TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Psychiatrische inrichting, Sint Jorisweg 2 A

Delft, Zuid-Holland, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Gezondheidszorg
Function
Psychiatrische inrichting
Category
onroerend gebouwd
Built
1895
Address
Sint Jorisweg 2 A, 2612 GA Delft
Place
Delft
Province
Zuid-Holland
Country
Netherlands
Coordinates
52.02076, 4.36062
Monument number
525326

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

University Library, Vrije Universiteit Amsterdam

3 historical maps cover this location, the earliest the 1879 map "Chromo lithographische kaart 's Gravenhage en omstreken : Leiden, Delft, de Katwijken, Hazerswoude, Bergschenhoek, 's Gravezande enz." (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

Inleiding

Het PSYCHIATRISCH ZIEKENHUIS van het buitengesticht Sint Joris Gasthuis werd in 1895 door M.A.C. Hartman ontworpen als onderdeel van een symmetrisch complex, bestaand uit in totaal acht paviljoens en een keukengebouw. Het hoofdgebouw, waarin een kapel en ruimten voor de geneesheren waren ondergebracht, was met de voorste twee paviljoens door middel van gangen verbonden. In de tweede helft van de jaren 1990 zijn alle panden met uitzondering van het hoofdgebouw gesloopt. Het hoofdgebouw is vervolgens gerestaureerd en ingericht als museum waarin de geschiedenis van de psychiatrie wordt verbeeld. Het complex was oorspronkelijk gelegen op een zeer diep terrein, reikend van het Rijn-Schielandkanaal tot voorbij de huidige snelweg A13. Als stedenbouwkundig element is het laantje, dat in een rechte lijn het hoofdgebouw van het buitengesticht verbindt met het kanaal, behouden. Wel zijn in de loop der tijd de terreinen aan weerszijden van het laantje bebouwd. Tevens is de St. Jorisweg op korte afstand van het hoofdgebouw, haaks op het laantje, aangelegd. Het originele, maar voor de bescherming van ondergeschikt belang zijnde ijzeren hekwerk is hierbij van de kanaalzijde verplaatst naar de St. Jorisweg.

De Eclectische bouwstijl van het gasthuis is herkenbaar aan de op schilderachtige effecten gerichte vormentaal, waarbij gebruik gemaakt is van ten opzichte van elkaar verspringende bouwvolumes, chalet-daken en kleurig siermetselwerk, afgewisseld door pleisterwerk. In het hoofdgebouw zijn met name Renaissance-motieven toegepast.

Als gevolg van een brand tijdens de verbouwing zijn delen van het interieur van het hoofdvolume verloren gegaan. Het bijzondere interieur van de kapel is behouden. Aan de oostzijde van deze kapel is in de jaren 1920 een klein transformatorhuisje gebouwd, dat in detaillering en materiaalgebruik het totaalbeeld eerder versterkt dan afbreekt.

De verbouwing heeft gevolgen gehad voor het aanzien van de zijgevels van het hoofdvolume. Het verwijderen van de gangen is onder andere opgevangen door het plaatsen van dubbele deuren, die voorheen toegang gaven tot de gang, in die delen van de wand die van binnen- tot buitenzijde werden. Het gebouw is door sloop van de paviljoens en het keukengebouw thans geheel vrijstaand. Het originele, maar verplaatste ijzeren sierhekwerk vormt de afsluiting van het terrein aan de westzijde.

Omschrijving

De voorgevel is georiënteerd op het westen, op het laantje dat verbonden is met het Rijn-Schielandkanaal.

De T-vormige plattegrond is symmetrisch, en is samengesteld uit het vrijwel rechthoekige hoofdvolume en de aan de achterzijde gesitueerde kapel met halfronde koorsluiting. Kleinere rechthoekige volumes van één bouwlaag, met plat dak, grenzen aan het hoofdvolume en de kapel. Waar het hoofdvolume twee verdiepingen telt, heeft de kapel één bouwlaag, die echter overeenkomt met anderhalve bouwlaag van het hoofdgebouw. Aan de oostzijde van het koor is op een rechthoekige plattegrond een klein transformatorhuisje gebouwd. Het transformatorhuisje is manshoog.

De gevels zijn opgetrokken uit grauwrode baksteen, geplaatst op een hardstenen plint. Hardstenen waterlijsten zijn aangebracht ter hoogte van de onderdorpels van de vensters in de eerste en tweede bouwlaag. Gepleisterde speklagen ter hoogte van de middendorpel geven een verdere horizontale geleding. De samengestelde dakpartij van het hoofdvolume bestaat uit een zadeldak evenwijdig aan de voorgevel, met steekkap boven de risaliet. Aan de achterzijde sluit het zadeldak van de kapel aan op het dak van het hoofdvolume. Het koor van de kapel heeft een zevenzijdig, met leien gedekt schilddak. Op het zadeldak van het schip en op de koorafsluiting zijn dakkapellen geplaatst, die voor een deel worden bekroond door pironnen. Het zadeldak van het transformatorhuisje is evenals de overige daken met pannen gedekt. De kap van het hoofdvolume heeft een ruime oversteek, gedragen door houten schoren. De uitgezaagde decoratieve randen van de kappen zijn als gevolg van de brand verloren gegaan. Hiervoor in de plaats zijn eenvoudige gesloten houten oppervlakten aangebracht.

De symmetrische voorgevel (westzijde) bestaat uit vijf traveeën, waarvan drie in het midden deel uitmaken van een risaliet. Alle traveeën kenmerken zich door rechtgesloten vensters met schuiframen en bovenlicht in eerste en tweede bouwlaag, met uitzondering van de middentravee, waarin de inpandige entree is ondergebracht, alsmede een klein drielichtsvenster in de zolderverdieping. De schuifvensters zijn voorzien van een rondboogvormig spaarveld, waarbij de uit felrode bakstenen gemetselde boog geleed is door aanzet- en sluitstenen. Twee hardstenen treden leiden tot dubbele geprofileerde houten deuren, voorzien van ijzeren sierwerk en staand onder halfrond bovenlicht. Deze halfronde vorm herhaalt zich in de bakstenen boog voor de entree, in de gevelwand. Deze boog is geplaatst op consoles, die met elkaar verbonden worden door een hardstenen ligger. In de open boog bevindt zich een lamp, hooggehouden door een ijzeren sierwerk. Links naast de entree is een reliëf in de plint aangebracht, met daarop een voorstelling van St. Joris. Net onder de hardstenen cordonlijst tussen de eerste en de tweede bouwlaag zijn op de hoeken reliëfs geplaatst. Links bevindt zich een voorstelling van twee vrouwenhoofden, rechts een voorstelling van twee mannenhoofden. Deze reliëfs herinneren aan de tweedeling tussen de mannen- en de vrouwenafdeling.

De vrijwel symmetrische achtergevel toont de rechthoekige gesloten bouwmassa van het hoofdvolume, ten opzichte waarvan de kapel, met daarvoor koorafsluiting en transformatorhuisje, risaleert. In de zevenzijdige koorafsluiting zijn drie rondboogvensters opgenomen, die zijn ingevuld met glas-in-lood. Links en rechts van de koorafsluiting bevinden zich één bouwlaag hoge, van lessenaarsdaken voorziene uitbouwsels, met een klein rondboogvenster in het diagonaal geplaatste gevelvlak. Het transformatorhuisje is door een rechthoekige metalen deur hermetisch afgesloten.

De asymmetrische linker zijgevel toont de overgang tussen hoofdvolume en kapel, die tot uitdrukking komt in verschillen in hoogte, dakvorm en vensters.

De gevel van het hoofdvolume kent een onregelmatige verdeling van venster en deuren. Deze verdeling komt voort uit de positie van de trap in het interieur, waarmee een relatief groot venster met een voorstelling in glas-in-lood is gerelateerd. Dit venster bevindt zich links in de gevel. De gevel van het schip van de kapel is geleed door drie gelijkvormige rondboogvensters, met ingeschreven gekoppelde rondboogvensters. De vensters bevatten blank glas-in-lood.

De zijgevel van het transformatorhuisje is versierd met een in baksteen uitgevoerd electriciteitssymbool.

De asymmetrische rechter zijgevel komt in hoge mate overeen met de linker zijgevel. Belangrijkste afwijking is het hier ontbreken van het grote glas-in-loodvenster. Tijdens de verbouwing in 1997 zijn in dit deel van de gevel twee kleine vensters aangebracht.

De kapel is voorzien van een steekbalk-plafond (Hammerbeamkap), voorzien van rijk gedecoreerd houtsnijwerk. Ook het balkon is voorzien van houtsnijwerk. De gevels zijn gepleisterd en bewerkt met pilasters, kapitelen en lijsten.

Waardering

Het hoofdgebouw van het psychiatrisch ziekenhuis het Sint Joris Gasthuis, waarin geneeskundige en religieuze functies waren ondergebracht, alsmede het aangebouwde transformatorhuisje, is van algemeen belang vanwege de cultuurhistorische, de architectuurhistorische en de stedenbouwkundige waarde.

Het gebouw is van cultuurhistorische waarde als een bijzondere uitdrukking van een specifieke functie en als een schakel in de ontwikkeling van de gebouwen voor de gezondheidszorg.

Het gebouw is van architectuurhistorische waarde als een goed voorbeeld van een negentiende-eeuwse bouwstijl, vanwege de plaats die het inneemt in het oeuvre van de architect Hartman en vanwege de karakteristieke hoofdvorm, het materiaalgebruik, de detaillering van exterieur en - met name - interieur en vanwege de samenhang tussen in- en exterieur.

Het gebouw heeft stedenbouwkundige, situerings- en ensemblewaarde vanwege de beeldbepalende ligging, de relatie met het hekwerk en de laan tot aan het Rijn-Schielandkanaal.

Het gebouw is tevens van belang vanwege de herkenbaarheid en de grote mate van gaafheid.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

Introduction

The PSYCHIATRIC HOSPITAL of the external institution Sint Joris Gasthuis was designed in 1895 by M.A.C. Hartman as part of a symmetrical complex, consisting of a total of eight pavilions and a kitchen building. The main building, which housed a chapel and rooms for physicians, was connected to the front two pavilions by means of corridors. In the second half of the 1990s all buildings with the exception of the main building were demolished. The main building was subsequently restored and fitted out as a museum in which the history of psychiatry is depicted. The complex was originally situated on very deep grounds, extending from the Rijn-Schielandkanaal to beyond the present motorway A13. As an urban planning element, the lane, which connects the main building of the external institution in a straight line with the canal, has been preserved. However, over time the grounds on either side of the lane have been built upon. Additionally, the St. Jorisweg was laid out a short distance from the main building, perpendicular to the lane. The original, but for the purposes of protection of subsidiary importance, iron fencing was moved from the canal side to the St. Jorisweg.

The Eclectic architectural style of the hospital is recognisable in the formal language aimed at picturesque effects, whereby use was made of building volumes that offset each other, chalet roofs and colourful decorative brickwork, alternated by plasterwork. Renaissance motifs were applied particularly in the main building.

As a result of a fire during renovation, parts of the interior of the main volume were lost. The distinctive interior of the chapel has been preserved. On the east side of this chapel, a small transformer house was built in the 1920s, which in its detailing and material use reinforces rather than detracts from the overall appearance.

The renovation has had consequences for the appearance of the side elevations of the main volume. The removal of the corridors was among other things accommodated by the placement of double doors, which previously provided access to the corridor, in those parts of the wall that extended from interior to exterior. The building is now completely freestanding as a result of the demolition of the pavilions and the kitchen building. The original, but relocated, iron ornamental fencing forms the boundary of the site on the west side.

Description

The front elevation is oriented to the west, onto the lane that is connected to the Rijn-Schielandkanaal.

The T-shaped floor plan is symmetrical, and is composed of the almost rectangular main volume and the chapel with semicircular choir closure situated at the rear. Smaller rectangular volumes of one storey, with flat roof, adjoin the main volume and the chapel. Whereas the main volume has two storeys, the chapel has one storey, which however corresponds to one and a half storeys of the main building. On the east side of the choir, a small transformer house was built on a rectangular floor plan. The transformer house is manheight.

The elevations are constructed of greyish-red brick, laid on a hardstone plinth. Hardstone drip mouldings are provided at the level of the bottom sills of the windows in the first and second storey. Plastered spaced courses at the level of the central sill provide further horizontal articulation. The composite roof structure of the main volume consists of a gabled roof parallel to the front elevation, with a roof projection above the risalit. At the rear the gabled roof of the chapel adjoins the roof of the main volume. The choir of the chapel has a seven-sided hipped roof covered with slates. On the gabled roof of the nave and on the choir closure roof dormers are placed, which are partly topped by finials. The gabled roof of the transformer house is, like the other roofs, covered with tiles. The roof of the main volume has a generous overhang, supported by wooden braces. The sawn-out decorative edges of the roof brackets were lost as a result of the fire. Simple closed wooden surfaces have been provided in their place.

The symmetrical front elevation (west side) consists of five bays, three of which in the central part form part of a risalit. All bays are characterised by round-topped windows with sash windows and fanlights in the first and second storey, with the exception of the central bay, which houses the interior entrance, as well as a small three-light window in the attic storey. The sash windows are provided with a round-arched voussoir, whereby the arch laid with bright red bricks is articulated by springing and keystone courses. Two hardstone steps lead to double moulded wooden doors, provided with iron ornamental work and standing beneath a semicircular fanlight. This semicircular form is repeated in the brick arch for the entrance, in the facade wall. This arch is placed on consoles, which are connected to each other by a hardstone beam. In the open arch is a lamp, held up by iron ornamental work. To the left of the entrance is a relief in the plinth, depicting St. George. Just below the hardstone string course between the first and second storey, reliefs are placed at the corners. On the left is a representation of two female heads, on the right a representation of two male heads. These reliefs recall the division between the men's and women's departments.

The almost symmetrical rear elevation shows the rectangular closed building mass of the main volume, in relation to which the chapel, with choir closure and transformer house in front of it, projects. In the seven-sided choir closure three round-arched windows are incorporated, which are filled with leaded glass. To the left and right of the choir closure are one-storey projections provided with lean-to roofs, with a small round-arched window in the diagonally placed facade surface. The transformer house is hermetically sealed by a rectangular metal door.

The asymmetrical left side elevation shows the transition between main volume and chapel, which is expressed in differences in height, roof form and windows.

The elevation of the main volume exhibits an irregular distribution of windows and doors. This distribution stems from the position of the stairs in the interior, which is related to a relatively large window with a representation in leaded glass. This window is situated on the left of the elevation. The elevation of the nave of the chapel is articulated by three similar round-arched windows, with inscribed coupled round-arched windows. The windows contain plain leaded glass.

The side elevation of the transformer house is decorated with an electricity symbol executed in brick.

The asymmetrical right side elevation largely corresponds to the left side elevation. The principal difference is the absence here of the large leaded glass window. During the renovation in 1997 two small windows were inserted in this part of the elevation.

The chapel is provided with a hammer beam ceiling, provided with richly decorated woodcarving. The balcony is also provided with woodcarving. The elevations are plastered and worked with pilasters, capitals and mouldings.

Valuation

The main building of the psychiatric hospital Sint Joris Gasthuis, which housed medical and religious functions, as well as the attached transformer house, is of general importance by virtue of its cultural-historical, architectural-historical and urban planning value.

The building is of cultural-historical value as a distinctive expression of a specific function and as a link in the development of buildings for healthcare.

The building is of architectural-historical value as a good example of a nineteenth-century architectural style, by virtue of its place in the oeuvre of architect Hartman and by virtue of the characteristic main form, the material use, the detailing of exterior and - particularly - interior and by virtue of the coherence between interior and exterior.

The building has urban planning, situational and ensemble value by virtue of its image-determining location, the relationship with the fencing and the lane leading to the Rijn-Schielandkanaal.

The building is furthermore of importance by virtue of its recognisability and the high degree of integrity.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map