Rijksmonumentenregister · Netherlands
Klooster Zrs. Kostbaar Bloed
Koningsbosch, Limburg, Netherlands
The record
- Designation
- National monument (rijksmonument)
- Class
- Klooster, kloosteronderdl
- Function
- Klooster
- Category
- onroerend gebouwd
- Built (approximately)
- 1874 - 1912
- Address
- Kerkstraat 119, 6104 AB Koningsbosch (Echt-Susteren 31)
- Place
- Koningsbosch
- Municipality
- Echt-Susteren
- Province
- Limburg
- Country
- Netherlands
- Coordinates
- 51.05237, 5.95724
- Monument number
- 525539
Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.
David Rumsey Map Collection, Stanford LibrariesUniversity Library, Vrije Universiteit AmsterdamDavid Rumsey Map Collection, Stanford LibrariesUniversity Library, Vrije Universiteit Amsterdam
4 historical maps cover this location, the earliest the 1868 map "Topografische atlas van het Koninkrijk der Nederlanden" (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).
This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗
The register's description
Omschrijving
Inleiding.
Het KLOOSTER van de Liefdeszusters van het Kostbaar Bloed is in fasen gebouwd tussen 1874 en 1912. Het oudste gedeelte betreft een klein H-vormig gebouw dat in 1876 werd vergroot met een kapel. Het kenmerkte zich door een Ambachtelijk-traditionele bouwtrant met Neo-Gotische en Neo-Romaanse elementen en is nog herkenbaar in het oostelijk deel van het zuidpand en in het oostpand (Annavleugel). Een sobere Neo-Renaissance stijl is toegepast voor het vermoedelijk in één fase omstreeks 1896 opgetrokken noordpand (Mariavleugel). Omstreeks 1896-1900 werden de huidige kapel (westelijk pand) en een nieuw entreegebouw (zuidpand) gebouwd, die zich kenmerken door een rijke Neo-Gotische vormentaal. De laatste grote bouwfase rond 1912 betrof de uitbreiding van het oostpand. Het klooster bevindt zich in uitzonderlijke gave staat, hoewel het gebouw in- en uitwendig in de tweede helft van de twintigste eeuw enkele malen op onderdelen is gewijzigd. De kapel heeft bij vertrek van de zusters in 1995 de inventaris grotendeels verloren. In 1982 is een schoolvleugel in de zuidoostelijke hoek van het gebouw afgebroken en de vrijkomende gevel gedicht met afkomend materiaal.
Omschrijving.
Het klooster bestaat uit vier vleugels die een rechthoekige binnenplaats omsluiten. De panden zijn grotendeels drie bouwlagen hoog, voorzien van souterrain en kapverdieping. Binnen het klooster zijn duidelijk de verschillende bouwfasen te onderscheiden. Het oost- en noordpand vormen een hoog, aaneengesloten geheel, het west en zuidpand zijn onregelmatiger van opbouw. De volumes worden in hoofdzaak afgesloten door elkaar snijdende zadeldaken belegd met rechthoekige leien en rensleien in Maasdekking. De afwatering vindt plaats via geprofileerde bakgoten op een gemetselde tandlijst. Alle vleugels zijn opgetrokken in baksteen in kruisverband, met per bouwfase verschillende baksteensoort, gevelindeling en venstertypen. Het zuidpand telt twee bouwlagen en een zolderverdieping en bevat links het opvallende entreevolume uit ca. 1900 dat wordt gedekt door een samenstelsel van schilddak en aangekapte zadeldaken over de topgevels die de drie risalieten in de voorgevel bekronen. In het voorschild bevinden zich evenals in de twee zijschilden laag in het dakvlak geplaatste dakkapellen. De gevels hebben een omlopende uitgemetselde plint afgesloten met een hardsteen waterlijst en voorzien van kelderlichten met een gebiljoende hardsteen omlijsting. De gevels worden geleed door speklagen ter hoogte van wisseldorpels en bovendorpels en een doorlopende hardstenen waterlijst onder de vensters. De symmetrische voorgevel heeft een regelmatige indeling met hardsteen kruisvensters gevuld met houten vensters. De vensters bevinden zich binnen in rode vormsteen uitgevoerde spitsboogomlijstingen met driepassen en siermetselwerk in de boogtrommels. In het middenrisaliet bevindt zich in een vergelijkbare omlijsting gevatte hoofdentree onder een forse, bewerkte houten luifel. Naar de dubbele houten deuren voorzien van siergehengen leiden hardsteen stoeptreden. De middenrisaliet wordt afgesloten met een tuitgevel waarin een spitboogvenster met neogotische hardsteen tracering en twee rechthoekige houten vensters. Hierboven bevindt zich op console en onder baldakijn een heiligenbeeld. De tuitgevels waarmee de zijrisalieten worden bekroond zijn voorzien van klimmende boogfriezen gevuld met rechthoekige houten venstertjes. Op de rechter tuitgevel is de oorspronkelijke hardstenen kruisbloem bewaard gebleven. De linker zijgevel bevat links in de eerste en tweede bouwlaag een gekoppeld spitsboogvenster met glas-in-lood. Rechts in de tweede bouwlaag een rechthoekig zesruits venster onder rondboog. In de achtergevel bevindt zich een achteringang in het rechter geveldeel naast de aansluiting van de kapel. Deze segmentboogvormig afgesloten entree heeft dubbele houten deuren. Rechts van deze deur en op de verdieping bevinden zich enkele gekoppelde spitsboogvensters zoals voornoemd. Tegen de achtergevel ter hoogte van de binnenhof bevindt zich een risaliet onder schilddak met rijke smeedijzeren sierbekroningen op elk nokuiteinde. In de uitbouw rechts in elke bouwlaag kleine getoogde T-vensters en links in elke bouwlaag vier smalle getoogde (toilet)venstertjes. Rechts van het entreegebouw een terugliggend volume behorend tot de bouwfase van 1874. Dit volume is afgedekt met een zadeldak en wordt in het midden benadrukt door een licht risalerende partij met een vermoedelijk later gewijzigde topgevel. In deze risaliet een ingangsportiek met bepleisterd kruisribgewelf, dubbele houten paneeldeuren met gietijzeren deurkloppers, een geprofileerd hardstenen deurkalf en een spitsboogvormig bovenlicht met houten vorktracering waarin glas-in-lood in visblaasmotieven. De gevel bevat houten kruisvensters met stolpramen onder en een extra tussenstijl in de bovenramen. De vensters zijn licht segmentboogvormig afgesloten en aan de onderzijde voorzien van hardstenen lekdorpels. De gevel wordt afgesloten met een gemetseld boogfries. Rechts vooruitspringend de drie bouwlagen hoge in 1982 vrijgekomen en dichtgemetselde nieuwe eindgevel van de oostvleugel. Het oostpand wordt door een zadeldak gedekt dat links eindigt met een schildeind en rechts het dak van het noordpand snijdt. Het pand bestaat uit een sober geveldeel links dat in 1912 verhoogd is. Rechts in deze partij bevinden zich vijf steunberen als overblijfsel van de hier aanwezige kapel uit 1876. De steunberen zijn anderhalve bouwlaag hoog en hebben een versnijding ter hoogte van de eerste bouwlaag. De twee vensterassen brede traveeën worden gescheiden door smalle lisenen en in het dakschild benadrukt door topgeveltjes met schouderstukken. Op de overgang tussen eerste en tweede bouwlaag bevindt zich een in siermetselwerk uitgevoerde cordonlijst voorzien van kruismotieven. In de eerste bouwlaag segmentboogvormig afgesloten vensters, in de tweede bouwlaag vierruits vensters onder latei en spitsboog, in de derde bouwlaag hoge vensters onder spitsboog. Rechts een uitgebouwd trappenhuis van vier bouwlagen onder sterk hellend schilddak bekroond met pironnen, waarin gekoppelde blinde lancetbogen voorzien van rechthoekige (toilet)venstertjes. Tussen het trappenhuis en de met een trapgevel bekroonde kopgevel van het noordpand bevinden zich drie venstersassen met kruisvensters onder spitsboogtrommels voorzien van metselwerk in sierverband vergelijkbaar met de vensters in het noordpand. De kopgevel van het noordpand heeft in het midden een uitgemetseld rookkanaal. Aan weerszijden vensters zoals voornoemd en in de top klimmende lancetvensters. De achtergevel van het oostpand aan de binnenhof heeft links een drie vensterassen tellende regelmatig ingedeelde partij uit 1912 die is gedetailleerd zoals de achtergevel van het noordpand. In de derde as van rechts een segmentboogvormige dubbele strokendeur met zware smeedijzeren gehengen en een spitsboogvormig bovenlicht gescheiden door een gemetseld deurkalf. Naar de verhoogde deur leidt een trap. Rechts hiervan een gevelindeling zoals in de voorgevel van het oostpand, met een topgevel en steunberen. Voorts een trappenhuis onder schilddak met sierbekroning. Het noordpand wordt afgesloten door een zadeldak tussen trapgevels dat een reeks dakkapellen bevat. Links in het achterschild een hoge gemetselde schoorsteen. In het midden van het noordelijk dakschild een door de gootlijst stekende topgevel onder zadeldak met hijsbalk, dubbele veelruits laaddeuren en een ijzeren balkon. De noordgevel telt vijftien vensterassen. In de kelderlaag rechthoekige kelderlichten met in de vierde as van links een kelderingang met houten deur. Daarboven in elke bouwlaag houten kruiskozijnen onder spitsbogen met metselwerkvulling in wisselend sierverband. De vensters van de drie bouwlagen rusten op doorlopende hardstenen waterlijsten. De symmetrisch ingedeelde achtergevel van het noordpand aan de binnenhof telt zes vensterassen. In de plint, die is afgesloten met een waterlijst in rode profielsteen bevinden zich vijf kelderlichten zoals in de voorgevel. In de tweede as van rechts een kelderingang met dubbele houten deuren voorzien van forse gehengen, een hardstenen trap en aan weerszijden van het trapgat een oorspronkelijke smeedijzeren balustrade. In elke bouwlaag bevinden zich zes houten kruisvensters onder spitsbogen met sobere boogvulling. Het westpand omvat in het zuiden de kapel uit 1896 met langs de westflank een eenlaags kloostergang onder lessenaardak. Over het schip een zadeldak met een geknikt flauw hellend oostelijk zijschild over de twee bouwlagen tellende oostelijke zijbeuk. Op de nok bevindt zich aan de zuidzijde een achtzijdige dakruiter, met open klokkenstoel voorzien van wimbergen met driepasmotieven en bekroond door een spits met siernaald en haantje. Het zuidelijk nokuiteinde heeft een pinakel. De dakschilden bevatten gelijkvormige dakkapelletjes bekroond door zinken pironnen. De gevels van de kapel worden gekenmerkt door de toepassing van rode en roodbruin geglazuurde vormsteen onder meer rond en in vensteropeningen, en als omlijsting en afdekking van steunberen. De gevels van de kapel worden geleed door steunberen, waartussen zich grote spitsboogvensters met maaswerk bevinden. In de westelijke kloostergang gekoppelde spitsboogvensters tussen steunberen in elke travee. Het noordelijke volume van het westpand heeft aan de westzijde drie uitspringende volumes waarvan het hoge middelste volume met een eigen schilddak wordt gedekt. Deze uitbouw bevat een trappenhuis en heeft bij gevolg een afwijkende gevelindeling. Het trappenhuis wordt met een serie blinde rondboognissen afgesloten. Links een drie bouwlagen en souterrain tellende aanbouw onder lessenaardak tegen de eindgevel van de noordvleugel. De trapgevel boven deze uitbouw is versierd met sobere klimmende boogfriezen. In het midden is een rookkanaal opgenomen die uitkomt in de top. In de uitbouw kelderlichten, en rechthoekige vensters in drie bouwlagen onder spitsbogen en segmentbogen (derde bouwlaag) op doorlopende waterlijsten. De lage uitbouw rechts heeft een aangekapt schilddak. Aan de binnenhofzijde heeft het westpand ter hoogte van de kapel een regelmatige gevelindeling van zeven traveeën tussen steunberen, met in de eerste bouwlaag boven de plint tweelingvensters, een tussenverdieping met zelfstandige lancetvenstertjes, een derde bouwlaag met brede spitsbogen voorzien van een drielicht-tracering. De laatste travee heeft een afwijkende opstand met in de eerste bouwlaag een entree. De achtergevel van het rechter deel ligt terug ten opzichte van de kapel en heeft een indeling zoals de achtergevel van het noordpand. Het interieur van het klooster heeft het karakter van omstreeks 1912 grotendeels behouden. De hoofdopzet wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van een kruisgang langs de binnenhof in het oostpand en het noordpand en in een gedeelte van het west- en het zuidpand. Aan deze gang bevinden zich enkele trappartijen, aan de buitenzijde vertrekken waaronder voormalige leslokalen. De kapel ligt in dezelfde as als de entree van het hoofdgebouw en is voorzien van een eigen, in dezelfde stijl uitgevoerde kruisgang afgesloten met graatgewelven. Het schip van de kapel heeft een afdekking met kruisgewelven op ronde zuilen met bladkapitelen en schei- en gordelbogen uitgevoerd in (geglazuurde) vormsteen. De oostelijke opstand is driedelig met een open galerij en een blind triforium waarachter een zusterkapel. In dit rijke en in hoge mate gaaf bewaarde interieur uit de periode 1874-1912 zijn voorts onder meer van belang de paneeldeuren met bijbehorende kozijnen die nog bijna overal aanwezig zijn, diverse trappartijen die voorkomen in alle vleugels met respectievelijk houten (vroege bouwfase) en smeedijzeren leuningen, en voorzien van kenmerkende bogen op zuilen met bladkapitelen. De toepassing van geglazuurde en deels geprofileerde baksteen in deur- en raamomlijstingen in de kapel, de kruisgang en het entreegebouw uit 1896-1900, keramische en natuurstenen vloertegels in de kruisgangen en in de dienstruimten in de kelder, de interieurafwerking van de toiletten, pianokamertjes (noordpand), de leslokalen met grote deuropeningen in de deelmuren (oostpand) en de houten chambrettes die nog aanwezig zijn in de slaapzalen in het oost- en noordpand.
Waardering.
Het klooster is van algemeen, cultuurhistorisch en architectuurhistorisch belang als hoofdonderdeel van het kloostercomplex van de Zusters van het Kostbaar Bloed. Het klooster heeft typologische waarde als herkenbaar voorbeeld van een groot klooster van een onderwijscongregatie met pensionaat uit omstreeks 1900. Het klooster bezit architectuurhistorische waarde vanwege esthetische kwaliteiten die onder meer tot uitdrukking komen in het materiaalgebruik van de kapel en het entreegebouw en in het bijzonder gaaf bewaarde interieur. Het klooster is voorts van waarde vanwege de binnen het gebouw te onderscheiden bouwstijlen, die kenmerkend zijn voor kloostergebouwen tussen 1874 en 1912 en als belangrijk werk binnen het oeuvre van de architect Johannes Kayser. Het klooster heeft situeringswaarde vanwege de ligging aan de entree van het dorp Koningsbosch, waar het door grootte en uitstraling een belangrijke beeldbepalende rol speelt.
English translation
The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com
Description
Introduction.
The CONVENT of the Sisters of Charity of the Precious Blood was built in phases between 1874 and 1912. The oldest part consists of a small H-shaped building which was enlarged in 1876 with a chapel. It was characterized by a Craftsman-traditional building style with Neo-Gothic and Neo-Romanesque elements and is still recognizable in the eastern part of the southern wing and in the eastern wing (Anna Wing). A sober Neo-Renaissance style was applied to the presumed northern wing (Maria Wing), which was built in one phase around 1896. Around 1896-1900 the present chapel (western wing) and a new entrance building (southern wing) were built, which are characterized by a rich Neo-Gothic formal language. The last major building phase around 1912 involved the extension of the eastern wing. The convent is in an exceptionally well-preserved state, although the building was altered in parts both internally and externally several times in the second half of the twentieth century. The chapel lost most of its inventory when the sisters departed in 1995. In 1982 a school wing in the southeastern corner of the building was demolished and the vacant gable wall was filled with reclaimed material.
Description.
The convent consists of four wings enclosing a rectangular courtyard. The buildings are largely three storeys high, provided with basement and attic storey. Within the convent the different building phases are clearly distinguishable. The eastern and northern wing form a tall, continuous whole, the western and southern wings are more irregular in construction. The volumes are principally closed by intersecting gabled roofs covered with rectangular and riven slates in Maas bond. Drainage takes place via profiled gutters on a brick dentil course. All wings are constructed of brick in English bond, with different brick types, gable divisions and window types for each building phase. The southern wing has two storeys and an attic storey and contains on the left the striking entrance volume from circa 1900 which is covered by a system of hipped roofs and adjoining gabled roofs over the gable ends which crown the three risalits in the front facade. In the front hip, as in the two side hips, roof dormers are positioned low in the roof plane. The gables have a running brick plinth closed with a sandstone drip moulding and furnished with basement lights with a chamfered sandstone surround. The gables are articulated by brick bands at the level of intermediate and upper lintels and a continuous sandstone drip moulding under the windows. The symmetrical front facade has a regular layout with sandstone cross windows filled with wooden windows. The windows are located within spittoon arch surrounds executed in red moulded brick with three-lobe patterns and decorative brickwork in the arch drums. In the central risalit is located the main entrance within a similar surround under a substantial, worked wooden canopy. Sandstone steps lead to the double wooden doors furnished with decorative hinges. The central risalit is crowned with a spout gable containing a pointed arch window with neo-gothic sandstone tracery and two rectangular wooden windows. Above this, on corbels and under a baldachin, is a saint's image. The spout gables which crown the side risalits are furnished with climbing arch friezes filled with rectangular wooden small windows. On the right spout gable the original sandstone cross flower has been preserved. The left side gable contains on the left in the first and second storey a coupled pointed arch window with leaded glass. On the right in the second storey a rectangular six-light window under round arch. In the rear gable is a rear entrance in the right gable section next to the connection of the chapel. This segment arch terminated entrance has double wooden doors. To the right of this door and on the upper storey are several coupled pointed arch windows as mentioned above. Against the rear gable at the level of the courtyard is a risalit under hipped roof with rich wrought iron decorative cresting on each ridge end. In the extension to the right in each storey small arched T-windows and on the left in each storey four narrow arched (toilet) small windows.
To the right of the entrance building a recessed volume belonging to the building phase of 1874. This volume is covered with a gabled roof and is emphasized in the middle by a slightly projecting section with a presumed later modified gable end. In this risalit an entrance portico with plastered cross-rib vault, double wooden panelled doors with cast iron door knockers, a profiled sandstone door sill and a pointed arch shaped fanlight with wooden fork tracery containing leaded glass in fishmouths motifs. The gable contains wooden cross windows with casements below and an extra intermediate mullion in the upper sashes. The windows are slightly segment arch terminated and furnished at the bottom with sandstone drip lintels. The gable is closed with a brick arch frieze. To the right projecting the three storey high and in 1982 vacant and brick-filled new end gable of the eastern wing.
The eastern wing is covered by a gabled roof which ends on the left with a half-hipped end and on the right intersects the roof of the northern wing. The wing consists of a sober gable section on the left which was heightened in 1912. On the right in this section are five buttresses as remains of the chapel that existed here in 1876. The buttresses are one and a half storeys high and have a cutting at the level of the first storey. The bays, two window axes wide, are separated by narrow pilasters and in the roof gable emphasized by small gable ends with shoulder pieces. On the transition between first and second storey is a cornice executed in decorative brickwork furnished with cross motifs. In the first storey segment arch terminated windows, in the second storey four-light windows under lintel and pointed arch, in the third storey tall windows under pointed arch. On the right an extended stairwell of four storeys under steeply pitched hipped roof crowned with finials, containing coupled blind lancet arches furnished with rectangular (toilet) small windows. Between the stairwell and the end gable crowned with a stepped gable of the northern wing are three window axes with cross windows under pointed arch drums furnished with brickwork in decorative bond comparable with the windows in the northern wing. The end gable of the northern wing has in the middle an exterior brick chimney flue. On either side windows as mentioned above and in the top climbing lancet windows.
The rear gable of the eastern wing at the courtyard has on the left a regularly subdivided section counting three window axes from 1912 which is detailed as the rear gable of the northern wing. In the third axis from the right a segment arch terminated double stripped door with heavy wrought iron hinges and a pointed arch shaped fanlight separated by a brick door sill. A stair leads to the raised door. To the right of this a gable division as in the front gable of the eastern wing, with a gable end and buttresses. Furthermore a stairwell under hipped roof with decorative cresting.
The northern wing is closed by a gabled roof between stepped gables which contains a series of roof dormers. On the left in the rear hip a tall brick chimney. In the middle of the northern roof hip a gable end projecting through the gutter line under gabled roof with hoist beam, double multi-light loading doors and an iron balcony. The north gable has fifteen window axes. In the basement storey rectangular basement lights with in the fourth axis from the left a basement entrance with wooden door. Above in each storey wooden cross windows under pointed arches with brickwork filling in alternating decorative bond. The windows of the three storeys rest on continuous sandstone drip mouldings. The symmetrically divided rear gable of the northern wing at the courtyard has six window axes. In the plinth, which is closed with a drip moulding in red profile stone, are five basement lights as in the front gable. In the second axis from the right a basement entrance with double wooden doors furnished with substantial hinges, a sandstone stair and on either side of the stairwell an original wrought iron balustrade. In each storey are six wooden cross windows under pointed arches with sober arch filling.
The western wing comprises in the south the chapel from 1896 with along the western flank a one-storey monastic corridor under lean-to roof. Over the nave a gabled roof with a bent shallow sloping eastern side hip over the eastern side aisle counting two storeys. On the ridge at the south side is an octagonal roof turret with open bell cote furnished with wimbergs with three-lobe motifs and crowned by a spire with ornamental finial and weathercock. The southern ridge end has a pinnacle. The roof hips contain similar shaped small roof dormers crowned by zinc finials. The gables of the chapel are characterized by the use of red and reddish-brown glazed moulded brick, among others around and in window openings, and as surround and capping of buttresses. The gables of the chapel are articulated by buttresses, between which are large pointed arch windows with tracery. In the western monastic corridor coupled pointed arch windows between buttresses in each bay. The northern volume of the western wing has on the west side three projecting volumes, of which the tall central volume is covered with its own hipped roof. This extension contains a stairwell and consequently has a different gable layout. The stairwell is closed with a series of blind round arch recesses. On the left a three storey and basement extension under lean-to roof against the end gable of the northern wing. The stepped gable above this extension is decorated with sober climbing arch friezes. In the middle a chimney flue is incorporated which opens at the top. In the extension basement lights and rectangular windows in three storeys under pointed and segment arches (third storey) on continuous drip mouldings. The low extension on the right has an adjoining hipped roof. At the courtyard side the western wing at the level of the chapel has a regular gable layout of seven bays between buttresses, with in the first storey above the plinth twin windows, an intermediate storey with independent lancet small windows, a third storey with broad pointed arches furnished with three-light tracery. The last bay has a different elevation with in the first storey an entrance. The rear gable of the right section is set back relative to the chapel and has a layout as the rear gable of the northern wing.
The interior of the convent has largely retained the character of around 1912. The main layout is characterized by the presence of a cloister along the courtyard in the eastern and northern wing and in part of the western and southern wing. At this cloister are several stairwells, on the outside rooms including former classrooms. The chapel lies in the same axis as the entrance of the main building and is provided with its own cloister executed in the same style, closed with rib vaults. The nave of the chapel has a covering with cross vaults on round columns with leaf capitals and partition and belt ribs executed in (glazed) moulded brick. The eastern elevation is tripartite with an open gallery and a blind triforium behind which is a nun's chapel. In this rich and to a high degree well-preserved interior from the period 1874-1912 are furthermore among other things the panelled doors with corresponding frames which are still present almost everywhere, various stairwells which occur in all wings with respectively wooden (early building phase) and wrought iron railings, and furnished with characteristic arches on columns with leaf capitals. The use of glazed and partly profiled brick in door and window surrounds in the chapel, the cloister and the entrance building from 1896-1900, ceramic and natural stone floor tiles in the cloisters and in the service rooms in the basement, the interior finishing of the toilets, music rooms (northern wing), the classrooms with large door openings in the partition walls (eastern wing) and the wooden chambrettes which are still present in the dormitories in the eastern and northern wing.
Valuation.
The convent is of general, cultural-historical and architectural-historical importance as the principal component of the convent complex of the Sisters of the Precious Blood. The convent has typological value as a recognizable example of a large convent of a teaching congregation with boarding school from around 1900. The convent possesses architectural-historical value because of aesthetic qualities which are expressed among other things in the material use of the chapel and the entrance building and in particular in the exceptionally well-preserved interior. The convent is furthermore of value because of the building styles distinguishable within the building, which are characteristic of convent buildings between 1874 and 1912 and as an important work within the oeuvre of the architect Johannes Kayser. The convent has situational value because of its location at the entrance of the village of Koningsbosch, where by its size and appearance it plays an important role in determining the townscape.
Nearby in the register
- LourdesgrotKlooster, kloosteronderdlunder 1 mi
- Tuin met muurTuin, park en plantsoenunder 1 mi
- Straatmeubilair, Molenweg 38 AStraatmeubilairunder 1 mi
- Kapel(F1), Spaanshuisken 8Kapel1 mi
Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.