TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Boerderij(M1), Felling 6

Leeuwarden, Fryslân, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Boerderij
Function
Boerderij(M1)
Category
onroerend gebouwd
Built
1908
Address
Felling 6, 8912 CG Leeuwarden
Place
Leeuwarden
Province
Fryslân
Country
Netherlands
Coordinates
53.17935, 5.78918
Monument number
523367

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

University Library, Vrije Universiteit Amsterdam

2 historical maps cover this location, the earliest the 1904 map "Bl. 3 Leeuwarden, 1904" (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

Inleiding

GELEDE BOERDERIJ, in 1908 als experimenteel type in opdracht van het Sint-Anthonygasthuis te Leeuwarden gebouwd naar ontwerp van W.C. de Groot in Overgangsstijl op een iets in westelijke richting verschoven terrein in het Goutumer Nieuwland waar vanouds een boerderij stond die al sinds 1601 in eigendom was van het gasthuis. Tot aan het begin van de twintigste eeuw was met de traditionele vormen van de Friese boerderij, de kop-hals-romp en de stelp met enkele varianten, nauwelijks geëxperimenteerd, al waren er wel proeven geweest die tot vernieuwing van de stalinrichting leidden. Grootgrondbezitters zetten de toon bij de vernieuwingen: enkele adellijke families en gast- en weeshuizen. Nadat de landbouwcrisis over zijn dieptepunt heen was, begonnen experimenten die door het fundamenteel anders organiseren van de bedrijfsvoering ingrijpende gevolgen voor de boerderijbouw hadden. De gelede boerderij en de boerderij van het Amerikaanse type deden hun intrede. Klaas Uilkema heeft ze in zijn standaardwerk "Het Friesche boerenhuis' in 1916 opgemerkt. Van de gelede boerderij merkt hij profetisch op: "Ik meen hem te moeten aanduiden als nieuw-Friesche greidboerderij, omdat hij in zijn plan overeenkomst vertoont met de later te noemen oud-Friesche, doch uit den aard der zaak een veel hogeren cultuurtrap vertegenwoordigt. Dit huistype is een schepping. Met zijne verschijning is in deze provincie de modernisering van een vrij groot aantal boerderijen aangevangen, vooral wat de inrichting van den rundveestal betreft. Veel navolging als geheel heeft deze huizinge intusschen niet gevonden en zij zal die vrij zeker ook niet vinden. De hooge bouwkosten pleiten o.a. voor het goed recht van deze mening. Haar verdienste zal er echter niet minder om zijn. Er is namelijk grond voor de verwachting, dat de toekomstige greidboerderij de sporen dezer mijns inziens tijdelijke verschijning in hare richting zal doen voortleven". Latere kenners van de boerderijbouw, zoals S.J. van der Molen en G.J.A. Bouma zijn minder positief; ze vinden de resultaten van de experimenten lelijk op traditionalistisch-esthetische gronden. Bouma heeft commentaar op de gelede boerderij in het Goutumer Nieuwland: "De bouwkosten zijn hoger, het voederen van hooi kost meer arbeid en het uiterlijk is aanzienlijk minder fraai dan dat van een stelp of een kop-hals-romp".

Een van de belangrijkste uitdagingen waarvoor men in deze sector stond was het produceren van bacterievrije melk, waardoor de tuberculose-bacil geen kans kreeg zich te ontwikkelen. Het streven kreeg gestalte met een geleding en afgrenzing van de verschillende bedrijfsfuncties en een inrichting van de stal die de hygiëne verbeterde. Bovendien was met de geleding de brandveiligheid gediend want naast blikseminslag was en bleef hooibroei een groot gevaar voor de boerderij. In een gelede boerderij werden woning, veestal, ruimte voor melkverwerking en de hooiberging (annex de berging van wagens, machines en gereedschappen) in afzonderlijke, maar wel aan elkaar gekoppelde bouwvolumes ondergebracht. De vernieuwing van de bedrijfsvoering op boerderijen werd bevorderd door het Instituut voor Landbouwwerktuigen en Gebouwen in Wageningen en de modellen van dit instituut zullen zonder twijfel grote invloed op opdrachtgever en architect gehad hebben.

De opdrachtgever heeft bij deze boerderij kosten (met een toen aanzienlijke bouwsom van f 16.000,-) noch moeite gespaard en de architect een ontwerp laten leveren in een voor een boerderij vrij rijke architectonische uitdrukking. De boerderij is Pre-Functionalistisch aangepakt in een uitdrukking van de Overgangsstijl.

Omschrijving

EXTERIEUR: De gelede boerderij bestaat uit vier, op rechthoekige plattegronden opgetrokken, ten opzichte van elkaar verschietende, maar op de lengteas nagenoeg symmetrische volumes. Het op het oosten gerichte woonhuis is dwarsgeplaatst. Daarop volgt de veestalling op de lengteas en een dwarsgerichte uitloop met extra stallen en tenslotte de eveneens dwarsgeplaatste schuur voor de hooiberging en wagens, machines en gereedschappen, waarin aan de stalzijde de ruimten voor de melkbehandeling waren afgezonderd. Elk van de vier geledingen heeft een eigen dak.

Het muurwerk is opgetrokken van grauwbruine baksteen, verlevendigd met onder- en bovendorpellijsten van twee lagen en vensterontlastingen van gele baksteen; het voorhuis buitengewoon decoratief aangepakt met dezelfde materialen en helderrode baksteen. De kappen, op het voorhuis een zadeldak dat aan beide einden afgewolfd is, op de stal een zadeldak en op de verbreding van de stal en op de grote hooischuur schilddaken, zijn gedekt met gegolfde Friese pannen, op het voorhuis donkerblauw geglazuurd en op stal en schuren gesmoord.

Het in de breedte gebouwde voorhuis is zes venstervakken breed en drie diep. De partij van de middelste twee vensters risaleert licht. Tot de bovendorpel van de vensters is het muurwerk grauwbruin, bij de onderdorpel voorzien van een tweesteens band geel materiaal. Ter hoogte van de bovendorpels is een tandlijst van geel en bruin verwerkt op de overgang naar geel muurwerk. Tussen de middelste vensters zit hoog in de gevel een steen met een luidklok, het attribuut van Antonius en het symbool van het Sint-Anthonygasthuis. Rechtgesloten, gedeelde en van drieledige bovenlichten voorziene schuifvensters met buitenblinden. Getoogde ontlastingbogen met verdiepte en van metselmozaïek voorziene boogtrommels. Aan de noordgevel een over de volle breedte geplaatste serre van glas tussen stijl- en regelwerk voorzien van een lessenaarsdak. In de zuidgevel een venster van het genoemde type, een ingangspartij van een paneeldeur met boven- en zijlichten die op dezelfde wijze is ontlast, een klein toiletvenster en een smal venster in de geveltop, ontlast door een rode ontlastingboog met metselmozaïek in de trommel. In die gele toppen aan weerszijden een breed, van rood en geel vlechtwerk gemetseld fries en rode tweesteensbanden ter hoogte van onder- en bovendorpels van de bovenvensters. De overstekende dakrand is voorzien van onversierde boeiboorden. Op het voorschild in het midden een kapel met een uit de naald komend lessenaarsdak. Op de hoeken van het dak pirons en aan weerszijden van de kapel op het dak twee forse schoorstenen met borden die aan vier zijden tympaanvormen hebben.

De vrij lage, 25 meter lange stal sluit in de lengte op het midden van de woning aan. Het eerste gedeelte van meer dan 15 meter is smal waarop nog een breder gedeelte van 10 meter met dwarskap volgt. Daarop volgt de grote hooischuur van 15 bij 20 meter met ruimte voor andere functies. De stallen en schuur zijn met kleine en grote dubbele bedrijfsdeuren geopend en voorzien van liggende, getoogd gesloten zesruitsvensters. Op de hoeken van het dak van het brede stalgedeelte staan roosters in de vorm als de schoorstenen op het voorhuis. Ook het grote schuurdak heeft zo'n rooster, maar dan op het midden; de hoeken zijn voorzien van uilenborden.

INTERIEUR: Het voorhuis bestaat uit drie, door een bijna over de volle breedte lopende gang verbonden, vertrekken met een aan het einde van de gang ingebouwde `feintekeamer', knechtenkamer, die op de stal is gericht. In de gang biedt een klein venster vanuit de woning zicht op de stal. De gang heeft een balkenplafond en lambriseringen, deels van schroten en bezit een drietal tegeltableaus: van een paard, een rund en een gekooide vogel. De toegangen tot de vertrekken zijn als diepe rondboognissen tussen de oorspronkelijke bedsteden in de vertrekken geplaatst. De deuren zijn omlijst, de stijlen gegroefd en de bekroning gevormd met een vertanding, als waren het kantelen. Aan de vertrekzijde zijn boven de deuren panelen als dessus-de-portes geplaatst. Bij de noordelijke keukenkamer is de deur naar voren gehaald. De keukenkamer heeft een balkenplafond en de wanden zijn geheel met decoratieve, traditionalistische tegels bekleed, zelfs de schoorsteenmantel. De schouw heeft wangen, een geprofileerde rand en een omlijste mantel. De bedsteden zijn weggehaald, de paneeldeuren hergebruikt. Hetzelfde is gebeurd in het middenvertrek, waar de marmeren schouw naar toe is verplaatst. Het is de pronkkamer, die eveneens een balkenplafond heeft en geheel betegeld is in zachtgele en groene tinten. De lambrisering die aan de bovenzijde een keramisch profiellijstje kreeg, is van tegels met gestyleerde paardenbloemen versierd; boven de lijst is de wand verder versierd met het motief van de pluisjes van deze plant. De derde kamer, die op het zuiden, is geheel verbouwd. De serre aan de noordzijde is hoogst eenvoudig van vorm.

De inrichting van de stal heeft een wezenlijke verandering ondergaan. Het vee kon in twee rijen van 19 en vier dwarsrijen van drie gestald worden op de zg. Zuid-Hollandse wijze, niet met de koppen naar de muur, maar met de koppen naar een gemakkelijk te bevoorraden voergang. De structuur van de stal- en schuurgebouwen is oorspronkelijk. De stalinrichting is later enkele malen gewijzigd in nieuwe opstellingen, onder meer omstreeks 1972 tot voerligboxen, waarbij de mestgruppen zijn veranderd in van 80 cm naar 100 cm naar de mestput aflopende drijfmestgruppen. Van de verschillende inrichtingen zijn belangrijke sporen aanwezig. De stal wordt sinds de ingebruikname van de ligstal vrijwel uitsluitend gebruikt voor kleinvee. In de schuur hebben eveneens enkele wijzigingen plaatsgevonden. Bij de hooiberging kon hier naast de ligstal het melkstation worden ingebouwd.

WAARDERING

De gelede boerderij is van algemeen historisch, architectuurhistorisch en landschappelijk belang vanwege

- de waarde als zeldzaam voorbeeld van de experimentele vernieuwing van het veehouderijbebrijf aan het begin van de twintigste eeuw;

- de gave en stijlzuivere en voor architect W.C. de Groot kenmerkende uitdrukking in de Overgangsstijl die bij de woning zowel uitwendig als inwendig evident is en die op een ingetogen wijze eveneens aan het exterieur van stal en schuren is doorgevoerd;

- de ligging net buiten de zuidelijke bebouwingsrand van Leeuwarden in een open weidegebied van het Goutumer Nieuwland en in samenhang met een oudere, eveneens in het bezit van Sint-Anthoon zijnde stelpboerderij.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

Introduction

ARTICULATED FARMHOUSE, built in 1908 as an experimental type on commission of the Sint-Anthony Hospital in Leeuwarden after a design by W.C. de Groot in Transitional style on a site slightly shifted in a westerly direction in the Goutumer Nieuwland where a farmhouse had long stood that had been in the ownership of the hospital since 1601. Until the beginning of the twentieth century, there had been hardly any experimentation with the traditional forms of the Frisian farmhouse, the kop-hals-romp and the stelp with some variants, although there had been attempts that led to renewal of the stable arrangement. Large landowners set the tone for the innovations: a few noble families and hospital and orphanage buildings. After the agricultural crisis had passed its lowest point, experiments began which, by fundamentally reorganising the business operations, had far-reaching consequences for farmhouse building. The articulated farmhouse and the farmhouse of the American type made their entrance. Klaas Uilkema noted them in his standard work 'The Frisian Farmhouse' in 1916. Regarding the articulated farmhouse, he remarked prophetically: "I believe I must designate it as a new-Frisian pasture farmhouse, because in its plan it shows agreement with the later-to-be-named old-Frisian, yet by the very nature of things represents a much higher level of culture. This house type is a creation. With its appearance, the modernisation of a fairly large number of farmhouses has begun in this province, especially with regard to the arrangement of the cattle barn. Much imitation as a whole, however, this building has not found and it will quite certainly not find it either. The high building costs argue, among other things, for the full right of this opinion. Its merit will be no less for that. There is namely reason to expect that the future pasture farmhouse will allow the traces of this, in my view, temporary phenomenon to live on in its direction." Later experts in farmhouse building, such as S.J. van der Molen and G.J.A. Bouma are less positive; they find the results of the experiments ugly on traditionalist-aesthetic grounds. Bouma has commentary on the articulated farmhouse in the Goutumer Nieuwland: "The building costs are higher, the feeding of hay costs more labour and the appearance is considerably less fine than that of a stelp or a kop-hals-romp."

One of the most important challenges facing this sector was the production of bacteria-free milk, so that the tuberculosis bacillus had no chance to develop. The endeavour took shape with an articulation and delimitation of the various business functions and an arrangement of the stable that improved hygiene. Moreover, the articulation served fire safety, for besides lightning strike, hay spontaneous combustion remained and remained a great danger for the farmhouse. In an articulated farmhouse, the dwelling, cattle barn, space for milk processing and the hay storage (together with the storage of wagons, machines and tools) were housed in separate, but well-coupled building volumes. The renewal of business operations on farms was promoted by the Institute for Agricultural Machinery and Buildings in Wageningen and the models of this institute will undoubtedly have had great influence on the client and architect.

The client spared no costs (with a then considerable building sum of f 16,000,-) nor effort on this farmhouse and had the architect provide a design in a fairly rich architectural expression for a farmhouse. The farmhouse has been approached Pre-Functionalist in an expression of the Transitional style.

Description

EXTERIOR: The articulated farmhouse consists of four, erected on rectangular ground plans, volumes that shift relative to each other, but are nearly symmetrical on the longitudinal axis. The dwelling house, oriented to the east, is placed transversely. This is followed by the cattle barn on the longitudinal axis and a transversely-directed run with extra stalls and finally the also transversely-placed barn for hay storage and wagons, machines and tools, in which the spaces for milk processing were separated off on the stall side. Each of the four articulations has its own roof.

The masonry is erected in greyish-brown brick, enlivened with under- and over-sill lists of two layers and window lintels of yellow brick; the front house is executed in an exceptionally decorative manner with the same materials and bright-red brick. The roofs, a gabled roof on the front house that is curved at both ends, a gabled roof on the barn, and hipped roofs on the widening of the barn and on the large hay barn, are covered with corrugated Frisian tiles, dark blue glazed on the front house and smoked on the barn and barns.

The front house, built in width, is six window bays wide and three deep. The section of the middle two windows projects slightly. Up to the top sill of the windows, the masonry is greyish-brown, at the bottom sill provided with a two-brick band of yellow material. At the height of the top sills, a dentil course of yellow and brown is worked in on the transition to yellow masonry. Between the middle windows, high in the facade, sits a stone with a church bell, the attribute of Antonius and the symbol of the Sint-Anthony Hospital. Closed on both sides, divided, and provided with threefold fanlights, sash windows with exterior shutters. Arched lintels with recessed and brick mosaic-furnished arches. On the north facade, a glass veranda placed over the full width between vertical and horizontal members provided with a catslide roof. In the south facade, a window of the mentioned type, an entrance section of a panel door with top and side lights released in the same manner, a small toilet window and a narrow window in the gable top, released by a red arch with brick mosaic in the arch. In those yellow tops on either side, a broad frieze of red and yellow brickwork and red two-brick bands at the height of under- and over-sills of the upper windows. The overhanging roof edge is provided with unornamented bargeboard. On the front shield in the middle a chapel with a catslide roof projecting from the apex. On the corners of the roof pirons and on either side of the chapel on the roof two substantial chimneys with panels that have tympanum forms on four sides.

The relatively low, 25-metre-long barn connects in length to the middle of the dwelling. The first section of more than 15 metres is narrow, followed by a wider section of 10 metres with a cross gable. This is followed by the large hay barn of 15 by 20 metres with space for other functions. The barns and barn are opened with small and large double business doors and provided with horizontal, arched-closed six-pane windows. On the corners of the roof of the wide barn section stand grilles in the form like the chimneys on the front house. The large barn roof also has such a grille, but then in the middle; the corners are provided with owl boards.

INTERIOR: The front house consists of three, connected by an almost full-width hallway, rooms with a 'feintekeamer', servant's room, built at the end of the hallway, which is oriented towards the barn. In the hallway, a small window from the dwelling provides a view of the barn. The hallway has a beam ceiling and wainscots, partly of boards, and has three tile tableaus: of a horse, a cow and a caged bird. The entrances to the rooms are arranged as deep round-arch niches between the original bed alcoves in the rooms. The doors are surrounded, the stiles grooved and the top formed with dentils, as if they were battlements. On the room side, panels as dessus-de-portes are placed above the doors. At the northern kitchen room, the door is moved forward. The kitchen room has a beam ceiling and the walls are entirely covered with decorative, traditionalist tiles, even the chimney breast. The fireplace has supports, a profiled edge and a surrounded breast. The bed alcoves have been removed, the panel doors reused. The same has happened in the middle room, where the marble fireplace has been moved. It is the display room, which also has a beam ceiling and is entirely tiled in soft yellow and green tones. The wainscot which received a ceramic moulding at the top is decorated with tiles with stylised dandelions; above the moulding, the wall is further decorated with the motif of the fluff of this plant. The third room, which is to the south, is entirely rebuilt. The veranda on the north side is of the simplest form.

The arrangement of the barn underwent a substantial change. The livestock could be stalled in two rows of 19 and four cross-rows of three in the so-called South Holland manner, not with their heads to the wall, but with their heads to an easily supplied fodder passage. The structure of the barn and shed buildings is original. The barn arrangement was later modified several times in new arrangements, including around 1972 into free stalls, whereby the manure channels were changed from 80 cm to 100 cm sloping towards the manure pit slurry channels. Important traces of the various arrangements are present. The barn has been used almost exclusively for small livestock since the installation of the free stall. Changes have also been made in the barn. With the hay storage, the milking station could be built in here alongside the free stall.

VALUATION

The articulated farmhouse is of general historical, architectural-historical and landscape importance by virtue of

- the value as a rare example of the experimental renewal of the livestock farming operation at the beginning of the twentieth century;

- the intact and stylistically pure expression in the Transitional style characteristic of architect W.C. de Groot, which is evident in the dwelling both externally and internally and which is also carried through in a restrained manner on the exterior of the barn and barns;

- the location just outside the southern settlement edge of Leeuwarden in an open meadow area of the Goutumer Nieuwland and in connection with an older stelp farmhouse also in the possession of Sint-Anthoon.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map