pond arm in landscape style and on the axis of the main entrance of the main residential quarter a dam was laid across the moat on the central sightline of the plantations situated outside the dike. The inner ward is connected to the outer ward via an earth dam. The entrance to the ensemble is formed by the gatehouse from the first half of the 17th century ("voirste poirt aen den voirhoff") with retaining wall and bridge on the east side of the outer ward, consisting of a double brick gateway passage on rectangular ground plan, whitewashed in the 18th or 19th century, the gables of which curve in a quarter-circle towards the roof (unplastered in restoration, ornamental brickwork with headers placed downwards), covered underneath with a slate-covered hipped roof ("verheven kapken"). Adjacent to the wooden drawbridge (restoration 1939) which rests on the east side against the gatehouse on a brick retaining wall (originally 16th or 17th century) of the moat exterior. On this retaining wall a simple 19th-century iron balustrade, which also encloses the grounds of the Reformed Church towards the moat. The bridge leads to the trapezoid-shaped outer ward which is completely enclosed by a brick curtain wall, also a retaining wall (15th-19th century). This also forms part of the foundation of a number of service buildings situated on the outer ward and a gateway and merges into the masonry. The outer ward as such was possibly laid out simultaneously with the inner ward and dates from the 13th century. Two of the three towers situated on the outer ward were already present in 1450, namely those on the northwest and southwest corners. The semi-round brick tower on the northwest side (so-called Platte tower) was reconstructed in the first restoration in the 20th century (1930) (demolished late 18th century). Adjacent to the southwest tower on the west side lies a wooden bridge to the rampart. The tower is accessible via a brick staircase on the east side. In the tower several cloister windows, now with leaded glass and cloister windows. The tower reconstructed in the northwest corner around 1930 is placed with its straight front gable at an angle to the courtyard of the outer ward. On the ground floor in the middle is a semi-round doorway. On the two storeys each two cloister windows. In the top gable six dovecotes. In the gable protruding semi-round to the northwest, on the two storeys each two cloister windows. The outer ward is accessible via the gatehouse covered with a hipped roof (red tiles) with gatekeeper's lodge, which is braced by a broad buttress placed diagonally against the northeast corner. Gatehouse and lodge were constructed around the middle of the 16th century. In the gatehouse, coming from the east, on the right side a double semi-round gateway passage with double gateway door with diagonal stripes in red and white. Adjacent to the right side the gatekeeper's lodge which encloses the east side of the outer ward. Also covered by hipped roof (black-glazed tiles). On the inner side of the outer ward, the gatekeeper's lodge shows four twenty-four-pane sash windows with shutters. On the left side two twelve-pane sash windows, the right one with shutters. Towards the moat side, during the restoration in 1939, a cross window was made on the ground floor and four arched broad gun slits on cellar level. The gatekeeper's lodge is placed at right angles to and adjoins the monumental brick-constructed steward's lodge, which encloses the north side of the outer ward. In the external corner of both lodges the tower already present in 1450, placed at an angle to this corner and with a semi-round ground plan outward, which at about three-quarters height is narrowed to a polygon (slate-covered curved roofs) and which is covered by a hipped roof (slate) which appears to the outside as a multi-sided tent roof. The lowest storey of the steward's lodge dates back to the 15th century. Between 1611 and 1613 the lodge was heightened by one storey and covered by a hipped roof with tiles (black-glazed tiles on the south side, red tiles on the north side). The wall anchors M.G.Z.D.B.M.Z.B.O.Z. are the initials of Maria Gräfin zu Dem Bergh Markgräfin Zu Bergen Op Zoom. Central in the front gable a semi-round gateway passage. On the storey 9 Empire sash frames (late 18th century) with blinds (restoration 1930 or 1939). On the middle bay a hatch sunken into the gable. On the ground floor on the left a straight entrance door with fanlight and to the right of it two windows as on the storey. To the right of the door three high windows under arched moulding with leaded glass (restoration 1939). In the rear gable of the steward's lodge situated towards the north moat a cloister window and several windows with leaded glass (restoration 1939). The ground plan of the polygonal circular inner ward with curtain and retaining walls and the residential quarters situated on the eastern half was established before the fifteenth century. In the restoration in 1939, below the walking surface of the inner courtyard, a large remnant of a heavy brick curtain wall with a rampart on arches was still found. On the northeast side the original course of the wall was established. At the end of 1938, large fragments of tufa stone were discovered on the inner courtyard in the soil before the entrance step to the main residential quarter, coming from the centrally situated 13th-century round defensive tower on the inner ward (3 meter thick walls, 12 meter diameter). The entrance to the inner ward was formerly in the heavy wall block on the exterior (north) side of the large square tower situated on the north side at the location of the small window at cellar height. Both inside and outside it can be seen that a passage has been bricked up there. This gateway was apparently bricked up when the large tower was built (before 1400) and replaced by an entrance at the place where it still is, directly against the northwest corner of the tower. This semi-round gateway passage perpendicular to the gate of the steward's lodge is distinguished by a sandstone frame with Corinthian pilasters and a cornice above which a relief with the coat of arms of the County of Bergh is carved. On the frieze stands the chronogram: CoMes osWaLDUs sibi Et posteris erexit (Count Oswald erected this for himself and his descendants, 1679). The stonework was supplied by Jan Rendelers from Koesfeld in Westphalia. On either side a medallion with relief is set in, presumably added later, probably from the middle of the 17th century. In the restoration the gateway was integrated into the gatehouse then built in Medieval style. Before 1450 the large square tower and the cellared main residential quarter were constructed; to the latter quarter various alterations and rebuilding were subsequently made. The square tower contained before the restoration of 1939 above the ground floor level three more storeys, the second and third of which were united in this restoration. The ground floor is covered by two barrel vaults which rest in the middle on an arch, the first storey has a wooden ceiling, the second had a ceiling but this was replaced by a passage along the walls, whereby it was united with the third, which is covered by a rib-less cross vault. The very shallow sloping tower roof is surrounded by a parapet with octagonal corner turrets on the corners, which have vaulted roofs (slate). The dovecotes in the original cloister window on the south side on the upper storey were blocked up in the restoration in 1939. The long wing of the residential quarter, the front of which faces the courtyard situated on the western half of the inner ward, was constructed before 1450 and is placed inorganically in the polygon of the inner ward (in the 16th century called the "groote staefve or stove"). The front gable was stripped of plasterwork in the last restoration (applied in the second half of the 17th century). The gable shows above the cross windows (restoration 1939) of the piano nobile the lintels and discharging arches of a set of cloister windows with central mullion and of very lofty appearance. The residential quarter was in the time of Herman van den Bergh (1558-1611) presumably provided with a first storey with roof by the Emmerich city carpenter Willem van Bommel. In the wall anchors on the front gable the names of the patron and his spouse are immortalized: H.S.Z.D.B.M.M.V.B., Herman Graf Zu Dem Bergh Maria Mencia Von Bergen (op Zoom). The cellar spaces of this main residential wing are covered by a system of transverse arches and barrel vaults corresponding to the vaulting of the ground-floor space in the large tower. The present level of the inner ward dates from the time of Count Oswald, who had this level lowered 27 roeden (approximately two metres) to the level of the outer ward. He also had the terrace with terrace steps built centrally in front of the front gable of the main residential quarter in 1701 in Westphalian ornamental style. The double straight entrance door was provided with a heavy and rich frame in the said style. Above the entrance a verse is carved: Deo faVente osWaLDUs et LeopoLDIna eXstrUxerUnt (Oswaldus and Leopoldina built this with God's help, 1701). In the period 1617-1627, presumably in two phases, the two-winged residential quarter was built at the northeast corner of the inner ward. As a result, the inner ward lost its polygonal profile on this side and the present right angle was created. In the brick gables speckled joints from the building period. The rectangular residential compartments on the east and southeast side were presumably constructed at the end of the 17th or at the beginning of the 18th century (windows with multi-pane sash frames). The curtain wall at that location had already been raised high in the second half of the 16th century, possibly for building activities, which are now difficult to trace. These compartments were presumably substantially renewed after the fire in 1735. In 1728 the aforementioned chapel was constructed adjoining the south side. The masonry of the buildings on the outer and inner ward shows various building traces from different older building phases.

Valuation

The KASTEEL HUIS BERGH is of general importance from a cultural-historical perspective:


- because of its age;

- as a relatively well-preserved example of one of the oldest types of outer and inner wards in our country;

- because of the exceptionally rich building history visibly preserved;

- because of the integrity and completeness of the ensemble of moated historical service buildings, residential quarters, curtain and retaining walls, gateways and towers of a ward originally Medieval;

- as an expression of a restoration principle from 1939.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map