Rijksmonumentenregister · Netherlands
St. Josephkerk
Alkmaar, Noord-Holland, Netherlands
The record
- Designation
- National monument (rijksmonument)
- Class
- Kerk en kerkonderdeel
- Function
- Kerk
- Category
- onroerend gebouwd
- Built
- 1909
- Address
- Kennemersingel 14 F, 1815 GB Alkmaar (and others)
- Place
- Alkmaar
- Province
- Noord-Holland
- Country
- Netherlands
- Coordinates
- 52.63129, 4.74028
- Part of complex
- 524888
- Monument number
- 524889
Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.
University Library, Vrije Universiteit AmsterdamUniversity Library, Vrije Universiteit AmsterdamDavid Rumsey Map Collection, Stanford Libraries
3 historical maps cover this location, the earliest the 1867 map "No. VI. Deutschland, Niederlande, Belgien, Schweiz. (Germany, Netherlands, Belgium, Switzerland)." (David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries).
This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗
The register's description
Omschrijving
Omschrijving
Driebeukige kruisbasiliek met een door ronde traptorens geflankeerde voorgevel, een schip van vier traveeën, en een koor met driezijdige koorsluiting. Op de kruising van het zadeldak van het schip en het schilddak van het transept staat een achtzijdige houten dakruiter met een hoge achtzijdige spits bekroond door een smeedijzeren kruis. Rondom de voet van deze spits zijn acht steile topgeveltjes aangebracht met bovenin een vierpasnis en onderaan driepasbogen op houten stijlen. Beide transeptgevels hebben een brede middenrisaliet voorzien van een topgevel waarachter een zadeldak dat aansluit tegen het schilddak van het transept. Op beide nokeinden van dit schilddak staat een piron. Tegen de voorgevel (Z) is een uitgebouwd portaal opgetrokken op nagenoeg vierkante plattegrond en met een zadeldak haaks op de gevel. In de twee hoeken tussen het transept en het koor bevindt zich een lagere vierzijdige zijkapel onder een driezijdig eindigend overhoeks zadeldak. Tussen het transept en de zijbeuken zijn twee lage rechthoekige aanbouwen opgetrokken voorzien van een plat dak. De aan de voorzijde afgeschuinde zijbeuken hebben vermoedelijk eveneens platte daken, de traptorens een steil kegeldak met koperen beplating. Alle overige daken zijn gedekt met leien in maasdekking. Het buitenmuurwerk is opgetrokken in roodgele machinale baksteen waalformaat in kruisverband met snijvoeg. Het muurwerk heeft een omgaande plint met een afgeschuinde bovenrand van rode profielsteen. Rond het hoofddak loopt een geprofileerde gootlijst waaronder een gemetseld fries van om en om twee rode en twee bruingeglazuurde koppen. De steunberen zijn bovenaan en ter hoogte van de versnijdingen afgedekt met hardsteen. Onder alle (grote) vensters loopt een hardstenen cordonlijst.
De portaaluitbouw in het midden van de symmetrische voorgevel heeft een met hardsteen afgedekte topgevel en twee terugliggende opgeklampte dubbele deuren voorzien van sierbeslag. Tussen deze via een hardstenen stoep bereikbare portaaldeuren is een hardstenen stijl aangebracht. De twee dagkanten ter weerszijden van de deuren zijn verfraaid met een driekwartzuil van rode profielsteen met een basement van hardsteen en een bladkapiteel van een zachtere steensoort. Op de eveneens hardstenen latei boven beide deuren rust een spitsbogig spaarveld met bovenin een rond polychroom tegeltableau ("IHS" omgeven door engelenkopjes) en daaronder twee spitsbogige bovenlichten voorzien van pastelkleurig glas-in-lood (stervormige motieven). Boven het spaarveld hangt een lamp aan een smeedijzeren arm. In beide zijmuren van het portaal zijn twee staande vensters aangebracht voorzien van glas-in-lood (roze bies) en een (gemeenschappelijke) lekdorpel en latei van hardsteen. Het portaal wordt met de traptorens verbonden door kleine uitbouwen met een klein staand venster en een leigedekt lessenaarsdak. Boven de aansluiting van het portaaldak is in de voorgevel een rij van tien vierkante polychrome tegeltableaus ingemetseld met sierpatronen. Hierboven zijn in de voorgevel drie vensters aangebracht: een groot spitsboogvenster waarvan de kalkstenen tracering bovenin de vorm heeft van een roosvenster, en ter weerszijden een smal en lager spitsboogvenster. Tegen de muurdammen tussen de drie vensters zijn twee kalkstenen beelden aangebracht: links Maria en rechts Jozef. De beelden zijn geplaatst op een zuiltje en voorzien van een torenachtig opgebouwd baldakijn, beide eveneens van kalksteen. Onder de genoemde vensters loopt een hardstenen cordonlijst die zich uitstrekt tot voorbij de traptorens. Onder deze lijst zijn de traptorens achthoekig, erboven rond. Boven het grote middenvenster heeft de voorgevel een spitsboogfries op kalkstenen kraagsteentjes waarop een hardstenen cordonlijst die zich eveneens rond de traptorens uitstrekt. De topgevel erboven is bovenin, langs de met hardsteen afgedekte randen, getrapt gemetseld, en wordt bekroond door een hardstenen kruis. Op de genoemde cordonlijst zijn in de topgevel vijf spitsboogvensters geplaatst die naar het midden in hoogte en breedte toenemen en van elkaar gescheiden worden door driekwartzuiltjes van rode profielsteen. De boven de cordonlijst uitstekende lage bovenste geleding van de traptorens is rondom voorzien van smalle rechthoekige vensters, waarboven uitkragend lijstwerk. Hierop rust het steile kopergedekte kegeldak, dat onderaan licht ingesnoerd is en wordt bekroond door een koperen kruis. Het tegen de voorgevel opgetrokken ronde middensegment van beide torens is voorzien van kleine lancetvensters met hardstenen lekdorpels. In de onderste torengeleding zijn smalle rechthoekige vensters aangebracht met een lekdorpel en latei van hardsteen. De vier zijbeuktraveeën worden van elkaar gescheiden door steunberen met een versnijding ter hoogte van de cordonlijst onder de vensters. Behalve de eerste travee telt elke zijbeuktravee drie spitsboogvensters waarvan het middelste hoger en breder is. De drie vensters zijn geplaatst in een spaarveld met de vorm van een sterk gedrukte spitsboog. De eerste travee heeft een afgeschuinde hoek waarin een opgeklampte dubbele deur met sierbeslag en ter weerszijden driekwartzuilen als in het hoofdportaal. Boven de deur is een hardstenen latei aangebracht waarop een spitsboogvormig bovenlicht (met pastelkleurig glas-in-lood) binnen een met hardsteen afgedekte topgevel die bekroond wordt door een eveneens hardstenen cirkel met kruismotief. Bovenin beide topgevels hangt een lamp aan een smeedijzeren arm. Naast de twee zijportalen is aan de kant van de voorgevel een pijler opgetrokken bekroond door een hoge achtzijdige pinakel verfraaid met hardsteen. Vanaf deze pinakels loopt een met hardsteen afgedekt muurvlak schuin omhoog tot aan de traptorens. Aan de andere zijde worden beide zijportalen begrenst door een overhoekse steunbeer met één versnijding, waarnaast een spitsboogvenster. Boven de zijbeuken loopt een gemetselde balustrade van rode profielsteen met een hardstenen bovenrand. Onder de balustrade zijn in het metselwerk bruingeglazuurde koppen aangebracht als in het fries boven de lichtbeuk. De steunberen van de zijbeuken zetten zich via een schuine overgang naar boven toe voort en geleden ook de lichtbeuk in vier traveeën. In elke lichtbeuktravee is een groot spitsboogvenster aangebracht met in de vensterkop een fors rond raam. Rond de lage aanbouwen in de hoek tussen de zijbeuken en het transept loopt eenzelfde balustrade als boven de zijbeuken. In de zuidgevel van de westelijke aanbouw bevindt zich een opgeklampte dubbele deur, en in de westgevel twee kleine staande vensters met een gezamelijke hardstenen lekdorpel en latei. De oostelijke aanbouw heeft in de oostgevel twee identieke vensters. De zuidgevel wordt door een latere aanbouw aan het oog onttrokken. De twee transeptgevels hebben overhoekse steunberen zonder versnijding. In de brede middenrisaliet is een spitsboogvormig spaarveld aangebracht met bovenin een roosvenster en daaronder drie spitsboogvensters op een hardstenen cordonlijst. De middenrisaliet heeft een vergelijkbare topgevel als de voorgevel, echter zonder getrapt metselwerk, hardstenen kruis en spitsboogfries. In plaats van de laatste zet het fries onder de gootlijst zich voort langs de transeptgevels. In de zijmuren van de transeptarmen zijn twee spitsboogvensters aangebracht als in de lichtbeuk; de twee transeptvensters direct naast het koor zijn echter uitgevoerd als rondvenster. Tegen de noordgevel van de oostelijke transeptarm is in 1947 een kleine doopkapel opgetrokken voorzien van een driezijdige oostgevel, drie kleine spitsboogvensters en een leigedekt schilddak. Op beide zijden van het schip- en het transeptdak staan twee (in totaal acht) dakkapellen. Deze hebben leigedekte zijden, een luik waarin twee rondboograampjes, en een leigedekt zadeldak met een driehoekig overstek waarboven een tweedelig voorschild bekroond door een piron.
Het koor en de zijkapellen ter weerszijden worden geleed door steunberen met één versnijding. In iedere travee is een spitsboogvenster aangebracht. Zowel het vijfzijdige koordak als het door een piron bekroonde dak van beide zijkapellen draagt een dakkapel als bovengenoemd.
INTERIEUR. In het interieur worden middenschip en zijbeuken van elkaar gescheiden door gemetselde pijlers met een rechthoekige kern waartegen aan de middenschipzijde een pilaster die doorloopt tot aan de gordelbogen van het gewelf, en aan de zijbeukkant een pilaster tot aan de spitsbogen tussen de zijbeuktraveeën. De kruisvormige pijlers hebben een plint van paarsrode machinale waalsteen met snijvoeg waarop een geprofileerde hardstenen plaat. Daarboven zijn ze uitgevoerd in gele verblendsteen waalformaat met snijvoeg. De spitsbogen tussen de pijlers en tussen de zijbeukstraveeën zijn gemetseld in dezelfde gele baksteen. Tegen de eveneens in gele verblendsteen uitgevoerde pilasters, die de wand van het middenschip geleden, zijn driekwartzuilen van gele profielsteen aangebracht rustend op een met een rand van diamantkoppen versierde kraagstenen van kalksteen ter hoogte van de aanzet van de scheibogen. De driekwartzuilen hebben een kalkstenen kapiteel onder de aanzet van de gordelboog. Boven de scheibogen is in de witgepleisterde wand een enkele laag van gele verblendsteen aangebracht. De door een rand van gele verblendsteen omzoomde spitsboogvensters van de lichtbeuk zijn voorzien van glas-in-lood: matglas met een roze of blauwe bies. Onder de vensters loopt een cordonlijst van gele profielsteen waarboven ter weerszijden van de vensters een band van gele verblendsteen waarin kleine staande nissen met een floraal tegeltableau (twee bloemen boven elkaar) in de kleuren blauwgroen, geel en lila (blijkens opschrift afkomstig uit een Delftse aardewerkfabriek). Het middenschip en het transept worden overwelfd door gedrukte houten spitstongewelven (thans bruingeschilderd), waaronder een spitsboogfries van gele verblendsteen en een rand van gele profielsteen. Boven de zijbeuken zijn witgepleisterde kruisribgewelven aangebracht met ribben van gele profielsteen rustend op kraagsteentjes van kalksteen. De witgepleisterde wanden van de zijbeuken hebben een dito cordonlijst onder de vensters en zijn onderaan uitgevoerd in paarsrode machinale waalsteen in halfsteens verband met snijvoeg, waarboven een rollaag van gele baksteen. Boven deze rollaag zijn de wandpilasters van de zijbeuken uitgevoerd in gele verblendsteen met bovenaan een voluutvormig fantasiekapiteel in kalksteen. Over de volle breedte en diepte van de eerste middenschiptravee is een zangerstribune aangebracht met een gewit balkenplafond rustend op een moerbalk waarvan de uiteinden ondersteund worden door een korbeel waaronder een driekwartzuiltje van gele profielsteen met een kapiteel en kraagsteen van kalksteen. De dichte blankhouten balustrade van het balkon heeft aan de schipzijde halfzuiltjes waartussen driepasbogen. De vensters in de aan de binnenzijde witgepleisterde voorgevel zijn voorzien van glas-in-lood (XXc). De zangerstribune is toegankelijk via een spiltrap in de westelijke traptoren. De vensters in deze traptoren zijn voorzien van matglas met een roze bies. In de achterwand onder de zangerstribune zijn drie deuren aangebracht met rondom gele verblendsteen: in het midden een moderne draaideur waarboven een gebrandschilderd spitsboogvenster met een voorstelling van St. Jozef met Kind, en links en rechts hiervan een paneeldeur naar de traptorens. Op de achterwand is in de oorlog een wandschildering aangebracht met links St. Joris en rechts St. Christoffel. Het uitgebouwde portaal heeft witgepleisterde wanden boven een plint als in de zijbeuken, en een (gewit) houten spitstongewelf waaronder een uitkragende band van gele verblendsteen. De vloer van het portaal is evenals die van de kerk samengesteld uit diagonaal gelegde lichtgrijze, gele en ornamenttegels in schaakbordpatroon. De laatste hebben een zwart fond en een geel floraal middenornament met een witte omranding. De zijkanten van de neogotische kerkbanken zijn voorzien van een staand paneel met driepasboog waarboven een ronde bovenzijde met gesneden bloemmotief. De rechte leuning van de zijkant eindigt in een bladmotief en telt drie spitsbogen. De zitting eronder rust op een driepasboog.
De transeptgevels worden aan de binnenzijde geleed door een groot spitsbogig spaarveld (waartegen onderaan een biechtstoel uit de jaren '20 of '30). De transeptvensters zijn voorzien van modern glas-in-lood; de vier rondvensters bovenin de noordmuur van het transept tonen de vier kerkvaders en dateren uit 1930. Onder de twee buitenste rondvensters zijn drie spitsboogvensters aangebracht, onder de twee ter weerszijden van het koor drie spitsboognissen. De zijaltaarruimten hieronder openen naar het transept en het koor door een spitsboog van gele verblendsteen. Deze nevenruimten hebben een mozaïekvloer in waaierpatroon waarin kruismotieven en een rand met bloemmotieven. De drie spitsboogvensters in beide ruimten zijn voorzien van moderne gebrandschilderde ramen. De nevenruimten worden overwelfd door een zevendelig witgepleisterd ribgewelf met ribben van gele profielsteen. De in 1935 geplaatste zijaltaren zijn inmiddels weer verwijderd. In de eerste koortravee is boven de spitsboog naar de zijaltaarruimten een spitsboognis aangebracht waaronder een polychroom tegeltableau: op de linker staat de heilige Catharina van Siena afgebeeld, op de rechter St. Dominicus (tussen de wapens van Alkmaar en de Dominicanen). In de wandpijler tussen het koor en de rechter zijaltaarruimte zit een eerste steen van hardsteen ingemetseld gedateerd 26 maart 1909. Het tongewelf van het middenschip zet zich voort boven de eerste koortravee die door een grote spitsboog van gele verblendsteen gescheiden wordt van het smallere voorste gedeelte van het koor. Dit heeft een vijfzijdige witgepleisterde wand waarboven een zesdelig dito ribgewelf. De vijf wandvlakken worden van elkaar gescheiden door driekwartzuilen als in het middenschip, waarvan de basementen zijn aangebracht ter hoogte van de gewitte cordonlijst onder de vijf koorvensters. Deze gebrandschilderde ramen tonen van links naar rechts de Annunciatie, de Geboorte, de Kruisdood, de Verrijzenis, en de Kroning van Maria. Het uit 1917 daterende middenraam en de twee kort daarna geplaatste ramen ter weerszijden werden vervaardigd door pater Raymundis van Bergen. De buitenste ramen dateren uit 1933. Op het in de jaren '60 verhoogde priesterkoor staat een rijk neogotisch hoofdaltaar uitgevoerd in zandsteen. De altaartafel heeft een blad van gepolijst crèmekleurig kalksteen en in de voorzijde zes roodmarmeren zuiltjes waartussen drie reliëfs (een kruis en ter weerszijden een aanbiddende engel). De bovenbouw van het altaar is uitgevoerd als een met hogels versierde en door een kruisbloem bekroonde topgevel, met in reliëf een voorstelling van de Kruisdood en daaronder engelen en heiligen in hoogreliëf tussen zuiltjes van lichtgeel marmer. De topgevel wordt geflankeerd door twee op lage zuilen geplaatste heiligenbeelden waarboven een op zuiltjes van rood marmer rustend baldakijn met een torenachtige opbouw bekroond door een pinakel.
Waardering
Het kerkgebouw met bijbehorend interieur is van algemeen belang vanwege de cultuur- en architectuurhistorische waarde als historisch-functioneel hoofdonderdeel van het rooms-katholiek kerkcomplex "St. Joseph" en als gaaf bewaard voorbeeld van vroeg 20ste-eeuwse neogotische kerkelijke bouwkunst naar ontwerp van de architecten Gebroeders Margry en Snickers.
English translation
The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com
Description
Description
Three-aisled cross basilica with a front façade flanked by round stair towers, a nave of four bays, and a choir with three-sided choir closure. At the crossing of the gabled roof of the nave and the hipped roof of the transept stands an octagonal wooden roof turret crowned by a tall octagonal spire topped by a wrought-iron cross. Around the foot of this spire are eight steep gable tops with a four-lobed opening at the top and three-lobed arches below on wooden posts. Both transept façades have a wide central projection provided with a gable top behind which runs a gabled roof abutting against the hipped roof of the transept. On both ridge ends of this hipped roof stands a finial. Against the front façade (S) is an extended portal structure built up on an almost square ground plan with a gabled roof perpendicular to the façade. In the two corners between the transept and the choir is a lower four-sided side chapel under a three-sided gabled roof ending at an angle. Between the transept and the side aisles are two low rectangular extensions provided with a flat roof. The side aisles, bevelled at the front, presumably also have flat roofs; the stair towers have a steep conical roof with copper cladding. All other roofs are covered with slates in Dutch bond. The external brickwork is built up in red-yellow machine-made bricks of stretcher bond with struck joints. The brickwork has a continuous plinth with a bevelled top edge of red profile stone. Around the main roof runs a profiled cornice moulding beneath which is a mortared frieze of alternating pairs of two red and two brown-glazed heads. The buttresses are capped at the top and at the level of the chamfers with sandstone. Below all large windows runs a sandstone string course.
The portal extension in the middle of the symmetrical front façade has a gable top capped with sandstone and two recessed fixed double doors provided with decorative fittings. Between these, reached via a sandstone step, is a sandstone post. The two daylights on either side of the doors are embellished with a three-quarter column of red profile stone with a sandstone base and a leaf capital of a softer stone type. On the likewise sandstone lintel above both doors rests a pointed-arched relieving arch with a round polychrome tile tableau at the top ("IHS" surrounded by cherub heads) and below it two pointed-arched fanlights provided with pastel-coloured leaded glass (star-shaped motifs). Above the relieving arch hangs a lamp on a wrought-iron bracket. In both side walls of the portal are two standing windows provided with leaded glass (pink border) and a common sandstone drip moulding and lintel. The portal is connected to the stair towers by small extensions with a small standing window and a slate-covered cat-slide roof. Above the junction of the portal roof is a row of ten square polychrome tile tableaux set into the front façade with decorative patterns. Above these are three windows in the front façade: a large pointed-arched window with limestone tracery in the form of a rose window at the top, and on either side a narrow and lower pointed-arched window. Against the wall piers between the three windows are two limestone statues: on the left Mary and on the right Joseph. The statues are placed on a small column and provided with a tower-like constructed baldachin, both likewise of limestone. Below the aforementioned windows runs a sandstone string course which extends beyond the stair towers. Below this course the stair towers are octagonal, above them round. Above the large central window the front façade has a pointed-arched frieze on limestone corbels on which rests a sandstone string course that likewise extends around the stair towers. The gable top above is laid up in a stepped bond at the top along the sandstone-capped edges and is crowned by a sandstone cross. On the aforementioned string course five pointed-arched windows are placed in the gable top, increasing toward the centre in height and width and separated from each other by three-quarter columns of red profile stone. The low upper section of the stair towers projecting above the string course is provided all around with narrow rectangular windows, above which runs projecting moulding. On this rests the steep copper-cladded conical roof, which is slightly constricted at the bottom and crowned by a copper cross. The round central segment of both towers set against the front façade is provided with small lancet windows with sandstone drip mouldings. In the lowest tower section are narrow rectangular windows provided with a drip moulding and lintel of sandstone. The four side-aisle bays are separated from each other by buttresses with a chamfer at the level of the string course below the windows. Except for the first bay, each side-aisle bay has three pointed-arched windows of which the middle one is taller and wider. The three windows are placed in a relieving arch with the form of a strongly depressed pointed arch. The first bay has a bevelled corner in which a fixed double door with decorative fittings and three-quarter columns on either side as in the main portal. Above the door is a sandstone lintel on which rests a pointed-arched-shaped fanlight (with pastel-coloured leaded glass) within a gable top capped with sandstone, which is crowned by a likewise sandstone circle with a cross motif. At the top of both gable tops hangs a lamp on a wrought-iron bracket. Next to the two side portals is a pillar built up on the side of the front façade crowned by a tall octagonal pinacle embellished with sandstone. From these pinnacles runs a moulding capped with sandstone sloping upwards to the stair towers. On the other side both side portals are bounded by a corner buttress with one chamfer, next to which is a pointed-arched window. Above the side aisles runs a mortared balustrade of red profile stone with a sandstone top edge. Below the balustrade brown-glazed heads are set into the brickwork as in the frieze above the clerestory. The buttresses of the side aisles continue upwards via a sloping transition and also divide the clerestory into four bays. In each clerestory bay is a large pointed-arched window with a substantial round window in the window head. Around the low extensions in the corner between the side aisles and the transept runs the same balustrade as above the side aisles. In the south façade of the western extension is a fixed double door, and in the west façade two small standing windows with a common sandstone drip moulding and lintel. The eastern extension has two identical windows in the east façade. The south façade is obscured by a later extension. The two transept façades have corner buttresses without chamfering. In the wide central projection is a pointed-arched relieving arch with a rose window at the top and below it three pointed-arched windows on a sandstone string course. The central projection has a similar gable top as the front façade, but without stepped brickwork, sandstone cross and pointed-arched frieze. Instead, the frieze below the cornice moulding continues along the transept façades. In the side walls of the transept arms are two pointed-arched windows as in the clerestory; however, the two transept windows directly adjacent to the choir are executed as round windows. Against the north façade of the eastern transept arm, a small baptistery was built in 1947 provided with a three-sided east façade, three small pointed-arched windows and a slate-covered hipped roof. On both sides of the nave and the transept roof stand two (in total eight) roof dormers. These have slate-covered sides, a shutter with two round-arched windows, and a slate-covered gabled roof with a triangular overhang above which a two-part front board crowned by a finial.
The choir and the side chapels on either side are articulated by buttresses with one chamfer. In each bay is a pointed-arched window. Both the five-sided choir roof and the roof of both side chapels, crowned by a finial, carry a roof dormer as aforementioned.
INTERIOR. In the interior the central nave and side aisles are separated from each other by mortared piers with a rectangular core against which on the central nave side is a pilaster extending to the springing arches of the vault, and on the side-aisle side a pilaster to the pointed arches between the side-aisle bays. The cross-shaped piers have a plinth of purple-red machine-made stretcher bond bricks with struck joints on which rests a profiled sandstone plate. Above these they are executed in yellow facing bricks in stretcher bond with struck joints. The pointed arches between the piers and between the side-aisle bays are mortared in the same yellow facing brick. Against the likewise yellow facing brick executed pilasters that divide the wall of the central nave are three-quarter columns of yellow profile stone placed, resting on corbels with a border of diamond-shaped heads in limestone at the level of the springing of the transverse arches. The three-quarter columns have a limestone capital beneath the springing of the springing arch. Above the transverse arches is a single layer of yellow facing brick applied in the whitewashed wall. The pointed-arched windows of the clerestory, framed by a border of yellow facing brick, are provided with leaded glass: frosted glass with a pink or blue border. Below the windows runs a string course of yellow profile stone above which on either side of the windows is a band of yellow facing brick with small standing niches containing a floral tile tableau (two flowers one above the other) in colours of blue-green, yellow and lilac (according to inscription from a Delft earthenware factory). The central nave and the transept are vaulted with compressed wooden pointed-barrel vaults (now painted brown), below which runs a pointed-arched frieze of yellow facing brick and a border of yellow profile stone. Above the side aisles are whitewashed ribbed cross vaults placed with ribs of yellow profile stone resting on limestone corbels. The whitewashed walls of the side aisles have a likewise string course below the windows and are executed at the bottom in purple-red machine-made stretcher bond bricks in English bond with struck joints, above which is a roll course of yellow brick. Above this roll course the wall pilasters of the side aisles are executed in yellow facing brick with a scroll-shaped fantasy capital in limestone at the top. Over the full width and depth of the first central nave bay is a singers' gallery provided with a whitewashed beam ceiling resting on a breastbeam, the ends of which are supported by a corbel beneath which is a three-quarter column of yellow profile stone with a capital and corbel of limestone. The solid light-coloured wooden balustrade of the balcony has half-columns on the nave side between which are three-lobed arches. The windows in the front façade, whitewashed on the inside, are provided with leaded glass (20th century). The singers' gallery is accessible via a spiral staircase in the western stair tower. The windows in these stair towers are provided with frosted glass with a pink border. In the back wall below the singers' gallery are three doors placed, surrounded by yellow facing brick: in the middle a modern revolving door above which is a stained pointed-arched window depicting St. Joseph with Child, and to the left and right of this a panelled door to the stair towers. On the back wall a mural was painted during the war showing St. George on the left and St. Christopher on the right. The extended portal has whitewashed walls above a plinth as in the side aisles, and a (whitewashed) wooden pointed-barrel vault beneath which runs a projecting band of yellow facing brick. The floor of the portal, like that of the church, is composed of diagonally laid light-grey, yellow and ornamental tiles in a chequerboard pattern. The latter have a black background and a yellow floral central ornament with white border. The sides of the neo-gothic church benches are provided with a standing panel with a three-lobed arch above which is a rounded top with carved floral motif. The straight armrest of the side ends in a leaf motif and has three pointed arches. The seat below it rests on a three-lobed arch.
The transept façades are articulated on the inside by a large pointed-arched relieving arch (against which below is a confessional from the 1920s or 1930s). The transept windows are provided with modern leaded glass; the four round windows at the top of the north wall of the transept show the four church fathers and date from 1930. Below the two outer round windows are three pointed-arched windows, below the two on either side of the choir are three pointed-arched niches. The side altar rooms below open to the transept and the choir through a pointed arch of yellow facing brick. These adjacent rooms have a mosaic floor in a fan pattern with cross motifs and a border with floral motifs. The three pointed-arched windows in both rooms are provided with modern stained glass windows. The adjacent rooms are vaulted by a seven-part whitewashed ribbed vault with ribs of yellow profile stone. The side altars, placed in 1935, have since been removed. In the first choir bay above the pointed arch to the side altar rooms is a pointed-arched niche with a polychrome tile tableau below: on the left Saint Catherine of Siena is depicted, on the right St. Dominic (between the coats of arms of Alkmaar and the Dominicans). In the wall pier between the choir and the right side altar room is a cornerstone of sandstone set into the mortar dated 26 March 1909. The barrel vault of the central nave continues above the first choir bay which is separated by a large pointed arch of yellow facing brick from the narrower front part of the choir. This has a five-sided whitewashed wall above which is a six-part likewise ribbed vault. The five wall sections are separated from each other by three-quarter columns as in the central nave, the bases of which are placed at the level of the whitened string course below the five choir windows. These stained glass windows show from left to right the Annunciation, the Nativity, the Crucifixion, the Resurrection, and the Coronation of Mary. The central window dating from 1917 and the two windows placed shortly after on either side were made by Father Raymundis van Bergen. The outer windows date from 1933. On the presbytery elevated in the 1960s stands a richly neo-gothic high altar executed in sandstone. The altar table has a top of polished cream-coloured limestone and on the front six red-marble columns between which are three reliefs (a cross and on either side an adoring angel). The superstructure of the altar is executed as a gable top decorated with finials and crowned by a cross flower, with a representation of the Crucifixion in relief and below it angels and saints in high relief between columns of light yellow marble. The gable top is flanked by two saint statues placed on low columns above which rests a baldachin on columns of red marble with a tower-like structure crowned by a pinnacle.
Valuation
The church building with its associated interior is of general importance by virtue of its cultural and architectural-historical value as a historically-functional main component of the Roman Catholic church complex "St. Joseph" and as a well-preserved example of early 20th-century neo-gothic ecclesiastical architecture designed by architects Brothers Margry and Snickers.
Nearby in the register
- Erfscheiding(D1), BY Nassaulaan 2Erfscheidingunder 1 mi
- Pastorie(F), Nassaulaan 4Kerkelijke dienstwoningunder 1 mi
- St. Theresiaschool/St. AgnesschoolOnderwijs en wetenschapunder 1 mi
- Schoolgebouw, Koornlaan 23Onderwijs en wetenschapunder 1 mi
Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.