Rijksmonumentenregister · Netherlands
Instructielaboratorium, Haagsteeg 4
Wageningen, Gelderland, Netherlands
The record
- Designation
- National monument (rijksmonument)
- Class
- Onderwijs en wetenschap
- Function
- Instructielaboratorium
- Category
- onroerend gebouwd
- Built
- 1921 - 1923
- Address
- Haagsteeg 4, 6708 PM Wageningen
- Place
- Wageningen
- Province
- Gelderland
- Country
- Netherlands
- Coordinates
- 51.97272, 5.65406
- Monument number
- 522212
Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.
University Library, Vrije Universiteit AmsterdamUniversity Library, Vrije Universiteit AmsterdamUniversity Library, Vrije Universiteit Amsterdam
3 historical maps cover this location, the earliest the 1910 map "39 Rhenen" (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).
This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗
The register's description
Omschrijving
Inleiding
LABORATORIUM voor Tuinbouwplantenteelt voor de Landbouwhogeschool, gebouwd door de architect Cornelis J. Blaauw (1885-1947), in Amsterdamse schoolstijl in 1921-23.
De jonge architect C. J. Blaauw ontwierp drie laboratoria in Wageningen waarvan zich er twee op de Wageningse berg bevinden. Het Microbiologisch Laboratorium en het Laboratorium voor Plantenfysiologie zijn in 1922 gerealiseerd in een voor die tijd spraakmakende architectuur en hoge kosten. Het Laboratorium voor Tuinbouwplantenteelt (Haagsteeg 3a) zou een jaar later in (1923), elders in een versoberde vorm worden uitgevoerd wegens overschreden bouwkosten van zijn voorgangers. Opmerkelijk aan de gebouwen is het met name voor onderwijsgebouwen afwijkende, op plasticiteit en decoratieve vormgeving gerichte uiterlijk. Daarbij is gebruik gemaakt van verschillende materialen als hout en kalksteen, waarbij in de expressieve vormgeving duidelijk estethische kwaliteiten op de voorgrond treden. Binnen de rijke vormentaal van de Amsterdamse schoolstijl is vervolgens de (veelal expressieve) toepassing van baksteen kenmerkend, het horizontale karakter (gekoppelde ramen met zwaar uitgevoerde dorpels) met speelse verdelingen van diverse elementen over de gevels onder forse dakoverstekken, de brede opzet en sierlijke paraboolvormige bogen gecombineerd met gevelbeelden. Deze zijn van de hand van Johan Polet (1894-1971), die voor veel gevelbeelden aan Amsterdamse schoolgebouwen in hout of steen, verantwoordelijk is geweest.
Als derde gebouw in de rij van gebouwen voor de Landbouwhogeschool in Wageningen van de architect C.J. Blaauw, werd om reden van bezuiniging afgezien van het eerste ontwerp (1920), dat veel meer beantwoordde aan de plastische vormentaal van de Amsterdamse school. Het uiteindelijke gebouw werd uitgevoerd naar een zakelijker ontwerp waarin kenmerken van de traditionele landelijke architectuur waren opgenomen zoals de kapvorm en een terrasvormige aanleg. De voorgevel bezit in de deurpartij fraai beeldhouwwerk.
Het gebouw is vrij gesitueerd, iets verhoogd gelegen, temidden van een, ten dele bewaard gebleven tuinaanleg van de tuinarchitect L. Springer.
Cornelis J. Blaauw (1885-1947), was van 1919-1924 werkzaam als architect in dienst van Rijksbouwmeester Th. Teewisse. Deze was verantwoordelijk voor de Landsgebouwen in het Eerste District en stelde jonge architecten aan in een periode, naar wat eerst later zou blijken van korte duur, waarin het hen mogelijk werd gemaakt vrij van door de Staat opgelegde richtlijnen te ontwerpen. Blaauw ontwierp zoals gezegd, drie laboratoria in Wageningen. Hij vestigde zijn naam met de drie villa's Meerhoek, Beek en Bosch en Boschkant, eind jaren 1910 in Bergen, in de eerder genoemde stijl.
Omschrijving
Het als kantoor in gebruik zijnde gebouw bezit een nagenoeg rechthoekige plattegrond met lichte projecties ter plaatse van de middenas. Het souterrain beslaat de oppervlakte van het gebouw dat twee bouwlagen telt en is voorzien van een hoge zolderverdieping. In het enorme, met rode daktegels belegde schilddak komen, behalve aan de voorzijde waar zich moderne dakramen bevinden, dakkapellen voor. De dakschilden van de zijgevels zijn over de tweede bouwlaag naar beneden doorgetrokken, terwijl de risalerende delen in de voor- en achtergevel worden gedekt door verlengingen vanuit het aangrenzende dak tot halverwege de verdieping. De symmetrisch ingedeelde, in baksteen opgetrokken gevels (Vlaams metselverband), bevatten op een enkele uitzondering na, vensters met gekoppelde ramen en zwaar uitgevoerde houten dorpels die de horizontaliteit benadrukken. Opmerkelijk is dat boven de ramen in de twee bouwlagen een (horizontale) ontlastingsboog veelal ontbreekt. De voor- en achtergevel worden naar de zijkanten door zich naar boven toe verjongende muurdammen beëindigd. In het voorschild is links een schoorsteen met metalen kap aanwezig.
De brede VOORGEVEL is naar de weg gericht. Twee gemetselde trapjes leiden via twee niveaus naar het bordes voor de ingang. De zijkanten van de bovenste trap die ter plaatse van het bordes de hoogte van een plint bezitten, gaan ononderbroken in de paraboolvormige, (twee steens)boog over die de deurpartij markeert. Onder de kalkstenen sluitsteen van de boog, in de vorm van een masker, is de beglaasde en van een deurrooster voorziene paneeldeur geplaatst die de spitse beëindiging van de boog heeft overgenomen. Ter weerszijden van de ingangspartij is het uit glas-in-lood bestaande zijlicht door horizontale spijlen verdeeld. Het deurkozijn rust op hardstenen neuten en dito dorpel. De risalerende ingangspartij wordt boven onder een bakgoot afgesloten door zeven gekoppelde (deels klap)ramen waarvan de buitenste naar de zijkanten van dit vooruitspringende bouwdeel zijn omgehoekt. De hoeken en dammen tussen de ramen zijn in een gecanneleerde profilering uitgewerkt.
Aansluitend aan de voorzijde van de risaliet, bevindt zich links en rechts een lage gemetselde borstwering waarachter zich een helling bevindt die leidt naar het souterrain. Deze is evenwijdig gelegen met de voorgevel; links voorzien van vijf (dichtgezette) rondboogvormige vensters en rechts van vier rechtgesloten (eveneens dichtgezette) vensters, die alle zijn gevat tussen een uitgemetselde lekdorpel en een rollaag. Beide toegangen met een paneeldeur, waarin vier onder elkaar geplaatste ruitjes, zijn gesitueerd in de binnenhoek van de risaliet en voorgevel en worden door een licht aflopend dakje gedekt. Onder het betonnen dak dat ter halve hoogte reikt van de ingangspartij in de risaliet, komen in elk van de toegangen per zijde drie raampjes voor. Boven deze dakjes komt een gekoppeld raampje voor waarvan een in de muur van de risaliet voorkomt en de ander in de voorgevel. De linker- en rechterzijde van de voorgevel bevat begane gronds, een uit vijf ramen met bovenlichten bestaand gekoppeld venster. Op de verdieping komt een venster voor met drie (drieruits) stolpramen. In de hoek met de risaliet is nog een klein raampje aanwezig.
De LINKER ZIJGEVEL bevat enkel vier gekoppelde ramen. De gevel ligt tussen de geprojecteerde muurdammen van voor- en achtergevel geklemd, die aan de voet in paraboolvormige bloembakken overgaan. In het dakvlak komt een platgedekte dakkapel voor met driestrooksvenster waarin alleen aan weerszijden, door roeden verdeelde (drieruits) ramen.
De ACHTERGEVEL, die in aanleg overeenkomsten vertoont met de voorgevel, bevat in het verlengde van de voorgevel een naar voren springend gedeelte dat eveneens wordt gedekt door een uit het dakschild doorgetrokken dakvlak. Boven de oorspronkelijke dakkapel met vijf ramen, is recent een tweede dakkapel geplaatst. Links bevindt zich een modern Velux-raam.
Het risalerende bouwdeel bevat ter hoogte van het souterrain zes stalen raampjes onder een rollaag. In de eerste bouwlaag komt een vijfstrooks venster voor (waarvan de buitenste als klapraam zijn uitgevoerd) en daarboven halverwege de twee bouwlagen een door twee horizontale dorpels en twee verticale stijlen ingedeeld venster.
Aan weerszijden van de risaliet komt een bordes voor, evenwijdig aan de gevel met in het souterrain respectievelijk drie rondboogvormige en vier rechtgesloten (dichtgezette) vensters waarin stalen raampjes. Alleen rechts leidt, haaks op de gevel, een toegang naar het souterrain. Rechts hiervan is een later gebouwd opslaghok (chemicaliën) geplaatst. In deze zijde komt een vensteropening voor waarin een beglaasde deur, drie vaste ramen en een stolpraam met vijf bovenlichten zijn opgenomen. De situatie links wijkt in zoverre af dat het hier een zesstrooks venster betreft waarbij in plaats van het stolpraam een vastraam voorkomt en geheel links het extra raam door drie horizontale roeden is ingedeeld. De verdiepingen bevatten aan beide zijden van de gevel identieke vensters met drie gekoppelde (drieruits) stolpramen.
De RECHTER ZIJGEVEL heeft in tegenstelling tot de linker zijgevel één enkelvoudig raam. De dakkapel is gekoppeld en bevat vier ramen waarvan de buitenste als draairaam zijn uitgevoerd en door twee horizontale roeden zijn ingedeeld. De twee muurdammen zijn van het eerder beschreven type.
Ten tijde van de inventarisatie werden voornamelijk in het INTERIEUR werkzaamheden uitgevoerd ten behoeve van een nieuwe (kantoor)bestemming, waarbij voor wat betreft de ruimtelijke indeling als belangrijkste wijziging in de zolderverdieping een vide werd geplaatst. Het interieur kenmerkt zich evenals het exterieur door een in hoofdlijnen symmetrische indeling. In de centrale, met vergrijsde muurtegels en zwart-witpatroon tegelvloer uitgeruste, hal met (bordes)trap en gesloten borstwering zijn de vestibuledeuren aanwezig evenals de overige oorspronkelijke paneeldeuren. Het gebouw bezit herkenbare onderdelen die behoren bij de functie van de ruimten: liftschacht in de hal, kluizen in het souterrain, zo zijn zuurkasten (onder meer in collegezaal, achtergevel) en lambrizeringen (in kantoor en leermiddelenkamer) aanwezig. Enkele vensterbanken zijn in natuursteen uitgevoerd.
Waardering
LABORATORIUM voor tuinbouwplantenteelt voor de Landbouwhogeschool, gebouwd door de architect Cornelis J. Blaauw in Amsterdamse schoolstijl in 1921-23.
- Van architectuurhistorisch belang als gaaf en goed bewaard voorbeeld van een schoolgebouw, dat typologisch bijzonder is, in de stijl van de Amsterdamse School. Het gebouw vormt met de twee overige laboratoria in Wageningen een representatief beeld van het oeuvre van de architect C.J. Blaauw en een rijk uitgevoerd voorbeeld van de Amsterdamse Schoolstijl.
- Van stedenbouwkundig belang als onderdeel van het plan enkele onderwijsgebouwen te realiseren ten behoeve van de uitbreiding van het Landbouwhogeschoolonderwijs in het eerste kwart van de 20ste eeuw.
- Van cultuurhistorisch belang als voorbeeld van een onderwijsgebouw volgens de voor die tijd moderne eisen gebouwd en ingericht. Van belang voor het landbouwkundig onderzoek in Nederland.
English translation
The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com
Description
Introduction
LABORATORY for Horticultural Plant Cultivation for the Agricultural College, built by the architect Cornelis J. Blaauw (1885-1947), in Amsterdam School style in 1921-23.
The young architect C. J. Blaauw designed three laboratories in Wageningen, two of which are located on the Wageningen hill. The Microbiological Laboratory and the Laboratory for Plant Physiology were realised in 1922 in, for that time, remarkable architecture and at high cost. The Laboratory for Horticultural Plant Cultivation (Haagsteeg 3a) would a year later in (1923), be executed elsewhere in a more austere form owing to exceeded building costs of its predecessors. Remarkable about the buildings is the appearance, which for educational buildings deviates, directed towards plasticity and decorative design. Various materials were used such as wood and limestone, whereby in the expressive design clearly aesthetic qualities come to the fore. Within the rich formal vocabulary of the Amsterdam School style, the (mostly expressive) application of brick is subsequently characteristic, the horizontal character (coupled windows with heavily executed sills) with playful divisions of various elements over the facades under substantial roof overhangs, the broad composition and graceful parabolic arches combined with facade sculptures. These are the work of Johan Polet (1894-1971), who was responsible for many facade sculptures on Amsterdam School buildings in wood or stone.
As the third building in the series of buildings for the Agricultural College in Wageningen by the architect C.J. Blaauw, for reasons of economy, the first design (1920) was abandoned, which much more corresponded to the plastic formal vocabulary of the Amsterdam School. The final building was executed according to a more businesslike design in which characteristics of traditional rural architecture were incorporated such as the roof form and a terrace-like layout. The front facade possesses fine sculptural work in the door section.
The building is freely situated, somewhat elevated, amid a, partly preserved garden layout by the garden architect L. Springer.
Cornelis J. Blaauw (1885-1947), was employed from 1919-1924 as an architect in the service of State Architect Th. Teewisse. He was responsible for the Government Buildings in the First District and appointed young architects in a period, as would later become clear to be of short duration, in which they were enabled to design free from guidelines imposed by the State. Blaauw designed, as mentioned, three laboratories in Wageningen. He made a name for himself with the three villas Meerhoek, Beek and Bosch and Boschkant, at the end of the 1910s in Bergen, in the aforementioned style.
Description
The building, in use as an office, possesses an almost rectangular floor plan with slight projections at the location of the central axis. The basement covers the area of the building, which has two storeys and is provided with a high attic storey. In the enormous hipped roof covered with red roof tiles, except at the front where modern roof windows are present, dormer windows occur. The roof panels of the side facades are extended over the second storey downwards, while the projecting parts in the front and rear facade are covered by extensions from the adjacent roof to halfway up the storey. The symmetrically arranged, brick-built facades (Flemish bond), contain, with few exceptions, windows with coupled windows and heavily executed wooden sills that emphasise the horizontality. Remarkable is that above the windows in the two storeys a (horizontal) relieving arch is mostly absent. The front and rear facade are terminated at the sides by wall dams that taper upwards. In the front panel is on the left a chimney with metal cap present.
The broad FRONT FACADE is oriented towards the road. Two brick stairways lead via two levels to the landing before the entrance. The sides of the upper stairway, which at the location of the landing have the height of a plinth, pass uninterrupted into the parabolic, (two-brick) arch that marks the door section. Under the limestone keystone of the arch, in the form of a mask, is placed the glazed and provided with a door grate panel door that has taken over the pointed termination of the arch. On either side of the entrance section, the fanlight consisting of leaded glass is divided by horizontal glazing bars. The door frame rests on hardstone reveals and likewise sill. The projecting entrance section is closed above under a gutter by seven coupled (partly casement) windows, the outermost of which are angled towards the sides of this projecting building part. The corners and dams between the windows are worked out in a fluted profile.
Adjacent to the front of the risalit, there is on the left and right a low brick parapet wall behind which is a slope that leads to the basement. This is parallel to the front facade; on the left provided with five (sealed) semicircular windows and on the right with four straight-closed (likewise sealed) windows, which are all set between a bedded drip moulding and a roll moulding. Both entrances with a panel door, wherein four vertically placed panes, are situated in the inner corner of the risalit and front facade and are covered by a slightly sloping roof. Under the concrete roof that reaches halfway up the entrance section in the risalit, in each of the entrances per side three small panes occur. Above these roofs comes a coupled small window, one of which is in the wall of the risalit and the other in the front facade. The left and right side of the front facade contains on the ground floor, a coupled window consisting of five windows with fanlights. On the storey comes a window with three (three-pane) casement windows. In the corner with the risalit there is still a small pane.
The LEFT SIDE FACADE contains only four coupled windows. The facade is confined between the projected wall dams of the front and rear facade, which at the base pass into parabolic flower boxes. In the roof panel comes a flat-topped dormer window with three-light window wherein only on either side, glazing-bar divided (three-pane) windows.
The REAR FACADE, which in arrangement shows similarities with the front facade, contains in the extension of the front facade a projecting part that is likewise covered by a roof panel extended from the roof. Above the original dormer window with five windows, a second dormer window has recently been placed. On the left there is a modern Velux window.
The projecting building part contains at the level of the basement six steel small windows under a roll moulding. In the first storey comes a five-light window (of which the outermost are executed as casement windows) and above it halfway between the two storeys a window divided by two horizontal sills and two vertical stiles.
On either side of the risalit comes a landing, parallel to the facade with in the basement respectively three semicircular and four straight-closed (sealed) windows wherein steel small windows. Only on the right leads, perpendicular to the facade, an access to the basement. To the right of this a later-built storage shed (chemicals) has been placed. In this side is a window opening wherein a glazed door, three fixed windows and a casement window with five fanlights are included. The situation on the left differs in that this is a six-light window whereby instead of the casement window a fixed window is present and entirely on the left the extra window is divided by three horizontal glazing bars. The storeys contain on both sides of the facade identical windows with three coupled (three-pane) casement windows.
The RIGHT SIDE FACADE, in contrast to the left side facade, has one single window. The dormer window is coupled and contains four windows, of which the outermost are executed as pivot windows and are divided by two horizontal glazing bars. The two wall dams are of the type described earlier.
At the time of the inventory, work was predominantly carried out in the INTERIOR on behalf of a new (office) use, whereby as far as the spatial arrangement is concerned the main alteration in the attic storey was the placement of a void. The interior, like the exterior, is characterised by a symmetrical arrangement in its main lines. In the central hall, equipped with greyed wall tiles and black-and-white pattern tile floor, with (landing) staircase and closed parapet wall, the vestibule doors are present as well as the other original panel doors. The building possesses recognisable components that belong to the function of the rooms: lift shaft in the hall, safes in the basement, so fume hoods (among other things in lecture hall, rear facade) and wainscoting (in office and teaching materials room) are present. Some window sills are executed in natural stone.
Valuation
LABORATORY for horticultural plant cultivation for the Agricultural College, built by the architect Cornelis J. Blaauw in Amsterdam School style in 1921-23.
- Of architectural-historical significance as a well-preserved and intact example of an educational building, which is typologically exceptional, in the style of the Amsterdam School. The building, together with the two other laboratories in Wageningen, forms a representative picture of the oeuvre of the architect C.J. Blaauw and a richly executed example of the Amsterdam School style.
- Of urban planning significance as part of the plan to realise several educational buildings for the benefit of the expansion of agricultural college education in the first quarter of the 20th century.
- Of cultural-historical significance as an example of an educational building constructed and fitted out according to the modern requirements of that time. Of significance for agricultural research in the Netherlands.
Nearby in the register
- Fort, vesting en -onderdelen, Plantsoen bij 3Fort, vesting en -onderdelenunder 1 mi
- Gracht, Beloop stadsgracht rondom stadscentrum WageningenGrachtunder 1 mi
- proefboerderijOnderwijs en wetenschapunder 1 mi
- Werk-woonhuis, Hoogstraat 32Werk-woonhuisunder 1 mi
Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.