Rijksmonumentenregister · Netherlands
De Leemkuil
Wageningen, Gelderland, Netherlands
The record
- Designation
- National monument (rijksmonument)
- Class
- Kasteel, buitenplaats
- Function
- Landhuis
- Category
- onroerend gebouwd
- Built (approximately)
- 1909
- Address
- Keijenbergseweg 10, 6705 BN Wageningen
- Place
- Wageningen
- Province
- Gelderland
- Country
- Netherlands
- Coordinates
- 51.99285, 5.70887
- Monument number
- 522214
Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.
University Library, Vrije Universiteit AmsterdamUniversity Library, Vrije Universiteit AmsterdamUniversity Library, Vrije Universiteit Amsterdam
3 historical maps cover this location, the earliest the 1907 map "Chromo-topographische kaart voor het Garnizoen Ede / bew. door de Militaire Verkenningen" (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).
This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗
The register's description
Omschrijving
Inleiding
Voormalig LANDHUIS, ('HUIZE DE LEEMKUIL'), gebouwd door architect C.G.M. Nieraad uit Arnhem, in 1909 in eclectische stijl. Opdrachtgever was de heer Helenus Ingerman. Enkele jaren na de bouw werd het huis door het vroege overlijden van de eerste bewoner verkocht. Met de nieuwe eigenaar veranderde ook de funktie van het gebouw en werd het landhuis verbouwd tot een luxe hotel. Maar al snel stagneerde de klandizie, waardoor verkoop noodzakelijk bleek. Daarmee veranderde nogmaals de funktie. Vanaf ca. 1924 was er namelijk een herstellingsoord (voor ambtenaren uit Amsterdam) in gevestigd. Sinds beginjaren negentig van de twintigste eeuw, is het in gebruik als asielzoekerscentrum met enkele uitbreidingen van bijgebouwen.
Het huis ligt temidden van een uitgestrekte tuin beplant met grote bomen en wordt aan de voorzijde door een hek van de Keyenbergseweg gescheiden. Tuinaanleg en hekwerk vallen, evenals de met een tussenlid verbonden, moderne aanbouwen aan de linker- en achterzijde, niet onder de bescherming.
Omschrijving
Het landhuis is op een samengestelde plattegrond uitgelegd en is met de zuidelijke voorgevel naar de weg gekeerd. De uit twee bouwlagen en een verdieping bestaande hoofdmassa (onder een met leien in maasdekking bedekt samengesteld dak), is aan de achterzijde uitgebouwd met een tweelaagse aanbouw onder plat dak. Het pand bezit in baksteen (kruisverband) opgetrokken gevels boven een omlopend door een rollaag afgesloten trasraam, natuurstenen detailleringen, twee erkers, een veranda en een zuidwestelijk gelegen hoektoren boven een inpandig portiek. De gevels worden architectonisch geleed door enkelvoudige of dubbele witte verblendstenen sierlijsten ter hoogte van wissel- en bovendorpels van de vensters en worden onder de daklijst door een eveneens omlopende rollaag beëindigd. Alleen in de hoofdmassa verbindt een sierlijst ook de lekdorpels van de vensters. Van de hoofdmassa bevatten de meeste vensters stolpramen; in de achterzijde komen voornamelijk driestrooksvensters voor. Opmerkelijk zijn de gespaard gebleven glas-in-loodramen in bijna alle bovenlichten. De ramen rusten alle op natuurstenen dorpels, bezitten in de voor- en linker zijgevel begane gronds een natuurstenen bewerkte, latei en zijn in de verdieping in de 1½ steense strek boven de vensters voorzien van aanzetstenen in hetzelfde materiaal. In de portiek en het bovengelegen balkon zijn de onderdelen als kolommen, balusters, latei en boogdelen eveneens van natuursteen. De open torengeleding onder het zinken klokdak met windvaan is in hout uitgevoerd. Een door gesneden houten korbelen gedragen bakgoot onder een gepleisterde fries, verzorgt de afvoer van hemelwater in de hoofdmassa. In de tweelaagse aanbouw wordt de bakgoot door gesneden klossen ondersteund. In de dakvlakken komen platgedekte en aangekapte dakkapellen voor met stolpraam of vier gekoppelde draairamen. Alleen twee dakkapellen in de voorzijde op de hoeken worden door een zinken koepeldakje met piron gedekt. De zuidelijk georiënteerde VOORGEVEL bevat vijf vensterassen en wordt door een brede ronde erker in de centrale as van de gevel, symmetrisch ingedeeld. Op de erker sluit een balkon met dubbele deuren en ter weerszijden een smal raam aan. In het dakvlak komt hierboven een dakkapel met vier gekoppelde ramen voor; links en rechts de eerder vermelde dakkapellen met koepeldak. De hoektoren links springt ten opzichte van de gevel iets terug. De portiek leidt via een hardstenen trapje naar de beglaasde paneelvoordeur. Rechts van het trapje komt een gevelsteen voor: 'EERSTE STEEN GELEGD/ DOOR/ ANNA INGERMAN/ OUD 13 JAAR/ HUIZE LEEMKUIL/ 3 JULI 1909'. Het bordes is voorzien van granito en wordt overwelfd door troggewelven met rood en geel verblendsteen metselwerk. De voorzijde en linkerzijde met borstwering (balusters), worden afgesloten door een rondboog van uit drie rijen bestaande koppenlaag met natuurstenen aanzet- en sluitstenen. De hoekkolom en de muurdammen waarop de bogen rusten zijn bewerkt. Het inpandige balkon wordt aan de voor- en linkerzijde door een natuurstenen, bewerkte latei afgesloten die in het midden van de boogopening halverwege de borstwering door een natuurstenen zuil wordt ondersteund. De latei rust in tegenstelling tot de situatie begane gronds, op een gemetselde hoekkolom en op een gemetselde muurdam. Het balkon wordt door een identiek troggewelf als in de portiek overkluisd. De derde geleding van de toren is zoals eerder gezegd, open en door houten stijlen per zijde in drieën verdeeld. Een klokdak met leien vormt de bekroning.
De LINKER ZIJGEVEL bestaat links uit de lagere en terugwijkende aanbouw met drie vensterassen waarvan de linkse twee, begane gronds, door de plaatsing van het tussenlid naar de nieuwbouw zijn gewijzigd. De bovenlichten zijn al dan niet door roeden gedeeld. De linkerzijde van de hoofdmassa eindigt in een topgevel die boven de aanbouw reikt en waarin zich in de top een stolpraam bevindt. De rechterzijde die de zijgevel vormt van de hoofdmassa, bevat links temidden van twee ramen vleugel(paneel)deuren die eens op een veranda aansloten, waarvan nu slechts de hardstenen plint en dito trap op gemetselde voetmuur resteert. Op de verdieping komen alleen boven de twee ramen identieke ramen voor. De rechterzijde van de gevel bestaande uit een lichtrisalerend muurvlak bevat boven het standaardraam in de eerste bouwlaag een smallere variant van het raam. Gescheiden door een blind uitgevoerd muurvlak bevindt zich geheel rechts de hiervoor beschreven linkerzijde van de hoektoren. In het dakvlak komt een dakkapel voor met vier ramen zoals dat ook voorkomt in de voorgevel.
De ACHTERGEVEL wordt gekenmerkt door de lagere aanbouw rechts tegen de gevel en in de hoofdmassa levert het verspringen van muurvlakken, de plaatsing van driestrooksvensters op ongelijke hoogte waarbij, op Vlaamse gevels gelijkende elementen, in het dak ingrijpen, een onevenwichtig beeld op. Tegen de achterzijde van de aanbouw sluit een tussenlid aan met rechts daarvan een ongedeeld raam met een als valraam uitgevoerd bovenlicht. Voor het overige is deze zijde blind uitgevoerd. De linkerzijde bevat in de hoek met de hoofdmassa een uitgebouwd platgedekt portaal met beglaasde paneeldeur en zijlicht. Het terugliggende muurvlak met gepaarde klapramen boven een trap naar de kelder, bevat in de tweede bouwlaag een driestrooksvenster. De rechterzijde van de aanbouw bevat boven de moderne deur met bovenlicht een standaard stolpraam. Rechts van de deur is een halfsteense platgedekte uitbouw aanwezig met vleugeldeuren aan de voorzijde. De achterzijde van de hoofdmassa bezit links boven elkaar twee driestrooksvensters onder een rollaag, waarbij in het grotere venster op de begane grond de glas in loodramen in de bovenlichten ontbreken. Ter plaatse van de bakgoot en geflankeerd door vanuit het muurwerk opgetrokken opzetstukken is een aangekapte dakkapel geplaatst. Rechts bevindt zich in de hoek met het eerder beschreven, platgedekte portaal een muurvlak met begane gronds een beglaasde deur. Daarboven bevindt zich het trappenhuis met per bouwlaag een driestrooksvenster waarbij het bovenste venster in het dak ingrijpt en rijzen links en rechts een opzetstuk boven het aangekapte afdak uit. In het midden van de gevel is een uitgemetslede schoorsteen geplaatst. Rechts hiervan komt nog net zichtbaar een dakkapel voor.
De RECHTER ZIJGEVEL wordt gedomineerd door een grote op een voet muur rustende houten erker op 5/8 grondslag. De vier vensterassen bevatten gedeelde grote ramen; alleen de voorzijde bevat een driedeling waarin in het midden een paar schuifdeuren voorkomt naar buiten met zijlichten. Met uitzondering van de vensteras in de voorzijde die zeven bovenlichten (glas- in-loodramen) telt, bevatten de overige vensterassen er vier waarvan er enkele als valraam zijn uitgevoerd. Het dakoverstek wordt ondersteund door gesneden klossen. Op het platte dak sluiten links en rechts een paar balkondeuren aan op het oorspronkelijke balkon. Tussen beide deuren bevinden zich drie gekoppelde glas-in-loodramen. In het dakvlak komt een aangekapte en platgedekte dakkapel voor met vier gekoppelde ramen.
Het INTERIEUR valt op door zijn grote mate van gaafheid, waarbij oorspronkelijke interieur-onderdelen zijn bewaard gebleven. De onder meer met een tegellambrizering uitgeruste hal bezit van reliëf voorziene vloertegels, een vestibulewand met geslepen ruitjes, rijk gesneden korbeelstellen en een betegelde houten schoorsteenmantel op marmeren neuten. In de hal en overloop alsook in enkele kamers komt een geornamenteerd stucplafond (onder de soms verlaagde plafonds die gemakkelijk te verwijderen zijn) voor. De brede deurkozijnen zijn evenals de paneeldeuren en borstwering van de trap in de hal aanwezig maar zorgvuldig afgetimmerd. De kamer en suite is eveneens in takt en bezit geslepen glas. Vanuit twee kamers leidt een toegang via schuifdeuren naar de grote erker die een houten lambrizering bezit. De omvangrijke kelder bezit een troggewelf.
Waardering
LANDHUIS gebouwd in 1909 in eclectische stijl
- Van architectuurhistorisch belang als voorbeeld van een in in- en exterieur goed en gaaf bewaarde villa rond 1900. Ondanks de verschillende gewijzigde gebruiksfunkties is er sprake van een goed bewaard en rijk uitgevoerd interieur met vloertegels, schouwen en lambrizeringen. Het pand valt behalve door de twee erkers, onder meer op door zijn fraaie hoektorentje boven de portiek, subtiele detailleringen in de gevels en vele gaaf bewaarde glas-in-loodramen.
- Van stedenbouwkundig belang vanwege zijn ligging in een bosrijke omgeving even buiten het centrum van Wageningen.
- Van cultuurhistorisch belang als herkenbaar element uit een maatschappelijke ontwikkeling als voorbeeld van huisvesting van een nieuwe kapitaalkrachtige elite die zich bij voorkeur vestigde buiten de stad in een omgeving met veel natuurschoon.
English translation
The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com
Description
Introduction
Former COUNTRY HOUSE, ('HUIZE DE LEEMKUIL'), built by architect C.G.M. Nieraad from Arnhem, in 1909 in eclectic style. The client was Mr Helenus Ingerman. A few years after construction the house was sold following the early death of the first occupant. With the new owner the function of the building also changed and the country house was converted into a luxury hotel. But soon business stagnated, making a sale necessary. This changed the function once again. From circa 1924 a recovery home (for civil servants from Amsterdam) was established there. Since the early nineties of the twentieth century, it has been in use as an asylum seeker centre with some extensions of outbuildings.
The house stands in the midst of an extensive garden planted with large trees and is separated from the Keyenbergseweg by a fence at the front. The garden layout and fencing, as well as the modern extensions connected by an intermediate section on the left and rear side, do not fall under protection.
Description
The country house is laid out on a composite ground plan and faces the road with its southern front facade. The main body, consisting of two storeys and an attic storey (under a hipped roof covered with slate in Maas bond), is extended at the rear with a two-storey extension under a flat roof. The building has facades built in brick (English bond) above an all-round sash window terminated by a roll moulding, natural stone detailing, two bay windows, a veranda and a south-western corner tower above an internal porch. The facades are architecturally articulated by single or double white brick decorative sills at the height of the window transoms and lintels and are terminated below the cornice by an equally continuous roll moulding. Only in the main body does a decorative sill also connect the drip mouldings of the windows. Most of the windows in the main body have casements; the rear side features mainly three-light windows. Noteworthy are the preserved stained-glass windows in almost all the fanlights. The windows all rest on natural stone sills, have in the ground floor of the front and left side facade a natural stone worked lintel and are provided on the attic storey in the 1½ brick width above the windows with setting stones in the same material. In the porch and the overlying balcony the components such as columns, balusters, lintels and arch elements are likewise of natural stone. The open tower articulation under the zinc bell roof with weathervane is executed in wood. A bakgout carried by carved wooden corbels under a plastered frieze provides the drainage of rainwater in the main body. In the two-storey extension the bakgout is supported by carved blocks. In the roof planes there are flat-topped and sloped roof dormers with casements or four coupled casement windows. Only two roof dormers on the front at the corners are covered by a zinc cupola roof with finial. The south-facing FRONT FACADE contains five window bays and is symmetrically arranged by a broad round bay window in the central axis of the facade. A balcony with double doors adjoins the bay window and a narrow window on each side. In the roof plane above this there is a roof dormer with four coupled windows; to the left and right the aforementioned roof dormers with cupola roof. The corner tower on the left steps back slightly with respect to the facade. The porch leads via a stone step to the glazed panel front door. To the right of the step there is a facade stone: 'FIRST STONE LAID / BY / ANNA INGERMAN / AGED 13 YEARS / HUIZE LEEMKUIL / 3 JULY 1909'. The landing is provided with terrazzo and is spanned by barrel vaults with red and yellow brick masonry. The front and left side with balustrade (balusters), are terminated by a round arch consisting of three rows of stretcher bond with natural stone setting and closure stones. The corner column and the wall piers on which the arches rest are worked. The internal balcony is terminated on the front and left side by a natural stone worked lintel which in the middle of the arch opening halfway up the balustrade is supported by a natural stone column. The lintel rests, unlike the situation on the ground floor, on a masoned corner column and on a masoned wall pier. The balcony is roofed over by an identical barrel vault as in the porch. The third articulation of the tower is, as previously stated, open and divided into three by wooden posts on each side. A bell roof with slate forms the crown.
The LEFT SIDE FACADE consists on the left of the lower and recessed extension with three window bays, of which the two left ones on the ground floor have been altered by the placement of the intermediate section towards the new building. The fanlights are divided by glazing bars or not. The left side of the main body ends in a stepped gable which rises above the extension and in the apex of which is a casement. The right side, which forms the side facade of the main body, contains centre-left of two windows casement doors which once adjoined a veranda, of which only the stone plinth and likewise step on a masoned base wall now remain. On the attic storey only above the two windows identical windows appear. The right side of the facade consisting of a slightly projecting wall plane contains above the standard window in the first storey a narrower variant of the window. Separated by a blank wall plane there is entirely to the right the aforementioned left side of the corner tower. In the roof plane there is a roof dormer with four windows as also occurs in the front facade.
The REAR FACADE is characterised by the lower extension on the right against the facade and in the main body the offset of wall planes, the placement of three-light windows at unequal heights whereby elements resembling Flemish gables cut into the roof, creating an unbalanced appearance. Against the rear of the extension an intermediate section adjoins with to the right of it an undivided window with a drop window fanlight. For the rest this side is executed blank. The left side contains in the corner with the main body a projecting flat-roofed porch with glazed panel door and sidelight. The recessed wall plane with paired casement windows above a stair to the cellar, contains on the second storey a three-light window. The right side of the extension contains above the modern door with fanlight a standard casement. To the right of the door is a half-brick flat-roofed extension present with casement doors on the front. The rear of the main body has on the left one above the other two three-light windows under a roll moulding, whereby in the larger window on the ground floor the stained-glass windows in the fanlights are missing. At the location of the bakgout and flanked by set-up pieces rising from the masonry a sloped roof dormer is placed. To the right is in the corner with the previously described flat-roofed porch a wall plane with on the ground floor a glazed door. Above this is the staircase with per storey a three-light window whereby the upper window cuts into the roof and to the left and right a set-up piece rises above the sloped roof projection. In the middle of the facade is a built-up chimney placed. To the right of it a roof dormer is still just visible.
The RIGHT SIDE FACADE is dominated by a large wooden bay window resting on a base wall on a 5/8 base. The four window bays contain divided large windows; only the front contains a three-part division in which in the middle a pair of casement doors opens outward with sidelights. With the exception of the window bay on the front which has seven fanlights (stained-glass windows), the remaining window bays have four of which some are executed as drop windows. The roof overhang is supported by carved blocks. On the flat roof a pair of balcony doors on each side adjoins the original balcony. Between both doors are three coupled stained-glass windows. In the roof plane there is a sloped and flat-roofed roof dormer with four coupled windows.
The INTERIOR is notable for its high degree of integrity, with original interior components having been preserved. The hall, which among other things is equipped with a tile wainscot, possesses relief floor tiles, a vestibule wall with cut glass, richly carved corbel sets and a tiled wooden fireplace mantel on marble feet. In the hall and landing as well as in some rooms a decorated stucco ceiling occurs (under sometimes lowered ceilings which are easy to remove). The broad door frames are present like the panel doors and balustrade of the stair in the hall but carefully boarded up. The en suite room is likewise intact and possesses cut glass. From two rooms a passage via sliding doors leads to the large bay window which possesses a wooden wainscot. The extensive cellar possesses a barrel vault.
Valuation
COUNTRY HOUSE built in 1909 in eclectic style
- Of architectural historical interest as an example of a villa around 1900 well and substantially preserved in both interior and exterior. Despite the various changed uses the building features a well-preserved and richly executed interior with floor tiles, fireplaces and wainscots. The building stands out besides for its two bay windows, among other things through its fine corner tower above the porch, subtle detailing in the facades and many well-preserved stained-glass windows.
- Of urban planning interest because of its location in a wooded environment just outside the centre of Wageningen.
- Of cultural historical interest as a recognisable element of a social development as an example of housing for a new monied elite which preferred to settle outside the city in an environment with much natural beauty.
Nearby in the register
- Archeologie, Papenpad WageningenArcheologieunder 1 mi
- Archeologie, Nol in 't Bos WageningenArcheologieunder 1 mi
- Archeologie, Bennekomse bosArcheologieunder 1 mi
- 'De Born'Gezondheidszorgunder 1 mi
Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.